Mormonen richtten in 1857 bloedbad aan onder landverhuizers

Pas na anderhalve eeuw erkenning van de ‘Mountain Meadows Massacre’
9 minuten leestijd
Landverhuizers en Paiute
De huifkarren van de Baker-Fanchergroep, kort voor de massamoord (links); Paiutes liggen in hinderlaag (rechtsonder). Library of Congress, Washington D.C

Een van de zwartste dagen in de geschiedenis van Utah (VS) viel op 11 september 1857. Een Mormoonse militie slachtte toen zo’n honderdtwintig landverhuizers af, die onderweg waren van Arkansas naar Californië. Deze ‘Baker-Fancher party’ voerde een witte vlag en werd zogenaamd begeleid en beschermd door de Mormoonse militie. De ontvouwing van het drama nam vijf dagen in beslag.

Ongeveer zeventien zeer jonge slachtoffers overleefden de slachtpartij, die bekend werd als de ‘Mountain Meadows Massacre’. Deze vond plaats tijdens de Utah War (1857-1858), die de regering van de Verenigde Staten voerde met de Mormoonse gemeenschap, die zich had gevestigd in het Utah Territorium. Na lang geworsteld te hebben met deze schande, accepteerde de Kerk van Jezus Christus van de Heiligen der Laatste Dagen (zoals de Mormoonse kerk officieel heet) pas in 2007 de volledige verantwoordelijkheid voor de massamoord.

Mormonen in Utah

Fotoportret van Brigham Young omstreeks 1850
Fotoportret van Brigham Young omstreeks 1850
De Mormonen waren in Utah terechtgekomen na langdurige vervolging, die vooral was ingegeven door afkeer van de door hen gepraktiseerde polygamie en het (plaatsvervangend) dopen van overledenen. De stichter van de Mormoonse religie, Joseph Smith, was in 1844 gelyncht in Illinois, toen de door hem gestichte kerk nog maar veertien jaar bestond en ook toen al een dramatische historie van conflicten en vervolging achter de rug had.

Smiths opvolger Brigham Young (1801-1877) was theologisch van weinig belang, maar een sterk en daadkrachtig leider. Hij had onder meer gewerkt als timmerman, schilder en glaszetter. Als een nieuwe Mozes voerde Young in 1846/47 zijn kudde naar het (toekomstige) Utah Territorium, dat officieel nog deel was van Mexico. Hier, buiten de jurisdictie van de Verenigde Staten, wilde hij zijn gemeenschap vestigen. Een jaar nadat dit daadwerkelijk plaatsvond met de stichting van Salt Lake City (1847) werd het gebied echter al onderdeel van de Verenigde Staten.

De Mormoonse missie vanuit Salt Lake City werd voortvarend aangepakt. Young stuurde zendelingen niet alleen uit in Utah, maar ook naar Californië, Arizona, Nevada, Idaho en Wyoming. Een verzoek aan het Congres om de door de Mormonen in 1849 opgerichte staat Deseret te erkennen werd afgewezen. Wel werd Brigham Young door president Millard Fillmore benoemd tot gouverneur van het in 1850 gestichte Utah Territorium. In 1854 kreeg hij een tweede termijn.

Salt Lake City in 1852/53
Salt Lake City in 1852/53. Gravure, Missouri History Museum.

Mormoonse Reformatie

In 1856/57 leidde Young de Mormoonse Reformatie, met nadruk op religieuze herbezinning, afwijzing van andersdenkenden en geslotenheid naar buiten toe. Dit ging gepaard met verschillende vormen van sociale controle, collectieve herbezinning en herdoop. De aanwezigheid van officiële vertegenwoordigers van de Verenigde Staten in het Territorium ontmoette steeds meer weerstand. President James Buchanan zette Young in 1857 af als gouverneur en stuurde troepen naar het Utah Territorium. De Mormonen zagen dit als een voorbode van nieuwe vervolgingen. Young verklaarde het oorlogsrecht van toepassing. Ook mocht niemand van buiten nog door het Territorium reizen zonder een officiële vergunning. De Utah War was een feit.

Utah War spotprent 1857
Spotprent – Brigham Young en anderen bereiden hun vrouwen voor op de oorlog met de VS. Harper’s Weekly, 28 november 1857.

Aankomst van de landverhuizers

De Baker-Fanchergroep, geleid door John Baker en Alexander Fancher, had Arkansas in april 1857 verlaten. Aanvankelijk telde de groep meer dan tweehonderd personen, meer dan duizend runderen en een groot aantal paarden. Een deel van de wagenkaravaan splitste zich al voor het Utah Territorium af, zodat de groep bij aankomst aldaar nog bestond uit 120-140 mannen, vrouwen en kinderen. De landverhuizers verkeerden in onwetendheid omtrent de nieuwe bepalingen van Young toen ze Utah binnentrokken.

Begin augustus bereikten ze Salt Lake City. Ze slaagden er niet in hier voorraden in te slaan, omdat de Mormonen weigerden met hen te handelen. Vervolgens trok de wagentrein naar Mountain Meadows, zo’n veertig mijl buiten het hooggelegen Cedar City, zelf een nederzetting die nog maar zes jaar oud was. Hier wilden de landverhuizers rusten en hun vee op krachten laten komen.

Slachtpartij na valse beloften

De groep werd op 7 september 1857 aangevallen door een Mormoonse militie-eenheid onder leiding van John Doyle Lee. Zeven leden van de Baker-Fanchergroep verloren hun leven, zestien raakten gewond. Vijf dagen hielden de landverhuizers stand achter hun wagens en snel gegraven verdedigingsloopgraven, tot het water en voedsel en ook de munitie op waren.

Lee trok op 11 september naar het kamp en wist de landverhuizers te overtuigen hun wapens neer te leggen en in te leveren, in ruil voor een vrijgeleide. De karavaan van in totaal 137 personen trok vervolgens zuidwaarts in de richting van Cedar City. Ze waren onderverdeeld in een groep streng bewaakte mannen, en een groep vrouwen met kinderen.

Onderweg viel de groep in een hinderlaag en werd genadeloos uitgemoord door Mormonen, vermomd als Paiutes, met hulp van een aantal ‘echte’ Paiutes, aan wie een aandeel was beloofd in de buit die zou worden gemaakt. Eerdere Mormoonse pogingen om de Paiutes massaler tegen de nieuwkomers op te zetten waren mislukt. De ontwapende mannen van de Baker-Fanchergroep werden doodgeschoten, de vrouwen en kinderen afgemaakt met geweren, messen en tomahawks.

Mountain Meadows Massacre
De huifkarren van de Baker-Fanchergroep, kort voor de massamoord (links); Paiutes liggen in hinderlaag (rechtsonder). Library of Congress, Washington D.C

Zeventien kinderen onder de zes jaar overleefden de slachting, omdat men meende dat ze niets zouden kunnen navertellen. Het was de vooropgezette bedoeling dat niets van de slachtpartij in de buitenwereld bekend zou worden, vandaar ook de genadeloosheid van de operatie. De lijken verdwenen in ondiepe graven, de bezittingen en het vee van de landverhuizers werden later verhandeld onder andere Mormonen. De gespaarde kinderen bracht men onder bij Mormoonse families.

Betrokkenheid van Young?

Het nieuws van de massamoord lekte natuurlijk toch uit, ook in het verre Westen bleef de verdwijning van een hele wagenkaravaan niet onopgemerkt. Om de schuld van zich af te wentelen, bleven de Mormoonse leiders hardnekkig de inheemse bevolking als daders aanwijzen en verspreidden ook verzonnen verhalen over wandaden van de landverhuizers.

Een ander aspect dat onder het tapijt moest worden geveegd betrof de eventuele medeplichtigheid van Young. Wist hij van de massamoord of was hij zelfs de aanstichter? Young zou per brief instructies hebben gestuurd om de Baker-Fanchergroep met rust te laten; volgens sommigen waren deze instructies echter opzettelijk te laat verzonden.

Wel startte Young een onderzoek onder leiding van George A. Smith, die zelf ook niet brandschoon was. In Salt Lake City was Smith een van degenen geweest, die zijn geloofsgenoten had aanbevolen om niet met de landverhuizers te handelen. Smith kwam in juni 1858 met de niet al te verrassende uitkomst dat de massamoord was uitgevoerd door de Paiutes, die daarmee wraak namen voor de vergiftiging van hun water door de landverhuizers.

Inheemse bevolking als zondebok

Pahvant-hoofdman Kanosh
Pahvant-hoofdman Kanosh. Foto Charles Roscoe Savage, ca. 1870
Dit uit de duim gezogen verhaal werd gaandeweg opgeblazen tot een verzinsel over een hele vergiftigde stroom, die de dood van een aantal Pahvant-Indianen (deel van de Ute-natie) zou hebben teweeggebracht. Die hadden vervolgens wraak genomen met de aanval op de Baker- Fanchergroep. Dit was zeer wrang voor de betreffende inheemsen, omdat het Pahvant-opperhoofd Kanosh nauwe banden onderhield met de Mormoonse gemeenschap. Hij wees het verhaal dan ook categorisch af.

Een ontwikkeling als deze tekende de complexe verhouding tussen de Mormonen en de aloude bewoners van hun beloofde land. De Indianen waren in de Mormoonse theologie als ‘Lamanieten’ een bijzonder maar vervallen volk, dat lang geleden vanuit Israël naar Amerika was geëmigreerd en daar afvallig was geworden; hun donkere huidskleur was daarvoor een goddelijke straf.

Vooral de Zuidelijke Paiutes hadden van de Mormonen te lijden. Ze waren het doelwit van vastberaden missionering, terwijl tegelijkertijd hun leefgebied werd afgenomen en door de blanken geïntroduceerde ziekten onder hen huishielden. Er vonden gedurende een reeks van jaren ook verschillende gewapende conflicten en moordpartijen plaats tussen de nieuwkomers en de inheemse bevolking van het Utah Territorium, deels begaan door legereenheden van de Verenigde Staten.

Paiute omstreeks 1874
Paiutes omstreeks 1874. Foto John K. Hiller.
In voorgaande tijden hadden andere inheemse volken zoals de Navajo en Ute vrouwen en kinderen van de Paiutes voor slavenarbeid ingezet, hetgeen nog erger werd na de komst van de eerste Europese settlers in 1776. Paiute-slaven werden toen geruild voor paarden en andere begeerlijke zaken. Brigham Young legaliseerde Indiaanse slavernij in het Utah Territorium in 1852; een halve eeuw na de komst van de Mormonen was de inheemse bevolking in Utah met 86 procent afgenomen.

De interactie van Mormonen en Indianen resulteerde anderzijds ook in samenwerking en bondgenootschappen. Zoals met de Shoshone-leider Sagwitch, die bijna werd gedood door Amerikaanse soldaten in 1863. Hij werd een bondgenoot van Young. Zijn kleinzoon Moroni, genoemd naar de belangrijke Mormoonse engel, werd de eerste Indiaanse bisschop in de Mormoonse kerk.

Formeel onderzoek

Youngs bondgenoot Sagwitch
Youngs bondgenoot Sagwitch met zijn in konijnenbont gehulde vrouw. Foto (ingekleurd) door Charles Roscoe Savage, ca. 1875–1880.
Pas na de Utah War kon een formeel onderzoek door de Amerikaanse overheid plaatsvinden. In mei 1859 arriveerde majoor James Henry Carleton. Zijn conclusie was dat de Mormonen verantwoordelijk waren voor de slachtpartij. Hij liet stoffelijke resten verzamelen en in vier graven onderbrengen.

Met onder anderen Jacob Forney van het Bureau of Indian Affairs hielp Carleton ook om de overlevende kinderen te herenigen met hun verwanten in Arkansas. Velen waren zeer slecht behandeld en verwaarloosd door de families die hen hadden opgenomen. Alle kinderen herkenden de sieraden van hun vermoorde moeders, die nu de hals of borst van Mormoonse dames sierden; vooral de vrouwen van John Doyle Lee waren goed voorzien. De paarden van hun vaders konden de kinderen eveneens nog aanwijzen.

Doodstraf voor Lee

Er volgden arrestatiebevelen voor Lee, Isaac Haight en John Higbee als verantwoordelijken voor het bloedbad. Alle drie namen de wijk, Lee kwam terecht in Arizona. In de jaren daarna vertraagde de Amerikaanse Burgeroorlog de rechtsgang. Pas in 1871 kwam er een doorbraak. Philip Klingensmith, een van de deelnemers aan de massamoord, verstrekte toen een ooggetuigenverslag en was bereid voor de rechtbank te getuigen.

Lee vuurpeloton in Utah
Lee, kort voor zijn executie door een vuurpeloton in Utah op 23 maart 1877, zittend naast zijn doodskist.

Haight en Higbee konden niet worden gevonden. John Doyle Lee had in Arizona het bedrijf Lee’s Ferry opgericht. Hij was de enige die werd gearresteerd en ter dood veroordeeld. Op 23 maart 1877 executeerde een vuurpeloton hem op de plek van het bloedbad. Tijdens zijn proces hield Lee vol dat hij was gebruikt als zondebok door de Mormoonse autoriteiten, die zelf opdracht hadden gegeven voor de massamoord. De kerk hield staande dat hij op eigen houtje had gehandeld en zelfstandig de hulp van de Paiutes had ingeroepen.

De intussen bejaarde Brigham Young, aan de dans ontsprongen, stierf ruim vier maanden na Lee’s executie. Hij was gehuwd geweest met zesenvijftig vrouwen: negentien ervan stierven vóór hem, van tien was hij gescheiden, het lot van vier is onbekend, drieëntwintig echtgenotes overleefden hem. Polygamie bij de Mormonen is pas in 1890 afgeschaft.

Brigham Young
Brigham Young en zijn vele vrouwen. Spotprent Frank Leslie’s illustrated newspaper, 11 november 1871.

Eerste historische studie

Kort na de massamoord besteedde de Amerikaanse pers er al aandacht aan, maar de belangstelling verhevigde pas omstreeks 1872, na de bekentenis van Philip Klingensmith. Ook het proces van Lee werd aandachtig gevolgd. Pas in 1950 verscheen de eerste serieuze historische studie: The Mountain Meadows Massacre van historica Juanita Brooks, zelf een Mormoonse die tijdens haar onderzoek en zeker na de publicatie ervan veel vijandigheid ervoer in eigen kring. Het schrijven deed Juanita min of meer stiekem. Ze had naar eigen zeggen altijd een mand met strijkgoed in de buurt, zodat ze haar schrijfmachine kon bedekken en zogenaamd huishoudelijk werk deed wanneer er onverwacht bezoek van buren kwam.

Brooks meende dat Young niet direct betrokken was, maar bevestigde in haar boek wel dat Lee als zondebok had gefungeerd:

De kerkleiders besloten om Lee op te offeren, pas toen ze inzagen dat het onmogelijk zou zijn om hem vrij te pleiten zonder zelf een deel van de verantwoordelijkheid op zich te nemen.

Filmcultuur

De gebeurtenissen van Mountain Meadows waren in de loop der jaren onderwerp van enkele toneelstukken. Ook zijn er documentaires gemaakt, zoals The Mountain Meadows Massacre (2001) en Burying the Past: Legacy of the Mountain Meadows Massacre (2004). Een speelfilm over het drama getiteld September Dawn verscheen in 2007.

Trailer van de Netflix-serie American Primeval:

Netflix bracht in 2025 de miniserie American Primeval uit, waarin net als in September Dawn naast inbrenging van fictionele elementen aanzienlijke aanpassing van de feitelijke gebeurtenissen was toegepast. Niettemin geeft American Primeval volgens de kritiek een vrij accuraat beeld van de historische situatie rondom de Mountain Meadows Massacre.

Eindelijk erkenning

Op 11 september 2007, anderhalve eeuw na het bloedbad, gaf de Kerk van Jezus Christus van de Heiligen der Laatste Dagen eindelijk haar officiële versie van de gebeurtenissen prijs en nam de volledige verantwoordelijkheid op zich. Ook bood de kerk excuses aan de nakomelingen van de overlevenden aan en eveneens aan de Paiutes, die zo lang als daders waren aangewezen.

De nakomelingen kwamen opnieuw met kerkleden bijeen in 2011, toen Mountain Meadows werd aangewezen als National Historic Landmark. Verschillende gedenktekens zijn hier in de loop van de tijd opgericht. Het eerste is al in 1859 gesticht door majoor Carleton, boven het massagraf van vierendertig slachtoffers. Na de publicatie van haar boek zette ook Juanita Brooks met enkele medestanders zich in voor een monument. In 1999 is een nieuw monument voor de slachtoffers opgericht.

Monument uit 1999 voor de slachtoffers van de Mountain Meadows Massacre
Monument uit 1999 voor de slachtoffers van de Mountain Meadows Massacre (CC BY-SA 3.0 – Mangoman88 – wiki)

Bronnen

– R. Abanes, One Nation under Gods. A history of the Mormon church ((2003).
– Will Bagley, Blood of the Prophets. Brigham Young and the Massacre at Mountain Meadows (2004).
– Juanita Brooks, The Mountain Meadows Massacre (1950).
– Joshua J. Mark, ‘Mountain Meadows Massacre’, URL: www.worldhistory.org/Mountain_Meadows_Massacre/ (21 January 2025)
×