Holland in de veertiende eeuw

Hoogtij van Holland – Henk ’t Jong
/
13 minuten leestijd
Hoogtij van Holland - Detail van de boekcover
Detail van de boekcover - Pagina uit het exemplaar van de Romance of Alexander (ca 1340), een Vlaams manuscript over het leven van Alexander de Grote, maar dan overgebracht naar het midden van de 14e eeuw. Alexander kreeg in de Middeleeuwen hetzelfde wapen toebedeeld als de in 1299 uitgestorven graven van Holland, een rode leeuw op goud.
Over de geschiedenis van Holland in de late middeleeuwen zijn vrij weinig publieksboeken geschreven. Het komende week te verschijnen boek Hoogtij van Holland is voor geïnteresseerden daarmee een uitkomst. In dit boek staat historicus Henk ’t Jong uitgebreid stil bij de roerige geschiedenis van het graafschap Holland. In de veertiende eeuw, waarin Europa in crisis verkeerde, werd dit graafschap bestuurd door graven, aanvankelijk afkomstig uit het huis Henegouwen, later uit het Beierse huis. Als introductie op zijn boek stelde de auteur voor Historiek onderstaand artikel samen:


Holland in de veertiende eeuw

De historische omstandigheden en diverse gebeurtenissen juist in de veertiende eeuw hebben ervoor gezorgd dat de graafschappen Holland, en in iets mindere mate Zeeland, de kans hebben gekregen om uit te groeien tot welvarende gewesten. Met name Holland nam toen een voorsprong op de andere ‘landen’ binnen wat nu Nederland is. Het waren de steden die, ondanks de Vlaamse inval van 1304, de grote hongersnood, de diverse pestperioden en de steeds terugkerende partijtwisten onder de adel (waarvan ze op den duur ook te lijden hadden), een machtspositie opbouwden. Hun kennis op het gebied van handel en nijverheid maakte de steden rijk en daardoor werden ze geliefde geldschieters voor de graven, die vaak op zwart zaad zaten. Toen nam het Hollandocentrisme een aanvang: het graafschap Holland werd het welvarendste van alle Lage Landen en bepaalde later voor lange tijd hoe er naar de Nederlandse middeleeuwen werd gekeken.

Ruiterzegel Willem III
Ruiterzegel Willem III. http://www.hubert-herald.nl/BelHainaut.htm.
De grotendeels stabiele regeringen van graaf Willem III van Avesnes en hertog Albrecht van Beieren, plus de afwezigheid van oorlog (op enkele korte perioden na) binnen de eigen grenzen, zorgden voor rust. Vlaanderen daarentegen, dat al eeuwen de ‘rijke man’ van dit deel van Europa was geweest, raakte door zijn conflict met Frankrijk steeds dieper in de problemen. Het land had te maken met failliete boeren, verpauperde textielarbeiders in de steden en naar het buitenland (niet zelden Holland) vluchtende kooplui en lakenfabrikanten. Het zuchtte onder het juk van enorme boetes aan hun leenheer, de Franse koning. Engeland en Frankrijk raakten bovendien verwikkeld in een verwoestende en armoede brengende oorlog waarin ook Vlaanderen werd meegesleept. Dat conflict laaide elke vijf tot tien jaar weer op en zorgde met name in delen van Frankrijk voor enorme ellende.

De boeren hadden zoals gewoonlijk het meest te lijden van de oorlogen. Zowel in Vlaanderen als in Frankrijk liep deze ellende uit op grote opstanden onder de bevolking, die handelde uit wanhoop. In Vlaanderen was dat het geval tussen 1323 en 1328 en in Frankrijk in 1358. Dat laatste als gevolg van een Engelse overwinning bij Poitiers. Ondanks de successen die de Engelsen in 1346-47 en 1356 behaalden, stopte ook voor dat land de oorlog niet en moesten de legers betaald worden. De schatkist raakte leeg en koning Edward III ging failliet (evenals zijn geldschieters) zodat in 1381 ook in Engeland een grote opstand uitbrak onder de boeren. De belastingen en beden (afgesmeekte maar traditionele subsidies) waren niet meer op te brengen. De vorsten en de edelen sloegen al die opstanden overigens, nadat ze de eerste schrik te boven waren, bloedig neer. In het Duitse Rijk was het ook onrustig; daar vochten geregeld in steeds wisselende combinaties vorstendommetjes tegen elkaar en tegen of vóór de rooms-koning of keizer, of de tegenkoning. De keizers Lodewijk IV de Beier en Karel IV, de Luxemburger, hadden er hun handen vol aan om de dikwijls opstandige adel rustig te krijgen en te houden. Bij ons bleven dit soort gewelddadige oproeren uit, al waren ook hier aanzetten tot wat burgeroorlogen hadden kunnen worden. Die hadden echter andere oorzaken.

In Holland boorde men intussen nieuwe markten aan. Kooplui uit Deventer en wat later Kampen en Zwolle handelden al vanaf de twaalfde eeuw met de Duitse Hanze. De Hollanders voegden zich daarbij gedurende de late dertiende eeuw. En er werd toen al haring gevangen voor de kust van Schonen (Skåne, nu Zweden, toen Deens) en die werd vervolgens verhandeld. Maar kort na het midden van de veertiende eeuw voeren Hollandse schippers zelf naar de Oostzee om graan uit Pruisen te halen. De reden daarvoor was dat de eigen akkers niet meer genoeg opbrachten. Deze Baltische gebieden bleven tot in de zeventiende eeuw ook een belangrijk leverings- en afzetgebied. Met Scandinavië dreef Holland eveneens steeds meer handel.

Dat was de basis van Hollands voorsprong. Maar die basis was wel te danken aan Frans en Duits sprekende graven.

De buitenlanders

Na het uitsterven van het Hollandse Huis door de onverwachte dood van de kinderloze, jonge graaf Jan I (de enig overgebleven zoon van graaf Floris V) in 1299 kwamen de graafschappen Holland en Zeeland onder beheer van een buitenlandse dynastie. Jan van Avesnes, later graaf Jan II was de zoon van Aleid van Holland (1231-1284), de zuster van graaf en rooms-koning Willem II (1227-1256, vader van Floris V). Hij was de enige mannelijke erfgenaam voor het graafschap. Zijn vader was titulair graaf van Henegouwen, al werd hij dat in de praktijk nooit. Jan wel. Na de dood van zijn grootmoeder gravin Margaretha van Vlaanderen, die Henegouwen onder zich had gehouden, kon hij zich in 1280, na een langdurige strijd met het Vlaamse gravenhuis, zelf graaf noemen.

Grootzegel Jan II van Avesnes
Grootzegel Jan II van Avesnes, http://www.sigilla.org/sceau-type/jean-avesnes-comte-hainaut-grand-sceau-27195
Jan van Avesnes werd opgevoed in Henegouwen en hoewel zijn moeder Hollands was, zal die opvoeding voornamelijk Franstalig zijn geweest. Toen Aleid na 1258 voogdes werd voor haar neefje Floris V was hij, samen met zijn wat jongere broer Boudewijn, al begonnen aan zijn opleiding tot ridder. Die opleiding vond eveneens plaats in dat zuidelijke graafschap. Hun jongere broers Burchard, Gwijde, Willem en Floris en zusje Johanna zullen met hun moeder zijn meegegaan. Zij zorgde ervoor dat de Hollandse Floris Frans en zijn Henegouwse neefjes Hollands leerden. Gwijde, die tot priester opgeleid werd in Luik, dat deels Vlaamstalig was, fungeerde vlak na Jans aankomst in Holland waarschijnlijk als zijn tolk.

De onderdanen moesten wennen aan de buitenlandse vorst. Hij kwam uit een andere omgeving, had waarschijnlijk andere gewoonten en zal een aantal hovelingen en bedienden hebben meegebracht die net als hij de taal hier nog niet kenden. Mocht iemand hebben opgeschreven hoe dat er in de praktijk aan toe ging, dan is dat niet bewaard gebleven. De krachtige aanpak van Jan II, nog tijdens zijn voogdij over Jan I tot 1299 en als graaf vóór 1303, bij de aanvallen die van alle kanten op Holland en Zeeland plaatsvonden, leverde hem goodwill op. Zijn zonen Willem en Jan hielpen daarna nog om de Waalse dynastie in de Lage Landen bij de Zee geaccepteerd te krijgen. Mensen hier zullen Frans hebben geleerd (en Henegouwers Nederlands) en men zal heen en weer hebben gereisd. Hollanders en Zeeuwen zullen kennisgemaakt hebben met dat zo andere land en er misschien een band mee hebben opgebouwd.

Henegouwen

Le Quesnoy, de meest geliefde verblijfplaats van de Avesnes, ligt via de snelste route die de graven konden nemen maar 288 kilometer van Den Haag. Nu doe je er via Antwerpen en Brussel met de auto 3,5 uur over. In de veertiende eeuw waren de wegen echter een stuk slechter dan tegenwoordig en er waren veel minder bruggen. Dat zorgde voor vertraging. De graaf en zijn gevolg reisden deze afstand natuurlijk nooit in een keer achter elkaar. Ze trokken het hele jaar door van de ene residentie naar de andere. Onderweg werd soms dagenlang gestopt in allerlei steden en kastelen. Men verbleef er tussendoor ook in herbergen, zowel in steden als in dorpen, op eigen grafelijke bezittingen of in gastenverblijven van kloosters.

De graven reisden te paard. Dat ging niet per se snel, maar was voor geoefende ruiters wel comfortabel. Het gevolg van de graaf zat meestal ook te paard, maar er reden ook zwaar beladen karren mee en er waren lieden die liepen; dat vertraagde dan weer. Meestal duurde het, als men geen haast had, tussen anderhalf en twee weken voor men van bijvoorbeeld Den Haag of Middelburg in Henegouwen aankwam (en omgekeerd). Dagenlang werd dan niet gereisd. En als dat wel gebeurde hadden de grafelijke karavanen geen haast en men stopte dan al vóór het noenmaal, zo tussen twee en drie uur in de middag. De reizigers bleven dan tot de volgende ochtend vroeg op een van de vertrouwde pleisterplaatsen. Als daar dan ook nog vertier was, kon het wel twee of drie dagen duren voordat men verder trok. De graaf kon er bijvoorbeeld mensen te woord staan die een petitie kwamen aanbieden, hij kon er oorkonden bezegelen of er een middag gaan jagen. Boden legden deze afstand echter in een paar dagen af en wisselden op vaste pleisterplaatsen van paard.

Route Holland Henegouwen

Henegouwen is dus niet zo ver weg. Nu ligt het deels in België en deels in Noord-Frankrijk, waar nu nog de hoofdstad Valenciennes en het geliefde slot van Le Quesnoy liggen. Bergen (Mons) ligt in Belgisch Wallonië. Men spreekt er voornamelijk Waals Frans, met al zijn dialecten, al zijn er wat plaatsen, zoals Halle, waar men meer Vlaams spreekt. Het graafschap bestond en bestaat uit een heuvelachtige hoogvlakte die in de veertiende eeuw vooral in het zuiden en oosten dunbevolkt was. De westelijke grens, met Vlaanderen, werd gevormd door de Schelde (in het Frans Escaut), die helemaal naar Zeeland stroomt. In Henegouwen was hij toen echter moeilijk bevaarbaar. Vanuit het hogere heuvelland in het oosten stroomde de Dender (Dendre) langs Ath naar het noorden. De Haine deed hetzelfde, maar deze kwam net boven Valenciennes in de Schelde uit. De Vlaamse naam voor deze rivier is de Hene, waaraan de gouw zijn naam te danken heeft; de rivier vormde de grens tussen de vroegmiddeleeuwse Henegouw ten zuiden en de Brabantgouw ten noorden ervan. Aan de overkant van de Schelde lag nog het kleine graafschap Oostervant (Ostrevant), dat in het westen werd begrensd door de rivier de Scarpe, die ook uitmondt in de Schelde. De oudste zoons van de graven werden in de veertiende eeuw dikwijls, voordat ze hun vaders écht opvolgden, graaf van Oostervant. Na veel problemen in het verleden werd dit gebiedje van de Franse koning in leen gehouden, in tegenstelling tot de rest van het graafschap, dat een keizerlijk leen was en via de bisschop van Luik tot het Duitse Rijk hoorde.

De Zwarte Madonna van Halle
De Zwarte Madonna van Halle (CC BY-SA 4.0 – Paul Hermans – wiki)
Henegouwen was toen arm aan steden. Eigenlijk kon alleen het in het westen aan de Schelde gelegen Valenciennes zich meten met de Vlaamse of Hollandse steden. Daar konden de andere stadjes, zoals Aat (Ath), Avesnes, Bavay, Bergen (Mons), Binche, Bouchain, Chièvres, Edingen (Enghien), Lessen (Lessines), Maubeuge en Le Quesnoy niet aan tippen. Halle, de eerste stad van Henegouwen die men tegenkwam na het passeren van de grens met Brabant, was weer een ander verhaal. Het was net als ’s-Gravenzande in het Westland al in de veertiende eeuw een internationaal bekende en beroemde bedevaartsplaats. In de hoofdkerken van beide stadjes bevond zich een door de heilige Elisabeth geschonken wonderdoend Mariabeeld. Dat van Halle staat er nog en het wordt nog steeds vereerd.

Henegouwen, dat al sinds de vroege middeleeuwen een eigen gravenhuis had, was een totaal ander land dan Holland of Zeeland. Het was heuvelachtig en bebost, had kleine landbouwpercelen, veel adellijke kastelen en in de bossen en op heuveltoppen stond een groot aantal kloosters en abdijen. Het meeste land was eigendom van adel en kerk. Henegouwen was veel ‘feodaler’ van karakter dan de platte, noordelijke graafschappen. Het bezat een trotse en krijgslustige, maar niet erg welvarende ridderstand die graag voor buit meevocht in het grafelijke leger. De boerenbevolking was relatief arm met kleine bedrijven rond het plaatselijke kasteel en weinig afzetmogelijkheden voor haar producten. Tenzij ze in de buurt van een van de weinige marktstadjes woonden. Hun dorpen waren onbeschermd, waardoor ze het met name in de beginfase van de Honderdjarige Oorlog bij Franse invasies zwaar te verduren kregen. Maar dat was in de middeleeuwen voor het platteland in het algemeen gebruikelijk.

Beieren

Toen graaf Willem IV van Avesnes in 1345 sneuvelde zonder dat hij nakomelingen had, moest opnieuw in de zijlijn gekeken worden naar opvolging. Hij had vier zussen, maar om een vrouw gravin van Holland en Zeeland te laten worden lag daar moeilijk. In Henegouwen, dat al eerder door vrouwen was geregeerd, was dit minder een probleem. De Lage Landen hadden echter slechte ervaringen met vrouwelijke opvolging en zagen dat liever niet. Het geval wilde dat de oudste zuster, Margaretha, was getrouwd met de keizer van het Duitse Rijk. Hij was de leenheer van zowel Henegouwen als Holland en Zeeland en het stond hem vrij zijn vrouw te begiftigen met de graafschappen. Voor het geval er te veel weerstand zou komen uit de noordelijke gebieden, kwam hun jonge zoon Willem mee als tijdelijk verbeider. Die beheerde samen met zijn jongere broer Albrecht Beieren-Straubing (een deel van Neder-Beieren), maar hun oudere halfbroer Stefan ‘met de gespen’ zou daar toezicht houden. Boden tussen Holland en Beieren zouden de beide hoven van elkaars reilen en zeilen op de hoogte houden. Willem de Verbeider zag na zijn aankomst in Henegouwen en Holland zijn thuisland niet meer terug. Nadat Albrecht zijn door ziekte uitgeschakelde broer opvolgde als ruwaard, bezocht die graaf tot en met 1371 sporadisch nog Beieren. Daarna hebben zijn vervangers – op den duur zijn jongere zoons – dat land met hulp en advies vanuit Holland bestuurd.

Afstanden tussen Holland, Zeeland, Henegouwen en Beieren, 1350

In het Duitse Beieren heerste een heel andere cultuur dan in de Lage Landen of Henegouwen, al zal de adel ook daar de modieuze hoofse en internationale ridderlijke omgangsvormen hebben gevolgd. Frans zal de internationale diplomatieke taal zijn geweest; de keizerin was immers een Waalse. De Beierse spreektaal was een Duits dialect dat toen al net zo onverstaanbaar voor buitenstaanders geweest moet zijn als nu het geval is. Na de introductie van de nieuwe dynastie hoorden Hollanders en Zeeuwen een heel andere taal dan het Waals-Frans, waaraan ze inmiddels gewend waren geraakt. Als het Duitse dialect werd opgeschreven of gezongen, was het voor Diets sprekenden nog wel te volgen. De spreektaal was een probleem. Graaf-hertog Albrecht had daarom twee hovelingen in dienst, beiden Jorghel geheten, om te tolken. Op een bepaald moment was dat niet langer nodig omdat de grafelijke hofhouding, inclusief de hertog en zijn gezin, al zo lang in Den Haag was gevestigd dat ze de taal voldoende sprak om zich verstaanbaar te kunnen maken.

Er zijn ongetwijfeld Hollanders en Zeeuwen naar Beieren gereisd. Van hun indrukken is niets bewaard gebleven, niet over de route, en niet over het land en de steden. Week Henegouwen al totaal af van het Hollandse landschap, voor Beieren gold dit nog sterker. Het land was ook veel groter. Het was opgedeeld in Opper- en Neder-Beieren, die elk door een tak van de hertogelijke familie Wittelsbach werden geregeerd. Neder-Beieren, het noordelijke deel, was onderverdeeld in Beieren-Landshut (zuid) en Beieren-Straubing (noord).

Het zuiden van het hertogdom Beieren, richting Zwitserland, was bergachtig. Dat lag natuurlijk ook een behoorlijk stuk van Holland. De afstand Den Haag-Straubing (de hoofdstad van Beieren-Straubing) was, als je de kortste route volgde, niet minder dan 772 kilometer. München, de hoofdstad van Opper-Beieren, lag ongeveer even ver weg. Via de bochtige middeleeuwse wegen kwam je trouwens toch al gauw boven de 800 kilometer uit.

Grootzegel Hertog Albrecht van Beieren (1375). Parijs, Archives nationales de France, aan charter, inv. nr. J 412, nr 6.
Grootzegel Hertog Albrecht van Beieren (1375). Parijs, Archives nationales de France, aan charter, inv. nr. J 412, nr 6.
Het hertogdom Beieren-Straubing lag aan weerszijden van de Donau tussen de stadjes Kelheim en Vilshofen. Het was een vruchtbaar gebied, met de brede Donau als de belangrijkste verkeersader. In de veertiende eeuw lagen er maar drie bruggen over de rivier; je kon je echter ook laten overzetten via een van de 26 veren. In het noordwesten werd het hertogdom begrensd door de Oberpfalz of het vorstendom Opper-Palts en tientallen kleine landen, waaronder het bisdom Regensburg. In het noordoosten, achter het Beierse Woud, lag Bohemen (nu Tsjechië). In het oosten en zuidoosten lag Oostenrijk en ten zuiden lag Beieren-Landshut, het zuidelijk deel van Neder-Beieren, dat werd bestuurd door Stefan II van Wittelsbach, de oudere halfbroer van de hertogen Willem en Albrecht.

De hertogen regeerden samen met hun standen: de geestelijkheid, de steden en vooral de adel. De geestelijken waren voornamelijk abten uit de tientallen abdijen en kloosters. De steden, dat waren er maar negen, waren klein en hadden niet veel te vertellen. Er waren wel bijna honderd adelsgeslachten die veel in de melk te brokkelen hadden bij het besturen van de diverse heerlijkheden en die, net als in de Nederlanden, functies vervulden in de hertogelijke raad.

Straubing, een oeroude nederzetting die kort na 1200 stadsrechten kreeg, was al in de dertiende eeuw de hoofdstad van het gebied. Het was de zetel van de vitztum (vice-dominus = waarnemer) van de Beierse hertogen, een functie die om de paar jaar door een ander werd uitgeoefend. Het was ook de residentie van de nieuwe hertogen van Beieren-Straubing en een belangrijk religieus centrum.

Holland en Zeeland, 1350

Holland en Zeeland

De graafschappen Holland en Zeeland lagen, zoals iedereen weet, aan de uiterste noordwestrand van het Duitse Rijk en aan de mondingen in de Noordzee van de Rijn en zijn voortzettingen Waal en Merwede. In de Noordzee mondde ook de vanuit het zuiden stromende Maas uit. Vanaf de dertiende eeuw groeiden de van oorsprong boerse graafschappen uit naar landen met steeds meer steden. Vanaf even voor het midden van die eeuw kregen ze stadsrechten en werden van steeds grotere betekenis. Dordrecht moet voor 1200 al dergelijke rechten hebben ontvangen. In diezelfde eeuw zou Holland, als gevolg van de bevolkingsgroei in de toen bijna voltooide ontginningen, een steeds groter aantal inwoners moeten bergen. Zeeland, met zijn twee steden waarvan één aanvankelijk nog in het van Vlaanderen afhankelijke deel lag, bleef in ontwikkeling wat achter. Maar ook daar werden steeds meer eilanden ingepolderd en groeide het bevolkingsaantal.

Hoogtij van Holland
Hoogtij van Holland
Op die paar steden na bleef het echter een boerenland, al werden in de veertiende eeuw wel wat kleinere stadjes toegevoegd aan de plattelandsheerlijkheden.

Eind 1299 vroegen de Hollandse edelen Jan van Avesnes zijn neef Jan I op te volgen. Die stemde toe. Hij trok naar Holland, probeerde de chaos waarin het graafschap sinds de dood van graaf Floris V te bedwingen, maar kreeg zijn oude vijand Vlaanderen over zich heen. Hoe die aanvallen werden gepareerd, hoe zijn opvolgers zoon Willem III en kleinzoon Willem IV het eraf brachten en hoe hun opvolgers, de broers Willem V en Albrecht van Beieren, omgingen met de gevolgen van weer een opvolgingsstrijd leest u in Hoogtij van Holland. Het graafschap in de veertiende eeuw.

~ Henk ’t Jong

Bekijk dit boek bij:

Bekijk dit boek bij Historiek Geschiedenisboeken

Abonneer
Stuur mij een e-mail bij
guest
0 Reacties
Inline feedbacks
Bekijk alle reacties
Eerder gepubliceerd

Gelre en het verhaal van de draak

Hierna verschenen

Wakkerde de aardbeving van 1923 de Japanse oorlogszucht aan?

0
Reageren op dit bericht?x