Vergeet-me-nietjes
Terwijl ze op een zonnige ochtend aardappelplanten aan het verzorgen was, hoorde de zeventienjarige Jane Lipski, toen nog Jadzia Szpigelman geheten, iets verderop iemand fluiten, vooral klassieke melodieën. Nadat ze was begonnen mee te fluiten ontdekte ze dat de ander Janek was, de vier jaar oudere jeugdleider waar alle oudere meisjes verliefd op waren. ‘Het voelde alsof ons gefluit ons bij elkaar bracht’, aldus Lipski. ‘Ik voelde me opeens zo levend en vrolijk werkend in de groene velden op een heerlijke zomerdag dat ik bijna de realiteit kon vergeten. Het was alsof ik de vrijheid inademde.’
Na het werk liepen de twee samen terug naar hun onderkomens even verderop. ‘Janek sprong in een beekje langs de kant van de weg en plukte een handvol vergeet-me-nietjes voor mij. We kletsten en hielden elkaars handen vast. We werden verliefd.’ De zomerliefde hield geen stand, al laat Lipski onbesproken waarom. Deze prille romance speelde zich hoe dan ook niet af in gewone tijden op een gewone plek, maar gedurende de Tweede Wereldoorlog in het getto van Będzin in Polen.

Toen eerder door het Joodse zelfbestuur in het getto gevraagd was naar vrijwilligers om te helpen met het onderhouden van een moestuin had Jane Lipski zich als vrijwilliger gemeld. Het was ergens tussen het voorjaar van 1941 en augustus 1943, gedurende het kortstondige bestaan van het getto. De Joodse bevolking leefde hier al sinds juli 1940 onder dwang van de nazibezetter in twee wijken afgezonderd van de niet-Joodse populatie. Evenals andere vrijwilligers van de zionistische jeugd wist het meisje niets van landbouw.
Onder begeleiding van iemand die afgestudeerd was als landbouwkundige bewerkten de jongeren de grond ‘met spaden, harken en onze blote handen. We stonden op voor zonsopkomst om de zaailingen te planten en begieten.’ Ze mengden mest, afkomstig van koeien en paarden en soms ook van menselijke ontlasting, met hun blote handen door de aarde. Het zien groeien en oogsten van de gewassen – worteltjes, wortelpeterselie, radijsjes, komkommers en tomaten – vervulde hen met hoop. ‘In die tijd leek niets te moeilijk of onmogelijk voor ons’, schreef Lipski na de oorlog.
We waren jong, nog altijd samen en zongen en grapten nog steeds ondanks alles.
Levend relikwie
Van soortgelijke betekenis als de Anne Frankboom maar veel minder bekend was een pruimenboompje (een mirabel) dat groeide aan de Walowa-straat in de wijk Muranów in Warschau. Het werd in 2017 omgehakt, tot teleurstelling van vele wijkbewoners die het beschouwden als een levend relikwie van het Joodse getto van Warschau. Tijdens de Duitse bezetting van Polen bevond de fruitboom, die kleine gele vruchten met een roze blos voortbrengt, zich binnen de grenzen van het Joodse getto. Op het hoogtepunt verbleven binnen de muren van het getto 445.000 Joden in afwachting van deportatie naar de vernietigingskampen.
De boom werd begin jaren dertig geplant, dus voor de oprichting van het getto in oktober 1940. Toen de honger in het getto op z’n ergst was, werden naar verluidt niet alleen de pruimen maar zelfs de bladeren opgegeten. Waarschijnlijk bleef er bovengronds niet veel van de mirabel over, omdat het hout gebruikt werd als brandstof. Onder de grond bleven de wortels in leven. Wat er bovengronds nog van over was, verbrandde waarschijnlijk tijdens de opstand in het getto in het voorjaar van 1943. De nog niet naar de vernietigingskampen afgevoerde Joden namen toen de wapens op tegen de Duitsers, die keihard terugsloegen en een groot deel van het getto in brand zetten en volledig verwoestten.

Vanuit de in leven gebleven wortels herrees de boom na de oorlog. In de jaren vijftig en zestig speelden kinderen onder de boom met in de nabijheid opgegraven kraaltjes die afkomstig waren uit de vroegere winkel van de Joodse broers Alfus. Van deze winkel was, net als van alle andere gebouwen in de omgeving, niets overgebleven. Voor de oorlog werden hier onder andere deze kralen en verkleedkleren voor het Joodse Poerimfeest verkocht.
In de jaren tachtig nam een Pools echtpaar dat vanuit het communistische Polen emigreerde naar de Verenigde Staten pitten van de boom mee. Ze hielden van de pruimen waarvan de smaak hen deed denken aan hun jeugdjaren in Muranów. Of ze ooit nog zouden terugkeren naar hun vaderland wisten ze op dat moment niet, daarom hadden de pitten voor hen speciale betekenis. In de Verenigde Staten stopten ze de pitten in een pot met potgrond en kweekten zo enkele nakomelingen van de fruitboom. Toen ze zich in Washington D.C. in een huis met een grote tuin vestigden, plantten ze deze in de grond, waar het grote, sterke bomen werden.
Nadat er op sociale media ruchtbaarheid was gegeven aan de kap van de mirabel in Warschau, liet het echtpaar weten dat in hun tuin in Washington nakomelingen van de pruimenboom staan. De Warschause wetenschapster en kunstenares dr. Patrycja Dołowy, die erg begaan is met de geschiedenis van het getto, reisde in 2017 naar de Verenigde Staten om enkele pitten op te halen. Als gevolg van een strenge winter hingen er echter geen vruchten aan de bomen. Daarom nam ze slechts een tak mee. Met hulp van biologen werd de tak met succes geënt op een pruimenboom uit de wijk Czerniaków, die verwant is aan de boom uit het getto maar zich in de oorlog buiten de gettogrenzen bevond.

Een jaar later stuurde het echtpaar alsnog pitten van de pruimeboom die inmiddels wel vruchten droeg. Het lukte nog een boompje op te kweken dat, samen met het geënte boompje, door Patrycja Dołowy en andere initiatiefnemers en buurtbewoners geplant werd in de wijk Muranów, vlakbij de locatie van de oorspronkelijke mirabel. ‘Ik denk dat het gewoon een normale fruitboom was voor de oorlog (de mensen hier hielden natuurlijk van de vruchten)’, aldus Patrycja Dołowy, ‘maar deze werd bijzonder omdat hij een vergane wereld (van voor de oorlog) had overleefd. Hij kreeg betekenis omdat hij de enige was die in leven bleef terwijl de hele wereld eromheen verdwenen was.’
Zowel aan de Anne Frankboom als aan de pruimenboom in Warschau werd bijzondere waarde gehecht vanwege de verbintenis van beide bomen met de uitroeiing van de Europese Joden door de nazi’s. Over het algemeen speelt de (gecultiveerde) natuur in studies naar de Holocaust geen prominente rol. Miljoenen Joden werden echter uit hun eigen omgeving weggehaald en de meesten zagen hun eigen (moes)tuin, hun favoriete park of lievelingsboom nooit meer terug. De explosie van bloesems in april, het gefladder van vlinders boven bontgekleurde bloemen in juli, de zoetige geur van uit de boom gevallen appels in september; dit zijn allemaal ervaringen die schril afsteken tegen de gruwelen van de Holocaust. In getuigenverslagen van overlevenden is het vaak juist de afwezigheid van enig groen dat belicht wordt. In de klassieker Is dit een mens beschrijft Primo Levi het werkkamp Auschwitz-Monowitz als
…hopeloos, onherroepelijk dof en grauw. Dat onafzienbare doolhof van ijzer, cement, modder en rook is de ontkenning van de schoonheid. […] Binnen het hekwerk ervan groeit geen sprietje gras, de grond is er doordrenkt van steenkool en petroleum, niets leeft er behalve machines en slaven, en de eerste meer dan de laatsten.
Symbool van onschuld en vriendelijkheid
De onbereikbaarheid van groene natuur kon voor gevangenen behalve een emotioneel gemis ook een praktisch gemis inhouden. Zo ervoer tienermeisje Helga Weiss in 1942 dat ze in Theresienstadt, een vestingstad in Tsjechië die door de nazi’s werd benut als concentratiekamp, geen bloemen kon plukken voor haar moeder die hier ook gevangen zat. ‘Wat is dit nu voor Moederdag als ik niet eens een bloemetje voor mama heb?’ schreef ze bedroefd in haar dagboek. ‘Hoe kan ik eraan komen, buiten de kazernes mag ik niet komen. Ik weet het al, ik maak het van papier, ik heb crêpepapier van verschillende kleuren, dat moet wel lukken. Maar wat nog meer? Alleen bloemen, en niet eens echte, dat is toch geen cadeau.’ Helga besloot haar moeder behalve met de papieren bloemen te verrassen met papieren hartjes met een boodschap van haar vader erop. Daarnaast bewaarde ze voor haar een koek die als rantsoen die dag uitgedeeld werd.

In tegenstelling tot Helga Weiss kon een anoniem Joods-Hongaars jongetje op 26 mei 1944 bij Auschwitz-Birkenau wel een bloem plukken. Wat in vredestijd een heel gewoon tafereel is – een kind dat een bloem plukt – leverde één van de meest aangrijpende foto’s van de Holocaust op. Op de betreffende foto is een groep Hongaarse Joden te zien op een grasveld binnen het vernietigingskamp. De vrouwen dragen hoofddoeken en de jongens platte petten. Op de kleding van twee personen is een Jodenster zichtbaar. Verschillende vrouwen en kinderen zitten in het gras.
Je kunt er gemakkelijk overheen kijken, maar midden tussen de groep mensen zit een klein jongetje dat een bloem in zijn handje vast heeft. Hij lijkt deze te willen geven of te laten zien aan één van de andere kinderen tegenover hem. Wat haast lijkt op een picknick op een vredige plek is in werkelijkheid vele malen gruwelijker. De Hongaarse Joden op de foto zijn kort voordat deze genomen werd aangekomen bij het vernietigingskamp. Niet lang na dit door een Duitse SS-fotograaf vastgelegde moment werden ze allemaal vergast. Het alledaagse plukken van een bloem verandert op de foto in een symbool van onschuld en vriendelijkheid op een door en door kwaadaardige plek.
Schuldig landschap
De groene natuur kon ook fungeren als een soort bondgenoot van het kwaad. ‘Schuldig landschap’ is een door de Nederlandse kunstenaar Armando bedachte term met als betekenis de op het oog onschuldige oorden waar ten tijde van de Tweede Wereldoorlog ernstige misdaden plaatsvonden. Zelf bedoelde hij er de Amersfoortse hei mee, waar de nazi’s tegenover het huis waarin hij opgroeide een concentratiekamp bouwden. Daardoor verloor de plek waar hij als kind graag speelde zijn onschuld.
Wie de locaties van voormalige kampen of executieplaatsen bezoekt, ervaart dat deze zich vaak omringd door natuur bevinden. Dat geldt in Nederland bijvoorbeeld voor doorgangskamp Westerbork, dat zich bevindt in boswachterij Hooghalen, en in Duitsland voor concentratiekamp Bergen-Belsen, gesitueerd op de Lüneburger Heide. Zelfs sommige namen van nazikampen verraden de natuurlijke ligging; Buchenwald betekent beukenbos en in Birkenau zit de Duitse naam voor berk verpakt. De voormalige kampterreinen en executielocaties zijn tegenwoordig vaak vredige plaatsen, waar het landschap de gruwelijke geschiedenis verhult.

In het geval van de drie vernietigingskampen van Aktion Reinhard kozen de uitvoerders van de massamoord die hier in 1942 en 1943 plaatsvond, bewust voor vrij afgelegen, bosrijke locaties in het oosten van Polen vlakbij de grens. In Belzec, Sobibor en Treblinka werden naar schatting 1,7 miljoen Joden gedood plus circa 50.000 Roma en Sinti. Omringd door dennenbos kon het vernietigingswerk hier zonder ongewenste toeschouwers plaatsvinden. Uit extra voorzorg werden de hekken om het kamp en die om de gaskamers afgedicht met dennentakken, zodat nieuw aangekomen gevangenen en omwonenden niets zagen wat zich erachter afspeelde. Om paniek en verzet te voorkomen werd de Joden voorgehouden dat ze in een doorgangs- of werkkamp aangekomen waren. Ze kregen te horen dat ze in een doucheruimte ontsmet zouden worden, waar ze in werkelijkheid vergast werden.
Onderdeel van dit bedrog waren bordjes met het opschrift ‘naar de badruimte’, maar ook bloemen speelden een rol. Zo vertelde een overlevende van Belzec dat voor de gaskamer ‘een grote pot met kleurrijke bloemen’ stond. Een gevangene die in 1943 uit Treblinka wist te ontsnappen getuigde tijdens het proces tegen Holocaustorganisator Adolf Eichmann in 1961 dat het station waar de transporten aankwamen eveneens van bloemen was voorzien, naast een stationsklok, een wachtruimte en een bord met daarop de dienstregeling. Toen de Aktion Reinhard-kampen in 1943 werden opgeheven, werden ze compleet afgebroken. Op de lege terreinen werden dennenboompjes geplant en werd lupine ingezaaid. De natuur hielp de nazi’s zo met het verbergen van de bewijzen van hun misdaden.

Het SS-personeel van de vernietigingskampen gebruikte bloemen eveneens om hun eigen leefomgeving bij de moordfabrieken een vriendelijk uiterlijk te geven. Zo liet kampcommandant Franz Stangl in Treblinka bloemen planten langs de hoofdweg en bij het hoofdkwartier en de woonverblijven van de SS. Ook Rudolf Höss, kampcommandant van Auschwitz, hechtte waarde aan tuinen nabij de plek waar in totaal ongeveer 1 miljoen Joden omgebracht zou worden. ‘De pas aangelegde tuinen vormen het sieraad van het kamp’, zo maakte hij bekend in een instructie aan het kamppersoneel. ‘Het moet voor alle SS’ers vanzelf spreken dat hij de tuinen met rust laat en de bloemenperken niet betreedt.’
Met zijn gezin woonde hij nabij het hoofdkamp in een woonhuis met tuin, waar zijn vrouw haar eigen ‘bloemenparadijs’ had en de kinderen zwommen in de vijver en speelden met ‘allerlei vreemde dieren’. ‘Of het nu schildpadden, marters, katten of hagedissen waren,’ schreef hij, ‘altijd was er wel iets nieuws, iets interessants in de tuin’. Omdat de commandant een druk bezet man was, werd de tuin onderhouden door gevangenen. Volgens Höss waren zijn kinderen aan deze ‘tuinlieden’ gehecht. ‘Geen enkele voormalige gevangene zal kunnen zeggen, dat hij ooit in ons huis slecht behandeld is’, beweerde hij in zijn memoires.
Tuinen van de SS
De tuin van Höss was particulier bezit, maar binnen en buiten het prikkeldraad en de muren van concentratiekampen bezat de SS ook bedrijfstuinen en -kwekerijen. In een subkamp van Auschwitz in het dorpje Rajsko waren van juni 1943 tot 18 januari 1945 honderdvijftig tot driehonderd Joodse vrouwen tewerkgesteld in kassen. In dit zogenoemde ‘Wirtschaftshof Raisko’ werden door de SS experimenten uitgevoerd met een speciaal ras paardenbloem, de Taraxacum kok-saghyz of Russische paardenbloem, die Himmler wilde benutten voor de rubberproductie. Succesvol was dit niet. De faciliteit produceerde naar verluidt niet eens genoeg rubber ‘om banden onder één auto te plaatsen’. Later werden in de kassen groenten en bloemen gekweekt voor kamppersoneel. De kassen zijn bewaard gebleven en bevinden zich op privéterrein. Een fotograaf die de locatie een paar jaar geleden bezocht vond het er ‘spookachtig’.

De meeste nazikampen hadden de beschikking over een eigen moestuin waar gevangenen eveneens tewerkgesteld werden om de gewassen te onderhouden en te oogsten voor hun bewakers. Haim Lejst, die in 1943 in Sobibor arriveerde, meldde zich als vrijwilliger toen ondercommandant Gustav Wagner vroeg om tuinmannen. Door te werken voor de SS ontsnapte hij aan het lot van zijn ouders en vijf broers en hun echtgenotes, die allemaal door de nazi’s gedood werden. Dat hij Wagner kon vertellen hoe je een tuinbed met aardbeien moest onderhouden, redde zijn leven. In opdracht van de Oostenrijkse kampbeul moest Haim de aardbeienplantjes en groenten bemesten met de as van de lichamen van Joden die bij het kamp in de openlucht waren gecremeerd. De SS’er vond het volgens Haim grappig om de as van de Joden hiervoor te gebruiken. Hij herinnerde zich hoe Wagner op een dag tijdens het appel een hap van een grote wortel nam en toen grappend zei:
Kijk, ik heb zojuist twintig Joden opgegeten.

Bij concentratiekamp Dachau beheerde de SS Europa’s grootste kruidentuin, aangeduid als ‘Die Plantage’. Deze bestond uit verschillende broeikassen, een onderzoeks- en onderwijsgebouw en bouwland. SS-leider Heinrich Himmler was afgestudeerd als landbouwkundige en behield ook op het hoogtepunt van zijn macht een grote belangstelling voor zijn oorspronkelijke vakgebied in combinatie met natuurgeneeskunde. De faciliteit in Dachau wilde hij inzetten voor experimenten met biodynamische landbouw en de ontwikkeling van geneeskrachtige kruiden om Duitsland op dit gebied zelfvoorzienend te maken. Er werden bijvoorbeeld gladiolen gekweekt voor de productie van vitamine C voor Duitse soldaten aan het Oostfront. Door basilicum, tijm en bonenkruid te vermengen werd er ook een vervanger voor peper gemaakt, door Himmler ‘Dachauer Pfeffer’ genoemd.
De ondervoede en verzwakte gevangenen die in de tuinen en in de kassen werden ingezet voor onderhoudswerkzaamheden, moesten ongeacht de weersomstandigheden keihard en urenlang onafgebroken zwoegen, zonder beschermende kleding en onder toezicht van wrede SS-bewakers.
De appelpriester
Verschillende van de gevangenen die op de Plantage werden tewerkgesteld, waren priesters afkomstig uit het zogenoemde Pfarrerblock of Priesterblock. Deze afdeling in het kamp bestond uit drie barakken waarin gevangen genomen geestelijken uit heel Europa werden ondergebracht. Een van hen was de katholieke priester Korbinian Aigner uit Beieren. Geboren op 11 mei 1885 als de oudste van elf kinderen, was hij eigenlijk voorbestemd om de boerenhoeve van zijn vader over te nemen. Daarvoor in de plaats koos hij echter voor een religieuze carrière. Naast zijn belangstelling voor het spirituele was Aigner een praktisch en creatief man met een grote belangstelling voor de tuinbouw, in het bijzonder de appelteelt. Na zijn studie aan het priesterseminar richtte hij in zijn geboorteplaats Hohenpolding een fruitteeltvereniging op en opende een fruitperserij.
Terwijl hij werkte als leraar en verschillende lagere ambten bekleedde binnen de katholieke kerk, ontwikkelde hij zich in zijn vrije tijd tot pomoloog, oftewel een deskundige op het gebied van de leer van fruit en fruitsoorten. Zijn grootste bijdrage aan deze wetenschap waren de natuurgetrouwe schilderingen die hij in kleur en op ansichtkaartformaat maakte van vele honderden appelrassen, met tot de verbeelding sprekende namen zoals de ‘Schöner von Bath’, de ‘Grüner Fürstenapfel’ en de ‘London Pepping’.

In 1931 werd Aigner benoemd tot predikant in Sittenbach. Het was de tijd van de opkomst van het nazisme, maar de priester weigerde zich door deze politieke ideologie te laten meeslepen. De twee politieke bijeenkomsten van Adolf Hitler die hij bijwoonde, wekten zijn wantrouwen tegenover de Führer. Na diens machtsovername kwam Aigner meermaals in conflict met het naziregime. De Gestapo kreeg hem in het vizier nadat hij onder meer weigerde de nazivlag op te hangen bij zijn kerk en het vertikte om kinderen met de naam Adolf te dopen. Voor straf werd hij overgeplaatst naar een kleinere gemeente, Hohenbercha.
Hier maakte hij het in de ogen van de nazi’s helemaal bont door begrip te tonen voor Georg Elser, de meubelmaker die op 8 november 1939 in München een mislukte bomaanslag op Adolf Hitler pleegde. Tijdens een religieuze les op een school opperde Aigner dat Elser het gebod ‘gij zult niet doden’ niet had overtreden, omdat er miljoenen levens zouden zijn gered als de aanslag wel gelukt was. Een lerares maakte hier melding van bij de autoriteiten, waarop de priester werd opgepakt en veroordeeld voor hoogverraad.
Na eerst in de gevangenis van Stadelheim in München en in concentratiekamp Sachsenhausen gevangen te hebben gezeten, werd Aigner in oktober 1941 overgebracht naar Dachau. In de tijd dat hij hier werkte op de Plantage lukte het hem op een stukje grond tussen de barakken zijn liefhebberij voor appelbomen voort te zetten en enkele bomen te kweken. Hoe hij hierbij precies te werk ging is niet helemaal duidelijk, maar gedurende zijn kamptijd kweekte hij vier soorten appels, die hij KZ 1 t/m 4 noemde, waarbij KZ staat voor Konzentrationslager.
Aan Aigners verblijf in Dachau kwam een eind toen hij kort voor de bevrijding van het kamp op 29 april 1945 met andere gevangenen te voet op ‘Dodenmars’ naar Zuid-Tirol werd gestuurd. De SS wilde hiermee voorkomen dat de gevangenen in geallieerde handen zouden komen. Onderweg lukte het de geestelijke om bij Starnberg te ontsnappen, waar hij zich tot het einde van de oorlog verschool in een klooster.

Na de oorlog keerde Aigner terug naar Hohenbercha waar hij zijn werk als pastoor weer oppakte. Daarnaast bleef hij zich tot zijn dood in 1966 actief bezighouden met de studie naar appels en de appelteelt. Hij wordt beschouwd als een van de grootste experts op dit gebied. Tot zijn nalatenschap behoorde naast zijn cartotheek met schilderingen van appels ook de appelsoort die hij KZ 3 noemde, maar die in 1985 in zijn nagedachtenis werd hernoemd tot Korbiniansappel. Een appelboer die deze soort nog altijd kweekt als basis voor cider, werd in 2020 geïnterviewd door de Beierse evangelische zondagskrant het Sonntagsblat. Hij omschreef de appel, die pas laat (in oktober) wordt geoogst, als ‘licht zuur, kruidig en aromatisch van smaak’. Zolang de appel gekweekt blijft worden, gaat het bijzondere verhaal van zijn ontdekker en naamgever, ‘de appelpriester’, niet verloren.
Aardbeienveld en donkere aarde
Na de bevrijding van de concentratie- en vernietigingskampen was het terugkeren in een groene omgeving voor veel oud-gevangenen een zalvende ervaring. Het moment dat Roman Halter, een Pools-Joodse overlevende van Theresienstadt, zich werkelijk bevrijd voelde, beleefde hij terwijl hij in een veld tussen aardbeienplanten lag. Kort ervoor had hij nabij het op 9 mei 1945 bevrijde concentratiekamp in de Elbe gezwommen, terwijl enkele andere jonge overlevenden die niet konden zwemmen pootje baadden. ‘We hadden een fijne tijd: het was zonnig en de stroom nam me mee en ik zwom weer terug’, zo herinnerde de oud-kampgevangene zich. ‘Na een poosje kregen we er genoeg van, we kleedden ons weer aan en we liepen terug en we kwamen door een veld aardbeien, we gingen tussen de aardbeien liggen en ik dacht: “Dit is nou echt bevrijding”, en wij aten aardbeien. Mijn visioen van de bevrijding was liggend in dat aardbeienveld.’

‘Ik had uren gelopen in de verrukkelijke ochtendlucht,’ schreef hij, ‘die ik als een medicijn tot diep in mijn gehavende longen opzoog. Ik stond niet erg vast op mijn benen, maar ik voelde een dwingende behoefte om mijn lichaam weer eigen te maken, om het nu bijna twee jaar lang verbroken contact te herstellen met bomen en planten, met de zware, donkere aarde waarin je het zaad voelde sidderen, met de oceaan van lucht die het stuifmeel van de sparren golf op golf van de Karpaten tot in de zwartste straten van de mijnstad droeg.’
Doodgewoon

Tegelijkertijd werd de groene natuur door de nazi’s ingezet tegen de Joden, bijvoorbeeld door hen te dwingen tot dwangarbeid in moestuinen en kwekerijen van de SS. De rol van tuinen en alles wat daarin groeit en bloeit tijdens deze donkere periode in de geschiedenis toont de alledaagsheid van de Holocaust aan. Wat wij nu beschouwen als één van de grootste misdaden tegen de menselijkheid in de geschiedenis, was op het moment dat het plaatsvond de dagelijkse gang van zaken voor zowel de slachtoffers als de daders.
Hendrik Uittien – Botanicus in oorlogstijd
Biologielessen op Hitlers scholen
Bijzondere en onbekende verhalen over de Holocaust
Nieuw-Zwabenland, een stukje nazi-Duitsland in Antarctica
Kolberg: opkomst en ondergang van een Duitse stad
Loopgraaf in de Hollandse polder