Madeleine Werker, datum onbekend - Foto: archief ministerie van Binnenlandse Zaken
Magdalena Johanna (Madeleine) Werker (1883-1941) kwam uit een keurig Utrechts gezin, werkte jaren voor Sovjet-spionnen in Berlijn, Den Haag en Parijs, nam hals over kop de benen naar Nederland en overleed in een rusthuis in Hilversum. Uit de puzzelstukjes die over haar bekend zijn, rijst het beeld op van een intrigerend leven ‘vol hoop en illusies’ dat eindigde in eenzaamheid.
“Over sommige mensen wordt naar waarheid gezegd of geschreven dat ze hun geheimen mee het graf in hebben genomen”, noteerde voormalig Vrij Nederland-journalist Igor Cornelissen (1935-2021) in 2020 over Madeleine Werker. Toch is het juist hem gelukt nog aardig wat feiten over Werkers leven boven water te krijgen. Niet zo gek wellicht, want van buitenbeentjes op de radicale linkerflank van de politiek had hij als verslaggever een specialiteit gemaakt. Het ligt voor de hand een verband te zien met zijn eigen politieke achtergrond. In 1960 trad hij toe tot de Nederlandse afdeling van de trotskistische Vierde Internationale om er in 1970/’71 weer ‘vanaf te drijven’ en daarover later serieus, maar ook met enige ironie te schrijven.
Inschrijving van Madeleine Werkers geboorte bij de burgerlijke stand in Utrecht – Foto: Het Utrechts Archief
Magdalena Johanna Werker werd op 21 juli 1883 geboren in Utrecht, thuis aan de Biltstraat 92. Haar vader, Wilhelmus Martinus Johannes Werker, was ambtenaar bij de Staatsspoorwegen (in 1937 opgegaan in de Nederlandse Spoorwegen). Hij schopte het tot chef van de Algemene Comptabiliteit, de afdeling die zich bezighield met begrotingen en geldstromen van het bedrijf. In 1904 werd vader Werker officier in de Orde van Oranje-Nassau, aldus De Telegraaf na zijn overlijden in 1927.
Op diverse plekken in de literatuur en in het dossier over Madeleine dat de Binnenlandse Veiligheidsdienst (BVD) aanlegde, wordt opgemerkt dat ze uit een goede familie kwam. Het verbaast daarom niet dat een oudere zus en broer van haar uitstekend terecht zijn gekomen. Zus Maria Magdalena (geboren 1880) trouwde in 1900 met Herman Snellen junior, die in Utrecht hoogleraar oogheelkunde werd en directeur van het Ooglijdersgasthuis. Broer Martien Willem Hendrik (geboren 1881) werd secretaris van het Delispoor. Dat bedrijf exploiteerde spoorlijnen in de door de zeer winstgevende tabakscultuur bekend geworden regio Deli (noordoost-Sumatra) in Nederlands-Indië.
Een Rus in het sanatorium
Over Madeleine Werkers jeugd is niets bekend. De burgerlijke stand van Beverwijk vermeldt haar als ‘lerares’ die daar kwam wonen in april 1913 en in juli 1914 weer vertrok, naar ‘De Bilt bij de ouders’. ‘Verpleegster’ werd als beroep genoteerd toen ze op 18 april 1917 werd ingeschreven in het Amsterdamse bevolkingsregister. Ze woonde op kamers aan de Amstel 254 en in de Utrechtsestraat 30a, om op 20 januari 1920 te verkassen naar Utrecht. Waar ze in Amsterdam werkte, is onbekend.
Igor Cornelissen vermeldt dat ze een broze gezondheid had en in 1921 naar een sanatorium ging in het zuid-Duitse Freiburg. Ze maakte er kennis met tuberculosepatiënt Mark Kelin, een Rus. Deze bracht haar volgens Cornelissen in contact met de directeur van de Russische handelsvertegenwoordiging in Berlijn. Na ontslag uit het sanatorium ging ze bij die handelspost werken. Of ze toen al communiste was of het pas daar werd, kon Cornelissen niet zeggen. Evenmin of ze in Berlijn werd opgeleid in geheim inlichtingenwerk of tijdens een verblijf van enkele maanden in de Sovjet-Unie.
Terras van het bekende café Kranzler aan de Kurfürstendamm in Berlijn in 1926, toen Madeleine in de stad woonde en werkte. (CC0 – Nationaal Archief – Willem van de Poll)
Haar BVD-dossier bevat de mededeling dat ‘op deze voedingsbodem’ (haar werk bij de Sovjet-handelsdelegatie, red.) ‘zich haar communistische en pro-Russische instelling (ontwikkelde)’. Dat zou betekenen dat ze het communisme eerder nog niet was toegedaan. Over haar reis naar de nog jonge Sovjet-Unie meldt genoemde aantekening: “Tijdens de Berlijnse periode is zij éénmaal gedurende 3 maanden in Rusland geweest”. Over wat ze daar zag, was ze ‘wel enthousiast’, aldus de BVD-documentatie. Cornelissen schrijft zelfs ‘zeer enthousiast’. Met haar werk voor geheime Sovjet-agenten zal ze dus wel een betere, rechtvaardiger wereld voor ogen hebben gehad.
Het BVD-dossier bevestigt dat Madeleine van 1922 tot en met 1932 bij de Russische handelsvertegenwoordiging werkte. Van ‘een familielid’ vernam de inlichtingendienst dat Werker in die jaren in Berlijn in diverse pensions woonde. Dat was achtereenvolgens bij de families Hupfeld (Heinrichstrasse 7a), Rinket (Kaiserallee 222) en Levit (Pragerstrasse 16).
Project Antiek
Met Werkers BVD-dossier is overigens iets curieus aan de hand. Het dateert uit de jaren 1956-1958 en is ‘afgedaan’ op 29 februari 1960, terwijl Madeleine al in 1941 was overleden. Cornelissen verklaart in zijn boek Alleen tegen de wereld hoe dat zat. “In de jaren vijftig begon de BVD, gevoed door uit Londen gestuurd materiaal van een zusterdienst, een diepgaand onderzoek naar Nederlanders die voor 1940 Sovjet-Russen hielpen bij hun spionage”. ‘Project Antiek’ heette dat.
Over de geheime Sovjet-agenten voor wie Madeleine werkte – Walter Krivitsky en vermoedelijk ook Ignace Reiss – leverde dat BVD-project veel materiaal op. Over Krivitsky bezit het Nationaal Archief in Den Haag drie ferme pakken papier in archiefdozen, over Reiss zelfs zeven. Over Madeleine Werker is er slechts één mapje. Zou er materiaal zijn vernietigd? Sinds 1996 in elk geval niet, zo blijkt uit een brief die twee bewindslieden dat jaar schreven aan de Tweede Kamer. En vóór 1996? Daarvoor zijn geen concrete aanwijzingen, maar het valt niet geheel uit te sluiten. Zo noteerde de BVD in 1958 dat een medewerker van de Nederlandse ambassade in Parijs voor de oorlog een archiefje had aangelegd over Krivitsky (en wellicht Werker?). Maar: “Gebleken is dat het desbetreffende archief is verbrand”.
Ingang van het Nationaal Archief in Den Haag (CC0 – Herman Zonderland – Nationaal Archief)
Minister Beyen
Een mooie anekdote is dat in de jaren vijftig het verhaal opdook dat Madeleine Werker familie was van de in september 1952 aangetreden minister van Buitenlandse Zaken, Johan Willem (Wim) Beyen. In het tweede kabinet-Drees (PvdA, KVP, CHU, ARP) was Beyen zelf weliswaar partijloos, maar een familieband met een medewerkster van Sovjet-spionnen werd kennelijk niet zo plezierig gevonden. Dus ging de BVD op onderzoek. Uit de stamboom van de familie Beyen (ook wel: Beijen) blijkt dat de vader van de minister een tante Anna Hubertina Beijen had.
“Laatstgenoemde”, zo staat in een BVD-document van 17 juli 1957, “huwde 1 november 1866 met Wilhelmus Johannes Martinus Werker, geboren 4 maart 1842 te Amsterdam.” Ai, dat was Madeleines vader! Maar het BVD-verslag gaat verder. “Na het overlijden van Anna Hubertina Beijen op 13 november 1873, is Werker 6 augustus 1878 gehuwd met Maria Catharina Roszberger, geboren 15 juli 1856 te De Bilt. Magdalena Johanna Werker is een kind uit het tweede huwelijk van haar vader.” Conclusie: “Daar Magdalena Johanna Werker (…) een kind is uit het tweede huwelijk van haar vader, is er dus geen sprake van bloed- of aanverwantschap tussen haar en de minister (….).” Voor Haagse kringen zal dat een opluchting zijn geweest.
Madeleine Werker, datum onbekend – Foto: archief ministerie van Binnenlandse ZakenAristocratische uitstraling
Over Madeleines voorkomen staan in haar BVD-dossier en elders louter positieve opmerkingen. Knap, roodachtig grijs haar, slank, blond, mooi, gedistingeerd, het Fransearistocratische type, lang, aantrekkelijke dame, van nature roodharig, groene ogen, goed ontwikkeld, spreekt Frans, Duits en Engels, blauwe ogen. Deze – elkaar ten dele tegensprekende – aanduidingen komen voorbij. Samenvattend: Madeleine was een rijzige, goed uitziende, gedistingeerde vrouw.
Cornelissen schrijft in zijn boek De GPOe op de Overtoom dat ze ‘ondanks of misschien juist door haar aristocratische uitstraling ongetrouwd (bleef)’. Ook een andere optie acht hij denkbaar: “Wellicht durfde ze geen huwelijk aan vanwege haar broze gezondheid.” Haar BVD-dossier vermeldt: “Van haar jeugd af heeft zij te kampen gehad met een hartaandoening.”
Sovjet-agenten Reiss en Krivitsky
Terug nu naar haar activiteiten voor de Sovjet-Unie. Die vallen onmogelijk compleet in beeld te brengen. Wel weten we dat ze voor ten minste één, maar waarschijnlijk twee geheime Sovjet-agenten heeft gewerkt. Die twee waren bovengenoemde Ignace Reiss en Walter Krivitsky. Bijzonder is dat zij allebei in 1899 werden geboren in het toenmalige Podwoloczyska in Galicië, destijds behorend tot Oostenrijk-Hongarije. Tegenwoordig heet het plaatsje met nog geen tienduizend inwoners Pidwolotschysk, in het westen van Oekraïne, zo’n 170 kilometer ten oosten van de stad Lviv.
Embleem van de NKVD (CC BY-SA 3.0 – jgaray – wiki)Reiss en Krivitsky werden in hun jeugd goede vrienden en bleven dat de rest van hun leven. Geboren werden ze overigens onder andere namen dan het later aangenomen Reiss en Krivitsky. Ignace (of Ignaz) Reiss kwam ter wereld als Nathan Markwitsj Poretsky, Walter Krivistky als Samuel Gersjewitsj Ginsberg. Naast hun vriendschap hadden ze gemeen dat ze zich schaarden achter Lenins bolsjewisme en de Russische Oktoberrevolutie (1917) en dat ze gingen werken voor de Sovjet-inlichtingendiensten NKVD en GRU. De NKVD (eerder Tsjeka, later KGB, tegenwoordig FSB) was de ‘gewone’ inlichtingendienst, de GRU (ofwel het Vierde Bureau) de inlichtingendienst van het Rode Leger.
Koerier
Op grond van het hoogst fragmentarische feitenmateriaal valt aan te nemen dat Madeleine Werker vanaf ongeveer 1927 in Berlijn actief was voor Ignace Reiss en vrijwel zeker ook toen al voor Walter Krivitsky. Dat ging in een hogere versnelling toen ze na Hitlers machtsovername in Duitsland (januari 1933) verhuisde naar Parijs. Daar werkte ze voor Krivitsky. Deze was toen de coördinator van het GRU-inlichtingenwerk in West-Europa. In de eerste plaats fungeerde Werker als secretaresse. Maar ze deed veel meer. Niet alleen regelde ze voor medewerkers van Krivitsky hotelkamers en onderduikadressen, ze deed ook koerierswerk.
Dat laatste hield om te beginnen in dat ze spionnen-post bracht naar de Sovjet-ambassade in Parijs. Maar uit haar BVD-dossier blijkt dat ze ook zendingen afleverde bij de Sovjet-ambassade in Den Haag. Via beide posten ging het materiaal van Krivitsky’s spionnen-netwerk dan per diplomatieke post naar Moskou. Daarnaast was Werkers huisadres in Parijs beschikbaar als afleveradres voor spionnen-correspondentie. Volgens een notitie in haar BVD-dossier woonde ze in het westen van de Franse hoofdstad in een appartement aan de rue Félicien David 21. In dat dossier staat eveneens dat ze in Parijs mede in haar levensonderhoud voorzag door aan immigranten Franse en Engelse les te geven en voor apothekers huidcrèmes te maken.
Tot haar werk behoorde verder dat ze contant geld overhandigde aan leden van Krivitsky’s inlichtingennetwerk. Journalist Simon de Vries, die geregeld werkte voor The Times in Londen en in Den Haag het persbureautje Rapid dreef, meldde in 1958 aan de BVD dat hij Werker eens had geschreven waar het geld toch bleef, want hij had al een poos niets ontvangen. De Vries kende Werker overigens niet als Madeleine, maar als Marie.
Rechts Han Pieck, links zijn bekende tweelingbroer Anton. Datum foto onbekend. – Foto IISGUit Werkers BVD-dossier blijkt dat Krivitsky haar ook een of twee keer naar Engeland stuurde om geld af te geven. Architect/tekenaar/kunstschilder Henri Christiaan (Han) Pieck en zijn vrouw Bernie (Han’s tweelingbroer was de bekende tekenaar Anton Pieck) behoorden eveneens tot de vaste ontvangers van geld uit Sovjet-bron. In 1958 vertelde Pieck de BVD dat de laatste betaling die ze via Werker ontvingen ‘100 of 150 gulden was’. Cornelissen noteerde in dat verband: “De prachtige villa aan het Emmapark (in Den Haag, red.) moesten ze, nu Madeleine nooit meer een ‘onkostenvergoeding’ bracht, inruilen voor een veel kleiner huis in de Rijswijkse Julianastraat.”
Verhouding?
Voor Krivitsky zelf was Nederland trouwens bekend terrein. Zo verbleef hij een poosje in Rotterdam, waar hij begon als coördinator van het militaire Sovjet-inlichtingenwerk in West-Europa. Ook woonden hij, zijn vrouw Antonina en hun zoon Alek in Den Haag (Celebesstraat 32), waar Krivitsky zich voordeed als de Oostenrijkse antiquaar dr. Martin Lessner.
Pikant, maar slechts gebaseerd op hier en daar een losse opmerking, is het verhaal dat Madeleine met Krivitsky stilletjes een verhouding zou hebben gehad. Als dat al waar zou zijn, dan wist Krivitsky’s vrouw in elk geval van niets. Zelfs over Madeleines achtergrond had ze verkeerde informatie, zo bleek later uit wat ze Amerikaanse inlichtingenmensen vertelde. Ze dacht dat Madeleine Française was en een vriend of man had die een rijke Duitser was.
Vier maanden voor hij in Mexico werd vermoord ontving Troski (midden) daar zijn Amerikaanse geestverwanten Harry DeBoer (links) en James Bartlett en hun echtgenotes. – NARA
Stalins terreur en de breuk van Reiss
In de Sovjet-Unie deden zich intussen dramatische ontwikkelingen voor. Lenin, de onbetwiste voorman van de Oktoberrevolutie, was in 1924 overleden. Daarna ontwikkelde zich een strijd tussen vooral Lenins strijdmakker Trotski en Stalin. Die laatste trok in 1929 aan het langste eind. Eerst werd Trotski uit de Sovjet-Unie verdreven, daarna in augustus 1940 in Mexico vermoord door Stalins agent Ramon Mercader. In de Sovjet-Unie begon Stalin de ‘grote zuivering’, inclusief showprocessen (1936-1938). Zogenoemde ‘oude bolsjewieken’ onder wie Zinovjev, Kamenev, Radek en Boecharin werden soms tot dwangarbeid, maar vaker ter dood veroordeeld en geëxecuteerd.
Stalin in 1932 in MoskouVoor Ignace Reiss was in 1937 de maat vol. Zijn communistische idealen hield hij overeind maar voor het Stalin-bewind wilde hij niet meer werken. Met zijn vriend Krivitsky besprak Reiss zijn besluit met het Stalin-regiem te breken. Dat was eind mei 1937 in Rotterdam. Hij probeerde Krivitsky te bewegen dezelfde stap te zetten, maar die wilde niet – toen nog niet.
De volgende maand sprak Reiss er in Amsterdam over met geestverwant Henk Sneevliet, voorman van de Revolutionair-Socialistische Arbeiderspartij (RSAP). Sneevliet woonde destijds aan de Overtoom 468-II. Op de begane grond zit anno 2025 een vestiging van drankenketen Gall&Gall. Reiss zei dat Sneevliet en de zijnen gevaar liepen gezien de stalinistische jacht op oppositionele communisten en andere revolutionairen, in en buiten de Sovjet-Unie. “Het besluit om alle middelen tegen jullie te gebruiken, is zojuist genomen”, zo citeert Sneevliet-biograaf Max Perthus de waarschuwing van Reiss.
Op 17 juli 1937 schreef Reiss aan het Centraal Comité van de Communistische Partij van de Sovjet-Unie een brief waarin hij zijn afscheid van de partij uitvoerig beargumenteerde. “Tot hier en niet verder. Hier gaan onze wegen uiteen”, schreef hij.
Wie nu nog zwijgt, maakt zich medeschuldig, wordt medeplichtige van Stalin, wordt verrader aan de zaak van de arbeidersklasse en het socialisme.
Reiss wist uiteraard dat hij blootstond aan hetzelfde gevaar waarvoor hij Sneevliet had gewaarschuwd. Daarom dook hij met zijn gezin onder in Zwitserland. Vanuit Moskou werd een moordcommando op hem af gestuurd. Op 4 september 1937 werd zijn lichaam even buiten Lausanne gevonden langs de weg naar Chamblandes. Vijf kogels hadden zijn lichaam getroffen, zeven zijn hoofd. Zijn vrouw, Elsa Poretsky, en hun zoontje Roman vonden tijdelijk onderdak bij Sneevliet aan de Amsterdamse Overtoom. Van daar verhuisden Elsa en Roman naar Parijs en uiteindelijk naar de Verenigde Staten.
Krivitsky’s vertrek en einde
Na de moord op Reiss en nadat een agent die hij goed kende naar Moskou was teruggeroepen en daar was geëxecuteerd, besloot ook Krivitsky het voor gezien te houden. Hij sprak daarover nog met Elsa Poretsky, Henk Sneevliet, Trotski’s zoon Lev Sedov en enkele anderen. Op 5 november 1938 gingen Krivitsky, zijn vrouw Antonina en hun zoon Alek aan boord van het Franse schip Normandie, dat ze naar de Verenigde Staten bracht. Daar vond Krivitsky de weg naar diverse media, publiceerde hij het boek I was Stalin’s Agent en verschafte hij politiedienst FBI inlichtingen.
Walter Krivitsky in 1939Op 10 februari 1941 vond een kamermeisje in het Bellevue Hotel in Washington Krivitsky dood in zijn kamer, met één kogelgat in zijn hoofd. Duidelijk geval van zelfmoord, aldus de politie. Maar andere onderzoekers zijn het nooit eens geworden over de toedracht. Tegen Angelica Balabanova, ooit secretaris van de Communistische Internationale en in 1922 uit de Sovjet-Unie vertrokken, had Krivitsky gezegd:
Als je in de krant leest dat ik zelfmoord heb gepleegd, moet je weten dat er zelfmoord op mij is gepleegd.
Volgens een aantal experts en ook volgens zijn weduwe is het waarschijnlijkst dat Krivitsky is gedwongen tot zelfmoord in ruil voor de belofte dat zijn vrouw en zoon niets zou worden aangedaan.
Werker maakt zich uit de voeten
In oktober 1937, ruim een maand na de moord op Reiss, belde Krivitsky Madeleine Werker op in Parijs. Hij vertelde haar over zijn besluit om eveneens met het Sovjet-bewind te breken. Later schreef hij: “Zij kon mij ternauwernood antwoord geven toen ik haar het nieuws vertelde. Later hoorde ik dat zij aan de telefoon was flauwgevallen.” Voor Werker zag het er na Krivitsky’s stap niet florissant uit. Verder werken voor een van de Sovjet-inlichtingendiensten kon ze vergeten. Naaste medewerkers van overlopers werden per definitie niet vertrouwd. Of ook zij moest vrezen voor haar leven, valt moeilijk te zeggen. Cornelissen stelt dat ze ‘Moskou trouw bleef’, maar onderbouwt dat niet.
Hoe dat ook zij, nadat ze over het besluit van haar baas had vernomen, vertrok Werker als een haas uit Parijs, met achterlating van al haar bezittingen – behalve wat ze in een koffer kon meenemen, zo valt aan te nemen. Ze zette koers naar Nederland, meer in het bijzonder naar het Gooi. Op het eerste gezicht was dat niet zo vreemd, want sinds 1934 woonde haar broer Martien (de secretaris van het Delispoor) met vrouw en drie dochters in Bussum, Graaf Florislaan 19. Madeleine zal daar wel geweest zijn, maar er intrekken deed ze niet.
…en strijkt neer in Blaricum
Volgens de BVD zou ze in Nederland aanvankelijk ‘bij verschillende zusters’ hebben verbleven. Nadere gegevens daarover ontbreken. Daarna vinden we haar terug aan Zwaluwenweg 6 in Blaricum. Daar werd ze volgens haar BVD-dossier (in het gemeentelijk archief valt geen bevestiging te vinden) ingeschreven op 25 juli 1938.
Henriëtte van der Waals in 1923. Deze foto voegde ze bij haar aanvraag voor een paspoort – Foto: Archief Gooi en VechtstreekDat ze daar in Blaricum neerstreek, was niet toevallig. Daarop wijst althans een op 17 april 1957 gedateerd ‘aanvullend’ BVD-rapport (‘GEHEIM’) over Krivitsky en Werker. Daarin staat: “Op het adres waar Magdalena het laatst woonachtig was, n.l. Zwaluwenweg 6 te Blaricum, was ze inwonende bij Henriëtte Rosalie Carolina van de Waals, geboren 4-11-1886 te Utrecht, die voor de oorlog communistisch was georiënteerd.” Eerder had Henriëtte daar gewoond bij haar moeder, die weduwe was en in 1936 was overleden. Het toenmalige pand is er overigens niet meer, sinds 2001 staat er nieuwbouw.
Hoe Madeleine Werker en Henriëtte van der Waals elkaar kenden, is onbekend. Henriëtte was drie jaar jonger dan Madeleine, beiden waren ongehuwd en kinderloos, beiden waren in Amsterdam verpleegster geweest en beiden kwamen uit Utrecht. Mogelijk vormde ofwel hun werk in Amsterdam ofwel hun communistische gezindheid het verbindingslijntje. Het BVD-dossier biedt geen uitkomst, maar rept wel over ‘haar (Madeleines, red.) oude vriendin, mej. Van der Waals’.
Eenzame laatste jaren
Over haar doen en laten na terugkeer in Nederland is verder nauwelijks iets bekend. Cornelissen meldt slechts dat ze tegenover familie ‘gesloten’ was en ‘ook tegen anderen zweeg over haar illegale werk’. Of dat ook gold voor Henriëtte van der Waals, haar ‘oude vriendin’ bij wie ze zelfs inwoonde, staat natuurlijk te bezien. Maar bij gebrek aan gegevens blijft ook dat een open vraag.
In de BVD-stukken valt te lezen dat Werker in 1940 kort werd verpleegd in het St. Antonius Ziekenhuis in Utrecht, al wordt niet vermeld wat eraan scheelde. Haar door de inlichtingendienst opgemerkte hartaandoening wellicht? Wel is er de vermelding dat Werker na ontslag uit het ziekenhuis niet terugkeerde naar Blaricum, maar verkaste naar ‘een rusthuis in Hilversum’. Dat was villa Lux Vincit (Het Licht Overwint, red.), Hertog Hendriklaan 6 in villawijk Nimrodpark.
Villa Lux Vincit in Hilversum waar Madeleine Werker overleed – Google Street View
Volgens de BVD herinnerde rusthuis-directrice en verpleegster Dina Middelman zich in de jaren vijftig dat Werker ‘buitengewoon gesloten’ was. Volgens Middelman kreeg Werker van familie heel weinig bezoek en van anderen nooit. Als dat klopt, is dus zelfs Henriëtte van der Waals uit Blaricum nimmer op bezoek geweest. Het onderstreept het beeld dat de laatste periode van Werkers leven eenzaam is geweest.
Op 31 januari 1941 deed aanspreker/chauffeur Pieter Drost bij een ambtenaar van de Hilversumse burgerlijke stand (en een dag later bij de gemeente Blaricum) aangifte van het overlijden van Madeleine Werker op 30 januari ‘des voormiddags ten zeven ure’ in het rusthuis in Hilversum. Ze was 57 jaar en ‘zonder beroep’. Zo eindigde haar in Utrecht begonnen leven, dat volgens Cornelissen ‘vol hoop en illusies’ over de mensheid en het socialisme/communisme was geweest.
Op maandag 3 februari 1941 vertrok de rouwstoet vanaf de woning van broer Martien in Bussum naar De Bilt. Daar werd Madeleine Werker op de Algemene Begraafplaats aan de Brandenburgerlaan ter aarde besteld.
Inschrijving van Madeleine Werkers overlijden bij de burgerlijke stand in Hilversum – Foto: Noord-Hollands Archief
– Archief Gooi en Vechtstreek.
– Igor Cornelissen: Van Zwolle tot Brest-Litowsk. Onstuimige herinneringen (Amsterdam 1983).
– Igor Cornelissen: De GPOe op de Overtoom. Spionnen voor Moskou 1920-1940 (Amsterdam 1989).
– Igor Cornelissen: Alleen tegen de wereld. Joop Zwart, de geheimzinnigste man van Nederland (Amsterdam 2003).
– Igor Cornelissen: Mijn opa rookte ook een pijp. Joodse wortels en ander (on)gemak (Meppel 2020).
– Het Utrechts Archief.
– Nationaal Archief, Den Haag, Binnenlandse Veiligheidsdienst en Voorgangers, Persoonsdossiers, nummer toegang 2.04.125, inventarisnummers 42610-42612 (W.G. Krivitsky), 46372-46378 (I. Reiss) en 46985 (M.J. Werker),.
– Noord-Hollands Archief.
– Max Perthus: Henk Sneevliet, revolutionair socialist in Europa en Azië (Nijmegen 1976).
– Sal Santen: Poste-restante Rood (Amsterdam 1986).
– Stadsarchief Amsterdam.
– Tweede Kamer der Staten-Generaal, Vergaderjaar 1995-1996, 22 036 Verwijdering en vernietiging van dossiers van de Binnenlandse Veiligheidsdienst, nr. 12 Brief van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, 6 mei 1996.
– https://www.delpher.nl
– https://www.beijen.net/nieu1.htm
– https://www.parlement.com/biografie/mr-jw-wim-beyen
– https://spartacus-educational.com/SSkrivitsky.htm
– https://spartacus-educational.com/Ignaz_Reiss.htm
– https://de.wikipedia.org/wiki/Pidwolotschysk
– https://www.wozwaardeloket.nl/
Ronald Frisart (1955) werkte in loondienst 42 jaar als journalist, soms regionaal, maar vooral op de gebieden binnenland, buitenland en economie. Eerst voor het ANP, daarna voor (combinaties van) Haarlems Dagblad/IJmuider Courant, Leidsch Dagblad, De Gooi- en Eemlander en Noordhollands Dagblad. Ook werkte hij nu en dan voor de regionale krantenclub Gemeenschappelijke Persdienst (GPD), zoals in 1997/1998 als correspondent in Indonesië. Foto: Douwe van Essen