Dark
Light

Burgeropstand in Vlaanderens waanzinnigste eeuw (1301)

10 minuten leestijd
Vlaanderens waanzinnigste eeuw
Vlaanderens waanzinnigste eeuw (1297-1384). Fragment van de cover - Detail van een vijftiende-eeuwse verbeelding van de Slag op het Beverhoutsveld
In het boek Vlaanderens waanzinnigste eeuw vertelt Joren Vermeersch in romanstijl het verhaal van een tumultueuze eeuw. Van de uitbraak van de oorlog met Frankrijk in 1297 tot de Bourgondische machtsovername in 1384. Vermeersch beschrijft de geschiedenis niet vanuit het perspectief van de ‘hoge heren’, zoals dat al vaak werd verteld, maar door de ogen van de kleine man. Hoe gingen de wevers, boeren, vissers en herbergiers van Vlaanderen om met de horror van de oorlog? Op Historiek een fragment uit het boek over een Vlaamse opstand tegen het Franse gezag.


Ons donkerste uur

Brugge, 31 augustus 1301

Pieter Van der Gote veegde het zweet van zijn voorhoofd en kapte een nieuwe emmer urine in het vollerbad. Samen met zijn kameraden Clais en Jan was hij vandaag aan de slag in het atelier van meester Pieter De Pape, in de Vuldersstraat in Brugge. Dat was een flink eind wandelen van de wijk waar ze woonden. Op last van het stadsbestuur hadden de vollers hun stinkende nering ver buiten de stadskern moeten opzetten, in de nieuwe verkaveling vlakbij de Kruispoort. Dit lange stuk laken vollen was de laatste klus voor vandaag. Met de blote voeten begonnen de drie mannen het plat te stampen in een stinkende brij van aarde, water en urine. Dat kon makkelijk een paar uur duren.

Daarna zouden ze het laken aanspannen op een lange tafel en het nogmaals plat kloppen, deze keer met brede houten hamers. De drie mannen zouden doormeppen tot alle ruwe draden wol in het pas geweven laken dicht aaneengehecht waren en het laken zacht en egaal was. Eens deze klus geklaard, zouden ze het laken spoelen en op hun schouders meedragen naar de Lange Raamstraat, waar het op houten skeletten opgerekt zou worden, om te bleken in de zon. Daarna namen andere ambachten de eindafwerking van hen over: de lakensnijders zouden het laken exact doen passen in de precieze afmeting die gangbaar was in de internationale handel. Vervolgens ging het naar de ververs, die het de heldere kleuren zouden meegeven die vandaag in zwang waren.

Spits van de Sint-Gilliskerk in Brugge (CC BY-SA 3.0 – wiki)

Laken vollen was een beenhard karwei. Weinigen in Brugge beneden Pieter om zijn job. Zelf stelde hij zich daar geen vragen bij. Met een paar kloeke stoten in de warme schoot van zijn moeder had zijn vader, zelf ook een voller, hem tot dit bestaan veroordeeld. Een ander beroep uitoefenen dan je vader deed bijna niemand. Als zoon van een lid van het ambacht werd je namelijk gratis opgenomen, terwijl je voor de toetreding tot een ander ambacht als werkman een half fortuin moest neertellen. Als voller was Pieter geboren. Als voller zou hij sterven. Als God het beliefde, tenminste. Zijn leven was er een van werken en zwijgen. Tien uren per dag. Zes dagen per week. Om dan op zaterdag zijn karige weekloon te ontvangen en meteen de helft daarvan te verzuipen in de kroegen rond de Sint-Gilliskerk. En zo toch even de dagelijkse sleur te vergeten.

De drie mannen werkten in stilte. Ademen was sowieso lastig in het atelier, door de allesoverheersende stank. Dus spaarde je maar beter je stem voor belangrijke mededelingen. Veel viel er over hun monotone bestaan toch niet te zeggen. Als een sonoor, ritmisch gedrum hoorde je het stampen van de voeten weerklinken in de werkplaats: bam, bam, bam, bam, bam… Onwillekeurig hadden de drie gezellen hun voetenwerk perfect op elkaar gesynchroniseerd, het resultaat van jaren samen wroeten. Het constante gedreun werkte hypnotiserend.

Terwijl Pieter de brij tussen zijn tenen voelde kruipen, liet hij zijn gedachten de vrije loop. Op zijn voorhoofd tekenden zich diepe groeven af, veel te diep voor zo’n jeugdige man. Het waren sporen van zorgen, tekenen van kommer en kwel. De vlammen van hoop, die op die magische eerste julinacht nog de hele Burg hadden verlicht, waren stuk voor stuk gedoofd. Vandaag was er alleen nog duisternis. Amper twee maand na die bevrijdende wilde feestnacht, na dat collectieve delirium waarin alles mogelijk leek, waren zijn dromen op een beter leven, op waardigheid en vrijheid, gaan vliegen. Ze waren gesmoord in zijn eigen overmoed, verdronken in zijn kinderlijke naïviteit. Hij had het kunnen weten. Hij had het móéten weten.

Had hij maar naar zijn lieve vrouw Goddelieve geluisterd. Zij had het altijd al geweten. Ze had het hem nog zo bezworen, diezelfde nacht, toen hij ladderzat thuiskwam.

Dit loopt fout af, Pieter. Blijf thuis en houd u koest. Wij zijn niet voor een ander leven geboren!

Standbeeld van Jan Breydel en Pieter de Coninck op de Grote Markt van Brugge
Standbeeld van Jan Breydel en Pieter de Coninck op de Grote Markt van Brugge (CC BY-SA 2.0 – Tim Dobbelaere – wiki)
Zo probeerde ze op hem in te praten. Uit bezorgdheid. Uit liefde. Maar Pieter moest er niets van weten. Met een ferme mep van zijn open hand had hij haar die nacht het zwijgen opgelegd. Niemand mocht zijn droom verstoren. Zeker zijn eigen wijf niet. Terwijl het arme wicht gelijk had. Maar dat besefte hij nu pas.

Na de bevrijding van Heem, De Coninck, Breydel en de andere volksmenners had Pieter zich binnen de vollermilitie op de voorgrond weten te dringen. Pieter was een man zonder vrees, een beer van een vent. Zo waren er uiteraard wel meer mannen in het vollersambacht. Maar wat hem apart maakte, was een natuurlijke aanleg tot agressie. Hij had een flinke dosis woede in zijn karakter en in zijn lijf. Dat waren kenmerken die mannen als Heem en De Coninck wel wisten te appreciëren. De leiders van de opstand beloonden hem met opdrachten die steeds belangrijker leken. Intimideer deze kerel. Sla die man in elkaar. Bedreig deze familie. En ga zo maar door…

De aandacht van zijn leiders streelde Pieters ego. Voor het eerst voelde hij zich meer dan een anonieme vollersgezel. Eindelijk was hij iemand. Hij genoot van de angst die hij anderen kon inboezemen. Goddelieve zag hem groeien en gloriëren in zijn nieuwe rol. Maar ze durfde het niet aan om haar zorgen daarover nogmaals kenbaar te maken. Daarvoor was de herinnering aan de muilpeer die ze toen had ontvangen nog te vers. Ze verpakte haar ongerustheid in een loden stilzwijgen, waar Pieter verkeerdelijk een stilzwijgende instemming in zag. Zo holde hij argeloos de afgrond tegemoet. En met hem de hele stad.

Want uiteraard was de Franse bezetter niet van plan om de bestorming van de gevangenis blauwblauw te laten. Voor Jacques de Châtillon kwam deze daad neer op majesteitsschennis. Het loutere feit dat laaggeborenen het hadden aangedurfd om de Franse bevelhebber te trotseren, een man van adel, was in zijn ogen op zich al onvergeeflijk. Bij zulk gedrag paste slechts de galg, redeneerde hij. Over zijn eigen uitgestrekte grootgrondbezit in Noord-Frankrijk regeerde de Châtillon met ijzeren vuist. De raven werden er als het ware permanent gevoerd met het vlees van horigen, soms voor banale feiten, zoals vissen of stropen waar dat niet mocht. Wreedheid en onverbiddelijkheid waren nu eenmaal onmisbaar om krachtig te kunnen regeren, zo had de Châtillon van zijn vader geleerd. En zo zou hij het zijn eigen zonen ook leren.

Slechts door laaggeborenen angst aan te jagen, kon je het gedwee maken, mak en volgzaam, wist de Châtillon. Dat zou ook in Brugge moeten gebeuren. En wel snel. De galg moest opgetuigd worden, voor het geteisem van Brugge het te hoog in de bol zou krijgen. De Châtillon kon daarbij rekenen op de steun van de radicaalste elementen onder de collaborerende poorterselite, Jan Van Gistel op kop. Kritiek op de doldrieste razzia die hij had bekokstoofd, accepteerde Van Gistel niet, hoewel hij daarmee zelf het vuur aan de lont had gestoken. Het oproer van de eerste juli sterkte hem daarentegen in zijn overtuiging dat er nog veel harder moest worden opgetreden. Onophoudelijk dreigde hij de andere leden van de poorterij af om samen met de Fransen een vuist te maken.

De avond waarop de lelie wraak zou nemen, was nakend. Twee weken na de feestnacht, op de avond van 13 juli, was het zover. De Châtillon verscheen met vijfhonderd zwaarbewapende Franse ridders voor de wallen van de stad. In Brugge had de poorterij haar eigen ruiterij gemobiliseerd. Het strijdplan leek briljant in zijn eenvoud. Bij de laatste klok zouden de rijke poorters van Brugge de Smedenpoort openen voor de Châtillon en zijn ridders, waarna ze zich samen meester zouden maken van de stad. De poorterij zou daarvoor haar ruiterij verzamelen op ’t Zand, het grootste plein van de stad, op een steenworp van de Smedenpoort.

Smedenpoort in Brugge
Smedenpoort in Brugge (CC BY-SA 3.0 – CEphoto, Uwe Aranas – wiki)

Maar daar liep het grondig mis. Meer dan honderd leden van de bereden poorterijmilitie daagden niet op. Luid vloekend, keek Jan Van Gistel toe hoe nog geen 150 ruiters op ’t Zand verzamelen bliezen. Hij zag er de banieren van de Van Aartrikes, de Alverdoens, de Vandewalles en andere oude Brugse families die hun lot aan de Franse koning hadden verbonden. Maar het wapenschild van de Van der Beurzes zag hij niet. Dat van de Van der Mattens en vele andere prominente families evenmin. Onder de rijke burgerij was de afgelopen weken een verlammende angst voor de woede van het volk gaan woekeren. Brugge was als een nest vol rode mieren geworden, onvoorspelbaar, wispelturig en agressief. Vele families, waaronder ook de Van der Beurzes, oordeelden dat het onverstandig was om dat nest nog verder op te poken.

De nachtmerrie voor Van Gistel en de andere leliaards werd compleet toen bleek dat de ambachten van het plan op de hoogte waren. In stilte hadden ook zij hun milities gemobiliseerd, zonder ook maar één klok in de stad te luiden. Nog voor de ruiterij de kans zag om de Smedenstraat in te slaan en er de poort te openen voor de Châtillon en zijn ridders, hadden leden van het weversambacht die al ingenomen.

Het Franse leger stond zo voor een onoverkomelijke hindernis. Jacques de Châtillon had in zijn harnas zitten koken van woede, toen hij de Brugse wevers het bastion zag bestormen. Franse soldaten werden zonder pardon in de gracht gekieperd, een zekere verdrinkingsdood tegemoet. Vanop de kantelen wierpen de wevers hem en zijn ridders allerlei verwensingen toe, terwijl ze provocatief voor hem de broek afstaken. Binnen de muren stonden Van Gistel en zijn mannen machteloos. De Smedenstraat was afgezet door een dicht cordon van wevers, de goedendags dreigend in de grond geplant. De boel toch forceren, door de wevers in een charge uiteen te slaan en dan stormenderhand de poort te veroveren, was ondoenbaar. Dat had te veel ruiters het leven gekost.

De situatie werd helemaal precair, toen de leliaards in de mot kregen dat de milities van de andere ambachten vanuit drie hoeken tegelijk naar ’t Zand begonnen op te dringen. Zegedronken zagen zij hun kans schoon om voor eens en altijd baas in eigen stad te worden. Woedend gaven de ruiters hun strijdros daarop de sporen. In een dolle vaart galoppeerden de leliaards door de Steenstraat, langs de kerk van Sint-Salvator, om dan om het belfort heen te draaien en zich via de Wollestraat naar de Gentpoort te haasten. Daar lieten de verbouwereerde Franse wachtposten hen door de open poort razen, de veiligheid van het platteland tegemoet. Ook zij namen daarop de benen, samen met de rest van het Franse garnizoen.

Gentpoort in Brugge
Gentpoort in Brugge (CC BY-SA 3.0 – CEphoto, Uwe Aranas – wiki)

Maar niet elke ruiter kon tijdig ontsnappen. Een tiental leliaards was achterop geraakt. Aan de brug die de Wollestraat met de Dijver verbond, botsten zij op een bende bewapende ambachtslieden. Verschrikt deinsden hun paarden achteruit. De oprukkende wevers hadden ondertussen de Markt bereikt. Langs daar richting Ezelpoort ontsnappen, was onmogelijk. De leliaards zagen uiteindelijk geen andere kans dan om te keren, richting Markt, en dan rechtsaf te slaan, door het smalle straatje dat naar de Burg leidde. Daarlangs hoopten ze via de Hoogstraat de Kruispoort te bereiken en zo de weiden in te vluchten. Het bleek een fatale beslissing, die hen recht naar hun dood leidde. Ondertussen was de militie van de vollers namelijk al door de Hoogstraat opgerukt, tot aan het koor van de Sint-Donaaskerk.

De leliaards probeerden zich nog te verschansen door de toegangspoorten tot het plein te blokkeren, maar werden al snel uiteengeranseld. Met hun goedendags in de aanslag drongen de vollers daarop de mannen terug, tot ze met hun rug tegen de Heilige Bloedkapel stonden. Van daar konden ze geen kant meer op. Jammerend staken ze hun zwaarden in de grond, als teken van overgave. Pieter was erbij, samen met zijn vrienden Jan en Clais, hun lijven bomvol adrenaline. Huilend gingen de leliaards op hun knieën zitten, hun handen vroom in de bidhouding. Alle heiligen die in het firmament aan de zijde van de Vader zetelden, riepen zij aan. Pieter zag zijn maten Jan en Clais op dat beslissende moment aarzelen. Zelf twijfelde hij niet. Het beest in hem was los. En dat beest kende geen genade.

Vlaanderens waanzinnigste eeuw (1297-1384) - Joren Vermeersch
Vlaanderens waanzinnigste eeuw (1297-1384) – Joren Vermeersch
Samen met enkele andere vollers stormde hij op de geknielde mannen af. Met welgemikte slagen van zijn goedendag klopte hij de ene na de andere schedel tot moes. Het bloed van de vermoorde leliaards bespatte zijn gezicht. Pieter kon de zilte smaak proeven. De smaak van gekoelde woede. Slechts enkele leliaards konden van een gewisse dood worden gered, na tussenkomst van Jan Heem. Zij verdwenen als gijzelaars in het Steen, om later door hun families te worden vrijgekocht, ongetwijfeld voor een fabelachtig hoog losgeld. Na de overwinning barstte in Brugge opnieuw een wilde orgie uit. Die duurde tot ver in de nacht. Pieter was uitzinnig. Extatisch. Voor het eerst had hij een vijand vermoord. De ontlading die daarop volgde, was onbeschrijfelijk. Moorden doet wat met een mens. Machtiger dan de machtigste koning voelde hij zich. Als een dolle wildeman danste hij door de hete nacht.

In die hectische zomermaanden leek het wel alsof Pieter niet meer tot helder denken in staat was. Zijn geest was bedwelmd door het succes, zijn verstand verblind door zijn rijzende reputatie als vechtjas. Toen hij daar vandaag op terugkeek, verwenste hij zichzelf uit het diepst van zijn hart. Want de hakbijl die de stad zou onthoofden, die werd toen geslepen. Diezelfde nacht al. De Châtillon was buiten zinnen van woede. Dit was een aanslag op zijn gezag. Sterker nog: het was een regelrechte oorlogsverklaring aan de Franse lelie en aan de koning.

Boek: Vlaanderens waanzinnigste eeuw (1297-1384) – Joren Vermeersch

Joren Vermeersch is een Belgische historicus, jurist en auteur. Als columnist voor De Standaard en als schrijver brengt hij geschiedenis tot leven. Eerder publiceerde hij het veelgeprezen 1349: Hoe de Zwarte Dood Vlaanderen en Europa veranderde (2019).

Gratis geschiedenismagazine

Ontvang, net als ruim 50.000 anderen, iedere week de gratis nieuwsbrief van Historiek:
×