De Macedonische stad Thessaloniki wordt ook wel kortweg Saloniki genoemd en vormde in haar geschiedenis regelmatig het middelpunt van conflicten tussen rivaliserende machthebbers. Uiteindelijk kwam deze belangrijke havenstad in 1912 in Griekse handen, maar ging drie jaar later opnieuw een rol spelen als uitvalsbasis voor wederom een militaire campagne. Want tijdens de Eerste Wereldoorlog landde hier een leger dat bestond uit soldaten die letterlijk uit alle uithoeken van de wereld afkomstig waren en strijd moesten gaan leveren aan het zogenaamde ‘Oriënt-front’, dat nadien echter snel in de vergetelheid raakte.
Deze operatie was een vervolg op het mislukte Dardanellen-offensief, waarmee de geallieerden begin 1915 hoopten Duitsland en Oostenrijk-Hongarije te treffen door hun meest oostelijke bondgenoot, het Ottomaanse Rijk uit te schakelen. Een poging om met een oorlogsvloot Constantinopel te bereiken mislukte echter, terwijl de strijdmacht van Britten, Australiërs en Nieuw-Zeelanders die daarna bij Gallipoli landde zich na enkele maanden al weer moest terugtrekken. De tegenstand van het Ottomaanse leger was te sterk gebleken en daarom ging men het proberen tegen de Bulgaren die eveneens waren toegetreden tot de Centrale Mogendheden. Na de Britten was het dit keer de beurt aan de Fransen om de leiding te nemen en die legden het bevel voor deze actie in handen van generaal Maurice Sarrail (1856-1929).

Spoedig bleek dat muggen de grootste vijand waren, want deze besmetten grote delen van het leger met malaria en brachten daarmee de paraatheid direct in gevaar. Daarnaast ontbrak het aan de benodigde infrastructuur, zodat men maandenlang bezig was om deze op te bouwen, net als de benodigde aanvoerlijnen. Alles bijeen genomen waren de omstandigheden verre van eenvoudig en daarbij kwamen dan nog de snikhete zomers en bitterkoude winters.
Contacten met achtergebleven familieleden waren gebrekkig omdat de afstand tot het thuisfront voor de koloniale militairen vaak duizenden kilometers bedroeg. Gelegenheid voor verlof om hen te bezoeken zoals aan het Westfront was er eenvoudigweg niet. Het enige wat afwisseling bood van het eentonige leven in de kampementen en kazernes waren wandelingen door de straten van Thessaloniki. Daar waren ze vrij om te gaan en staan waar ze wilden. Bezoek aan theaters, cafés en sportwedstrijden gaf hier een welkome afleiding om de dagelijkse sleur te ontvluchten en niet te hoeven denken aan toekomstige offensieven met duizenden gesneuvelden.

Moestuintjes
Naast toeristisch vertier kwam er nog een andere vrijetijdsbesteding in zwang: tuinieren. Als eerste liet de generale staf een groentetuin aanleggen om van een gevarieerde maaltijd verzekerd te zijn. Aanleg, onderhoud en bewaking waren geheel in handen van haar ondergeschikten. Daarna kregen ook de militaire lazaretten moestuinen, waarin vooral soldaten in de laatste fase van hun herstel voedsel verbouwden voor hun strijdmakkers die nog niet zo ver waren.
Voor een eitje bij het ontbijt gingen ze ook kippen houden. Dit was de manier van leven die ze thuis gewend waren, want velen waren afkomstig uit boerenfamilies. In hun brieven kwamen passages voor als: ‘We hebben in het dal ongeveer een halve hectare met groenten aangeplant, slechts een paar kilometer van het front verwijderd. Daardoor kunnen we onze eigen aardappels oogsten en binnenkort zullen daar ook boontjes, kolen en sla bij komen’.

Correspondentie van deze aard begon door te sijpelen naar de Franse pers, die er berichten over ging plaatsen in de kranten. Deze waren op hun beurt weer aanleiding voor publicisten en ondernemers om prenten uit te brengen van soldaten die achter het Oriënt-front zichtbaar genoten van het goede leven in de steden en dorpen van Macedonië. En dit terwijl hun landgenoten massaal sneuvelden in de loopgraven bij Verdun voor de verdediging van het vaderland.
De tegenstelling tussen de martelaren aan het Westfront en de levensgenieters die ver van huis hun verantwoordelijkheid ontliepen werd zo zwaar opgeklopt dat ook prominente politici zich genoodzaakt voelden om zich in de publiciteit te mengen, waaronder niemand minder dan premier Georges Clemenceau (1841-1929). Als geharnaste tegenstander van het Oriënt-front liet hij zich spottend uit over generaal Sarrail en zijn ‘tuinierende soldaten’. Daarmee bracht hij de soldaten in diskrediet en de generaal even later ten val.

Succesvol offensief
Uiteindelijk zou het verhaal een andere wending krijgen. Het Oriënt-leger bleef weliswaar nog tot het najaar van 1918 inactief, maar greep op 25 september van dat jaar haar kans om zich te bewijzen door een grootschalig offensief te lanceren. Tot ieders verrassing slaagde ze er toen in om de Bulgaarse vijand, die gesteund werd door Duitse eenheden en adviseurs, te verslaan. Helaas is deze overwinning nooit deel uit gaan maken van het collectieve geheugen met betrekking tot de Eerste Wereldoorlog, omdat ze door de gruwelen aan het Westfront volledig werd overschaduwd. Als herinnering resteert in het noorden van Thessaloniki nog de militaire begraafplaats van Zeitenlik waar twintigduizend ‘tuinders’ begraven liggen.
De slag om Gallipoli (1915) – Standvastige Turken weerstonden grote geallieerde aanval
Bij het Griekse station Karya moesten Joden zich letterlijk dood werken
Groene natuur en de Holocaust
Ontstaan en oorzaken van de Eerste Wereldoorlog
Protestantse kerken in het Munsterdal
The Last Post, Signaal Taptoe en de Dodenherdenking