Koningin Wilhelmina zei bijna niets over jodenvervolging

18 minuten leestijd
Koningin Wilhelmina spreekt in Londen
Koningin Wilhelmina spreekt in Londen een opname in voor de eerste uitzending van Radio Oranje op 28 juli 1940. - Foto: Nationaal Archief

‘De moeder des vaderlands’, ‘de moeder van het verzet’. Na de Tweede Wereldoorlog werd koningin Wilhelmina aanvankelijk uitbundig geprezen om haar rol in die oorlog. Vooral haar toespraken via Radio Oranje vonden waardering. Later kantelde het beeld en kwam er forse kritiek. Dat ze via Radio Oranje maar heel erg weinig had gezegd over het lot van de Nederlandse joden werd een grote steen des aanstoots. Hoe zat dat precies?

In 1927 sprak Wilhelmina voor het eerst voor de radio
In 1927 sprak Wilhelmina voor het eerst voor de radio. Ze zat achter de microfoon bij Philips in Eindhoven. Prinses Juliana was er bij. – Foto: Nationaal Archief / ANP
Radio, zo wist koningin Wilhelmina heel goed, was een effectief middel om de aandacht van de bevolking te krijgen. Bij het gebruik van radio als massamedium had Nederland in de wereld voorop gelopen. Op 6 november 1919 begon ingenieur Hans Henricus Schotanus à Steringa Idzerda (1885-1944) vanuit Den Haag met zijn experimentele radio-uitzendingen. Vier jaar later werd daaraan vanuit Hilversum een meer georganiseerd vervolg gegeven waaruit de radio-omroepen voortsproten.

De koningin werd een enthousiast gebruiker van het medium. Op 31 mei 1927 sprak ze vanuit de Philips-fabrieken in Eindhoven voor het eerst via een radiomicrofoon. In 1931 had ze een Europese primeur met haar eerste kersttoespraak via de radio.

Geen wonder dus dat Wilhelmina ook in de oorlog vanuit Londen via Radio Oranje tot haar landgenoten sprak. Direct in de eerste uitzending van de regeringszender, op 28 juli 1940, liet ze van zich horen. In totaal hield de vorstin in de bezettingsjaren 44 radiotoespraken, waarvan 31 via Radio Oranje. Maar terwijl haar joodse landgenoten door de Duitsers massaal werden opgejaagd, afgevoerd en vermoord, besteedde Wilhelmina slechts drie keer aandacht aan de jodenvervolging, en dan nog erg kort.

Voor een goed beeld hier eerst de letterlijke weergave van wat Wilhelmina via Radio Oranje zei over de jodenvervolging.

28 november 1941:
“Met zorg en verontwaardiging verneem ik (…) hoe zij (de Duitse bezetters, red.) op afschuwelijke wijze de Joden vervolgen (…).”

17 oktober 1942:
“Ik deel van harte uw verontwaardiging en smart over het lot onzer Joodsche landgenooten; en met mijn geheele volk voel ik de onmenschelijke behandeling, ja, het stelselmatig uitroeien van deze landgenooten, die eeuwen met ons samen woonden in ons gezegend vaderland, als ons persoonlijk aangedaan.”

31 december 1943:
“Steeds zenuwsloopender is de overheersching van den nietsontzienden vijand voor u geworden; steeds gruwelijker zijn methoden, waaraan velen uwer, en in het bijzonder onze Joodsche landgenooten, wier vernietiging helaas bijna een feit is geworden, ten offer zijn gevallen.”

Die karigheid was historici eerder al wel opgevallen, maar pas vanaf de jaren negentig leidde het tot ferme verwijten. In haar boek Om erger te voorkomen (1997) repte historica Nanda van der Zee over grove nalatigheid. Passief antisemitisme, desinteresse en laksheid, concludeerde schrijver/journalist Geert Mak in De eeuw van mijn vader (1999). Onderzoeker Ies Vuisje oordeelde in Tegen beter weten in (2006) dat de joodse Nederlanders door Wilhelmina en de regering in Londen aan hun lot waren overgelaten.

Henriëtte Boas
Henriëtte Boas, hier in 1982. – Foto: CC0 / Nationaal Archief / Anefo, Marcel Anthonisse
Een tekenende anekdote vertelt historicus Gerard Aalders in zijn boek over Wilhelmina. We lezen dat classica/journaliste Henriëtte Boas (1911-2001) met twintig andere Engelandvaarders door Wilhelmina in Londen werd ontvangen. Tevoren werd gewezen op het protocol. Maar nadat Wilhelmina aan Boas had gevraagd hoe het met haar ging en zij had geantwoord, voegde Boas daar ongevraagd aan toe: “Ja Majesteit, maar met de Joden in Nederland gaat het niet goed.” Wilhelmina stond op en zei: “Dat heb ik u niet gevraagd”. Waarna ze naast een andere gast ging zitten.

Joden uitgesloten van het radiopubliek

Communicatiewetenschapper Jord Schaap bestudeerde drieëntwintig van Wilhelmina’s toespraken voor Radio Oranje (redes exclusief gericht tot de overzeese gebiedsdelen, kerst- en paasboodschappen sloeg hij over) en deed daarvan in 2007 verslag. Een van de dingen die hem opvielen, was dat Wilhelmina geregeld sprak over de ‘vernieuwing’ die ze na de oorlog nodig vond. Aalders noteerde daarover:

Wilhelmina bedoelde met ‘vernieuwing’ dat het parlement en de ministers terug moesten naar hun positie van voor 1840 (bedoeld zal zijn 1848, eerste Nederlandse Grondwet, red.) en ondergeschikt dienden te zijn aan haar. Tenslotte wist zij het beste was goed was voor Nederland. (…) Wilhelmina stond een onversneden aristocratisch bewind voor (…).

Over die vernieuwing sprak ze via Radio Oranje vijftien keer, zo turfde Schaap, en over jodenvervolging dus maar drie keer.

Schaap haalt ook bevindingen aan van communicatiewetenschapper Christoph Sauer. Deze keek niet alleen naar wát Wilhelmina over de jodenvervolging zei, maar ook naar hóé ze dat precies zei. Volgens Sauer, noteert Schaap, ‘sluit Wilhelmina door haar manier van formuleren de joden uit van haar radiopubliek’. Elders verwoordt Schaap het zo: “Er wordt alleen óver de joden gesproken, en niet tót hen”.

Dat contrasteert nogal met het zeer positieve beeld dat lange tijd van Wilhelmina bestond. Historicus en Wilhelmina-biograaf Cees Fasseur (1938-2016) beschreef dat zo:

In de verbeelding van het Nederlandse volk (…) is Wilhelmina blijven voortleven als de strijdbare oorlogskoningin, als de stem uit Londen, als de oude, archaïsch geklede dame, uitgedost in bont en vos, die met hoge stem en gebalde vuist voor Radio Oranje opriep tot het verzet tegen nazi-Duitsland.

Oproepen tot verzet?

Adolf Hitler
Adolf Hitler
Hoe Fasseur zich voorstelde dat de luisteraars via de radio die ‘gebalde vuist’ konden waarnemen laten we in het midden. Vast staat wel dat Wilhelmina in vaak krachtige bewoordingen haar afschuw uitsprak over de Duitse bezetter. Woorden die ze gebruikte: rotmoffen, vijand, verrader, moffen, overweldiger, misdadiger, beul, folteraar en aanrander, terwijl ze Hitler de ‘aartsvijand van het menschdom’ noemde en de Duitsers zelfs ‘vijanden van God’. Daar staat tegenover dat Fasseurs typering ‘de strijdbare oorlogskoningin (…) die (…) voor Radio Oranje opriep tot het verzet’ volgens Schaap ‘een misvatting’ is. Wilhelmina riep ‘niet meer dan tweemaal expliciet op tot verzet’. Dat was op 24 juni 1941 en 9 mei 1944. En elders in zijn boek vermeldt Schaap:

(ze) heeft ook niet opgeroepen tot bescherming van haar Joodse landgenoten.

Fasseur wist met zijn loftuitingen echter niet van ophouden en noteerde ook nog dit. “In hun felheid, weergaloos optimisme en totale afwijzing van het Duitse kwaad kunnen die (Wilhelmina’s radiotoespraken, red.) de vergelijking met de grote oorlogstoespraken van Churchill doorstaan.” Denk aan Wilhelmina’s toespraak van 24 juni 1941, die ze beëindigde met: “Wie op het juiste oogenblik handelt, slaat den nazi op den kop”. Wat betreft Churchill kan onder meer worden gedacht aan de fameuze speech waarin hij op 4 juni 1940 het Lagerhuis voorhield:

We shall go on to the end. We shall fight in France, we shall fight on the seas and oceans, we shall fight with growing confidence and growing strength in the air, we shall defend our island, whatever the cost may be. We shall fight on the beaches, we shall fight on the landing grounds, we shall fight in the fields and in the streets, we shall fight in the hills; we shall never surrender.

Vertaling: We zullen doorgaan tot het einde. We zullen vechten in Frankrijk, we zullen vechten op de zeeën en oceanen, met groeiend zelfvertrouwen en toenemende kracht zullen we vechten in de lucht, we zullen ons eiland verdedigen, wat de prijs ook moge zijn. We zullen vechten op de stranden, we zullen vechten op de landingsterreinen, we zullen vechten op de velden en in de straten, we zullen vechten in de heuvels; overgeven zullen we ons nooit.

De door Fasseur gemaakte vergelijking wekte bij zijn vakgenoot Aalders zacht gezegd enige scepsis. “Haar speeches op gelijke hoogte stellen met die van Churchill kan alleen in het hoofd van een doorgewinterde Wilhelminafan opkomen”, schreef Aalders. En: “Of je Wilhelmina een goede redenaar vindt, is zonder twijfel een kwestie van smaak, maar om de kwaliteit en uitstraling van haar speeches gelijk te stellen aan die van Churchill lijkt me beledigend voor de Britse premier.”

Bij dat alles – en zeker in verband met de kwestie dat Wilhelmina heel weinig zei over de jodenvervolging – is een belangrijke vraag wie haar toespraken voor Radio Oranje schreef of schreven. En wie nam of namen voor die toespraken (politieke) verantwoordelijkheid? Om te beginnen met dat laatste: nadat Pieter Sjoerds Gerbrandy op 3 september 1940 minister-president was geworden drukte hij door dat Wilhelmina haar toespraken niet meer hoefde voor te leggen aan de ministerraad. Hij gaf haar de vrije hand. Inderdaad was zo’n toespraak nadien slechts drie keer onderwerp van gesprek in de ministerraad. Dat gold bijvoorbeeld voor de radiorede van 7 december 1942, waarin Wilhelmina een rijksconferentie in het vooruitzicht stelde om te bespreken hoe Nederland, Indië, Suriname en de Nederlandse Antillen met elkaar verder zouden gaan. Naarmate duidelijker werd wat de koningin bedoelde met haar ondemocratische vernieuwingsideeën kreeg Gerbrandy wel spijt dat hij haar alle ruimte had gegeven, maar terugdraaien deed hij het niet.

Premier Gerbrandy (links) in Londen
Premier Gerbrandy (links) in Londen met politiek adviseur jhr. Haersma de With. – Foto: Nationaal Archief / Collectie RVD / Pictorial Press

Na de oorlog vroeg historicus (en voormalig Radio Oranje-medewerker) Loe de Jong de koningin of ze haar radiotoespraken zelf schreef. “Ja, maar ik werd vaak door anderen geholpen”, luidde het antwoord, en: “Er waren ook stukken van anderen bij”. Wie die anderen waren, wilde ze niet zeggen. Schaap houdt het erop dat we moeten denken aan mensen als de eveneens naar Londen uitgeweken George Tets van Goudriaan (1882-1948, directeur van het Kabinet van de Koningin) en Frans Beelaerts van Blokland (1872-1956, vice-president van de Raad van State).

Dat De Jong die vragen aan Wilhelmina stelde, is pikant als we in ogenschouw nemen wat journalist Hans Knoop in 2020 vertelde in de tv-documentaire ‘De joden en de Oranjes’. Knoop:

Loe de Jong schreef veelal de redevoeringen voor Wilhelmina die ze voor Radio Oranje hield. En Loe de Jong vertelde mij – waar ik over spreek is begin jaren tachtig – dat hij veelvuldig een alinea inbouwde waarin er op het lot van de Nederlandse joden werd gewezen. En die schrapte ze er altijd uit.

Loe de Jong
Loe de Jong in 1943 achter de microfoon als redacteur van Radio Oranje.
De hamvraag is uiteraard waarom Wilhelmina zo weinig aandacht schonk aan de jodenvervolging (dan wel alinea’s daarover steeds schrapte). Voor een begin van een antwoord belanden we meteen weer bij Knoop. In genoemde documentaire vertelde hij namelijk ook: “De Jong vertelde me dat hij dat wel eens aan haar (Wilhelmina, red.) vroeg, en dan was het antwoord: omdat zij geen joden en niet-joden kent, zij kende alleen Nederlanders en die waren haar allemaal even lief.” Datzelfde valt te lezen in Fasseurs boek Wilhelmina. Sterker door strijd (2002), in feite een appendix bij zijn tweedelige Wilhelmina-biografie. “Zij zag”, aldus Fasseur, “geen gradaties in lijden tussen jood en niet-jood, gaf althans daaraan geen uitdrukking. Maakte men wél zo’n onderscheid, dan zou dit afbreuk kunnen doen aan de onderlinge eensgezindheid.”

In zijn boek over Radio Oranje (2009) trekt historicus Onno Sinke het iets breder. Hij beperkt zich niet tot Wilhelmina’s redevoeringen, maar beschouwt de hele programmering van Radio Oranje. Sinke:

Vermoedelijk maakte het radiostation, net als de andere geallieerde radiostations, liever geen onderscheid tussen Joden en niet-Joden uit morele en pragmatische overwegingen. ‘Moreel’ omdat men, door onderscheid te maken tussen Joden en niet-Joden, de Joden als een aparte groep zou behandelen, net zoals de nazi’s dat deden. ‘Pragmatisch’ omdat men vreesde dat door het besteden van aparte aandacht aan de Joden, het antisemitisme onder de bevolking aangewakkerd zou worden en de Duitse propaganda, die beweerde dat de geallieerden de oorlog voor de Joden voerden, in de hand gewerkt zou worden. Bovendien zou ook de eensgezindheid van het Nederlandse volk in gevaar worden gebracht.

Verderop in zijn boek voert Sinke nog een beweegreden aan. “Maar de belangrijkste reden waarom de vernietiging van de Joden zo weinig aandacht kreeg, was misschien wel dat de Jodenvervolging in de ogen van tijdgenoten deel uitmaakte van het veel grotere geheel van de oorlog. Het winnen van de oorlog had de hoogste prioriteit. (…) De Jodenvervolging was slechts een onderdeel van het oorlogsgeweld.” Schaap daarover: “De Engelse regering noemde de jodenvervolging letterlijk ‘van secundair belang’.” Nu leefden de Engelse joden in relatieve veiligheid op het eiland, maar voor de joden op het vasteland, inclusief Nederland, lag dat heel anders.

In 2020 plaatste het Nederlands Dagblad een interessante kanttekening. “In bezet Nederland werd de geringe aandacht voor de Jodenvervolging niet gewaardeerd”, aldus de krant. “De inlichtingendienst van de regering in ballingschap, Bureau Inlichtingen, schreef in december 1942, dat Joden en niet-Joden zich verwonderden ‘over de vrijwel absolute stilzwijgendheid’.”

Loe de Jong in 1979
De Jong in 1979 bij de presentatie van de Londense delen van zijn seriewerk over Nederland in de Tweede Wereldoorlog. (CC0 – Koen Suyk / Anefo)
Daarnaast dringt zich de vraag op: ze wisten in Londen toch dat joden (en Roma en Sinti overigens ook) een dreiging van een heel andere orde boven het hoofd hing dan anderen in bezet Nederland? Ze wisten in Londen toch dat joden gedeporteerd werden, dat er vernietigingskampen waren en dat Europese joden daar massaal werden vermoord? Lange tijd is die vraag beantwoord met: nee, dat wisten ze in Londen niet – althans, ze wisten het maar voor een deel en pas laat in de oorlog drong de gruwelijke werkelijkheid tot Londen door. En voor zover feiten tot Londen doordrongen werden die aanvankelijk niet geloofd en daarna verdrongen. Dat is althans het beeld dat historici – Loe de Jong en Cees Fasseur voorop, maar zij niet alleen – overeind hielden.

Een aanwijzing dat het toch anders zat, is uitgerekend te vinden in De Jongs seriewerk over Nederland in de Tweede Wereldoorlog. In een van de Londense delen lezen we deze passage.

Met name in de periode waarin de Joden en masse uit Nederland gedeporteerd werden, zomer ’42-eind ’43 (nadien waren er nog maar weinig transporten), herinner ik mij een overheersend gevoel van verlamming: er speelde zich, ik wist het, in bezet Europa een katastrofale tragedie af en ik voelde mij persoonlijk volstrekt onmachtig om deze, met welke middelen ook, te keren, ik meende mij het nuttigst te maken door op mijn post bij Radio Oranje mijn bescheiden bijdrage te leveren tot de eindoverwinning. Ik heb, vind ik nu (1979, red.), teveel aan die eindoverwinning, te weinig aan de Joden gedacht. Ik heb, vind ik nu, mij met die Joden te weinig verbonden gevoeld en getoond.

Een op zichzelf indrukwekkende zelfreflectie. Maar de belangrijke kernwoorden zijn: ‘er speelde zich, ik wist het, in bezet Europa een katastrofale tragedie af’, vanaf zomer 1942. Wist De Jong dus meer dan kabinet en koningin? Dat is hoogst onwaarschijnlijk. Neem Wilhelmina’s radiotoespraak van 17 oktober 1942. Daarin sprak ze over ‘het stelselmatig uitroeien’ van joodse Nederlanders. En op 31 december 1943 repte ze via Radio Oranje over ‘onze Joodsche landgenooten, wier vernietiging helaas bijna een feit is geworden’. Ook zij wist het dus wel degelijk.

Nou nee, stelde Fasseur in 2002, Wilhelmina doelde alleen op het elimineren van het joodse element uit de Nederlandse samenleving door middel van deportaties, niet op de daarop volgende massavernietiging. Fasseur: “Overdrijving was in oorlogstoespraken, ook de hare, niet ongewoon”. Een soortgelijk betoog houdt historicus Bart van der Boom in zijn boek Wij weten niets van hun lot (2012). Hij stelt dat termen als ‘uitroeien’ en ‘vernietiging’ moeten worden opgevat als metaforen (beeldspraken, onuitgesproken vergelijkingen). In een beschouwing in De Groene Amsterdammer waren historici Remco Ensel en Evelien Gans er kort over: Van der Booms betoog ‘snijdt geen hout’. Ze wezen op berichten uit illegale bladen, waarin bijvoorbeeld met ‘massamoord’ (De Waarheid) en ‘een zekere dood’ (De Geus) precies werd bedoeld wat werd geschreven: massamoord op, een zekere dood voor Nederlandse en andere Europese joden.

Wat wist men?

Minister Van Kleffens in Londen
Minister Eelco van Kleffens in Londen
Maar wat wisten koningin en kabinet in Londen dan of wat konden ze weten? En wanneer? Bij Schaap lezen we: “Vanaf de zomer van 1942 (…) drongen hardnekkige geruchten over systematische massamoord in Oost-Europa door in Londen”. Voorts: “De juistheid van alle berichten over planmatige genocide werden op 24 november 1942 door de Amerikanen erkend en op 17 december bevestigd in een gezamenlijke geallieerde verklaring, die Nederland mede ondertekende.” Op die Nederlandse ondertekening had koningin Wilhelmina expliciet aangedrongen bij minister Van Kleffens (Buitenlandse Zaken), meldt Schaap op grond van een gespreksverslag. Loe de Jong las voor Radio Oranje de verklaring voor.

Al eerder, op 29 juli 1942, meldde Radio Oranje dat ‘Joodse Polen’ bij duizenden in gaskamers verdwenen en dat het ‘onze Joodse medeburgers’ niet beter zou vergaan. Vanaf november 1941 maakte Loe de Jong jaarlijks het Londense overzicht ‘Je Maintiendrai’, waarin hij ook steeds een hoofdstuk wijdde aan de jodenvervolging in Nederland. In de tweede aflevering (november 1942) komt volgens Schaap ‘overduidelijk tot uiting dat men in Nederland wist dat de joden ‘eraan’ zouden gaan’. In deel drie (november 1943) legt De Jong een rechtstreeks verband tussen ‘deportatie en massamoord’. Niks ‘metafoor’, zoals Van der Boom schreef, men wist: (ook) de Nederlandse joden zouden ‘eraan’ gaan, er was sprake van ‘deportatie en massamoord’.

Zyklon
Lege blikken waarin het gas Zyklon B heeft gezeten, hier in het net door het Rode Leger bevrijde vernietigingskamp Majdanek. – Foto: Beelbankwo2/NIOD
In mei 1943 kreeg premier Gerbrandy een memorandum van de Nederlandse ambtenaar Millenaar. Die was in 1940 op verzoek van de toenmalige gezant in Berlijn, H.M. van Haersma de With, in de Duitse hoofdstad achtergebleven. Millenaar meldde dat van arbeiders uit Polen was vernomen dat een groot deel van de joden uit onder meer Nederland daar systematisch werd vermoord, dat dat eerst gebeurde door executies, vervolgens in gaskamers. Eveneens in mei 1943 kreeg Gerbrandy een rapport in handen van de Duitse SS’er Kurt Gerstein. Deze was in 1941 toegetreden tot de SS om misdaden van die organisatie op te sporen. Als desinfectie-officier belast met vervoer en beheer van grondstoffen voor Zyklon B-gas was hij in Treblinka en Belzec in 1942 getuige geweest van vergassingen. Gerstein beschreef gedetailleerd hoe die verliepen. Naar verluidt weigerde Gerbrandy het rapport te geloven. Hij meende dat het ‘greuelverhaaltjes’ waren, aldus het boek van Schaap.

Het kabinet-Gerbrandy in Londen. De premier zit in het midden.
Het kabinet-Gerbrandy in Londen. De premier zit in het midden. – Foto: CC0 – Nationaal Archief

Ook de ondergrondse pers in Nederland berichtte over het lot dat gedeporteerde joden in het oosten wachtte. En wat illegale bladen schreven, werd in Londen zo goed mogelijk gevolgd. Onderzoeker Ies Vuijsje laat in zijn boek Tegen beter weten in (2006) een lange reeks meldingen uit (vooral, maar niet alleen) de ondergrondse pers de revue passeren. Daaruit valt slechts één slotsom te trekken: na deportatie wacht joodse Nederlanders in het oosten een zekere dood, ze worden er net als joden elders uit Europa massaal vermoord.

Op grond van al het door hem aangedragen bronnenmateriaal concludeert Vuijsje:

Persberichten over de massamoorden op joden bereikten de regering reeds voor het begin van de deportaties in juli 1942. De berichten, zowel uit openbare als niet-openbare bronnen, werden steeds duidelijker in de tweede helft van 1942. Ze bevestigden dat Hitler streefde naar de volledige uitroeiing van de joden. (…) De berichten in 1943 waren niet meer dan een nadere detaillering van hetgeen men reeds wist.

En elders in zijn boek: “Eenieder die wilde weten, kon weten”.

Jacques Presser
Jacques Presser op 31 mei 1969 tijdens zijn afscheidscollege in de aula van de Universiteit van Amsterdam. – Fptp: CC0 / Nationaal Archief / Anefo, Rob Mieremet

Het ‘niet geweten’-beeld

Toch overheerste na de oorlog aanvankelijk een heel ander beeld: de Nederlanders in bezet gebied, kabinet en koningin in Londen, ze hadden ‘niet geweten’ welk lot joden na hun deportatie wachtte. Dat beeld kwam velen goed uit, aldus Vuijsje, die rept over ‘een mythe die voorzag in een algemene psychologische behoefte’ – waardoor men zich niet schuldig hoefde te voelen. Historici hebben dat ‘niet geweten’-beeld niet verzonnen, maar drie van hen hebben het met hun boeken wel aanzienlijk versterkt, aldus Vuijsje. Hij doelt op Kroniek der Jodenvervolging (1950) van Abel Herzberg, Ondergang (1965) van Jacques Presser en Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog (1969-1994) van Loe de Jong. Vuijsje loopt hun werk na en laat nauwkeurig zien waar dingen mis zijn. Vooral De Jong moet het ontgelden. Waar Herzberg en Presser bepaalde bronnen negeerden, zo schrijft Vuisje, ging De Jong ‘aanzienlijk verder’, hij ‘manipuleerde’, hij ‘gaf de berichtgeving over de uitroeiing van de joden onjuist weer’.

Het boek van Ies Vuijsje: Tegen beter weten in
Het boek van Ies Vuijsje
Al voorin zijn boek, als hij De Jongs behandeling bespreekt van een illegaal pamflet (juli 1942) van SDAP-voorman Koos Vorrink en Vrij Nederland-hoofdredacteur Henk van Randwijk, noteert Vuijsje: “(De Jong) citeerde het berichtenmateriaal zodanig dat zijn stelling (de ‘niet geweten’-mythe, red.) niet werd ondermijnd”. De auteur beschrijft nauwgezet dat De Jong veel vaker zo te werk ging. Zo turft hij uit 1942 vierentwintig berichten over de Endlösung en schrijft: “Van de 24 berichten werden 12 in het geheel niet door De Jong vermeld. Van de 12 berichten die wel door De Jong worden genoemd, gaf hij er 6 weer zonder de essentie van de boodschap.”

In een concluderende paragraaf stelt Vuijsje onder meer:

De Nederlandse regering in Londen, koningin Wilhelmina en de medewerkers van Radio Oranje, onder wie Loe de Jong, valt veel te verwijten. Zij wisten veel meer en in een veel vroeger stadium dan ze later bereid waren toe te geven. Zij deden niets om erger te voorkomen.

Alles overziend kan de slotsom moeilijk anders zijn dan dat koningin Wilhelmina en het kabinet in elk geval in de loop van 1942 goed ingelicht raakten over het lot van de Nederlandse joden. Die joodse burgers werden niet naar het oosten afgevoerd om te werken, zelfs niet om onmenselijk hard te werken, ze werden gedeporteerd om te worden vermoord in vernietigingskampen. En Wilhelmina zei daarover via Radio Oranje maar heel, heel weinig.

Schaap, toch geen scherpslijper, schrijft op grond daarvan:

Waar Wilhelmina op andere gebieden de agenda van de Nederlandse bevolking bewust trachtte te bepalen, en veelvuldig waarschuwde voor het welzijn van het Nederlandse volk als geheel, daar liet ze dat ten aanzien van haar Joodse landgenoten echter na. Dat gebeurde op een moment dat die landgenoten die waarschuwingen hard nodig hadden. We mogen veel nuanceren, maar dat laatste niet.

Kleinzoon Willem-Alexander

Bezien we tot slot wat koning Willem-Alexander over de kwestie te berde heeft gebracht. Conservator Julie-Marthe Cohen van het Joods Historisch Museum in Amsterdam had het er op 17 april 2018, bij de opening van de tentoonstelling ‘Joden en het Huis van Oranje’, nog eens ingewreven: “De joodse Nederlanders werden door koningin Wilhelmina in de steek gelaten, hetgeen bij velen nog altijd een gevoelige snaar raakt”. De koning was er bij en hoorde het aan. Twee jaar later zei hij er zelf iets over.

Het was op 4 mei 2020 in Amsterdam een uitzonderlijke nationale dodenherdenking. Op een door de coronacrisis lege Dam hield Willem-Alexander zijn toespraak. Eén passage in het bijzonder trok de aandacht en haalde alle Nederlandse media. “Medemensen, medeburgers in nood, voelden zich in de steek gelaten, onvoldoende gehoord, onvoldoende gesteund, al was het maar met woorden. Ook vanuit Londen, ook door mijn overgrootmoeder, toch standvastig en fel in haar verzet. Het is iets dat me niet loslaat.”, aldus de koning.

De toespraak van koning Willem-Alexander in 2020

Reacties kwamen er te kust en te keur. We lichten er twee uit. In de al genoemde tv-documentaire ‘De joden en de Oranjes’ zegt de joodse journalist Hans Knoop:

Ik viel van mijn stoel van verbazing. Hoorde ik het nou goed, zei-die dat nou? (…) Eindelijk is recht gedaan: men heeft erkend dat men heeft gefaald. Dat is een opluchting in die zin dat we elkaar weer in de ogen kunnen kijken.

Kritisch daarentegen was historicus Aalders tegenover een verslaggeefster van Leidsch Dagblad en enkele zusterkranten.

Willem-Alexander wijdt er welgeteld vier woorden aan – ‘ook door mijn overgrootmoeder’ – om de kritiek op Wilhelmina’s rol vervolgens in zeven woorden te ontkrachten – ‘toch standvastig en fel in haar verzet’.

Drie jaar later keek Willem-Alexander er nog eens op terug in de met voormalig radioman Edwin Evers gemaakte podcast ‘Door de ogen van de koning’. “Ja, het was gewoon niet goed dat, ondanks dat men wist wat er gebeurde, het niet in de toespraken van Radio Oranje naar voren is gebracht, dat er toch gezwegen werd”, aldus de koning.

Terwijl het bekend was, zeker later in de oorlog, wat er gaande was. Niet tot in detail, maar men wist dat er vernietigingskampen waren, men wist dat de joden vermoord werden, er is niet op tijd gewaarschuwd. Daarin had mijn overgrootmoeder een andere rol kunnen spelen.

Bronnen

– Gerard Aalders: Wilhelmina. Mythe, fictie en werkelijkheid (Meppel 2018).
– Annet van Aarsen: Vier historische woorden van de koning over de rol van Wilhelmina. In: Leidsch Dagblad, Haarlems Dagblad/IJmuider Courant, De Gooi- en Eemlander, Noordhollands Dagblad, 5 mei 2020.
– Willem Bouwman: Wilhelmina sprak voor landgenoten, niet voor afzonderlijke groepen en dus ook niet voor Joden. In: Nederlands Dagblad, 5 mei 2020.
– Remco Ensel, Evelien Gans: We weten iets van hun lot. In: De Groene Amsterdammer, 2012 nr. 50.
– Bart Funnekotter: Waarom Wilhelmina zweeg over de Joden. In: NRC, 5 mei 2020.
– Dr. L. de Jong: Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog, deel 9, Londen, eerste helft (Den Haag 1979).
– Hanneloes Pen: Wilhelmina gaf nauwelijks aandacht aan de Jodenvervolging. In: Het Parool, online 19 december 2020.
– Jord Schaap: Het recht om te waarschuwen. Over de Radio Oranje-toespraken van koningin Wilhelmina (Amsterdam 2007).
– M.G. Schenk, J.B.Th. Spaan: De Koningin Sprak. Proclamaties en radiotoespraken van H.M. Koningin Wilhelmina gedurende de oorlogsjaren 1940-1945 (Utrecht 1945).
– Onno Sinke: Verzet vanuit de verte. De behoedzame koers van Radio Oranje (Amsterdam 2009).
– Ies Vuijsje: Tegen beter weten in. Zelfbedrog en ontkenning in de Nederlandse geschiedschrijving over de Jodenvervolging (Amsterdam 2006).
– Tv-documentaire De joden en de Oranjes (EO), deel 2, december 2020: https://npo.nl/start/serie/de-joden-de-oranjes/seizoen-1/vergeven-maar-niet-kunnen-vergeten/afspelen
– Tekst toespraak Willem-Alexander op 4 mei 2020: https://www.koninklijkhuis.nl/onderwerpen/nationale-herdenking-4-en-5-mei/documenten/toespraken/2020/05/04/toespraak-van-koning-willem-alexander-nationale-herdenking-4-mei-2020
– Podcast Door de ogen van de koning, aflevering 7, mei 2023: https://open.spotify.com/episode/3ea05nZ4v6zJd3mSPFQJg4
×