Lotharingers en Donau-Zwaben in de Banaat

Klein Lotharingen aan de Donau
12 minuten leestijd
Banaat
Straatzicht in Karlsdorf in de Banaat in 1884.

Nadat het Oostenrijks-Habsburgse leger in 1718 een einde had gemaakt aan honderdvijftig jaar Ottomaanse overheersing in de Banaat, trokken duizenden migranten uit Zwaben, Lotharingen, de Moezelstreek, Luxemburg en andere regio’s als kolonisten naar het gebied.

De Banaat is een historische landstreek aan de middenloop van de Donau en is vandaag opgedeeld tussen Servië, Hongarije en Roemenië, waar het grootste stuk en ook het historische centrum Timișoara – Temesvár in het Hongaars en het Duits – gesitueerd zijn. Met een oppervlakte van zo’n 28.500 vierkante kilometer is het gebied iets kleiner dan België. Een groot deel van de Banaat, die wordt doorkruist door de Donau, de Timis en de Tisa, ligt in de Pannonische vlakte die meer naar het zuidoosten overgaat in het hoogland van Transsylvanië.

De Ottomanen veroverden de Banaat en de vesting van Temesvár in 1552 op het koninkrijk Hongarije. Het gebied, dat vooral bevolkt werd door Roemeense Vlachen en door Serviërs die er vaak toevlucht hadden gezocht tijdens eerdere Ottomaanse invallen in het naburige Servië, was daarna anderhalve eeuw één van de Europese provincies van het Ottomaanse rijk. Daar kwam een einde aan met de Oostenrijks-Ottomaanse oorlog van 1716-1718. De Oostenrijkers die de Banaat hadden ingenomen troffen een gewest aan dat door oorlogsgeweld, het neerslaan van verschillende anti-Ottomaanse opstanden en decennia van wanbeheer en uitbuiting nagenoeg was ontvolkt en nog maar zo’n 85.000 inwoners of drie inwoners per vierkante kilometer telde.

Kaart Süd-Ungarn
Kaart Süd-Ungarn (1699-1739) met de Banaat van Temesvár in een historische atlas uit 1890. Bron: Meyers Konversationslexikon, 15 (4), Leipzig en Wenen 1890, p. 925 – Bron: publiek domein

Militaire grens

Door het verval van de afwateringinfrastructuur had het akkerland in de vlakte van de Donau en zijn zijrivieren weer plaatsgemaakt voor moerassen, net als de koper- en ijzerwinning in elkaar was gestuikt. Om het nieuwe grensgebied en het Habsburgse rijk te beveiligen tegen een terugkeer van de Ottomanen, moest de Banaat als militaire grens zo snel mogelijk worden her-bevolkt en heropgebouwd. In 1718 kreeg de regio, naar analogie met gelijkaardige militaire grensregio’s in Kroatië en Slavonië, het statuut van autonoom gebied binnen het Oostenrijks-Habsburgse keizerrijk met een militaire gouverneur die rechtstreeks rapporteerde aan de keizer en de centrale administratie in Wenen.

Er werd in de Banaat van Temesvár, zoals het gebied officieel ging heten, een politiek opgezet om zo snel mogelijk nieuwe bewoners aan te trekken. Eerst werd gedacht aan Hongaarse kolonisten. Maar doordat kort voordien van 1703 tot 1711 in een aantal Hongaarse contreien een opstand tegen de Habsburgse monarchie had gewoed, kregen de Hongaren de stempel onbetrouwbaar te zijn. Hen inzetten in de heropbouw van het Banaatgrensland was voor Wenen dus voorlopig geen optie. De autoriteiten in Wenen en Temesvár hadden ook niet echt veel vertrouwen in de orthodoxe Vlachen en Serviërs die in de Banaat in de meerderheid waren.

Nagyösz, Triebswetter
Ansichtkaart uit 1913 met de katholieke kerk van Nagyösz, Triebswetter in het Duits. Triebswetter, zo genoemd naar de werfleider die het stratenplan en de infrastructuur ontwierp, werd in 1772 opgericht als vestiging voor kolonisten uit de omstreken van Nancy in Lotharingen. Het was lang een Franstalig dorp. De architecturale gelijkenis van de kerk met sommige kerkgebouwen in Lotharingen zoals de citadelkerk van Longwy is frappant. – Bron: publiek domein
Ze wilden nieuw volk aantrekken dat katholiek, hardwerkend en ondernemend, taalkundig verwant en, in dit strategische en kwetsbare grensgebied, loyaal aan de Donaumonarchie was. Om redenen die zowel te maken hadden met opvattingen over volksaard, eerdere ervaringen met populaties uit die gewesten, persoonlijke netwerken als kennis van lokale omstandigheden, keek men naar een aantal katholieke regio’s van het zieltogende Heilige Roomse Duitse Rijk, zoals Zwaben, de Moezelstreek en het bisdom Trier. Een ander wervingsgebied was het hertogdom Luxemburg dat toen net deel was gaan uitmaken van de Oostenrijks-Habsburgse Nederlanden.

Aanlokkelijk aanbod

En dan was er de streek waar graaf de Mercy, de eerste militaire gouverneur van de Banaat van Temesvár en de architect van de herbevolkingspolitiek, uit afkomstig was: Lotharingen. Die regio ontstond uit de opdeling van het oude Karolingische rijk in de negende eeuw en was lang een ‘tussenland’ en bufferzone tussen de Franse en Duitse sferen.

Het vroeg-achttiende-eeuwse Lotharingen was deels al geannexeerd door het Franse koninkrijk, deels nog een in naam zelfstandig hertogdom van het Heilige Roomse Duitse Rijk dat economisch, demografisch-cultureel en militair evenwel onder sterke Franse invloed stond en in 1766 uiteindelijk officieel werd aangehecht bij Frankrijk.

Ansichtkaart uit 1910 van Károlyliget (1)
Ansichtkaart uit 1910 van Károlyliget, een verhongaarsing van Charleville. Het dorp werd in 1770 opgericht door immigranten uit een gelijknamig dorp op twintig kilometer van het Franse Metz. – Bron: publiek domein

De keizerlijke wervingsagenten die naar die gebieden werden uitgestuurd vonden gehoor bij mensen die werden geconfronteerd met landtekort, bevolkingsdruk, tegenvallende oogsten door klimaatschommelingen en, niet in het minst, wurgende en vaak willekeurige feodale taxatie- en herendienstsystemen. Diegenen die de stap zetten waren niet per definitie havelozen die men in het vertrekland liever kwijt dan rijk was. Zeker in Lotharingen bezaten de emigranten niet zelden een eigen hofstee en land of een eigen werkplaats met werknemers. Ze vertrokken voornamelijk uit fiscale onvrede. Volgens sommige historici was emigreren, zeker vanaf de jaren 1760, ook een vorm van verzet tegen de Franse annexatie van Lotharingen.

Het aanbod dat de Oostenrijkers de kandidaat-migranten voorhielden was bovendien erg aantrekkelijk. De Oostenrijkse staat ging de reiskosten terugbetalen en het keizerlijke leger zou op de nieuwe woonplekken in de Banaat basisinfrastructuur als kanalen, wegen en straten, kerken en waterputten aanleggen of herstellen. Daarnaast kregen de migranten werktuigen, een kleine veestapel en zaadgoed, en twaalf hectaren landbouwgrond en drie hectare weidegrond per gezin ter beschikking. En tot slot werden immigrantboeren voor drie jaar – in 1763 verlengd tot zes jaar – vrijgesteld van belastingen. Een aantal categorieën van ambachtslieden kregen zelfs tien jaar vrijstelling omdat men in het nieuwe gebied manufacturen en proto-industrie wilde ontwikkelen. De kolonisten hadden wel militaire dienstplicht als er nieuwe Ottomaanse invallen dreigden.

Merszyfalva, of Mercydorf
Postkaart uit 1901 met zichten van Merszyfalva, of Mercydorf. Het dorp werd gesticht in 1733 en was genoemd naar graaf de Mercy, de uit het Lotharingse Longwy afkomstige militaire gouverneur van Temesvár en architect van de immigratiepolitiek in het gebied. De bevolking van Mercydorf was lang gemengd Frans- en Duitstalig. – Bron: publiek domein.

Nieuw élan

Tussen 1722 en 1726 vestigden zich naargelang de bron gemiddeld 3.500 gezinnen van West-Europese boeren en ambachtslieden – waaronder uit Lotharingen – in de Banaat. Ze stichtten er een zestigtal dorpen. Het leven voor de eerste lichtingen landverhuizers was evenwel geen pretje. De plaatselijke autoriteiten waren overstelpt. Nagenoeg alles moest worden heropgebouwd, de moerassen van de Donauvlakte dienden te worden gedempt om weer landbouwgrond te worden en de mijnen moesten weer exploiteerbaar worden. Malaria was endemisch en er braken ook epidemieën van pest en vlektyfus uit. Er waren spanningen met de Vlachische bevolking en vanaf de jaren 1730 drongen ook nog eens krijgsbendes in dienst van de Ottomanen – die nog lang gebieden aan de overkant van de Donau overheersten – weer het gebied binnen en werden kolonistendorpen overvallen. Talrijke nieuwkomers lieten het leven.

In 1763, onder keizerin Maria-Theresia, kwam een nieuw élan. Van de circa 60.000 West-Europese landverhuizers die in die periode in Wenen werden geregistreerd – evenwel niet allemaal met de Banaat als bestemming − kwam naargelang de bron een vijfde tot een kwart uit Lotharingen. De meeste migranten die Lotharingen achter zich lieten voor een nieuw leven aan de middenloop van de Donau kwamen uit het ommeland van Metz, Sarreguémines (Saargemünd), Thionville (Diedenhofen) en Lunéville. Ongeveer een kwart was Franstalig of sprak een bij het Frans aanleunende streektaal. De meerderheid sprak Moezelfrankisch, een Germaanse streektaal die aan het Luxemburgs verwant is en nu nog voorkomt in een aantal gemeenten ten oosten van Metz.

In de Banaat gingen de Lotharingers, die Moezelfrankisch spraken, door hun taal al snel op in de Duitstalige migrantengemeenschappen. De Duitstaligen in de Banaat werden dra, net als de andere Duitse immigranten in de Hongaarse Donauvlakte, ‘Donau-Zwaben’ genoemd. Ze ontwikkelden een eigen cultuur en een Duitse streektaal die ze veel minder zagen als die van de heimat van hun voorouders dan als een cultuur eigen aan het Banaatgebied dat ze deelden met Roemeense Vlachen en Serviërs aan wie ze een aantal termen en gebruiken ontleenden.

Temesvár
Postkaart uit 1908 met tabaksfabriek en het Donau-Theiß-kanaal in Temesvár, het huidige Timișoara. Het kanaal werd aangelegd tussen 1735 en 1754 om de wijde moerassen te dempen en de streek van een extra waterweg te voorzien. – Bron: publiek domein

Hoewel een deel van de Donau-Zwaben effectief uit de Zwabenstreek in het zuiden van Duitsland afkomstig was, ging het dus om een diverse groep waar mensen uit tal van andere landstreken bij zaten. Veel landverhuizers maakten de reis per boot of met grote platbodems op de Donau. Inschepen deden ze vaak in Ulm, dat in Zwaben ligt. Zo is wellicht de naam in voege geraakt voor alle West-Europese migranten, ongeacht hun regionale herkomst, die langs die route naar het zuidoosten van Europa trokken.

‘Welse dorpen’

welsche Dörfer
Kaart uit een landatlas (jaartal onbekend) met de drie Franstalige Banaatdorpen Saint-Hubert, Seultour en Charleville, die door de plaatselijke Duitsers welsche Dörfer werden genoemd. Bron: Napi Történelmi Forrás
Van hun kant vormden de Franstaligen uit Lotharingen in de Banaat nog een hele tijd een meerderheid in zes dorpen: Saint-Hubert, Charleville, Seultour, Triebwetter, Gotlob en Ostern. Die vormden zeker nog tot in het midden van de negentiende eeuw een Franstalige enclave die door de Duitstalige Banaatbewoners welsche Dörfer werden genoemd, naar de oude benaming die Germaanse volkeren in West-Europa lang gebruikten om onder meer Romaanstalige buurvolkeren mee aan te duiden.

Duits en Latijn (en later ook Hongaars) waren de bestuurstalen van de Banaat van Temesvár. Het Frans had geen officiële status, ook niet op gemeentelijk vlak. Desalniettemin vroeg de regionale administratie van Temesvár nog een tijd aan oversten in Wenen en aan het bisdom om dorpsartsen en parochiepriesters naar die dorpen te sturen die ook Frans kenden.

De immigratie uit West-Europa was natuurlijk niet het enige kanaal van her-bevolking van de Banaat na de verdrijving van de Ottomanen. Met de instelling van het militair protectoraat keerden ook talrijke Roemenen en Serviërs terug, twee groepen die samen de grote meerderheid van de bevolking van het gebied uitmaakten. Met de industrialisering en de ertswinning arriveerden ook katholieke Kroaten en Slowaken. Volgens de beschikbare cijfers maakten Duitse (en Franse) immigranten in 1774 met ongeveer 52.000 mensen zo’n veertien procent van de circa 375.000 bewoners van het Banaatgebied uit. Een telling in het jaar 1840 maakt gewag 207.720 ‘Duitsers’ en 6.150 ‘Frans(talig)en’ op een totale bevolking van iets meer dan één miljoen.

Graanzolder

In 1781 werd de autonome Banaat van Temesvár bij het Habsburgse deelkoninkrijk Hongarije gevoegd, wat Hongaarse immigratie en geleidelijke hongarisering van het bestuur op gang bracht. De toestroom van West-Europese migranten kwam vrijwel tot stilstand na een laatste golf tussen 1783 en 1787, tijdens het bewind van keizer Jozef II. De autoriteiten in Wenen en Temesvár stopten met het subsidiëren van de reis- en installatiekosten van de migranten omdat de doelstellingen − de wederopbouw, her-bevolking en de ontwikkeling van de Banaat − grotendeels waren bereikt.

Na de Franse revolutie van 1789 arriveerden in de Banaat nog een aantal Franse families op de vlucht voor de revolutionaire chaos in hun land, maar van een grote beweging was geen sprake meer.

Kaart uit de Deutsche Kolonialatlas
Kaart uit de Deutsche Kolonialatlas van 1897 met de nederzettingen van de Donau-Zwaben in de Banaat. Rechts boven een inzet met de ‘verduitste Frans-Lotharingse kolonieën’. Bron: Deutsche Kolonisten (voor een meer gedetailleerde weergave zie www.elke-rehder.de).

Volgens een telling uit 1871 leefden in de Banaat 379.500 Duitsers of Duitstaligen, bijna een derde op een toenmalige bevolking van 1,27 miljoen. In 1910 tenslotte, één van de laatste tellingen voor de instorting van de Donaumonarchie en de opdeling van de Banaat, vormden Duitsers met 397.500 zielen meer dan een kwart op een bevolking van zo’n anderhalf miljoen. De tellingen, die voor het bepalen van iemands etnische achtergrond afgingen op de moedertaal, maakten naar het laatste kwart van de negentiende eeuw toe geen gewag meer van Frans(talig)en. Dat wijst erop dat ze tegen dan taalkundig waren geassimileerd en Duits of zelfs Hongaars waren gaan spreken. Ze onderscheidden zich nog door familienamen als Lacourt, Frécaut, Gabert of Henriot.

Aanvankelijk was de economie van de Donau-Zwaben en Fransen van de Banaat in de lijn van het militaire grenskarakter van hun woongebied sterk gericht op zelfvoorziening. Gaandeweg ontwikkelde de Banaat zich tot een belangrijk productiegebied van graangewassen en tarwe en haver in het bijzonder, tabak, rijst en, met wisselend succes, katoen.

Zicht op Saint-Hubert
Zicht op Saint-Hubert in 1933, toen in het koninkrijk Joegoslavië. Bron: André Rosambert, L’Illustration n° 4700

Een andere activiteit was wijnbouw, waarin nogal wat mensen werkzaam waren die afkomstig waren uit de Moezelstreek en de regio Metz. Rond Temesvár en een aantal andere locaties ontstonden diverse industrieën, en vanaf 1850 werd de Banaat aangesloten op het Oostenrijkse spoornet. Volgens een telling uit 1910 leefde ongeveer driekwart van de Banaat-Duitsers op het platteland, was de helft werkzaam in de landbouw en een kwart in handwerk (vaklui, mijnbouw,… ) en verwerkende industrie.

Westwaartse uittocht

Servokroatisch
Wegwijzer in het Servokroatisch naar Charleville in de Joegoslavische Banaat, 1933. Bron: André Rosambert, L’Illustration n° 4700
Talrijke dorpen die in de achttiende eeuw werden opgericht en bewoond door de immigranten uit Lotharingen, Zwaben en de andere regio’s bestaan nog. Maar ze hebben nu andere namen en liggen in Servië en Roemenië. Op veel van die plaatsen herinneren enkel de kerkarchitectuur, begraafplaatsen, de oudere woningen en het typische rechthoekige stratenpatroon nog aan de oude bewoners, want Duitsers en Fransen wonen er nauwelijks nog.

Het vaak geprezen multiculturalisme van de Banaat liep hoe dan ook nooit op rozen en zonder latente en open spanningen. Het groeiende nationalisme in de buurlanden en Duitsland in de latere negentiende eeuw liet ook de verschillende bevolkingsgroepen van de Banaat niet onbetuigd.

De Donau-Zwaben doorstonden als cultuur en gemeenschap de Eerste Wereldoorlog en de opdeling van het Banaatgebied tussen Roemenië en het nieuwe koninkrijk Joegoslavië bij de ontmanteling van het oude, verslagen Oostenrijks-Habsburgse rijk. Wat wèl een einde maakte aan hun eeuwenoude aanwezigheid was de nasleep van de Tweede Wereldoorlog. Donau-Zwaben werden als zogenaamde Volksduitsers actief ingeschakeld in de nazibezetting van Joegoslavië. Diegenen die bij de aftocht van de bezetters niet naar Duitsland werden geëvacueerd of op de vlucht sloegen werden mikpunt van bloedige represailles door het Joegoslavische communistische verzet en Serviërs die zwaar te lijden hadden gehad onder de bezetting. Een groot deel van de achterblijvers werd tegen 1948 door de nieuwe communistische machthebbers het land uit gezet.

Donau-Zwaben
Donau-Zwaben ontvluchten in de nazomer van 1944 de Joegoslavische Banaat voor de wraak van het communistische verzet en het oprukkende sovjet-leger. Meer dan tweehonderd jaar na de aankomst van hun voorouders kwam een einde aan hun aanwezigheid in het gebied. Bron: Oberösterreichische Nachrichten.

In Roemenië, dat van 1940 tot 1944 een bondgenoot van nazi-Duitsland was, moesten ook Donau-Zwaben in de strijdkrachten van het fascistische bewind dienen. Het sovjet-leger en de sovjet-geheime dienst die vanaf 1944 Roemenië bezetten, pakten duizenden Banaat-Duitsers op die tot ‘foute’ sociale klassen hoorden en deporteerden hen naar werkkampen in het Oekraïense Donetsbekken. Wat later ging het communistische bewind dat in 1947 Roemenië overnam over tot landonteigening. Ook dat leidde tot een uittocht.

Heel wat gevluchte of verdreven Donau-Zwaben en Banaat-Duitsers vestigden zich na de oorlog in Oostenrijk en West-Duitsland. In november 1948 nam ook Franrijk er zo’n twaalfduizend op, waaronder een deel met Franse wortels. Ze werden onder meer in de streek van Colmar en in de Vaucluse gevestigd. In de Roemeense Banaat bleef nog een substantiële Duitse aanwezigheid bestaan tot het voor etnische Duitsers vanaf de jaren 1970 mogelijk werd om naar West-Duitsland te emigreren. De nagenoeg complete leegloop werd hiermee een feit.

Geraadpleegde literatuur

– Jean-Paul Bled. « Le Banat : un panorama historique ». Études germaniques, 67 (3), 2012, pp. 415-41.
– Remus Creţan, David Turnock en Jaco Woudstra. “Identity and multiculturalism in the Romanian Banat”. Méditerranée − Revue géographique des pays méditerranéens, n° 110, 2010, pp. 17-26.
– Simona Goicu-Cealmof. « Les noms de famille des Français installés au Banat ». Nouvelle revue d’onomastique, n° 47-48, 2007, pp. 115-133.
– Loránd L. Mády. « Die Deutschen im Banat, von der Kolonisation bis zur Integration in den rumänischen Staat: ein kurzer Rückblick », Transsylvanian Review, XXXII (1), pp. 3-15.
– László Marjanucz. « Verwaltung, Kolonisation und Kultur bis Mitte des 19. Jahrhunderts ». In : Victor Neumann, Das Temeswarer Banat: Eine europäische Regionalgeschichte, De Gruyter Oldenbourg, 2023, pp. 89-116.
– Benjamin Landais. « Être Français dans le Banat du XVIIe siècle ». Études vauclusiennes, n° 84, 2019, pp. 45-58.
– Smaranda Vultur. Des mémoires et des vies : le périple identitaire des Français du Banat, Éditions Universitaires d’Avignon, 2021, pp. 25-51.
×