Martha Gellhorn (1908-1998) noemde oorlogen “een aangeboren ziekte van de mens, en regeringen zijn de dragers daarvan”. Ze hekelde de pijn die erdoor veroorzaakt wordt en de nutteloosheid ervan. De Amerikaanse, die van 1940 tot 1945 getrouwd was met schrijver en journalist Ernest Hemingway, wist waar ze het over had.
Als oorlogscorrespondente bezocht ze verschillende strijdtonelen, onder andere tijdens de Tweede Wereldoorlog. In Het gezicht van de oorlog zijn ongeveer twintig van haar reportages gebundeld. Ze gaan over de Spaanse Burgeroorlog, de Fins-Russische Winteroorlog en de Tweede Wereldoorlog en zijn nasleep.

Als mensen de waarheid te horen kregen, als schande en onrecht hun duidelijk onder ogen werden gebracht, dan zouden ze onmiddellijk eisen dat er reddend werd opgetreden, dat de boosdoeners werden gestraft en dat er voor de onschuldigen werd gezorgd.
Leugens en de waarheid
Als journaliste wilde Gellhorn daarom de ogen van het geweten zijn van de mensen die door hun leiders werden misleid en bedrogen. Na verslag te hebben gedaan van de Tweede Wereldoorlog eindigde echter haar geloof in de “heilzame macht van de pers”. Ze was namelijk gaandeweg tot het besef gekomen dat “mensen gemakkelijker leugens slikken dan de waarheid”. Dat de Duitsers zo massaal achter Hitler hadden aangelopen, had haar mensbeeld veranderd, zeker nadat ze in het net bevrijde concentratiekamp Dachau de gruweldaden van de nazi’s had aanschouwd.
Gellhorn beleefde haar ‘vuurproef’ tijdens de Spaanse Burgeroorlog. In het land waar troepen van de latere dictator Francisco Franco vochten tegen het republikeinse regeringsleger, werd ze voor het eerst geconfronteerd met wat zij “de meedogenloze totaliteit van de moderne oorlog” noemde. De strijd vond niet langer voornamelijk tussen militairen plaats, maar trof burgers net zo hard. Ze zag in juli 1937 in het door troepen van Franco belegerde Madrid hoe de bevolking stoïcijns het oorlogsgeweld doorstond, alsof ze slechts gestoord werd door een “zware regenbui”.
Met haar oog voor het alledaagse legde ze vast hoe vrouwen met boodschappenmandjes in de arm bij een winkel stonden te wachten en bleven staan toen een granaat op het plein insloeg. Elders poetsten schoenpoetsers de schoenen van passanten, die onderwijl een krant lazen of een praatje maakten. Pas als het granaatvuur te hevig werd, trokken de schoenpoetsers zich terug in een zijstraatje.
Taperecorder met ogen
In november 1938 was Gellhorn in het door bombardementen geplaagde Barcelona, waar de cafés aan de Ramblas vol zaten en de bloemenstalletjes goede zaken deden vanwege de vele begrafenissen van oorlogsslachtoffers. In een kinderziekenhuis werd ze geconfronteerd met de gevolgen van het strijdgeweld. Een vierjarig jochie lag al vijf maanden met een ernstige hoofdwond in een ziekenhuisbed. Er was een bom ingeslagen op het plein toen hij dat overstak om met een meisje aan de overkant te gaan spelen. Drie andere jongetjes lagen met gespalkte lichaamsdelen in een hoekje apart, omdat ze ook tuberculose hadden. De verpleegster dacht dat ze het niet lang meer zouden maken.
Gellhorns ervaringen in Spanje bereidden haar voor op de Tweede Wereldoorlog, die ze beschouwde als “krankzinnig en boosaardig”. Om zichzelf te beschermen, gaf ze het op om “te denken of te oordelen” en veranderde ze “in een lopende taperecorder met ogen”. Na tussendoor nog verslag te hebben gedaan van de Fins-Russische Winteroorlog en de oorlog in China aan het Kantonese front, volgde ze vanaf november 1943, met een onderbreking in het voorjaar van 1944, het westerse geallieerde leger. De voorlichtingsofficieren van het Amerikaanse leger stonden er aanvankelijk niet positief tegenover dat een vrouw als oorlogscorrespondente actief was. Ze liet zich echter niet ringeloren en voer mee als verstekeling aan boord van een hospitaalschip op D-Day, 6 juni 1944. Ook wist ze op slinkse wijze naar Nederland te reizen om daar de 82nd Airborne Division aan het werk te zien.
Verplegers
Aan het Europese front bleef Gellhorn eveneens een scherpe observator. In Italië viel haar, naast de verwoestingen van de oorlog, op hoe drie kinderen om de beurt schommelden op een oud stuk telefoondraad dat aan een boom hing. In tentenkampen sloeg ze gade hoe militairen zich in de open lucht scheerden. Oude vrouwen wasten hun kleding in stenen waterbakken, terwijl legertrucks langsreden over een modderige weg. De ellende van de oorlog was altijd dichtbij: in een hospitaaltent ontwaarde ze het lichaam van een meisje dat gedood was terwijl ze een ambulance bestuurde:
Ze lag op een bed […] met haar gevouwen handen op een treurig bosje bloemen en haar haren heel keurig en heel blond, en haar gezicht eenvoudigweg in slaap.
Aan boord van het hospitaalschip tijdens de landingen in Normandië was Gellhorn onder de indruk van het functioneren van de zorg voor gewonden. “Alles liep voortreffelijk binnen in het schip,” schreef ze, “al waren vier dokters, zes verpleegsters en ongeveer veertien zaalhulpen te weinig om voor vierhonderd gewonde mannen te zorgen.” Ze zag niet slechts een schip dat “een lading pijn” vervoerde, maar ook een bemanning die volledig toegewijd was aan het verzorgen van de gewonden. Het trof haar ook hoe de gewonden zich kranig hielden en zich om elkaar bekommerden door bijvoorbeeld om water voor een ander te vragen of het personeel erop te wijzen dat iemand er slecht aan toe was. Zelf reisde ze mee aan boord van een ‘waterambulance’ om gewonden op te pikken.
In juli 1944 sprak Gellhorn in Italië met leden van het Poolse korps, van wie de meesten via de Karpaten hun land waren ontvlucht om zich daarna bij de geallieerde strijdkrachten te voegen. De mannen hadden al op verschillende plaatsen gevochten, zoals bij Tobroek en El Alamein. Inmiddels waren ze bezig met hun opmars langs de Adriatische Kust. Ze hadden een vooruitziende blik, zo blijkt uit wat Gellhorn vastlegde:
Het is voor hen een lange weg naar huis in Polen, naar de Grote Karpaten, en voor iedere mijl van de weg hebben ze zeer dapper gevochten. […] En met heel hun hart vrezen zij een bondgenoot die al in hun eigen land is. Want ze geloven niet dat Rusland hun land na de oorlog weer zal ontruimen, ze vrezen dat ze opgeofferd zullen worden aan deze vrede, net zoals Tsjecho-Slowakije in 1938.
Respect voor militairen
Hoezeer Gellhorn als intelligente waarnemer ook gruwde van de praktijk van het oorlogvoeren, uit haar teksten blijkt dat ze veel respect had voor de militairen die vochten tegen de nazi’s. Ze vond het bijzonder hoe de diverse nationaliteiten binnen de geallieerde legers met elkaar samenwerkten:
Het is komisch, verbazingwekkend en schitterend om te zien hoe deze gigantische mengelmoes van mensen het onderling met elkaar kan vinden. De lange mars die ze samen hebben gemaakt, de zandstormen in de woestijn, de modder van de Italiaanse winter, het gevaar, de stervenden en de eenzame jaren hebben hen tot mannen gemaakt die altijd voor elkaar klaarstaan.
Nadat ze op Nieuwjaarsdag 1945 vlakbij de stad Luxemburg na een sneeuwstorm plezier had gemaakt door met een slee van een heuvel te glijden, nam ze diezelfde maand deel aan een nachtelijke vlucht van een Amerikaans Thunderbolt-jachtvliegtuig boven vijandelijk gebied. Nog de avond ervoor was er een toestel van het eskader neergehaald waarbij de piloot en marconist waren omgekomen. De Amerikaanse kende dus het risico, maar schrok er niet voor terug om haar leven te wagen voor haar reportages. “De dood doet je eraan denken dat het jou ook kan overkomen en iedereen vreest en haat deze gedachte”, zo tekende ze op in haar verslag van de missie die ze dapper doorstond.
Indië en Neurenberg

Met Gellhorns beschrijvingen over het proces van Neurenberg en de vredesconferentie van Parijs in 1946 sluit deze boeiende bundel die vol staat met krachtige voorbeelden van het afschuwelijke leed en ander onrecht dat oorlog veroorzaakt. Wie naar de wereld van nu kijkt weet dat de schrijfster gelijk had: mensen leren niet van de waarheid. Gelukkig zijn er journalisten zoals Gellhorn die objectief de feiten vastleggen en leugens doorprikken.
Vansittartisme en seksisme in het potlodenkasteel
Een vreemde vriendschap. Over Orson Welles en Ernest Hemingway
Opportunistische septemberlingen, maartviooltjes en meikevers
‘Een miljoen Nederlanders betrokken bij verzet tijdens Tweede Wereldoorlog’
Waarom Frits Barend ‘Frits Jelle Barend’ heet