Materialen en technieken in de kunst door de eeuwen heen

Het geheim van de kunstenaar
5 minuten leestijd
Vaas met roze rozen, olieverf – Vincent van Gogh, 1890
Vaas met roze rozen, olieverf – Vincent van Gogh, 1890. Dit schilderij maakt uitgebreid gebruik van de impastotechniek.

Bij de titel Het geheim van de kunstenaar; hoe meesterwerken ontstaan verwacht je als lezer te ontdekken hoe kunstenaars belangrijke doorbraken wisten te creëren. In werkelijkheid gaat het boek vooral over het gebruik van materialen en technieken door de eeuwen heen.

Het geheim van de kunstenaar
 
Vooral in het eerste deel, over materiaalgebruik, is vaak niet vast te stellen wanneer – en door welke kunstenaar – een bepaald materiaal voor het eerst werd toegepast. Het gaat meestal om een geleidelijk proces, waarbij de toevallige vondst van een ouder kunstwerk het beginpunt soms ineens veel verder terug in de tijd plaatst.

Maar het is wel aardig te lezen hoe bepaalde materialen door combinaties van grondstoffen zijn ontstaan, aangepast, verbeterd en hoe kunsttechnieken zich (soms door de eeuwen heen) ontwikkeld hebben.

Materialen

Door de eeuwen heen werkten kunstenaars zowel met hoogwaardige materialen als goud en zilver als met eenvoudige middelen zoals houtskool. Interessant is ook het ontstaan van nieuwe materialen door menging, bijvoorbeeld van olie, krijt, eigeel en zelfs vissenhuid en bier (voor tempera).

Goud wordt al eeuwenlang gebruikt omdat het zwaar, buigzaam en goed bewerkbaar is, gegoten kan worden, niet corrodeert en zich eenvoudig laat hechten aan andere materialen. Rubens bereikte bijzondere effecten door bij een japon geen bladgoud te gebruiken, maar pigment te mengen met fijne gouddeeltjes en een transparant bindmiddel.

Olieverf op een palet
Olieverf op een palet
Hoewel Jan van Eyck wordt beschouwd als uitvinder van de olieverf, zijn er al in Afghaanse grotten sporen ontdekt van pigment vermengd met olie en er wordt er al in boeken van rond 1100 over gerept. Een van de voordelen van olieverf is, dat het dik aangebracht kan worden (met schildersmes, vingers of direct uit de tube) en daarmee extra dimensies worden toegevoegd: diverse texturen, grof-, gladheid en dieptesuggesties. Ook de zogeheten impasto’s van Vincent van Gogh komen in dit boek aan bod. De kunstenaar zei hier zelf over:

Ik bewerk het doek met onregelmatige penseelstreken die ik laat voor wat ze zijn: impasto’s.

De hoge kwaliteit van Rembrandts etsen en gravures kwam voort uit het combineren van verschillende technieken en materialen, zoals gecontroleerd uitwissen, het opnieuw bewerken van de matrijs (metalen drukplaat) met een droge naald, tussendrukken en het gebruik van diverse soorten papier.

Grafiet
Grafiet (CC BY-SA 3.0 – Rob Lavinsky – wiki)
De breekbaarheid van grafiet bleek lang een probleem, tot de Franse militaire wetenschapper Conté het in 1795 wist te versterken door vermenging met mineralen, klei, water en het resultaat te verhitten in een oven. Ook het breekbare krijt had vermenging nodig met Arabische gom, snoep en bier om populair te worden. Vooral ‘plein air-schilders’ (kunstenaars die buiten, direct in de open lucht werkten) gingen ermee aan de slag, omdat het handzaam was om mee te nemen. Op zich was ook dat plein air schilderen geen vanzelfsprekend feit, maar een ontdekking. Monet ging voor het eerst op pad met schilder Boudin om in de open lucht te werken; direct het aanwezige landschap, de luchten en het licht opnemend.

De Italiaanse Rosalba Carriera maakte portretten met pastelkrijt, maar bewerkte het resultaat met diverse technieken: ze veegde streken uit met haar vinger en voegde highlights toe door pigment weg te schrapen. Om heldere huidtinten te creëren mengde ze pastelkrijt met water en bracht dat met een penseel op. Generaties lang bleven haar methoden de standaard voor portretten van pastelkrijt.

Methoden

Ook qua toepassing van technieken vonden verrassende ontwikkelingen plaats. Mozaïeken bestaan bijvoorbeeld al eeuwen, maar in de tweede helft van de twintigste eeuw beleefden ze een opleving doordat ze een eigentijdse bestemming kregen, zoals het beschermen en verfraaien van muren en trappenhuizen in metrostations. Ook kunstenaars als Yoko Ono en Roy Lichtenstein maakten zulke mozaïeken.

Deel van het mozaïek van nimfen in het museum van Lambesis (Tazoult, Algerije).
Deel van het mozaïek van nimfen in het museum van Lambesis (Tazoult, Algerije). CC BY-SA 4.0 / Zinou2go – wiki

Op het gebied van het perspectief bestonden al knappe staaltjes rond 50 voor Christus, zoals een schildering in een kamer in Pompeii, later gereconstrueerd in het Metropolitan Museum of Art in New York, met gebouwen in een visgraatmotief op een muur. Eromheen is een raamvenster geschilderd, zodat het lijkt alsof men naar buiten kijkt, zonder aan privacy in te leveren.

Ook het verkorte perspectief, trompe-l’oeil en de clair-obscur worden besproken. Na Leonardo da Vinci’s trefzekere observaties, begon men te experimenteren met de rol van schaduwen in schilderwerken. Bij meer recente methoden die echt aan één kunstenaar zijn toe te schrijven, valt bijvoorbeeld het schilderen met een gewone huis-tuin-en-tekenkwast door Frank Stella op. Ook de ‘drippings’ van Jackson Pollock en de manier waarop Gerhard Richter met een rakel pigment over het doek strijkt – waardoor toevallige kleurcontrasten en lichteffecten ontstaan – worden in het boek besproken.

Honoré Daumier
Honoré Daumier
Diverse methoden zijn overgenomen uit andere disciplines. Zo werd lithografie voor het eerst toegepast door toneelschrijver Alois Senefelder in 1796 om toneelstukken en partituren af te drukken, waarna hij het patent verkocht en de techniek zich verspreidde over Europa. Pas later gingen kunstenaars litho’s maken, zoals bijvoorbeeld Honoré Daumier.

Het boek besteedt binnen de drukkunst aandacht aan houtdruk, gravure, etsen en later ook zeefdruk. Deze laatste techniek ontstond al in de tiende eeuw in Azië en werd destijds voor commerciële doeleinden toegepast (etiketten, posters). In de jaren dertig van de twintigste eeuw pakte men haar in de VS opnieuw op, omdat werken met moderne materialen toen goedkoop en eenvoudig werd.

Pas later gingen ook kunstenaars deze techniek toepassen, zoals Warhol. Ook collages (coller – plakken) kennen een lange geschiedenis. Ze komen al in de twaalfde eeuw in Japan voor en werden pas op artistiek vlak beroemd toen Matisse, die vanwege ziekte aan bed gebonden was, met papier begon te experimenteren en dat combineerde met spelden, nietjes en stiksels.

In 1949 kwam een Amerikaanse verffabrikant op het idee verf in spuitbussen te doen om op radiatoren te spuiten. Het bleek een eenvoudige techniek en omdat de bussen gemakkelijk te verbergen waren, vonden ze via straatkunstenaars hun weg op artistiek gebied. Een bekend voorbeeld hiervan is de graffiti van Banksy, snel werkend met spuitbussen en sjablonen in de nacht in de openbare ruimte. Deze techniek werd trouwens ook al veel eerder toegepast, maar dan in de vorm van inkervingen op muren in Rome en Pompeii, waarbij toen al de openbare ruimte een forum werd voor de uiting van persoonlijke meningen.

James Turrell: licht en ruimte

Een andere jonge vorm van artistieke expressie zijn de ‘Immersieve ruimten’ van de Japanse kunstenares Yayoi Kusama: ‘Ik wil een ruimte bouwen, een ruimte zonder begin of einde’. De muren, vloeren en plafonds zijn bedekt met bijvoorbeeld stippen van verschillende grootte en met behulp van onder andere spiegels wordt zo de illusie gewekt van een duizelingwekkende ‘oneindige ruimte’. Ook Olafur Eliasson (Tate) en bijvoorbeeld James Turrell maken varianten hierop. Turrell middels nieuwe technieken als verborgen LED-schermen. Hij roept zo de schoonheid van kosmologische fenomenen op.

Het geheim van de kunstenaar kan voor mensen die zelf creatief actief zijn een inspiratiebron zijn om zich verder te ontwikkelen; voor de leek biedt het een aardig inkijkje in het ‘kunstbedrijf’.

Lees meer over

Kunstgeschiedenis

Meld u aan voor onze gratis nieuwsbrief

×