Het bevroren kerkhof. Zeeland na de ramp

Een nieuwe tijd – Corine Nijenhuis
/
10 minuten leestijd
Zicht op het gehucht Capelle, met plaatsnaambord (CC0 - Maurits90 - wiki)
In februari 2023 is het zeventig jaar geleden dat de Watersnoodramp plaatsvond. Over de ramp zelf zijn vele verhalen verteld. In het boek Een nieuwe tijd (Alfabet uitgevers) beschrijft Corine Nijenhuis hoe het Zeeland ná de ramp verging. Een moderne tijd diende zich aan. Niet alleen het Deltaplan had ingrijpende gevolgen, de overheid greep het moment ook aan om op allerlei terreinen het moderne leven in te voeren. Nijenhuis stuitte op bijzondere verhalen van scheepsslopers en sluiswachters, sjouwers en schippers, boerenknechten en kerkgangers. Op Historiek een fragment uit haar boek over het gehucht Capelle, dat met de ramp totaal werd weggevaagd en waar de overlevenden uiteindelijk nooit meer zouden terugkeren. Alleen het kerkhof bleef over.


Het bevroren kerkhof

Capelle. Zelfs met de ogen gesloten kun je er de huidige tijd voelen; de tijd van ná de ramp. Het is het geluid dat het verschil maakt, of beter gezegd: de afwezigheid ervan. Het geluid van een levend gehucht versus dat van een bevroren gehucht, met daartussen de harde grenslijn die Watersnoodramp heet.

In Capelle ná de ramp overheerst het geluid van de auto’s die met de maximaal toegestane snelheid van 80 kilometer per uur over de Rijksweg naar Zierikzee of Bruinisse rijden en het toegangsweggetje passeren zonder er ook maar af te kunnen slaan. Het gekraai van een schorre haan, het suizen van een strimmer; het zijn slechts kortstondige onderbrekingen van de stilte tussen de enkele resterende huizen van wat eens een levendige arbeidersgemeenschap was.

Capelle vóór de ramp klinkt als een mengeling van kinderstemmen, een sissende stoomtram, matten kloppende vrouwen en de sloffende hoeven van een Zeeuws paard voor een boerenwagen. Capelle in januari 1953. De tijd voordat de zee een levend gehucht verzwelgen zal waarvan de restanten bevroren worden, al is dat laatste mensenwerk waar de waterwolf met zijn vraatzucht niet aan te pas komt.

Een gehucht is het. Zo’n honderd zielen verdeeld over enkele tientallen huisjes, huizen, hoeves en hoefjes, maar met een gemeenschapsgevoel dat bijzonder mag heten. Dat zullen vooral de arbeiders en knechten in de kleine woningen aan het enige straatje van Capelle zo voelen. Zij werken meest voor de boeren van wie de bedrijven aan de rand van het gehucht staan, of een stukje verderop de Vierbannenpolder in. En al is er verschil tussen de boeren onderling – de grote hebben een hofstede en láten hun land bewerken en hun vee verzorgen, de kleine wonen op een hoefje of spulletje en werken net zo hard mee op eigen akker en in eigen stal – het contrast tussen hen en de arbeiders is vele malen groter. Want de arbeiders en knechten wonen in huisjes die je zonder mankeren krottig kunt noemen en waarvan er een paar al vóór de evacuatie van Schouwen-Duiveland in het oorlogsjaar 1944 onbewoonbaar zijn verklaard door de gemeenteraad van Nieuwerkerk. Maar enkele malen per jaar vallen die verschillen weg. Want bij de georganiseerde activiteiten van de in 1947 opgerichte buurtvereniging is iedereen gelijk. Alleen al het feit dat de boeren én hun arbeiders lid zijn van dezelfde vereniging is wat Capelle bijzonder maakt.

Maar dat is niet het enige. In de Zeeuwse polders is het gebruikelijk dat de boerenknechten en landarbeiders verspreid in huisjes op het land van de boer wonen. De grote boeren rond Capelle regelen dat anders; hun knechtenwoningen staan bij elkaar, aan weerszijden van een smal straatje met aan het einde een kerkloos kerkhof waar de leden van de boerenfamilies zich sinds de negentiende eeuw laten begraven. Daarom kun je zeggen dat Capelle van de boeren is, en de bewoners ervan slechts passanten. Want lang blijven de meesten niet. Dat heeft te maken met de contracten van de losse werkers die ieder jaar aflopen in de maand mei. Dan wisselen veel landarbeiders in Zeeland van werkgever, en daarmee ook van huis en woonplaats.

De bewoners van Capelle zijn arm, zoveel mag duidelijk zijn.

Maar dat moment is nog ver weg, aan het einde van die eerste maand van het jaar 1953. Een maand die weinig regen kent en waarin de grond, na de lage temperatuur in het begin van januari, nu weer vorstvrij is. In die laatste dagen voor een onvermoed einde wonen de arbeiders dicht naast elkaar aan wat door de bewoners ‘de straatpad’ wordt genoemd en dat door een scherpe bocht is verbonden met ‘het achteromme’ dat ernaast ligt. Vóór 1935 was ‘de straatpad’ een doorgaand straatje voor het verkeer dat weliswaar maar mondjesmaat door het gehucht reed, maar de kinderen desondanks de stuipen op het lijf joeg, want gewend aan vrachtwagens, dat waren ze in Capelle niet. Vijf jaar voordat de oorlog losbarstte is er een nieuw stukje weg aangelegd zodat het verkeer langs het gehucht kan in plaats van erdoorheen, wat niet alleen de bewoners geruststelt, maar ook de chauffeurs die de haakse bocht aan het einde van het straatje maar met moeite en, ongetwijfeld, een hoop binnensmonds gefoeter kunnen ronden. Het nieuwe stuk weg is onderdeel van de Rijksweg, maar de Capellenaars noemen het gewoon ‘de nieuwe straatpad’. Een jaar terug, in 1952, zijn de tramrails erlangs gelegd. Nu rijdt de stoomtram die Zijpe met Burgh verbindt niet meer dóór Capelle maar erlangs en ligt de tramhalte net buiten het gehucht.

‘De straatpad’ is bestraat met klinkers, ‘het achteromme’ met blauwe kasseien. Daar loopt een geultje door dat eindigt bij een afvalput die is afgedekt met een betonnen plaat en nu en dan geleegd wordt door een werkman van de gemeente. Er staan een stuk of twaalf huisjes aan ‘de straatpad’, met kleine tuintjes erachter. Om er te gaan wonen moet er noodzaak zijn. Die is er: de woningnood op het eiland is groot. Arbeiders en knechten zijn blij iets te hebben gevonden waar ze met hun gezin in kunnen trekken, al past het woord kot beter bij het soort arbeiderswoning dat bestaat uit één of twee kamertjes en een zolder die bereikt wordt met een losse ladder of een open trap. In de meeste kotjes slaapt men direct onder de dakpannen, alle kinderen in dezelfde ruimte. De vloeren zijn rot, bij enkele huisjes vallen de gaten in de bakstenen muren. Sommige woningen hebben aangebouwde keukentjes waar de gootsteen niet meer is dan een ijzeren bakje onder een kraan en de afvoer een gootje dat door een gat in de muur naar een moddersloot loopt. Er wordt gekookt op petroleumstellen of een stenen kachel, gestookt op kolen of briketten. Achter de huisjes staan varkenskotten, kippenhokken en pleehuisjes; bij warm weer is de stank niet te harden.

De bewoners van Capelle zijn arm, zoveel mag duidelijk zijn. Ook de inwoners van die paar huisjes die wat minder bouwvallig zijn, of die van de twee nieuwgebouwde woninkjes waarvan de laatste pas vier jaar oud is en zelfs een doortrek-wc heeft, een Bruynzeelkeuken, én een leuning naast de trap. Misschien is het de armoede die saamhorigheid in Capelle kweekt, misschien de herkenning van gelijken die de gemeenschapszin onderling aanwakkert. Want al is er verschil tussen een paardenknecht en een landarbeider, tussen een vaste boerenknecht en eentje die straks in de maand mei weer verder trekt, alle bewoners van Capelle zuchten onder de afstompende mores van hard werken en weinig weelde. Of ze nu op de akkers de aardappels rooien en de graanoogst binnenhalen, het enige winkeltje in het gehucht bestieren of het plaatselijke café uitbaten; elke man en iedere vrouw maakt ellenlange dagen in een almaar doorgaand ritme dat bepaald wordt door de seizoenen, het weer en de aarde die steeds opnieuw bewerkt en bevochten moet worden.

(…)

Maar wat de bewoners het meest bij elkaar brengt is de jaarlijkse feestavond in december, want hoewel die weliswaar maar één avond lang duurt, beginnen de voorbereidingen ervan al weken van tevoren. Er is beraadslaging en overleg, er wordt gerepeteerd voor toneelstukken en voordrachten, getimmerd en geschilderd aan decors, geknutseld aan kostuums om uiteindelijk, gezamenlijk, de wagenschuur van een grote boer in te richten als feestzaal. En dan volgt het feest. Om half acht begint het om tot middernacht door te gaan. Er wordt volop toneelgespeeld: één of twee grote toneelstukken met een flink aantal spelers, en een paar eenakters met een kleine bezetting. Er wordt een zelfgeschreven verhaal in vijfenveertig coupletten voorgedragen en een lied gezongen met teksten over Capelle, men zingt gezamenlijk het Zeeuwse volkslied en als afsluiting, staand, ook nog het ‘Wilhelmus’. En later, na het feest, volgt dan nog een tijd van uitgebreid napraten.

De voorbereidingen, de besprekingen, het gezamenlijk maken van iets waarbij iedereen even nuttig en nodig is; het overbrugt de verschillen tussen de bewoners van Capelle en versterkt de eenheid onderling. Dat gevoel wordt misschien nog wel sterker wanneer er een andere partij is om mee te concurreren. Zoals in 1948, op de dag dat koningin Wilhelmina’s gouden regeringsjubileum werd gevierd met een grote optocht van praalwagens in het verderop gelegen Nieuwerkerk. De buurtcommissie had besloten eraan mee te doen, gezamenlijk hadden de Capellenaars in een grote boerenschuur een bandenwagen omgebouwd tot praalwagen vol blauwe en witte golven waarop de Zeeuwse leeuw, de spreuk ‘Luctor et emergo’ én het wapen van Capelle triomfantelijk prijkten. Ze wonnen er de eerste prijs mee, wat tot grote vreugde leidde, want volgens de Capellenaars wordt hun kleine gemeenschap maar weinig gewaardeerd door het grote Nieuwerkerk.

De waterwolf heeft geen onderscheid gemaakt in zijn onstilbare vraatzucht; er zijn arbeiders, knechten én boeren verdronken.

En nu is de jaarlijkse feestavond alweer ruim een maand achter de rug. Het is de laatste dag van januari 1953 en het stormt al sinds de middag. De Capellenaars hebben geen tijd voor napraten in ‘de straatpad’, het is zaterdag en het werk van de week moet af. Er wachten zaterdagavonduitjes, zoals een uitvoering van de mandolineclub in Nieuwerkerk, en een bazaar van de Christelijke Jongelingen Vereniging in Zierikzee. Bij sommige gezinnen komt zaterdagavondbezoek, voor een verjaardag, voor het wekelijkse canasta-avondje, of om te kaarten. Er zijn weinig zorgen al neemt de wind nog verder in hevigheid toe en is de Oosterschelde zo ver gestegen dat de steiger bij Katseveer onder water staat, net als de veersteiger in Zijpe.

In de avond groeit de storm tot orkaankracht en reikt bij de Plompe Toren het water van de Oosterschelde al tot de muraltmuurtjes die boven op de buitendijk staan. Maar er is haast geen mens in Capelle die om elf uur in de avond op de radio de waarschuwing voor gevaarlijk hoogwater in het zuidwesten van Nederland hoort, en wie het wel hoort weet niet hoe te handelen. De knechten en arbeiders in ‘de straatpad’, de boeren op hun hoeves of spulletjes; ze gaan naar bed, evenals hun gasten die niet meer naar huis kunnen vanwege de storm die al het andere geluid verzwelgt, zelfs dat van de sirene in Zierikzee ten teken dat de vloedplanken in de haven zijn gebroken en de waterwolf zich klaarmaakt voor zijn genadeloze aanval.

Een bord ter herinnering aan de Watersnood van 1953
Een bord ter herinnering aan Capelle en de Watersnood van 1953 (CC0 – Maurits90 – wiki)

1 februari 1953

Er is nauwelijks nog wat over. Tweemaal per etmaal, bij laagwater, tonen zich de jammerlijke resten van wat eens Capelle was. In stilte, nu alle geluiden verstomd zijn. Het krijsen van de dieren in de stallen en op de onderstromende velden is gestopt, eerder dan het schreeuwen om hulp vanaf de daken van de instortende huisjes, en het monotoon geprevel van psalmen en gebeden door gelovigen die wachten op de verlossing uit hun lijden.

Tijdens hoogwater worden de sporen van de weggespoelde gemeenschap bedekt door de zee die ongehinderd in en uit de polder stroomt. Dan is er niets te zien van ‘de straatpad’ en ‘het achteromme’ die zijn veranderd in een onherkenbare strook ravage van puin en slik. Dan zijn de brokstukken van weggeslagen muren en de in wanhoop afgegooide dakpannen onzichtbaar, net als de overblijfselen van gehavende hekken en boerenschuren, of de al opzwellende kadavers die vastgebonden of verstrikt zitten waardoor het terugstromende water hen niet mee kan trekken, de polder door, het stroomgat uit, de zeearm in.

Bij hoogwater zie je alleen nog de daken van de gebouwen die de ziedende golven en het beukende wrakhout hebben weerstaan en niet zijn weggeslagen. Het zijn er niet veel. De cichoreifabriek staat nog overeind, evenals een naastgelegen huis en een verminkte hofstede waarvan de voorgevel ontbreekt. Her en der rond Capelle zie je het dak van een hoeve, als een klein eiland in het water dat nu grijs en kalm is en zijn tomeloze woede van voorgaande etmalen alweer vergeten lijkt. Het stalen raamwerk van een kassenbedrijf glinstert als het geraamte van een reusachtig dier in de uitgestrekte binnenzee die de Vierbannenpolder geworden is.

Een nieuwe tijd – Corine Nijenhuis
Een nieuwe tijd – Corine Nijenhuis
In het gehucht zelf, aan het straatje, staan nog twee huisjes overeind. Ook het elektriciteitskotje heeft de stormvloed overleefd. Het smalle gebouwtje met het lage puntdak staat er als verbijsterd bij, in afwachting van wat nog komen gaat, want bij elke vloed verdwijnen de muren opnieuw onder water, trekt het zout de bakstenen in, spoelen de golven de grond weg en trekken aan alles wat hun in de weg staat. De gebouwen van Capelle zijn verloren. Hetzelfde geldt voor veel van hun bewoners. De waterwolf heeft geen onderscheid gemaakt in zijn onstilbare vraatzucht; er zijn arbeiders, knechten én boeren verdronken. Er zijn tweeënveertig doden te betreuren. Van een aantal van hen zullen de lichamen niet worden teruggevonden.

Het duurt maanden voordat een deel van de overlevenden uit Capelle elkaar terugziet. Na hun redding van de daken van overeind gebleven huisjes en hoeves of van de als vlot gebruikte spanten en balken of wat er maar te grijpen viel in het ijskoude water, zijn de bewoners kort opgevangen in kerken en scholen in de buurt. Vervolgens is iedereen geëvacueerd. Naar familie en vrienden, of, net als in de oorlog, naar wildvreemden. De Capellenaars raken verspreid over heel het land, in afwachting van het moment dat ze kunnen terugkeren naar hun eiland.

~ Corine Nijenhuis

Boek: Een nieuwe tijd. Zeeland na de ramp – Corine Nijenhuis

Bekijk dit boek bij:

Bekijk dit boek bij Historiek Geschiedenisboeken

Abonneer
Stuur mij een e-mail bij
guest
0 Reacties
Inline feedbacks
Bekijk alle reacties