Komen de Hongaren uit Centraal-Azië?

11 minuten leestijd
Fragment uit een kaart van Europa in de tijd van de Karolingers (752-911) met uiterst rechts de gebieden van de Magyaren, uit Karl von Spruner’s “Historisch-Geographischer Schul-Atlas”, 1874
Fragment uit een kaart van Europa in de tijd van de Karolingers (752-911) met uiterst rechts de gebieden van de Magyaren, uit Karl von Spruner’s “Historisch-Geographischer Schul-Atlas”, 1874

Tijdens de recente heisa rond uitspraken over de al dan niet bedreigde raciale eigenheid van het Hongaarse volk viel op sociale media wel eens het commentaar dat de Hongaren nochtans zelf uit Centraal-Azië afkomstig zijn. Klopt dit?

Het korte antwoord is neen − of toch niet uit Centraal-Azië op zich. Doch, zoals vaak, schuilt het interessantste in het lange antwoord dat op de ‘maar’ of ‘evenwel’ volgt. En dat is, dat de Magyaarse voorouders van de Hongaren in hun ontstaan en ontwikkeling sterk beïnvloed werden door steppeculturen en door gebeurtenissen uit Centraal-Azië. Om uit te maken waar de Hongaren oorspronkelijk vandaan komen wordt vaak verwezen naar hun unieke taal. Samen met het Chantisch en Mansisch – twee kleinere talen die in noord-Siberië worden gesproken – wordt zij tot de Oegrische tak van de Fins-Oegrische taalgroep gerekend. Die taalgroep gaat terug op een oorspronkelijk Oegrisch kerngebied dat waarschijnlijk net ten noorden van het huidige Kazachstan lag.

Opmars van de steppe

Gezin van Oegrische Mansen, verre verwanten van de Hongaren, in de taiga omstreeks 1910 (maker onbekend).
Gezin van Oegrische Mansen, verre verwanten van de Hongaren, in de taiga omstreeks 1910 (maker onbekend).
Vermoedelijk waren de Oegrische groepen waaruit onder meer de Magyaren zouden voortkomen sedentaire woudbewoners die leefden van jacht en verzamelen, bosbouw, landbouw en visserij. Zo’n duizend jaar voor onze jaartelling kregen zij te maken met een radicale verandering van hun leefomgeving door klimaatverschuivingen, de uitbreiding van de moerasgebieden en vooral de noordwaartse uitbreiding van de steppe. Als reactie trokken sommige Oegrische groepen meer noordwaarts waar ze hun traditionele economie en levenswijze van de taiga konden voortzetten. Daaruit ontstonden onder meer de Chanten en Mansen, twee volkeren die nog steeds in de noordelijke Russische autonome regio’s Chanto-Mansië en Jamalië leven.

Andere Oegrische groepen gingen zich meer en meer op de economie van de steppe richten, werden geleidelijk nomadisch en namen tal van gebruiken van de steppevolkeren over. Zij trokken volgens één theorie westwaarts naar de middenloop van de Wolga en de Kama – het gebied dat ongeveer overeenkomt met dat van de huidige Russische regio Basjkirië − waar zich voor het eerst een aparte Magyaarse eigenheid en taal zouden hebben ontwikkeld. Latere historici en archeologen gingen het gebied, dat in middeleeuwse kronieken de Latijnse naam Magna Hungaria of Groot-Hongarije kreeg, dan ook als de Europese ‘oer-heimat’ en het land van oorsprong van de Magyaren-Hongaren zien.

Groot-Hongarije (hier Ungaria magna genoemd) op een wereldbol van Johannes Schöner uit 1524.
Groot-Hongarije (hier Ungaria magna genoemd) op een wereldbol van Johannes Schöner uit 1524.
Anderen denken dat Magna Hungaria, de Magyaarse oer-heimat aan de Wolga en Kama, grotendeels een mythe is en dat de Magyaren in die periode eerder naar het zuiden zijn gemigreerd: naar het gebied tussen de Koeban-rivier en de Kaukasus. Pas daar zou zich in interactie met Iraanse volkeren een Magyaarse cultuur hebben ontwikkeld. En hoewel volgens de aanhangers van deze stelling sommige groepen Magyaren dan terug naar het noorden zijn gegaan, trok het gros van daaruit halfweg de zevende eeuw westwaarts, de Pontisch-Kaspische steppe in. Hoe de tocht naar het westen ook verliep, omstreeks 670 woonde een groot deel van de Magyaren in het gebied tussen de Krim tot de monding van de Donau. Dit gebied, dat vandaag grotendeels in het huidige Oekraïne is gesitueerd, heet in de Hongaarse overlevering etelköz of tussenland.

De Magyaarse migraties door Eurazië tussen 1100 v. Chr. en 900 n. Chr.
De Magyaarse migraties door Eurazië tussen 1100 v. Chr. en 900 n. Chr. (kaart door Bruno De Cordier, op grond van András Róna-Tas. “Hungarians and Europe in the early middle ages: an introduction to early Hungarian history”, 199, p. 323 en István Zimonyi, “The eastern Magyars of the Muslim sources in the 10th century”, 2019, p. 349).

In het tussenland

De Magyaarse entiteit die er tot stand kwam was aanvankelijk een vazal van het machtige Turkse Chazarenrijk. Het was een verbond van zeven stammen. Naast de Magyarstam omvatte die de Nyék, Kürtgyarmat, Tarján, Jeno, Kér en de Keszi. Net als bij de Chazaren en andere steppestammen-federaties werd de bond geleid door een tweekoppig leiderschap, met een gyula of militaire aanvoerder en eerste-onder-gelijken onder de zeven stamhoofden, en een kende of spiritueel-religieuze leider. En zoals ook vaak het geval was met dergelijke stammenbonden, gaf de machtigste stam binnen de bond – in dit geval de Magyar – zijn naam aan het ganse volk.

De oude Magyaren uit het etelköz waren een ruitervolk met een half-nomadische economie die veel gemeen had met die van de Turkse steppevolkeren. Reizigers noteerden hoe zij in koepelvormige tenten leefden. Hun veestapel varieerde regionaal nogal, maar bestond vooral uit runderen, paarden, varkens en schapen. Het is in dat opzicht geen toeval dat zij zich na hun aankomst in Centraal-Europa in de Pannonische vlakte vestigden. Het gebied, dat min of meer overeenkomt met het huidige grondgebied van Hongarije, is landschappelijk en ecologisch immers een uitloper van de steppegordel van Eurazië. Daarnaast bedreef een deel van de Magyaren sedentaire landbouw en leefden ze ook van het heffen van tribuut onder de naburige Slavische volkeren of werkten ze als huurlingen.

Rond 830 wrikten de Magyaren zich los van het Chazaarse khanaat en werden zij versterkt met de Qavaren, een Chazaarse stam die in opstand was gekomen tegen de Chazaarse machthebbers en die wel eens als de achtste Magyaarse stam wordt aanzien. In de late negende eeuw kwamen de Magyaren in hun toenmalige gebied tussen de Krim en de Donau onder druk te staan van de Petsjenegen, een ander Turks nomadenvolk dat vanaf 850 vanuit zijn woongebied rond het Aralmeer in Centraal-Azië de Pontisch-Kaspische steppe introk. Dat was meteen de trekker die een nieuwe Magyaarse migratiebeweging, ditmaal naar Centraal-Europa, op gang bracht.

Aanval van Magyaarse ruiters, op een fragment van het nationaalromantische schilderij „A magyarok bejövetele (De aankomst van de Magyaren)” van Árpád Feszty uit 1894.
Aanval van Magyaarse ruiters, op een fragment van het nationaalromantische schilderij „A magyarok bejövetele (De aankomst van de Magyaren)” van Árpád Feszty uit 1894.

Turkse volksstam?

Door hun omgeving, levenswijze en gebruiken en door de honderden Turkse leenwoorden in hun taal werden de Magyaren in zowel christelijke als islamitische middeleeuwse bronnen vaak ‘Turken’, ‘een ‘Turkse volksstam’ of soms ook ‘Hunnen’ genoemd. Onze benaming ‘Hongaar’ − de Hongaren noemen zichzelf immers nog steeds Magyarok − komt van de Slavische term Ungri. De Slaven gebruikten die naam niet alleen om de Magyaren maar ook de Turkse volkeren uit de Pontisch-Kaspische steppe in het algemeen mee aan te duiden. Nadat hij werd opgenomen in het middeleeuwse Latijn raakte hij in de meeste West-Europese talen verspreid.

Negentiende-eeuwse Hongaarse almanak-afbeelding van Árpád (±850-907), stichter van het eerste Magyaarse rijk in het huidige Hongarije. De Árpád-dynastie zou tot 1301 bestaan.
Negentiende-eeuwse Hongaarse almanak-afbeelding van Árpád (±850-907), stichter van het eerste Magyaarse rijk in het huidige Hongarije. De Árpád-dynastie zou tot 1301 bestaan.
De vroegmiddeleeuwse Turken van Centraal-Azië en van de Pontisch-Kaspische steppe waren overigens (half)nomadische steppevolkeren die net als de oude Magyaren veelal het steppe-animisme beleden, en niet de geïslamiseerde Turken uit het Ottomaanse rijk. Die zouden pas in de vroegmoderne tijd in de Hongaarse geschiedenis opduiken, toen delen van Hongarije tussen 1521 en 1699 door de Ottomanen overheerst werden en het mikpunt waren van Ottomaanse en Tataarse invallen en slavenjachten. Een historische ervaring die Hongarije niet alleen een zelfbeeld gaf van hevig beproefde buffer tussen de islamwereld en West-Europa. Ze verklaart misschien ook deels waarom de Hongaarse samenleving blijkbaar niet happig is om islamitische populaties op te nemen.

Wat nu Hongarije is, maakte aan de vooravond van de komst van de Magyaren uit etelköz deel uit van de oostelijke grensmark van het Frankische rijk en van het Slavische koninkrijk Moravië. Het was voornamelijk bevolkt door Slavische bevolkingsgroepen. Er leefden ook nog restanten van de Avaren, een aan de Hunnen verwant volk uit de Pontisch-Kaspische steppe dat voordien in het huidige Hongarije een rijk had voor het omstreeks 790 werd verslagen werd door de Franken van Karel de Grote. De regio was voor de Magyaren voor hun aankomst geen terra incognita.

Zij kenden die contreien door handel met Centraal-Europeanen, rooftochten en tribuutheffingen tegen de Slaven en omdat sommige Magyaren er eerder als huurlingen hadden meegevochten met zowel de Oost-Frankische als Moravische legers. In 895 staken de Magyaren de Karpaten over en in 898 bereikten ze de Tisla-rivier. Drie jaar later trokken ze over de Donau en veroverden ze het koninkrijk Moravië. Daarna begon een stelselmatige Magyaarse kolonisering van de Pannonische vlakte. Cijfers over het aantal Magyaren dat zich in de late negende en vroege tiende eeuw in Centraal-Europa vestigden lopen van 150.000 tot 400.000. De toenmalige Slavische bevolking van Pannonië wordt geschat op 200.000.

Afbeelding van een Magyaarse krijger op een tiende-eeuwse kerkfresco uit Aquilea.
Afbeelding van een Magyaarse krijger op een tiende-eeuwse kerkfresco uit Aquilea.

‘Vikingen van het oosten’

Daar bleef het niet bij. Net als de Hunnen eeuwen eerder, hielden de Magyaren tussen 899 en 968 bijna vijftig invallen en plundertochten in de rest van Europa. Mikpunt waren vooral de gebieden van het Heilige Roomse Rijk. Maar een aantal van die uitstappen gingen zo ver als Boergondië, het huidige België en het noorden van Frankrijk, contreien die niet zo heel lang voordien nog te maken hadden gehad met de invallen van de Vikingen. Onder de talrijke Europese steden die in die periode door de Magyaren werden aangevallen zaten Konstanz, Augsburg, Dijon, Doornik en Verdun. In tegenstelling tot de Vikingen stichtten de Magyaren geen permanente kolonies in West-Europa maar keerden ze telkens terug naar hun gebied in het oosten. Aan de invallen kwam grotendeels een einde nadat de Magyaren in 955 in Beieren verslagen werden door het leger van de Oost-Frankische koning en latere Rooms-Duitse keizer Otto I.

De Magyaren waren natuurlijk niet het enige ruitervolk uit de steppen dat op plundertocht trok naar Centraal- en West-Europa en vanuit de Pannonische vlakte een eigen Centraal-Europees rijk onderhield. De Hunnen en de aan hen verwante Avaren hadden het hen in respectievelijk de vijfde en in de zevende en achtste eeuw al voorgedaan. Maar terwijl die verdwenen als volk, cultuur en taal, deden de Magyaren dat niet. Ze gingen wel door een transformatie die hen deel maakte van het christelijke Europa. Zo werd het stelsel van tweekoppig leiderschap van de oude Magyaarse stammen vanaf 904 vervangen door een monarchie met één koning of király, zoals in de Frankische en Duitse koninkrijken. De Magyaren vermengden zich ook met de Slavische populaties, en net zoals deze taalkundig ‘hongariseerden’ nam de Magyaarse taal veel Slavische en Duitse leenwoorden op.

Het Hongaarse volk heeft etnisch dus vorm gekregen door vermenging, onder Europese volkeren.

Afbeelding uit omstreeks 1900 van István I (±975-1038), vaak aanzien als de grondlegger van het christelijke Hongarije. Tijdens zijn regeerperiode, die duurde van 997 tot 1038, kwam de kerstening van de Magyaren in een stroomversnelling, werden graafschappen en bisdommen geïntroduceerd in de plaats van de stamgebieden, en onderhield Hongarije nauwe banden met Beieren en met het Heilige Roomse Rijk. Op 20 augustus 1083 werd hij door de roomse Kerk heilig verklaard als Sint-Stefan van Hongarije. (bron afbeelding: Magyar Elektronikus Könyvtár).
Afbeelding uit omstreeks 1900 van István I (±975-1038), vaak aanzien als de grondlegger van het christelijke Hongarije. Tijdens zijn regeerperiode, die duurde van 997 tot 1038, kwam de kerstening van de Magyaren in een stroomversnelling, werden graafschappen en bisdommen geïntroduceerd in de plaats van de stamgebieden, en onderhield Hongarije nauwe banden met Beieren en met het Heilige Roomse Rijk. Op 20 augustus 1083 werd hij door de roomse Kerk heilig verklaard als Sint-Stefan van Hongarije. (bron afbeelding: Magyar Elektronikus Könyvtár).
Een deel van de oude Magyaren bedreef al landbouw. De (half)nomadische groepen werden in het nieuwe land geleidelijk sedentair, al bleef in bepaalde regio’s nog lang een specifieke paarden- en veehoedercultuur bestaan. Vanaf 960 werden de Magyaren, die van oudsher het animistische steppegeloof beleden, ook gekerstend. Zij hadden voordien weet van het christendom door christelijke gevangenen, slaven en commerçanten en occasionele missioneringspogingen van buitenaf, maar er zijn geen aanwijzingen dat een deel van hen al christelijk was toen ze in Centraal-Europa arriveerden.

Hun uiteindelijke kerstening werd niet opgelegd door vreemde bezetters maar doorgevoerd door Hongaarse heersers zelf, met hulp uit Oost-Frankische, Duitse en Venetiaanse abdijen. Tegen het jaar 1100 waren de meeste Hongaren christelijk, al praktiseerde de bevolking, zoals elders in Europa, vaak pagano-christendom waar talrijke oude heidense gebruiken waren ‘ingepast’ in het christendom. Met de kerstening kwam het Latijn in omloop als bestuurstaal. En onder invloed van het christendom ontstond vanaf de elfde eeuw ook een geschreven Hongaarse taal in een aangepast Latijns alfabet in plaats van het runenschrift dat de Magyaren voordien gebruikten.

Op zoek naar de achterblijvers

De idee van een oude Magyaars-Hongaarse ‘oer-heimat’ in het oosten liet de heersers van het intussen gekerstende hoog-middeleeuwse Hongarije echter niet los, zeker niet toen in de oostelijke steppen een andere ingrijpende gebeurtenis plaatsvond: de opmars van de Mongolen vanuit Centraal-Azië. Hongarije was zich bewust geworden van die invallen en de ravages die waren aangericht via Russische en Coemaanse vluchtelingen die asiel hadden gekregen van koning András II (1205-1235) en zijn opvolger, koning Béla IV (1235-1270). Het was deze laatste, geïntrigeerd door verslagen van eerdere expedities, die de dominicaanse monnik Juliaan – in het Hongaars bekend als Julianus barát of broeder Julianus – een zending toevertrouwde naar het oude thuisland van de Magyaren aan de Wolga en Kama.

Monument door Károly Antal in Boedapest van de Hongaarse monnik-ontdekkingsreiziger Juliaan en zijn medereiziger Geeraard (CC BY-SA 3.0) De dominicaanse monnik moest in de jaren 1230 in opdracht van de Hongaarse koning  Béla IV op zoek naar achtergebleven Magyaren aan de Wolga en Kama.
Monument door Károly Antal in Boedapest van de Hongaarse monnik-ontdekkingsreiziger Juliaan en zijn medereiziger Geeraard (CC BY-SA 3.0) De dominicaanse monnik moest in de jaren 1230 in opdracht van de Hongaarse koning Béla IV op zoek naar achtergebleven Magyaren aan de Wolga en Kama. (CC BY-SA 3.0 – Gyurika – wiki)

Het doel was om de afstammelingen van de oude Magyaarse stammen te zoeken die tijdens de grote westwaartse migraties eeuwen eerder waren achtergebleven en nu werden bedreigd door de Mongolen. Eens gevonden dienden ze te worden geëvacueerd naar de veiligheid van het koninkrijk Hongarije en van het Latijns-christelijke geloof. Naar verluidt vonden broeder Juliaan en zijn metgezellen tijdens hun reizen in 1235 en 1237 in de Wolga-regio bevolkingsgroepen die talen spraken die zij als Hongaren konden begrijpen. Juliaan bezocht ook Mongoolse legerkampen en keerde terug met uitgebreide verslagen in het Latijn – destijds de lingua franca van Europa – over de Mongoolse aanwezigheid, hun gebruiken en oorlogstechnieken, documenten die latere West-Europese reizigers goed van pas zouden komen. Na wat hij had gezien waarschuwde de broeder ook voor een op handen zijnde Mongoolse invasie van Centraal-Europa. Hij kreeg gelijk. In het voorjaar van 1241 vielen de Mongolen Hongarije en het Poolse Galicië binnen.

~ Bruno De Cordier

Geraadpleegde werken

  • Gina Fasoli. « Points de vue sur les incursions hongroises en Europe au Xe siècle ». Cahiers de civilisation médiévale, 2 (5), januari-maart 1959, pp. 17-35;
  • Pál Fodor, “Hungary between east and west: the Ottoman Turkish legacy”, in: Pál Fodor, Gyula Mayer, Martina Monostori, Kornél Szovák en László Takács, Die Wurzeln der europäischen Kultur und deren Rezeption im Orient und Okzident, Forschungszentrum für humanwissenschaften der ungarischen akademie der Wissenschaften, 2013, pp. 399-420.
  • György Györffy. « La christianisation des Hongrois et les peuples de la Hongrie ». In: L’Église et le peuple chrétien dans les pays de l’Europe du centre-est et du nord (XIVe-XVe siècles) Actes du colloque de Rome (27-29 janvier 1986), École Française de Rome, 1990, pp. 57-66.
  • Károly Kocsis, « Fluctuations du peuplement hongrois depuis un millénaire ». Revue Géographique de l’Est, 43 (1-2), 2003, pp. 1-14.
  • Richard R. Perry, Margaret M. Papp-Perry. “The origin of the Magyar-Hungarians: language, homeland, migrations and legends to the conquest”. Manuscript in eigen beheer voor de University of Toledo, 1983, 58 p.
  • András Róna-Tas. “Hungarians and Europe in the early middle ages: an introduction to early Hungarian history”. Central European University Press, 1999, 566 p.
  • István Zimonyi, “The eastern Magyars of the Muslim sources in the 10th century”, in: Katalin Sipőcz,
  • András Róna-Tas, István Zimonyi. Competing narratives between nomadic people and their sedentary neighbours. Studia uralo-altaica 53, Szegedi Tudományegyetem, 2019, pp. 347-355.