Stillevens met verstopte zelfportretjes
In 1998 is CODART opgericht: een internationaal netwerk van curatoren gespecialiseerd in kunst uit de Zuidelijke en de Noordelijke Nederlanden van de vijftiende tot en met de negentiende eeuw. Deze specialisten zijn verbonden aan meer dan driehonderd musea. Sinds 2019 is een schilderij van Clara Peeters (ca. 1587-na 1657?) opgenomen in de CODART-canon: een lijst met honderd kunsthistorisch belangrijke werken gemaakt vóór 1750 door kunstenaars uit de Nederlanden. Het werk in kwestie is Stilleven met kazen, amandelen en krakelingen uit 1615 en is te zien in museum Mauritshuis in Den Haag.

Waren de werken van Susanna Horenbout en Levina Teerlinc nog ongesigneerd, Clara Peeters vermeldde niet alleen haar naam of initialen op haar werk, maar beeldde zichzelf bovendien veelvuldig af in miniatuurportretjes verstopt in haar stillevens.
In het al genoemde Stilleven met kazen, amandelen en krakelingen bijvoorbeeld ligt op de voorgrond, tussen de krakelingen en de schaal met noten, een rijk gedecoreerd zilveren bruidsmes. In de zijkant van het heft is de naam ‘Clara Peeters’ gegraveerd, in kapitalen. Op het lemmet is bovendien een handje te zien; een symbolische verwijzing naar Antwerpen, de geboorteplaats van de schilderes.

Dit bijzondere mes komt voor op meerdere van haar stillevens. Maar het houdt niet op bij het mes: wanneer je Stilleven met kazen, amandelen en krakelingen heel goed bekijkt zie je, weerspiegeld in het tinnen deksel van de baardmankruik, het piepkleine gezichtje van een vrouw die een wit mutsje draagt. Clara Peeters heeft zichzelf voor de tweede keer onderdeel gemaakt van dit schilderij.

‘Banketjes’ en ‘Ontbijtjes’
Hoewel Clara Peeters haar werk dus signeerde, staat er verder weinig vast over haar leven – in tegenstelling tot Susanna Horenbout en Levina Teerlinc. Men vermoedt dat Clara rond 1587 werd geboren in Mechelen als Clara Lamberts. Rond 1639 zou ze in Antwerpen zijn getrouwd met de kunstschilder Henrick Peeters, wiens achternaam ze vervolgens gebruikte. De dankzij de handel hoogst welvarende stad Antwerpen was met name tussen 1590 en 1650 beroemd vanwege befaamde stillevenschilders als Jan Breughel – bijgenaamd ‘de Fluwelen Breughel’ om hem te onderscheiden van zijn vader, Pieter Breughel (‘Boerenbreughel’) – en Hans van Essen.
Het lijkt waarschijnlijk dat Clara Peeters op z’n minst werd beïnvloed door de Antwerpse stillevenschilder Osias Beert de Oudere (1580-1623). Mogelijk is ze bij hem in de leer geweest. Haar naam komt niet voor in de registers van het schildersgilde van Antwerpen, terwijl dat rond het begin van de zeventiende eeuw wel degelijk vrouwelijke leden telde.
Haar, voor zover nu bekend, eerste schilderij maakte Clara op veertienjarige leeftijd. Toen ze rond de twintig was, blonk ze al uit in het schilderen van knap opgezette en zeer gedetailleerde stillevens: zogenoemde ‘banketjes’ en ‘ontbijtjes’ – de term ‘stilleven’ bestond in die tijd nog niet. Deze pronkstillevens tonen composities van kostbare gebruiksvoorwerpen als vergulde en zilveren bokalen, kristallen glazen gevuld met wijn, kleurige aardewerken schalen met noten en vruchten, rijk bewerkt zilveren bestek, diepglanzende tinnen borden met vis en schelpdieren en vazen met minutieus geschilderde bloemen. De voorwerpen zijn meestal afgebeeld tegen een donkere achtergrond en gearrangeerd op een donkerbruin plateau, waar je als het ware tegenop kijkt.
‘Hogere’ genres taboe voor vrouwen
Het is niet verwonderlijk dat Clara Peeters uitsluitend stillevens schilderde. Schilderessen mochten in haar tijd geen anatomielessen volgen, omdat die geacht werden tegen de goede zeden te zijn. Het gevolg was dat zij formeel uitgesloten waren van de ‘hogere’ genres in de schilderkunst zoals historieschilderijen – voorstellingen die gebeurtenissen weergeven uit de klassieke oudheid of uit de Bijbel, waarop veelal naaktfiguren zijn afgebeeld.

Zoals we hebben gezien in het vorige hoofdstuk, was de eveneens Vlaamse Michaelina Wautier een uitzondering op deze regel. Je zou echter kunnen zeggen dat Peeters van deze nood een deugd maakte, want haar stillevens waren niet alleen zeer gewild, maar beïnvloedden ook de ontwikkeling van dit genre zowel in de Zuidelijke als in de Noordelijke Nederlanden. Zo tonen de stillevens van de Haarlemse schilders Floris van Dijck en Nicolaes Gillis (de laatste afkomstig uit Antwerpen) overduidelijk overeenkomsten met het werk van Clara Peeters.
Haar Visstilleven met kandelaar uit 1611, met onder meer voorn, karper en snoek wordt geacht het eerste visstilleven te zijn. Het werd aangekocht door de toenmalige koning van Spanje en bevindt zich in het Prado te Madrid. Dat het werk van Peeters al tijdens haar leven gevraagd was, blijkt verder uit het gegeven dat er van sommige werken kopieën bestaan waarvan het gezien de kwaliteit geen twijfel leidt dat die van haar eigen hand zijn. Dit geldt onder andere voor het al eerder genoemde Stilleven met kazen, amandelen en krakelingen in het Mauritshuis. Dat hier een gesigneerde kopie van bestaat is zeker. Waar die zich nu bevindt, helaas niet. Wat wel vaststaat is dat de in Rotterdam geboren schilder Herman Saftleven (1609-1685) een gesigneerde kopie bezat van een stilleven van Peeters.

Vanitas’ of toch niet?
Lange tijd werd gedacht dat de stillevens van Clara Peeters vanitasschilderijen waren: werken waarin op symbolische wijze ijdelheid, tijdelijkheid en de zinloosheid van het aardse gesuggereerd werden, en dat met een stichtend doel. Zo zou in haar schilderij Stilleven met lekkernijen, rozemarijn, wijn, juwelen en een brandende kaars uit 1607 de brandende kaars verwijzen naar het verstrijken van de tijd (en daarmee naar het naderen van de dood), en het takje rozemarijn naar de eeuwigheid. Vruchten en vissen mochten er dan prachtig uitzien, over een paar dagen zouden ze rotten en stinken. De laatste tijd komen experts echter terug op dergelijke moraliserende interpretaties.

Peeters’ laatste werk (voor zover nu bekend) was een schilderij met diverse vogels. Het werd in 1685 genoemd als onderdeel van de verzameling van een Haarlemse kunstverzamelaar. In de eeuw daarna kwamen haar stillevens voor op acht inventarislijsten in respectievelijk Duitsland, Engeland en Frankrijk.
Gelauwerd schilderes
Wanneer Clara Peeters overleed, blijft gissen. Het lijkt erop dat dit na 1671 was. Dat ze bij leven al een vermaard schilderes was, blijkt wel uit de lovende woorden die Cornelis de Bie wijdt aan ‘Cath’rina’ in Het Gulden Cabinet vande Edel Vry Schilder-Const (1662):
De Bie prijst Peeters verder als een van de ‘jonghe Vrouwen’ die meer van wetenschap en kunst houden dan van dagelijks aan de wandel gaan of ‘urenlang in huys voor ’t spieghel-glas’ staan. De Bie beschrijft een werk van Peeters dat hij heeft bestudeerd. Het gaat om ‘eene schilderij, op doek, schoon [mooi, JB] gemaakt, ongeveer 1 el h. en 7 p. br., zijnde bloemen en fruiten’ en is gesigneerd C. PEETERS. Het doek was toen in bezit van ‘den Raadsheer in het Provinciaal Geregtshof Mr. H.C. van Loenen, te Utrecht’. De Bie prijst het werk als…
…voortreflijk stout [voornaam, JB] en meesterlijk geschilderd, en verdient wel, onder de goede kunst van dien tijd geboekt te staan.
Bijna tweehonderd jaar later is het Christiaan Kramm die de loftrompet steekt over Peeters, die hij in De levens en werken der Hollandsche en Vlaamsche kunstschilders, beeldhouwers, graveurs en bouwmeesters, van den vroegsten tot op onzen tijd (1857-1864) ‘een zeer bekwaam kunstenaar’ noemt. Hij voegt daar echter aan toe dat zij ‘wederom nergens staat geboekt’ [niet voorkomt in boeken, JB].
Van doodzwijgen naar lof
Des te opmerkelijker is het dat de Russisch-Amerikaanse hoogleraar kunstgeschiedenis H.W. Janson in zijn gezaghebbende History of Art (1962), waarvan meer dan vier miljoen exemplaren werden verkocht in bij elkaar vijftien talen, met geen woord rept over deze veelgeprezen schilderes uit de Lage Landen. Clara Peeters is echter niet de enige vrouwelijke kunstenaar die door Janson wordt doodgezwegen. In de eerste editie van zijn bijna 600 bladzijden tellende History of Art komt geen enkele kunstenares voor.

In dit geval leidde iets negatiefs echter tot iets positiefs. De vermogende en kunstminnende Amerikaanse Wilhelmina Cole Holladay (1922- 2021) begon zich in de jaren zeventig in het bijzonder te interesseren voor kunst gemaakt door vrouwen. Toen ze met haar echtgenoot het Kunsthistorisches Museum in Wenen bezocht, waren ze zeer onder de indruk van een stilleven van Clara Peeters. Bij een bezoek aan het Prado in Madrid zagen ze vervolgens meerdere werken van Peeters. Toen het echtpaar Holladay tevergeefs Jansons History of Art doorploegde, op zoek naar informatie over Peeters en andere vrouwelijke schilders, besloten ze een kunstcollectie op te zetten met uitsluitend werken van vrouwelijke kunstenaars. Hun initiatief leidde uiteindelijk tot de oprichting van het National Museum of Women in Arts in Washington D.C., dat opende in 1987.

In Nederland was het het Mauritshuis dat in 2017 onder andere werk van Peeters – de meester-schilderes van ‘banketjes’ en ‘ontbijtjes’ – toonde in de tentoonstelling ‘Slow Food: Still Lifes of the Golden Age’. Dat je momenteel online kaarten kunt bestellen met een afbeelding van haar Stilleven met kazen, artisjok en kersen en telefoonhoesjes ‘voor meisjes’ met een bloemstilleven van Peeters, geeft aan dat het werk van deze zeventiende-eeuwse schilderes een groter en gemêleerder publiek heeft gevonden dan ze ooit heeft kunnen bevroeden.
Waar zijn de vrouwen?
Maaltijdstillevens uit de Gouden Eeuw
Exotische luxe in de Gouden Eeuw
Vincent van Gogh – Zijn leven en werk
Alberto Giacometti – Zwitserse kunstenaar
De Gebroeders van Limburg / De Gebroeders van Lymborch