1925 was een keerpunt. Dat jaar werd in Parijs – opnieuw – een wereldtentoonstelling georganiseerd: L’Exposition Universelle des Arts Décoratifs et Industriels modernes. De zogenoemde industriële kunsten worden in de stijl die aan die expositie is ontleend vaak over het hoofd gezien. Art Deco staat voor een versoberde maar luxueuze vormgeving in architectuur, meubilair, keramiek, glaswerk voor een gefortuneerde elite maar dankzij machinale productie kreeg ook de middenklasse toegang tot de nieuwe koopwaar.
Voor enkele luttele euro’s kan je nog altijd op rommelmarkten een mooi hebbeding uit de dolle jaren 20 op de kop tikken: een glazen karaf met bijpassende borrelglaasjes, een keramieken vaas, keuken- of vloertegels…
Dat stelt Cécile Dubois, kunsthistorica, voorzitter van het Brussels Art Deco genootschap en medeorganisator van de Art Deco-tentoonstelling. Overigens werd die artistieke stroming pas na de Tweede Wereldoorlog als ‘Art Deco’ betiteld. Voordien klonk het als Le Style 25.

Die vloer- of wandtegels waarover Dubois het heeft, kwamen meestal van de ooit grootste Europese tegelfabriek. In Hemiksem, een dorp aan de oevers van de Schelde, werden in die tussenoorlogse jaren kleurrijke karrenvrachten tegels geproduceerd. De producten van het familiebedrijf Gilliot waren tot in Latijns-Amerika bekend en gegeerd. Per boot werden ze via de haven van Antwerpen naar alle continenten uitgestuurd. De boten met ‘koloniale waren’ konden immers niet leeg terug naar het thuisland dobberen en dus dienden de keramiektegels als ballast. In Argentinië met een rijke elite, gek op Europese luxegoederen, zijn nog corbeilles, de typische versoberde Art Deco bloemenkorven en -kuipjes in tegels, in smeedwerk terug te vinden.
Deco als waterdrager
Populair waren ook de breekbare kristallen vazen van de beroemde Waalse manufactuur Val Saint Lambert, vooral in een pompeuze Louis-de-zoveelste stijl. Maar in 1925 wordt de vormgeving omgegooid, stelt Werner Adriaenssens, professor, specialist in Art Nouveau en Art Deco, conservator van de Koninklijke Musea voor Kunst & Geschiedenis en eveneens medeorganisator van deze tentoonstelling:
De commissie die toekeek op de inzendingen voor het Belgisch paviljoen op de Parijse tentoonstelling van 1925, wou een statement maken en stellen dat België niet verkommerd uit de Eerste Wereldoorlog was gekomen. België was geen (culturele en industriële) woestenij en/of armoezaaier. Dat moesten de tentoon gestelde producten bewijzen. De manufactuur van Val Saint Lambert werd (onder meer) aangemaand om de nieuwe, moderne stijl te omhelzen.

Kunst was evenzo commercie en de overheid besefte toen dat creativiteit ook economisch belang had. Het Belgisch paviljoen op de Parijse expo van 1925 werd ontworpen door Victor Horta, de beroemde Art Nouveau-architect.
Art nouveau zegt het zelf: kunst moest nieuw zijn. Art Deco heeft niet die ambitie om volledig nieuw te zijn, het wil modern zijn. Werner Adriaenssens
Vissenvel
De tijden zijn veranderd na de Eerste Wereldoorlog. De arbeidsomstandigheden en -rechten worden verbeterd en die overbewerkte Art Nouveau-voorwerpen worden te duur. Ook al waren de overweldigende krullen van de Art Nouveau al voor de grote wereldbrand getemperd en komen meer vereenvoudigde vormen op het voorplan. Toch zet Art Deco ook wel de traditie van luxe voort: bijvoorbeeld in materialen: zoals galuchat, het vel van een vis (meestal rog of haai).
David Van Buren, de Nederlandse bankier en gedreven kunstliefhebber, tekent zelf zijn eigen bureau voor zijn villa in Zuid-Brussel. Het schrijfblad van zijn werktafel is belegd met… galuchat. Maar Meneer Van Buren kijkt niet op een cent, ook niet in de exquise, artistieke aankleding van zijn residentiële woonst.
Art Deco voorwerpen werden pareltjes van vakmanschap: geometrische dubbel geslepen vazen met merkwaardige kleureffecten in opaal of glas ‘verrijkt’ met arsenicum, magnifieke materialen, exotische thema’s, inspiratie uit Belgisch Congo en andere werelddelen. De mondialisering sijpelt binnen.
Zelfs boekbanden – soms zelfs zonder boekinhoud – gaan door de handen van vernieuwende en bedreven ontwerpers.

Exotisme
Een machtig marmeren vrouwenhoofd, uitgezuiverd gebeiteld door Oscar Jespers, vertoont gestileerde reminiscenties naar Nubisch-Egyptische vrouwenbeelden.
Het was zo verfijnd dat een bezoeker in het atelier uitriep: het is als een ‘perle fine’ (een fijne parel).Werner Adriaenssens

Beeldhouwer Marcel Wolfers, telg van de derde generatie zilversmeden, experimenteert voor een somptueuze vaas met meerdere laklagen. Het heeft iets Oosters.
Maar dat lakwerk is een ‘erfenis’ van de houten, met lak beschermde schroeven van de vroege vliegtuigen die door Oosterse werklui met lak geduldig insmeerden. Werner Adriaenssens

En zo klikken kunst en ambacht met industrie, bedrijven en technische vernieuwing in mekaar. Voor de Boch-fabriek in La Louvière ontwierp de Franse Charles Catteau kleurrijke vazen maar ook Anna Boch, dochter van de eigenaar en zelf schilderes, bedacht keramiek en betrok de fabrieksarbeidsters in haar creatieve ontwerpen. Maar de manufactuur produceerde ook minder luxueuze producten. Het merk Boch staat in België nog altijd bekend voor borden, kopjes en teljoren, gebezigd in menig huishouden.
De Art Deco was de eerste artistieke beweging die een breder publiek beoogde.Werner Adriaenssens

Radiatordop
Dus enerzijds exclusieve luxe-objecten en anderzijds toegankelijk seriewerk voor iedereen.
Voor het eerst deden Art Deco kunstenaars onderzoek naar wat de middenklasse wou. Al verkiezen mensen vaak wat ze al (her)kennen.Werner Adriaenssens
In die dolle tussenoorlogse jaren veranderde de maatschappij grondig: het leven was niet enkel dol maar ook snel, zelfs jachtig. De auto-mobiel dook in het straatbeeld op. Voor die eerste vierwielers bedacht Art Nouveau-glasontwerper René Lalique zelfs… glazen doppen van de radiator boven op de motorkap. Voor het Belgische iconische automerk Minerva stileerde Pierre de Soete die radiatordop als gestileerd hoofd van de Romeinse godin.

Een krachtige vrouw die past bij het Interbellum tijdsbeeld.
Vrouwen in de tussentijdse periode zijn niet meer de zweverige, dromerige wezentjes van de Art Nouveau. De Art Deco-dames – vaak met een kort haarkopje – staan nog symbool voor elegantie maar ook voor emancipatie. Er wordt ook de vraag gesteld: ‘mag je een vrouw nog als “kunstwerk” gebruiken?’ Maar in die periode worden ook de eerste missverkiezingen gehouden.Werner Adriaenssens
Niet mis, die Miss
In 1919 werd in België de eerste missverkiezing georganiseerd: Miss Kust. Niet het werkwoord, maar de plek. De dames liepen er immers in badpak rond. En dat badpak werd – toen – als een symbool van emancipatie beschouwd. Net zoals lichaamscultuur en sporten waarvoor vrouwen vaak als fotomodel werden gebruikt. Eveneens ‘bevrijd’ was roken voor een vrouw: Netta Duchâteau werd in 1930 Miss België, een jaar later Miss Universe én het gezicht van het sigarettenmerk Belga. Netta rookte zelf niet…
De historische collectie van keramiek vloer- en wandtegels is te bezoeken in de St Bernardusabdij (gratis toegang). Het hele jaar zijn nog parels van Art Deco gebouwen – mits begeleiding – te bezoeken, zoals onder meer het (volledig bewaarde) Van Burenhuis uit 1928 in Ukkel, Zuid-Brussel of de Villa Empain, die nu een cultureel centrum herbergt.
Mitropa – Duitse Art Deco op de rails
William Morris, de Britse 19e-eeuwse kunstenaar, zag en wou ‘kunst’ in alles
Jane Graverol, een surrealistisch leven als kunstenares
Frans Hals: natekeningen onthullen verdwenen details
Uitnodiging tot verwondering en bewondering