Sinds wanneer bestaat België? ‘Pas vanaf 1839!’ hielden Nederlanders lang vol, toen koning Willem I zich neerlegde bij de onafhankelijkheid. De zuiderburen zien 1830, het jaar van de Belgische Revolutie, als startpunt. Historici Emanuel Gerard en Frederik Verleden, verbonden aan de KU Leuven, gaan uit van 1830. Zij schreven een handboek voor geschiedenisstudenten: De ongrijpbare macht. Politieke geschiedenis van België.
Tijdens de Tachtigjarige Oorlog, op zijn laatst vanaf de val van Antwerpen in 1585, raakten de Nederlanden verdeeld in een protestants noorden en een katholiek zuiden. In de tussenliggende eeuwen waren Nederland en België blijkbaar te verschillend geworden om nog één staat te kunnen zijn.
Verschillen zijn er zeker, al was het maar de taalstrijd tussen Nederlands- en Franstaligen waar Nederlanders zich niet in kunnen verplaatsen. Toch zijn er ook overeenkomsten, in ieder geval in de politieke geschiedenis.
19e eeuw: liberalen tegenover confessionelen
In beide landen draaide het in de negentiende eeuw om de politieke tegenstelling tussen liberalen en confessionelen. In Nederland zetten liberalen lang de toon. De liberaal Thorbecke ontwierp in 1848 de Nederlandse Grondwet. Zij verafschuwden groeps- en partijbelang boven het algemeen belang. Liberale partijen kwamen er pas toen het onvermijdelijk was geworden (andere stromingen hadden al partijen; de invoering van een evenredig kiesstelsel). De eerste politieke partij was de (gereformeerde) Anti-Revolutionaire Partij (ARP) in 1879.
In België ontstonden politieke partijen eerder dan in Nederland. De Liberale Partij werd opgericht in 1846. In de jaren 1860 gingen conservatieve en katholieke kiesverenigingen op in de Katholieke Partij.
In Nederland begrepen veel liberalen niet waar antirevolutionairen zich druk over maakten. In België waren de spanningen wederzijds. België lijkt in dat opzicht meer op Frankrijk, waar in de (lange) negentiende eeuw polarisatie bestond tussen seculiere, veelal progressieve republikeinen en koningsgezinde katholieken en conservatieven. Het koningshuis stond in België (toen) niet ter discussie, maar de liberalen kregen antiklerikale trekken, terwijl de katholieken hen goddeloosheid verweten. Een scheidslijn die verweven zou raken met de taalstrijd: Nederlandstalige Vlamingen stemden overwegend katholiek, Franstalige Walen liberaal of socialistisch.

Interbellum
Nederland bleef neutraal tijdens de Eerste Wereldoorlog, België werd binnengevallen door Duitsland. Toch betekende deze periode voor beide landen een politieke pacificatie. In 1917 werden in Nederland de politieke tegenstellingen van de vorige eeuw begraven: algemeen (mannen)kiesrecht in ruil voor gelijke financiering van openbaar en bijzonder (confessioneel) onderwijs. In België gebeurde dit slechts tijdelijk. In de jaren vijftig ontstond zelfs een tweede Schoolstrijd tussen voorstanders van openbaar en christelijk ‘vrij’ onderwijs.
Wel had België van 1918 tot 1921 regeringen van nationale eenheid: socialisten, liberalen en katholieken. In Nederland kwamen de socialisten, als gevolg van de vergissing van Troelstra, pas in 1939 in de regering. Al werd ook in België in de rest van het interbellum bij voorkeur zonder socialisten geregeerd.
Na WO II
Beide landen waren in de twintigste eeuw driestromenlanden: socialisten, christen-democraten en liberalen, met meestal een christen-democratische premier. Direct na de oorlog werd de verzorgingsstaat uitgebouwd. In de jaren zeventig ontstond economische recessie. In de jaren tachtig werd geprobeerd die te bestrijden door minder overheid en meer marktwerking.
In de tweede helft van de jaren negentig leken de christen-democraten, als gevolg van ontkerkelijking, ontzuiling en individualisering, over hun hoogtepunt heen. En zelfs dan is er een overeenkomst. In de jaren tachtig en negentig waren er eerst confessioneel-liberale regeringen, werden de liberalen als coalitiepartner verruild voor de socialisten, om te eindigen met ‘paarse’ regeringen van socialisten en liberalen zónder christen-democraten. Het ‘technocratische’ paars werd kort na de millenniumwisseling vervangen door teruggekeerde christendemocraten in samenwerking met nieuwe, rechtse partijen.

Groot verschil: de taalstrijd. Eind jaren zestig en in de jaren zeventig werd in beide landen de maatschappelijke status quo uitgedaagd. Nederland volgde daarbij het West-Europese patroon: progressieve jongeren die de oudere generatie te conservatief vonden (‘reactionair’). Dit ging niet volledig aan België voorbij, maar in deze periode laaide daar de taalstrijd opnieuw op. De taalgrens tussen het Nederlands en het Frans werd vastgelegd. Landelijke politieke partijen splitsten in afzonderlijke voor Nederlands- en Franstaligen. In tot nu toe zes staatshervormingen veranderde het land van een eenheidsstaat in een federatie, met Vlaanderen, Wallonië en het tweetalige Brussel als gewesten, (deelstaten).
In een ander opzicht leek België juist meer op andere Europese landen. Eind jaren zeventig, begin jaren tachtig werden vredesbeweging en inzet voor het milieu gebundeld in een nieuwe groene politieke stroming. In Nederland ontstond GroenLinks pas eind jaren tachtig, niet zozeer als nieuwe stroming maar als bundeling van te klein geworden progressieve partijen.
Vlaams-nationalisme
Het Nederlands is de taal van 60% van de Belgen. Vlamingen van alle politieke gezindten ergeren er zich aan dat in de negentiende eeuw het bestaansrecht van het Nederlands ontkend werd (ook in Vlaanderen sprak de elite Frans!) en dat tot op heden Vlamingen tot en met het laatste jaar middelbare school Frans én Engels krijgen, terwijl het in Wallonië niet verplicht is enkele jaren Nederlands te volgen.
De Vlaamse beweging begon als culturele emancipatie van het Nederlands. Vanaf de jaren zestig streefden de Vlaamse christen-democraten (deels om Vlaams-nationalisten electoraal de pas af te snijden) naar federalisering van België, om zo de twee taalgemeenschappen hun eigen ruimte te geven. Vlaams-nationalisten zien liever een onafhankelijk Vlaanderen. Waarbij de Volksunie (1954-2001) en opvolger N-VA (sinds 2001) kiezen voor geleidelijke verandering door mee te regeren en eventueel genoegen nemen met confederalisme, zoals in Zwitserland. Vlaams Blok (1979-2004) en opvolger Vlaams Belang (vanaf 2004) willen Vlaanderen radicaal losmaken van België.

De Volksunie werd vanaf de jaren zeventig pleitbezorger van pacifisme en milieuwetgeving. Als uitdager van de bestaande partijen had zij een vergelijkbare rol als D66 in Nederland. N-VA ontwikkelde zich tot een economisch liberale en cultureel conservatieve partij, die in dat opzicht herkenbaar is voor (de rechtervleugels van) CDA en VVD. Veel Nederlandse commentatoren vergelijken de partij echter met LPF en PVV.
De ongrijpbare macht kwam najaar 2025 uit. Dat Bart de Wever (N-VA) in februari 2025 de eerste Vlaams-nationalistische premier van België werd, wordt nog vermeld.
Wallonië
Franstaligen namen de Vlaamse beweging lang niet serieus, om hen later te bestempelen als ‘separatisten’. Het hielp niet dat in beide wereldoorlogen sommige Vlaams-nationalisten collaboreerden met de Duitsers. En al helemaal niet dat Vlaams Blok leek op het Franse Front National van Jean-Marie Le Pen.
Franstaligen bleven lang ‘unitaristen’, voorstanders van België als eenheidsstaat. Vanaf de jaren zestig werkten zij mee aan federalisering. Volgens de auteurs kwam dit tegemoet aan de Vlaamse culturele en de Waalse economische eisen (232-233). In de jaren zestig begon de neergang van de West-Europese industrie. In België waren industrie en mijnbouw overwegend in Wallonië gevestigd. Vlaanderen was beter in staat de overgang naar dienstensamenleving te maken.
Interpretatie door de recensent: de Walen verkozen federalisme om in de eigen deelstaat de neergang van de industrie te compenseren door ruime sociale zekerheid. Toch paradoxaal dat de Waalse socialisten zichzelf vooruitstrevend noemen, terwijl ze in werkelijkheid liever in het verleden leven dan zich voor te bereiden op de toekomst.
Handboek

Voor de lezer onhandig dat op de beginpagina van ieder hoofdstuk niet vermeld wordt van welk jaar tot welk jaar die loopt. Misschien niet nodig voor wie als Belgisch scholier geschiedenis had of als Belgisch geschiedenisstudent het betreffende vak volgt. Iets meer oog voor geïnteresseerde leken was prettig geweest. Nu is het vooral een handboek voor studenten.
Vergeleken met Nederland verschijnen in België weinig academische en journalistieke boeken over politieke geschiedenis. De titels die verschijnen, zijn vaak van auteurs met een politieke voorkeur over (politici van) de eigen partij. Dit is een van de weinige titels die een volledig overzicht over twee eeuwen politiek geeft en alle partijen evenredig behandeld.
Het einde van de Volksunie: hoe de partij uiteenviel
De Vlaamse beweging – Een parallelle geschiedenis van België
Het verhaal van Wallonië – De uitdaging van eigenheid
Tweede Kamerverkiezingen van 1918
Hoe de invoering van de AOW werd beleefd
Een extraparlementair kabinet – Hoe werkt dat?