Bij de titel Het geheim van de kunstenaar; hoe meesterwerken ontstaan verwacht je als lezer te ontdekken hoe kunstenaars belangrijke doorbraken wisten te creëren. In werkelijkheid gaat het boek vooral over het gebruik van materialen en technieken door de eeuwen heen.

Maar het is wel aardig te lezen hoe bepaalde materialen door combinaties van grondstoffen zijn ontstaan, aangepast, verbeterd en hoe kunsttechnieken zich (soms door de eeuwen heen) ontwikkeld hebben.
Materialen
Door de eeuwen heen werkten kunstenaars zowel met hoogwaardige materialen als goud en zilver als met eenvoudige middelen zoals houtskool. Interessant is ook het ontstaan van nieuwe materialen door menging, bijvoorbeeld van olie, krijt, eigeel en zelfs vissenhuid en bier (voor tempera).
Goud wordt al eeuwenlang gebruikt omdat het zwaar, buigzaam en goed bewerkbaar is, gegoten kan worden, niet corrodeert en zich eenvoudig laat hechten aan andere materialen. Rubens bereikte bijzondere effecten door bij een japon geen bladgoud te gebruiken, maar pigment te mengen met fijne gouddeeltjes en een transparant bindmiddel.

Ik bewerk het doek met onregelmatige penseelstreken die ik laat voor wat ze zijn: impasto’s.
De hoge kwaliteit van Rembrandts etsen en gravures kwam voort uit het combineren van verschillende technieken en materialen, zoals gecontroleerd uitwissen, het opnieuw bewerken van de matrijs (metalen drukplaat) met een droge naald, tussendrukken en het gebruik van diverse soorten papier.

De Italiaanse Rosalba Carriera maakte portretten met pastelkrijt, maar bewerkte het resultaat met diverse technieken: ze veegde streken uit met haar vinger en voegde highlights toe door pigment weg te schrapen. Om heldere huidtinten te creëren mengde ze pastelkrijt met water en bracht dat met een penseel op. Generaties lang bleven haar methoden de standaard voor portretten van pastelkrijt.
Methoden
Ook qua toepassing van technieken vonden verrassende ontwikkelingen plaats. Mozaïeken bestaan bijvoorbeeld al eeuwen, maar in de tweede helft van de twintigste eeuw beleefden ze een opleving doordat ze een eigentijdse bestemming kregen, zoals het beschermen en verfraaien van muren en trappenhuizen in metrostations. Ook kunstenaars als Yoko Ono en Roy Lichtenstein maakten zulke mozaïeken.

Op het gebied van het perspectief bestonden al knappe staaltjes rond 50 voor Christus, zoals een schildering in een kamer in Pompeii, later gereconstrueerd in het Metropolitan Museum of Art in New York, met gebouwen in een visgraatmotief op een muur. Eromheen is een raamvenster geschilderd, zodat het lijkt alsof men naar buiten kijkt, zonder aan privacy in te leveren.
Ook het verkorte perspectief, trompe-l’oeil en de clair-obscur worden besproken. Na Leonardo da Vinci’s trefzekere observaties, begon men te experimenteren met de rol van schaduwen in schilderwerken. Bij meer recente methoden die echt aan één kunstenaar zijn toe te schrijven, valt bijvoorbeeld het schilderen met een gewone huis-tuin-en-tekenkwast door Frank Stella op. Ook de ‘drippings’ van Jackson Pollock en de manier waarop Gerhard Richter met een rakel pigment over het doek strijkt – waardoor toevallige kleurcontrasten en lichteffecten ontstaan – worden in het boek besproken.

Het boek besteedt binnen de drukkunst aandacht aan houtdruk, gravure, etsen en later ook zeefdruk. Deze laatste techniek ontstond al in de tiende eeuw in Azië en werd destijds voor commerciële doeleinden toegepast (etiketten, posters). In de jaren dertig van de twintigste eeuw pakte men haar in de VS opnieuw op, omdat werken met moderne materialen toen goedkoop en eenvoudig werd.
Pas later gingen ook kunstenaars deze techniek toepassen, zoals Warhol. Ook collages (coller – plakken) kennen een lange geschiedenis. Ze komen al in de twaalfde eeuw in Japan voor en werden pas op artistiek vlak beroemd toen Matisse, die vanwege ziekte aan bed gebonden was, met papier begon te experimenteren en dat combineerde met spelden, nietjes en stiksels.
In 1949 kwam een Amerikaanse verffabrikant op het idee verf in spuitbussen te doen om op radiatoren te spuiten. Het bleek een eenvoudige techniek en omdat de bussen gemakkelijk te verbergen waren, vonden ze via straatkunstenaars hun weg op artistiek gebied. Een bekend voorbeeld hiervan is de graffiti van Banksy, snel werkend met spuitbussen en sjablonen in de nacht in de openbare ruimte. Deze techniek werd trouwens ook al veel eerder toegepast, maar dan in de vorm van inkervingen op muren in Rome en Pompeii, waarbij toen al de openbare ruimte een forum werd voor de uiting van persoonlijke meningen.
James Turrell: licht en ruimte
Een andere jonge vorm van artistieke expressie zijn de ‘Immersieve ruimten’ van de Japanse kunstenares Yayoi Kusama: ‘Ik wil een ruimte bouwen, een ruimte zonder begin of einde’. De muren, vloeren en plafonds zijn bedekt met bijvoorbeeld stippen van verschillende grootte en met behulp van onder andere spiegels wordt zo de illusie gewekt van een duizelingwekkende ‘oneindige ruimte’. Ook Olafur Eliasson (Tate) en bijvoorbeeld James Turrell maken varianten hierop. Turrell middels nieuwe technieken als verborgen LED-schermen. Hij roept zo de schoonheid van kosmologische fenomenen op.
Het geheim van de kunstenaar kan voor mensen die zelf creatief actief zijn een inspiratiebron zijn om zich verder te ontwikkelen; voor de leek biedt het een aardig inkijkje in het ‘kunstbedrijf’.
Pointillisme (Divisionisme) – Kenmerken van de schildertechniek
Sgraffito – Een decoratieve kunsttechniek
Trompe-l’oeil – Illusionisme in de kunst
Jan Van Eyck: mysterie, mythe en mens
Parijs, de stad van mythe en mode
Canada verbeeld in schilderkunst 1910-1940