De Zeeuwse edelman Jan III van Renesse (ca. 1268-1304) speelde een grote rol in het conflict van Vlaanderen met Frankrijk en Holland. Hij was een belangrijk bevelhebber aan Vlaamse zijde tijdens de Guldensporenslag (1302) en leidde ook andere expedities, tot hij omkwam in Vlaamse dienst.
Conflict Holland en Vlaanderen
De loopbaan van Jan van Renesse biedt een scherp voorbeeld van de wisselende loyaliteit van de hoge Zeeuwse adel van zijn tijd tussen Vlaanderen en Holland. Dit had te maken met de situatie van Zeeland Bewestenschelde (Walcheren en de Bevelanden), dat sinds de elfde eeuw een twistappel was tussen beide graafschappen. De Hollandse graaf was er leenhulde verschuldigd aan de Vlaamse.
Zeeuwse hoge edelen maakten handig gebruik van de hierdoor in het leven geroepen conflictsituatie om hun eigen positie te verbeteren. Ze raakten hierbij ook in onderlinge conflicten verzeild, die dramatisch konden eindigen. Het bekendste voorbeeld hiervan is de strijd tussen Jan van Renesse en Wolfert van Borsele. Van Renesse werd door een beschuldiging van verraad door zijn rivaal Wolfert definitief naar de Vlaamse zijde gedwongen, en speelde vervolgens een hoofdrol in de Vlaamse oorlog tegen Holland en Zeeland.
Gouda

Zeeuwse rebellie
Jans vader voegde zich in 1290 bij een massale rebellie van Zeeuwse edelen tegen de graaf, uit onvrede over de wijze waarop Floris V de Keur van Zeeland toepaste. De ontevredenheid sluimerde al lang, en nu sloten velen zich aan bij de Vlaamse graaf Gwijde van Dampierre, die Floris zelfs kort gevangen wist te zetten in het kasteel van Biervliet. De oude Van Renesse droeg zijn kasteel Moermond in Renesse met bijbehorend land over aan Gwijde en werd zo diens directe vazal. Nog hetzelfde jaar werd de vrede hersteld. Floris nam de twee leiders, Jan senior en Wolfert van Borsele, toch weer op in zijn raad, vermoedelijk om ze op die manier beter in de gaten te kunnen houden.
In 1292 brak een nieuwe opstand uit, omdat Floris zijn in gevangenschap afgeperste belofte om leenhulde aan Vlaanderen te doen niet nakwam en zich ook officieel graaf van Zeeland noemde. Graaf Gwijde had de Zeeuwen begunstigd met aantrekkelijke rentelenen (het recht op jaarlijkse rente-uitkeringen), zodat een nieuwe wisseling van loyaliteit niet moeilijk viel. Deze rebellie stond onder leiding van de families Van Borsele en Van Cats; Van Renesse nam er deze keer niet aan deel.

Slag bij Baarland
Beide Jannen van Renesse (ze worden Jan II en Jan III genoemd, maar soms ook Jan I en Jan II) treden gezamenlijk op in enkele oorkonden uit 1293. Kort daarop is Jan senior waarschijnlijk overleden.
In 1295 braken nieuwe vijandelijkheden uit tussen Holland en Vlaanderen. Floris V had bij rooms-koning Adolf van Nassau voor elkaar gekregen dat het zo vernederende verdrag van Biervliet werd herroepen. Vanuit Vlissingen stak een Hollands leger onder bevel van de jonge Jan van Renesse over naar Sluis; deze Vlaamse voorhaven van Brugge werd in brand gestoken. Het nabije Cadzand onderging hetzelfde lot uit handen van Jans oom Dirk van Brederode.
Er volgde een wapenstilstand, die in het najaar van 1295 alweer verbroken werd. Enkele duizenden Vlamingen staken nu de Honte (Westerschelde over) en vielen Zuid-Beveland binnen. Bij Baarland werden ze verslagen door een Hollands-Zeeuws legertje van niet meer dan driehonderd man. Ongeveer duizend Vlamingen werden gedood; de 1500 die gevangen genomen werden, moesten naakt in bootjes de Schelde op. De overwinning zou volgens een bron te danken zijn aan de ‘vrome ridder’ Jan van Renesse, hoewel het leger onder bevel stond van Wolfert van Borsele en Dodijn van Everinge.

Moord op Floris V
In de winter van 1295/96 verruilde Floris V zijn bondgenootschap met koning Edward van Engeland voor een alliantie met de Franse koning Filips IV ‘de Schone’. Onder de Hollandse en Zeeuwse edelen die het verdrag mede bezegelden was ook ‘Jehan sires de Reinisse’, Jan van Renesse. Verschillende Hollandse en Zeeuwse edelen lieten zich paaien door Edward, waarbij een plan ontstond om Floris V gevangen te nemen en te vervangen door zijn jonge zoon Jan, die in Engeland werd opgevoed en verloofd was met een Engelse prinses. In juni 1296 werd dit plan daadwerkelijk uitgevoerd. Het draaide echter uit op de onvoorziene moord op Floris, toen een bende Gooiers de graaf probeerde te redden uit de handen van de edelen die hem gevangen hadden genomen.
Machtig en barbaars

In maart 1297 streed Jan ten noorden van Alkmaar bij Vronen succesvol tegen de West-Friezen. Met deze slag kwamen de West-Friese oorlogen, die met onderbrekingen hadden gewoed sinds 1132, ten einde. De actie vestigde Jans reputatie als krijgsman definitief. Als beloning werd hij benoemd tot baljuw van Zuid-Holland, dat wil zeggen Dordrecht en de wijde omgeving.
Het dorp Vronen werd na de slag afgebrand en mocht niet meer worden bewoond. Later stichtte men hier Sint Pancras. Uit archeologisch onderzoek in dit dorp in 1991 bleek dat grote wreedheden op de overwinning waren gevolgd. In een deel van 132 in een tuin aangetroffen graven lagen zwaar verminkte skeletten. Bekkens en benen bleken verbrijzeld, er waren pijlgaten en sporen van messteken en zwaardhouwen.

De valstrik van Wolfert
Jan wist zijn grote invloed bij de graaf goed te benutten. Voor zichzelf en zijn vrouw kreeg hij voor elkaar dat al hun goederen op hun dochter zouden vererven. Maar ook Wolfert van Borsele was nu toegetreden tot het groepje raadgevers van Jan I, en zijn invloed groeide al even snel en ten koste van die van Jan van Renesse. In mei 1297 verpandde de graaf aan Wolfert al zijn renten en inkomsten in Holland en Zeeland, als zekerheid voor verstrekte of nog te verstrekken leningen.

Wolferts dood
Jan van Renesse was naar Vlaanderen uitgeweken en stelde zich in dienst van de Engelse koning Edward, die een leger had verzameld om de Vlaamse graaf tegen de Franse koning te helpen. De nieuwe alleenheerschappij van zijn doodsvijand Wolfert van Borsele wekte snel grote onlustgevoelens in Holland. Het eindigde er op 1 augustus 1299 mee dat de trotse Wolfert door een volksmenigte in Delft werd gelyncht. Er gingen beweringen rond dat Jan van Renesse en zijn aanhang hier iets mee te maken hadden, maar dit zullen weinig meer dan vermoedens zijn geweest.
In elk geval zal Jan het smadelijke einde van Wolfert met vreugde hebben begroet en hij deed een poging om weer naar Holland en Zeeland terug te mogen keren. De nieuwe graaf Jan II van Avesnes wilde er echter niets van horen en dat bezegelde Jans keuze voor Vlaanderen, een keuze die hem grote roem maar ook een spoedig einde zou brengen.

Strijd voor Vlaanderen
Jan viel onder de Vlaamse leeuwenbanier Zeeland binnen, maar werd daaruit weer verdreven door de graaf. Vervolgens keerde hij zich tot rooms-koning Albrecht van Oostenrijk en betoogde dat Holland en Zeeland door de dood van de vorige graaf aan het Rijk waren vervallen. Het inspireerde Albrecht tot een veldtocht naar Nijmegen, die echter eindigde in een verzoening met graaf Jan van Avesnes, die het rijksleger met een eigen krijgsmacht tegemoet was getrokken. De Zeeuwen waren onder leiding van Jan van Renesse ook naar Nijmegen op weg, maar maakten nu rechtsomkeer en richtten vanuit Vlaanderen nieuwe verwoestingen aan in Zeeland.
Graaf Jan ging op zijn beurt naar Zeeland, verbande Jan van Renesse en verdeelde zijn bezittingen onder loyale edelen. Een nieuwe tegenslag voor Jan was de slag bij Lodijke (nu deel van het Verdronken land van Zuid-Beveland), waarbij de door Jan en Floris van Borsele geleide oproerige Zeeuwen verslagen werden door Jan ‘zonder Genade’ van Oostervant, de zoon van graaf Jan.
Guldensporenslag
De Guldensporenslag op 11 juli 1302 bracht Jan van Renesse zijn grootste roem; de twee helden aan Vlaamse zijde waren hijzelf en Willem van Gulik. In deze strijd, geleverd buiten Kortrijk, stonden de ridders van het binnengetrokken leger van de Franse koning tegenover een volksleger van opstandige Vlaamse burgers en boeren. Het Franse leger omvatte zo’n 8500 man: 2500 adellijke ridders, 1000 kruisboogschutters, 2000 piekeniers en 3000 soldaten. De Vlaamse krijgsmacht van ongeveer 9000 man was slechter uitgerust en telde maar 400 ridders.
Het werd een verpletterende Vlaamse overwinning. Achter drie vleugels van Oost-Vlamingen (Gent bleef neutraal), Bruggelingen en andere West-Vlamingen bevonden zich reservetroepen onder Jan van Renesse. Het opgerukte Franse voetvolk trok zich terug om de Franse ridders vrij baan te geven: een dramatische vergissing. De Vlamingen stonden zodanig opgesteld dat vluchten onmogelijk was en ze waren terdege voorbereid. Velen waren uitgerust met een goedendag: een knuppel met een dodelijke ijzeren piek of pin erop. Naast de drager van een goedendag stond een man met een lans of piek. Deze was schuin naar voren in de grond geplant om de aanstormende paarden te stuiten. De neertuimelende ridders maakten vervolgens fataal kennis met de goedendag. Dit tevoren afgesproken afmaken van de Franse ridders was een vrij nieuwe tactiek, ofschoon weinig meer dan een koekje van eigen deeg voor de meedogenloze adel. Voorheen nam men vijandelijke ridders liever gevangen, met het oog op losgeld.

Toen de Franse ruiterij in het centrum wél door de Vlaamse linies brak schoot Jan van Renesse te hulp met zijn reservetroepen. Ook daar werden nu de Franse ridders afgemaakt; het pleit was beslecht toen hun opperbevelhebber Robert II van Artois door Willem van Saeftinghe (nota bene een lekebroeder) van zijn paard werd geslagen, waarna andere Vlamingen hem doodden. De resterende Fransen sloegen op de vlucht en werden tot op tien kilometer achtervolgd en gedood. De vergulde, verzilverde en ijzeren sporen die op het slagveld achterbleven werden de volgende dag door de overwinnaars verzameld en later deels in de kerk van Kortrijk opgehangen.
‘Grote eerbied’ voor Jan
Het meest uitvoerige verslag van de slag is geschreven door de Brabantse geestelijke en literator Lodewijk van Velthem, die veel lof heeft voor de verrichtingen van Jan van Renesse, over wie hij schrijft:
‘Die ridder die draecht den Lupart,/ Dats diegene dat seggic die/ Daer ic meest af ontsie:/
Hets Mijn Her Jan van Rinesse;/ In die werelt en isser niet sesse,/ Omgaens wijt ende breet/ Die bet van oorloge weet.’Vertaald: ‘Die ridder met de leeuw in zijn wapen, dat is degene, zeg ik, voor wie ik de grootste eerbied heb: het is heer Jan van Renesse; in heel de wereld zijn er geen zes, waar men ook gaat, die meer van oorlog voeren weten.’
Verdere strijd in Vlaamse dienst
Ook na de Guldensporenslag bleef Jan van Renesse in de oorlog tegen Holland een belangrijke figuur. Weer met Willem van Gulik, die het opperbevel had, was hij actief in de Slag bij Arke (1303) in Noord-Frankrijk, ook als onderhandelaar. Ondanks grote verliezen wonnen de Vlamingen deze slag en staken de stad in brand. In het noorden werd Zeeland weer aangevallen; de Vlamingen bezetten Middelburg.
De onvermoeibare Jan van Renesse trok als leider van een Vlaams expeditieleger verder naar het noorden en drong diep door in Holland, tot bij Haarlem. Ook hielp hij met Gwijde (Guy), de zoon van de Vlaamse graaf, de Utrechtse gilden aan de macht en nam zijn intrek in deze stad als zaakwaarnemer van de graaf van Vlaanderen.
Maar de kansen keerden, vooral door de grote Vlaamse nederlaag van de Slag op de Gouwe (1304) bij Zierikzee. Gwijde had Utrecht verlaten en liet Jan van Renesse achter. De Hollanders probeerden hem en de zijnen uit Utrecht te lokken door molens en boerderijen in de omgeving in brand te steken. Jan en enkele andere edelen verlieten heimelijk de stad. Tijdens de overtocht over de Lek in een te volle boot sloeg op 16 augustus het noodlot toe: Jan van Renesse en zijn metgezellen geraakten te water in hun zware wapenrustingen en verdronken. Eén bron meldt dat Jan op een eilandje in de rivier nog strijd leverde tegen Jan van Beusichem, heer van Culemborg, en daarbij sneuvelde.

Naspel
Twee dagen later sneuvelde ook Jans oude strijdmakker Willem van Gulik als hoofd van de Ieperse strijdmacht tijdens de Slag bij Pevelenberg tegen de Fransen. De Vlaamse dreiging was voor Holland voorbij. De goederen van Jan van Renesse vielen toe aan zijn eilandgenoot Witte van Haamstede, een trouw kampioen van Holland. Gouda kwam met enkele bijbehorende bezittingen in 1308 aan Jan van Beaumont, de jongere broer van de nieuwe graaf Willem III.
Kroniekschrijver Melis Stoke, vermoedelijk een Zeeuw of zelfs Zierikzeeënaar van geboorte, brak meermalen de staf over Jan van Renesse. Die had in zijn optiek immers de graaf van Holland verraden, zijn eigenlijke vorst en Melis’ broodheer. Maar net als Van Velthem moest hij toch de talenten van Jan erkennen:
‘Want hi vrome was ende coene/ Ende sinen viant hovesch ghenoech./ Hadde hi ghedaen al sulc ghevoech,/ Dat hi sinen here hadde ghedient,/ Ende trouwelike ghesijn sijn vrent,/ Ic hadde hem ghegeven altemale/ Den prijs sonder ander tale’.
Krachtig en dapper was Jan, en zeer ridderlijk tegenover zijn vijanden, aldus Melis. Die ridderlijkheid gold uiteraard niet het volk, zoals de slachting in Vronen aantoont. Als Jan braaf zijn plicht had gedaan en aan de goede kant had gestreden, zou hij van Melis de hoofdprijs hebben gekregen.
– Ronald de Graaf, Oorlog om Holland 1000-1375 (Hilversum 1996).
– Henk ’t Jong, De dageraad van Holland. De geschiedenis van het graafschap 1100-1300 (Utrecht 2018).
– Jan J.B. Kuipers, ‘Jan van Renesse, Vlaanderen en Holland’, in: id., Nederland in de middeleeuwen. De canon van ons middeleeuws verleden (2de herz. dr. Zutphen 2020), 105-107.
– Jan J.B. Kuipers, ‘Slot Moermond Renesse, ca. 1229’, in: Jan J.B. Kuipers & Johan Francke, Geschiedenis van Zeeland. De canon van ons Zeeuws verleden (Zutphen 2009), 44-47.
– P. Trio, D. van den Auweele & D. Heirbaut, Omtrent 1302 (Leuven 2002).
De Slag op de Gouwe (1304)
De Zeeuwse edelman Wolfert van Borsele ging ten onder aan zijn eigen machtshonger
De Guldensporenslag – De strijd om Vlaanderen (1302)
Witte van Haamstede overwon de Vlamingen in een slag die niet plaatsvond
De Chinese Muur van Zeeland
Wie was Neeltje Jans?
Drie-in-de-pan (of smouters) – Oud-Hollandse pannenkoeken