Voor de Afrikaanse kust, midden in het Middellandse-zeegebied, ligt een klein stukje Europa: Malta. Dit eiland werd in de loop van de geschiedenis door verschillende volkeren bewoond, zoals de Feniciërs, Grieken, Romeinen en Arabieren. Maar na afloop van de kruistochten was het een christelijke groepering die er haar sporen achterliet: de hospitaalridders van de Heilige Johannes van Jeruzalem.
De hoofdstad Valletta met haar orthogonale stratenpatroon, haar vestingwerken en prestigieuze stadspaleizen werd in de zestiende eeuw gebouwd. Deze tegenwoordig moderne stad bezit daarmee een bijzonder cultuurhistorisch erfgoed, namelijk een religieuze orde die deze omgeving heeft beschermd, gedomineerd en uitgebouwd tot bastion van het christendom.

Fort St. Elmo en de Orde van Malta
Haar geschiedenis begon in 1530 op de punt van de landtong van Monte Sciberras, waar vandaag de dag nog het eerste bouwwerk van de ridders staat, het Fort St. Elmo. Destijds viel het eiland onder de heerschappij van Karel V (1500-1558) de machtigste christelijke keizer. Het katholieke Europa voerde oorlog tegen het Ottomaanse Rijk, dat het oostelijke Middellandse-zeegebied overheerste. Malta, direct ten zuiden van Italië, lag strategisch tussen deze oostelijke- en de westelijke helft van de Middellandse Zee.
De orderidders waren militaire monniken en vormden een broederschap waarvan de leden uit acht verschillende delen van Europa kwamen. De vier eeuwen eerder in Palestina gestichte orde had zich de verzorging en verpleging van pelgrims naar het Heilige Land ten doel gesteld.

Karel V besloot om Malta aan deze ridders te schenken op voorwaarde dat ze het eiland als voorpost tegen de Turken zouden beschermen. Preciezer gezegd, tegen betaling van twee ‘Maltezer Valken’ kreeg de orde zeggenschap over landerijen en woongebieden, waarvan er één zou uitgroeien tot de nieuwe hoofdstad, Valletta.
Fort St. Elmo werd als eerste gebouwd om beide havens en daarmee de rest van het eiland te verdedigen. Binnen enkele jaren tijd drongen de ridders van hieruit de ‘ongelovigen’ terug in oostelijke richting. Maar in 1565 keerden deze weer terug en belegerden het fort. Het hart daarvan werd gevormd door een kapel waarin de ridders zich terugtrokken voor het gebed. Deze gebedsruimte is uiterst sober, afgezien van het rijk versierde altaar.
Een nieuwe stad

Voor de bouw maakten de ridders gebruik van een natuurlijke schat: kalksteen uit een steengroeve die op enkele kilometers van de stad ligt en ook nu nog wordt benut voor bouwprojecten. De zachte kalksteen was gemakkelijk te winnen en bewerken, eerst voor de vestingwerken en daarna om er de stad mee te bouwen en verfraaien.
De mooiste stadspaleizen herbergen nu ministeries en instellingen, maar sommige van deze renaissance-bouwwerken worden nog steeds bewoond. Overal verleent de Globigerina-kalksteen de stad haar kenmerkende kleur. Toen de Franse schrijvers Théophile Gautier (1811-1872) en Charles Baudelaire (1821-1867) op weg naar Constantinopel in Malta verbleven, waren zij sterk onder de indruk van de stad. Dat gold ook voor de vele houten balkons, waarvan de schrijvers niet onvermeld lieten dat ze daarop vooral knappe vrouwen waarnamen. Deze ruimtes waren inderdaad over het algemeen voor vrouwen van goede komaf gereserveerd, omdat deze geacht werden niet aan het openbare leven deel te nemen. Vanaf het balkon konden ze zien wat er op straat gebeurde, zonder zelf naar buiten te hoeven gaan.

Casa Rocca Piccola
Tijdens de bombardementen van de Tweede Wereldoorlog werden veel bouwwerken van de ridders verwoest. Sommige bleven gespaard, voornamelijk in het zuiden van de stad, waar de oudste straten liggen, zoals Republic Street. De Casa Rocca Piccola is een typisch adellijk huis, dat tegenwoordig door het publiek kan worden bezocht en haar naam te danken heeft aan een Italiaanse admiraal van de orderidders. Sinds de zeventiende eeuw werd het bewoond door de familie De Piro en een deel van het interieur dateert nog uit die tijd. Op de meubels staat het embleem van Malta afgebeeld, een kruis met acht punten. Vóór de oorlog telde Valletta overigens nog dertig van dergelijke stadspaleizen.

Sint-Janscokathedraal
Een ander gebouw dat de bombardementen overleefd heeft is de Sint-Janscokathedraal. Achter zijn sobere gevel gaat een weelderige barokke inrichting schuil, die het godshuis oorspronkelijk nog helemaal niet had. Toen deze kunststroming in de zeventiende eeuw in de mode kwam gaf de toenmalige grootmeester zijn ridders de opdracht om hun kapellen in deze stijl in te richten. De ‘Onthoofding van Johannes de Doper’, geschilderd door Caravaggio (1571-1610), siert nog altijd een van deze kapellen.
De meeste orderidders werden hier begraven en uiteindelijk vonden er bijna vierhonderd hun laatste rustplaats onder zerken die uit vele kleuren marmer bestaan. Als een prentenboek vertellen deze hun vaak avontuurlijke levens. In 1798 veroverde Napoleon het eiland en verdreef de ridders, die sindsdien in Rome zetelen en zich daar nog altijd als hospitaalorde manifesteren. Waar eens hun galeien afgemeerd lagen hebben cruiseschepen hun plaats ingenomen, waaruit dagelijks enkele duizenden toeristen de straten van Valletta overspoelen.

Maltezer kruis – Symbool van de Johanniter ridders
Operatie Pedestal – Het gevecht om Malta
Volkslied van Malta – L-Innu Malti
Doleantie (1886) – Kerkscheuring
‘Den tilsandede kirke’, een begraven kerk in Denemarken
Statenvertaling / Statenbijbel (1637) – Nederlandstalige Bijbelvertaling