Conservatieve elite sloopte Weimarrepubliek, ook rol van communisten was dubieus

8 minuten leestijd
Ogenschijnlijk nederig groet rijkskanselier Adolf Hitler op 21 maart 1933 rijkspresident Paul von Hindenburg. De conservatieve Hindenburg had toelating van de nazi-leider tot de regeringsmacht van de Weimarrepubliek mogelijk gemaakt.
Ogenschijnlijk nederig groet rijkskanselier Adolf Hitler op 21 maart 1933 rijkspresident Paul von Hindenburg. De conservatieve Hindenburg had toelating van de nazi-leider tot de regeringsmacht van de Weimarrepubliek mogelijk gemaakt. (Bundesarchiv, Bild 183-S38324 / CC-BY-SA 3.0)

Met aan de weg timmerende uiterst rechtse partijen in tal van Europese landen en een grillige figuur met autoritaire neigingen in het Amerikaanse Witte Huis is het ongeschonden voortbestaan van de liberale democratie in het huidige tijdsgewricht geen zekerheid. De Nederlandse vertaling van Volker Ullrichs uitstekende boek over de opkomst en vooral de ondergang van de Duitse Weimarrepubliek (1918-1933) komt dan ook op een goed moment.

Direct na het einde van de Eerste Wereldoorlog ontstond de eerste democratische staat op Duitse bodem: de Weimarrepubliek, destijds ook wel Deutsche Republik genoemd. Het wel en wee ervan liep erop uit dat de nationaalsocialistische voorman Adolf Hitler op 30 januari 1933 werd aangesteld als regeringsleider. Hitler had daarna weinig tijd nodig om in Duitsland de nazidictatuur te vestigen – met de bekende rampzalige gevolgen.

De Weimarrepubliek stortte niet ‘met gedonder en geraas’ in één klap in, stelt Ulltich in zijn in 2024 in het Duits verschenen en nu vertaalde boek Noodlotstijden van een democratie. De onstuitbare ondergang van de Weimarrepubliek.

Het was een traag proces van erosie waarin de grondwet en de democratische procedures beetje bij beetje werden uitgehold.

Ullrich noemt hem niet, maar mogen we de Duitse filosoof Georg Wilhelm Friedrich Hegel (1770-1831) geloven, dan zou zoiets zomaar opnieuw kunnen gebeuren. “Wat de ervaring en de geschiedenis leren, is dit, dat volkeren en regeringen nooit iets uit de geschiedenis hebben geleerd en nooit hebben gehandeld naar lessen die eruit te trekken zouden zijn”, aldus Hegel in het in 1837 postuum verschenen boek Vorlesungen über die Philosophie der Weltgeschischte.

kabinet van rijkskanselier Hitler
Hitler (zittend, midden) op 30 januari 1933 als kersverse rijkskanselier tussen zijn kabinet. Volgens auteur Ullrich was Hitlers doordringen tot de regeringsmacht niet onvermijdelijk en evenmin een ‘bedrijfsongeval’. (Bundesarchiv, Bild 183-H28422 / CC-BY-SA 3.0)

Geen bedrijfsongeval

Historicus en journalist Volker Ullrich (1943) ziet het minder zwartgallig, al stemt de geschiedenis van de Weimarrepubliek allerminst vrolijk. Bijna aan het einde van zijn boek noteert hij: “Hitlers triomf was absoluut geen ‘bedrijfsongeval’, zoals lang is beweerd. Maar het was ook niet het onvermijdelijke of automatische resultaat van de diepe crisis van de Weimarstaat. Zelfs nog in januari 1933 waren er twee manieren om hem (Hitler, red.) van de macht te houden.” Het sluit naadloos aan op wat de auteur al in zijn inleiding opmerkt over de huidige tijd:

Of onze democratie overleeft of verdwijnt hebben we in eigen hand. Dat duidelijk maken is het eigenlijke doel van dit boek.

Oud-keizer Wilhelm II met zijn tweede vrouw en stiefdochter in Doorn.
Oud-keizer Wilhelm II met zijn tweede vrouw en stiefdochter in Doorn, maart 1931 (Bundesarchiv, Bild 102-11383 / CC-BY-SA 3.0)

Na lezing kan de conclusie zijn dat Ullrich in dat duidelijk maken is geslaagd. Hij laat zien dat in Duitsland zeer conservatieve krachten (hoge officieren, grootgrondbezitters, grootindustriëlen) stap voor stap de democratische staat ondergroeven en uiteindelijk het pad voor Hitler effenden om rijkskanselier te worden en daarna de zaken naar zijn dictatoriale hand te zetten. Wat de Weimarrepubliek evenmin goed deed was de verdeeldheid binnen de arbeidersbeweging tussen sociaaldemocraten en communisten. Hoewel Ullrichs aanpak zeer gedegen is, laat het verhaal zich door zijn schrijfstijl toch vlot lezen. Wat meehelpt, is dat de auteur ter illustratie geregeld put uit dagboeken en correspondentie van mensen die de Weimarrepubliek zelf meemaakten.

Turbulentie

De geschiedenis van de Weimarrepubliek is er een van weinig hoogtepunten en vele dieptepunten. In de laatste dagen van de Eerste Wereldoorlog (1914-1918) werd de Duitse keizer, Wilhelm II, onder druk gezet om af te treden. Hij vertrok en sleet de rest van zijn dagen in Doorn, op de Utrechtse Heuvelrug. Op 9 november 1918, om twee uur ’s middags, riep plaatsvervangend voorzitter Philipp Scheidemann van de Sozialdemokratische Partei Deutschlands (SPD) vanaf een balkon van het Rijksdag-gebouw in Berlijn de Duitse Republiek uit. Twee dagen later werd bij het Franse Compiègne de wapenstilstand gesloten die de oorlog feitelijk beëindigde.

De Weimarrepubliek (1918-1933) - Philipp Scheidemann roept op een balkon van de Rijksdag de republiek uit, 9 november 1918
De Weimarrepubliek (1918-1933) – Philipp Scheidemann roept op een balkon van de Rijksdag de republiek uit, 9 november 1918

Duitsland ging door een turbulente periode. Ullrich: “Begin november sprong in Kiel (bij de marine, red.) de revolutie over op het land. Gedurende de daaropvolgende dagen breidde ze zich uit over heel Duitsland. Overal vormden zich – naar het voorbeeld van Kiel – arbeiders- en soldatenraden. Vrijwel zonder verzet te bieden stortte de oude orde in”.

Op 12 november kwam de Rat der Volksbeauftragten (Raad van Volksvertegenwoordigers, een voorlopige regering) met een cruciale verklaring. Er ging een streep door alle beperkingen die de voormalige autoritaire staat (Obrigkeitsstaat) had opgelegd vanwege de oorlog. Het recht van vereniging en vergadering werd hersteld, de censuur opgeheven, op 1 januari 1919 zou de achturige werkdag worden ingevoerd, er zouden vrije parlementsverkiezingen komen en stemrecht kregen alle mannen én vrouwen van twintig jaar en ouder.

Spartakusopstand
Spartakusopstand in Berlijn. Opstandelingen schuilen achter een barricade. (CC BY 3.0 – Alfred Grohs – wiki)
Alvorens de Weimarrepubliek definitief vorm kreeg, vloeide er echter nog veel bloed. De linkervleugel van de arbeidersbeweging wilde verder dan een burgerlijke republiek. In Berlijn leidde dat tot de zogenoemde Spartakus-opstand. Die werd onderdrukt onder verantwoordelijkheid van Gustav Noske (SPD), die binnen de voorlopige regering leger en marine in portefeuille had. Berucht geworden woorden van Noske: “Einer muss der Bluthund sein” (Iemand moet de bloedhond zijn). De leiders van de kort daarvoor opgerichte Kommunistische Partei Deutschlands (KPD), Karl Liebknecht en Rosa Luxemburg, werden in Berlijn door vrijkorpssoldaten vermoord. In München werd de leider van de Beierse radenrepubliek, Kurt Eisner, in februari eveneens omgebracht.

Op 19 januari 1919 werden de parlementsverkiezingen gehouden. Op 11 februari koos het parlement SPD’er Friedrich Ebert tot president, twee dagen later kwam er een kabinet onder leiding van Philipp Scheidemann (SPD). Het was een coalitiekabinet van sociaaldemocraten (SPD), linksliberalen (DDP) en katholieken (Zentrum). Op 31 juli nam het parlement met 262 tegen 73 stemmen de grondwet van de republiek aan. Dat gebeurde in het zogeheten Grosse Haus van het Nationaltheater in de stad van Goethe en Schiller: Weimar.

Gedenkplaquette op het pand in Weimar waar de grondwet van de republiek werd aangenomen.
Gedenkplaquette op het pand in Weimar waar de grondwet van de republiek werd aangenomen. (CC BY-SA 3.0 – Barnos – wiki)

Vijanden van de democratie

Daarmee zijn de hoogtepunten van de Weimarrepubliek wel uitgeput. Vervolgens ging het stap voor stap bergafwaarts. Ullrich legt aanzienlijke verantwoordelijkheid daarvoor bij de SPD-leiders, die ‘zichzelf meer beschouwden als curatoren van de failliete inboedel van het keizerrijk dan als vastbesloten hervormers’. En: “Aldus zaten er nog steeds vele vijanden van de democratie op machtsposities vanwaaruit ze konden overgaan tot een tegenaanval op de nieuwe orde.”

Voor het eerst gebeurde dat tijdens de Kapp-Lüttwitz-putsch, genoemd naar de Oost-Pruisische topambtenaar Wolfgang Kapp en generaal Walther Freiherr von Lüttwitz. Op 12 maart 1920 rukte de Marinebrigade Ehrhardt op naar Berlijn. Volgens Ullrich ‘schrokken (Ebert en Noske) terug voor doortastend optreden tegen deze onversneden vijanden van de democratie’ en was het aan ‘het vastbesloten verzet van de arbeidersklasse’ te danken dat het met een sisser afliep. De regering had de benen genomen naar Dresden, maar de op 14 maart begonnen algemene staking, de grootste die Duitsland ooit had beleefd, dwong de putschisten terug in hun holen.

Manschappen van de Marinebrigade Ehrhardt, met hakenkruizen op hun helmen, tijdens de poging tot staatsgreep in Berlijn.
Manschappen van de Marinebrigade Ehrhardt, met hakenkruizen op hun helmen, tijdens de poging tot staatsgreep in Berlijn. (Bundesarchiv, Bild 183-R16976 / CC-BY-SA 3.0)
Versterkt kwam de republiek uit de mislukte putsch echter niet tevoorschijn, noteert de auteur, wel leidde het tot ‘een ruk naar rechts onder de middenklasse en een ruk naar links onder de arbeiders’. Het droeg eraan bij dat de republiek de ene politieke crisis na de andere beleefde. Munitie ontleende het uiterst conservatieve kamp aan het Verdrag van Versailles (28 juni 1919), dat Duitsland als veroorzaker van de oorlog forse herstelbetalingen oplegde. Ook maakten de conservatieven veel werk van wat bekend werd als de Kriegsunschuldlüge (oorlogsonschuldleugen). Ze ontkenden botweg dat Duitsland aanstichter van de oorlog was geweest door Oostenrijk-Hongarije ertoe aan te zetten oorlog tegen Servië te beginnen zodat daarna ook Duitsland zich in het krijgsgewoel kon storten.

Hyperinflatie

Mede onder druk van de herstelbetalingen voerde de regering een zeer riskant monetair beleid. Om in de kapitaalbehoefte te voorzien liet ze de geldpersen draaien, wat leidde tot een steeds ergere inflatie. Na de moord op de liberale minister van Buitenlandse Zaken Walther Rathenau (24 juni 1922), beraamd in ultra-nationalistische kringen, zakte het vertrouwen van het buitenland in Duitsland nog verder weg en daarmee ook de koers van de Duitse munt. Voordeel daarvan hadden grote industriële bedrijven. Hun belegde vermogen bleef stabiel, terwijl ze voor investeringen heel goedkoop geld konden lenen. Kind van de rekening waren de arbeiders- en middenklasse: pijlsnel werd hun levensonderhoud duurder, de waarde van hun spaarcentjes verdampte.

De hyperinflatie nam bizarre vormen aan. Ullrich illustreert dat met een fraaie, door schrijver Victor Klemperer gememoreerde anekdote.

Tijdens de terugreis van hun vakantie aan de Oostzee bestelde zijn echtgenote in de stationsrestauratie een kop koffie. Op het bord stond als prijs 6000 mark. Dat veranderde terwijl ze de koffie dronk. Bij het afrekenen vroeg de ober 12.000 mark. Ze zei dat er eerder toch echt 6000 had gestaan. ‘Ach, u bent aangekomen tijdens de oude prijzen? Dan betaalt u maar 6000!’.

Hyperinflatie: biljetten van een miljoen mark worden gebruikt als kladpapier.
Hyperinflatie: biljetten van een miljoen mark worden gebruikt als kladpapier. (Bundesarchiv, Bild 102-00193 / CC-BY-SA 3.0)

Keerpunt 1925

Ullrich dateert ‘het conservatieve keerpunt’ in 1925. Op 28 februari overleed de sociaaldemocratische president Ebert aan een door de darmwand gebroken blindedarmontsteking. Tot zijn opvolger werd de oude veldmaarschalk uit keizerlijke tijden Paul von Hindenburg gekozen. Hij was het die het Hitler in 1933 mogelijk maakte rijkskanselier te worden.

De auteur wijst erop dat het best mogelijk was geweest in 1925 niet Hindenburg te laten winnen, maar de katholieke Zentrum-leider Wilhelm Marx. Hindenburg kreeg 48,3 procent van de stemmen, Marx 45,3 procent. Had die laatste ook de 6,4 procent van de stemmen gekregen die toevielen aan KPD-leider Ernst Thälmann, dan had Marx gewonnen. Waarom kwam de KPD met een eigen kandidaat en steunde de partij niet, net als de SPD, Zentrum-kandidaat Marx? Dat kwam door de vijandige houding van de KPD jegens de SPD, die zich in 1914 achter de regering had geschaard toen die zich in de wereldoorlog stortte.

Noodlotstijden van een democratie
 
De KPD-opstelling werd nog erger. In september 1928 verlegde het Zesde Wereldcongres van de Communistische Internationale in Moskou de koers. Dat gebeurde op initiatief van Sovjet-leider Stalin, destijds binnen zijn eigen partij gewikkeld in een strijd met de ‘rechtse’ oppositie van onder anderen Nikolaj Boecharin. De ‘ultralinkse wending’ van de Communistische Partij van de Sovjet-Unie en in haar kielzog van de Communistische Internationale hield in dat de sociaaldemocratie als de grote vijand werd aangewezen, als ‘de laatste verdedigingslinie van de bourgeoisie’ tegen de proletarische revolutie. In Duitsland bestond de KPD het om de SPD uit te maken voor ‘sociaalfascisten’, erger dan Hitler. Ullrich: “De definitieve breuk binnen de arbeidersbeweging zou noodlottige gevolgen hebben voor de geschiedenis van de republiek”.

Al met al heeft de auteur een even fascinerend als treurig stemmend boek afgeleverd. Dat de lezer de fatale afloop al kent, maakt het niet minder meeslepend om te lezen. En ja, het biedt aanknopingspunten om er – zoals Ullrich beoogt – iets van te leren: wie het afglijden van een democratie richting autocratie of erger wil voorkomen, kan maar beter eerder dan later op de rem trappen.

×