Politiek Den Haag van links tot rechts overtuigd van voordelen Europese eenheid
De taxi’s rijden af en aan op het Binnenhof. Honderden afgevaardigden uit vrijwel alle Europese landen, aangevuld met waarnemers uit de VS en Canada, begeven zich op 7 mei 1948 naar Den Haag voor het Congres van Europa. Tientallen sprekers roepen vanachter het spreekgestoelte in de Ridderzaal op het geruïneerde continent een nieuwe toekomst te geven. Bekende politici als Konrad Adenauer, Anthony Eden en Édouard Herriot begeven zich onder de gasten, naast talrijke academici, zakenmensen, kunstenaars, juristen en economen. Het voltallige kabinet onder leiding van premier Louis Beel (KVP) neemt plaats en ook prinses Juliana en prins Bernhard betreden de zaal.
Winston Churchill roept onder de gebogen eikenhouten balken van de middeleeuwse zaal hoopvol uit dat ‘de stem van Europa’ er te horen is. Hij verwacht dat Europa eindelijk de scheidslijnen opheft en een einde maakt aan de vernietigende onderlinge verdeeldheid. Er moet een ‘Europees handvest’ komen, zegt de Britse oorlogspremier die een verzoenende toon aanslaat tegenover Duitsland:
Wij kunnen ons alleen uit deze gevaren redden door af te zien van nationale rancune en wraakneming (…). Om Europa te herbouwen en haar licht te doen schijnen, moeten wij in de eerste plaats onszelf overwinnen.

Het Congres van Europa vormde de opmaat van de Europese samenwerking die na de Tweede Wereldoorlog geleidelijk tot stand kwam. Het kan gelden als een sleutelmoment in de geschiedenis van de Europese samenwerking. Maar er ging een fascinerende geschiedenis aan vooraf die tegenwoordig nauwelijks bekend is maar van grote betekenis was voor het naoorlogse Europa. En uitgerekend Nederland speelde hierin een stimulerende en initiatiefrijke rol.
Pelgrim van de vrede
Bijna twintig jaar eerder gaat op 5 september 1929 in Genève de jaarlijkse Algemene Vergadering van de Volkenbond van start. Een immense zaal, afgeladen met honderden ministers, premiers, diplomaten en journalisten uit de hele wereld. De Franse premier Aristide Briand, de ‘pelgrim van de vrede’ genoemd, stelt zich op achter het spreekgestoelte. Iedereen houdt zijn adem in wanneer hij begint te spreken:

Een paar dagen na zijn geruchtmakende toespraak stemmen alle Europese regeringen, inclusief Nederland, bij monde van hun ministers van buitenlandse zaken in met zijn plan voor een ‘federatie van Europese Staten’. De Franse premier krijgt het verzoek om op 1 mei 1930 een uitgewerkt ontwerp voor het nieuwe Europa te presenteren. De ministers spreken af om op de eerstvolgende Algemene Vergadering in september 1930 met hun reactie daarop komen, waarna de eerste Europese Conferentie kan beginnen.

Europese landkaart
De verwachtingen waren hooggespannen. Ondanks het enorme wederzijdse wantrouwen en de revanchegevoelens was er op het hoogste politieke niveau veel overleg tussen Frankrijk, Duitsland, Engeland en hun buurlanden over hoe een nieuwe oorlog kon worden voorkomen. Tegelijk was de economische en politieke toestand in vooral midden- en Oost-Europa hopeloos. Dat was mede het gevolg van de herverkaveling van de Europese landkaart ten gevolge van het Verdrag van Versailles (1919), die tot elf nieuwe, soevereine staten had geleid, zoals Tsjecho-Slowakije, Hongarije, Oostenrijk, Estland, Letland en Litouwen.
Het probleem was dat elke nieuwe staat zijn eigen in- en uitvoertarieven, nationale munt, belastingstelsel en dergelijke had ingevoerd. Met dramatische economische gevolgen: de internationale handel stagneerde, waardoor ondernemers en bedrijven het zwaar te verduren kregen, de boeren hun producten niet meer kwijt konden en de werkeloosheid schrikbarende vormen aannam.
Tegelijk had ook westelijk Europa grote moeite om vanwege de politieke en economische spanningen uit het dal omhoog te klimmen. Deze omstandigheden overtuigden velen ervan dat de Europese staten nauw moesten gaan samenwerken, in de eerste plaats op economisch gebied. De douanegrenzen moesten worden verlaagd of liever helemaal afgebroken. Er moesten bovendien internationale regelingen worden getroffen over de handel, productie en distributie van goederen en grondstoffen. Pas dan kon er sprake zijn van economische groei en een blijvende vrede.

Studiecommissie
De Franse regering presenteerde haar bouwplan voor de architectuur van het nieuwe Europa keurig op tijd, op 1 mei 1930. Ruim twee weken later lag het op de deurmat van alle regeringscentra in Europa: ‘Memorandum over de organisatie van een systeem van een federale Europese unie’, heette het in vertaling. Hierin werden de contouren geschetst van een verenigd Europa met een periodieke conferentie van regeringsafgevaardigden onder een roulerende voorzitter, een kleiner politiek uitvoerend comité, eveneens met een wisselende voorzitter, en een eigen secretariaat.
Om dit ambitieuze plan kans van slagen te geven richtte de Volkenbond een speciale, zwaar bezette commissie op: de ‘Commission of Enquiery for European Union’, of ‘Studiecommissie voor een Europese Unie’. Alle ministers van buitenlandse zaken zaten daar in, bijgestaan door hun topambtenaren en diplomaten.
In wekenlange sessies in Genève heeft deze commissie tussen september 1930 en het voorjaar van 1932 geprobeerd om Briands federale samenwerkingsverband handen en voeten te geven. Er werden talrijke voorstellen en plannen geproduceerd om Europa uit het slop te trekken, zoals een internationale kredietbank voor de duizenden verarmde boeren in de Donaulanden en douane-unies tussen aan elkaar grenzende staten. ‘Gezamenlijke economische actie’ was het sleutelwoord.
Nog even terug naar de toespraak van Briand uit 1929, want die ging nog een paar regels verder. Hij zei ook:
En ook in het memorandum werd benadrukt dat het niet alleen om de economie moest gaan. Nee, er moest een verdrag komen met een ‘moreel grondbeginsel’ dat een waarborg moest zijn voor de ‘onderlinge solidariteit’ tussen de staten. Zonder dit was Europese samenwerking niet mogelijk.
Pioniers
De Nederlandse regering was ruim op tijd klaar met het formuleren van haar officiële antwoord. De teneur was dat Nederland de grote voordelen inzag van het Franse initiatief en hieraan graag meewerkte. De regering bestond op dat moment uit ministers van de christelijk-conservatieve partijen Christelijk-Historische Unie (CHU), Anti-Revolutionaire Partij (ARP) en Roomsch-Katholieke Staatspartij (RKSP), en stond onder leiding van de katholieke jonkheer Charles Ruijs de Beerenbrouck. Vanwaar dat enthousiasme?
In de jaren die hieraan vooraf gingen, was Nederland op de troepen vooruit gelopen. Een bont gezelschap van geëngageerde rechtsgeleerden, schrijvers, zakenlieden, economisch specialisten, wetenschappers en vredesactivisten verkondigde al vanaf 1914 dat het echt anders moest.

Een van deze pioniers was Nico van Suchtelen. Letterkundige, journalist, uitgever, stichter van de Wereldbibliotheek. Al kort na het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog, in de herfst van 1914, formeerde hij met enkele geestverwanten een comité met de naam ‘Europeesche Statenbond’. Zij wilden ‘een economisch-politiek rechtsverband, met een internationaal leger tot onderlinge garantie’. Alle landen, de grote en de kleine, waren in deze statenbond gelijk aan elkaar. De vrede werd gegarandeerd op basis van internationaal recht. Tegelijkertijd, meende Van Suchtelen, hoefde dit een gezond nationalisme niet in de weg te staan, integendeel, dit zou er juist door in toom worden gehouden. Een statenbond was voor Europa, ‘het eenige redmiddel’.
Wat Van Suchtelen verkondigde was even idealistisch als rationeel en hij had veel medestanders. Internationale samenwerking was bij uitstek in het voordeel van ons land. Nederland kón alleen maar economisch floreren in een wereld met zo min mogelijk handelsbarrières. Nederland kón alleen maar veilig zijn in een context waar het internationaal recht leidend was en niet de staten met de meeste spierballen de dienst uitmaakten. Nederland slaagde er weliswaar in neutraal te blijven in de oorlog, maar hoe lang kon het die benijdenswaardige positie volhouden?
Bovendien zag Nederland voor zichzelf een bijzondere missie: omdat het steevast neutraal was in internationale conflicten, omdat het onderdak had geboden aan twee baanbrekende vredesconferenties (in 1899 en 1907) én vanwege de status van Den Haag als vredeshoofdstad van de wereld, dankzij de vestiging van het Vredespaleis en twee internationale gerechtshoven. Nederland als missionaris van internationale vrede en recht.
Ambitieuze lobbyclub

Muller maakte dat niet meer mee, hij overleed in 1927. Zijn persoonlijke ontwikkeling laat evenwel zien hoe de evolutie van de Europese eenheidsgedachte in Nederland verliep. Zijn vergaande ideeën deed hij op in het vooruitstrevende, internationalistische milieu in Den Haag rond de Eerste Wereldoorlog, dat talrijke verenigingen en organisaties kende als de ‘Broederschaps Federatie’, ‘Vrede en Recht’ en de ‘Vereeniging Het Vrije Ruilverkeer’. Muller was een veelzijdige academicus met speciale aandacht voor de rechtswetenschap. Zo zette hij al in 1909 een schets voor Europees volkenrecht op papier en in het jaar waarin hij zijn Europavereniging oprichtte (1925), publiceerde hij ook zijn politieke hoofdwerk, International European Law. An Essay on the future United States of Europe.
Oud-KNIL militair
Behalve onder intellectuelen bestond er ook in de politiek een stroming die dit gedachtegoed omarmde, en opvallend genoeg van links tot rechts. Nogal wat Nederlandse politici waren lid van internationale Europese lobbyorganisaties, zoals de Union Douanière Européenne en de Pan Europabeweging. Nota bene een van de bekendste staatslieden uit het interbellum, ARP-leider Hendrik Colijn, was een uitgesproken voorstander van Europese samenwerking. Colijn, een oud-KNIL militair en doorgewinterde financieel-economisch specialist, was verschillende malen minister-president. De meeste mensen associëren hem tegenwoordig met de economische crisis, bezuinigingen, stilstand, provincialisme, onderschatting van het Duitse gevaar. ‘Gaat u maar rustig slapen’, die uitspraak van hem is blijven hangen.

Zijn buitenlandse collega-politici probeerde hij daar telkens weer van te overtuigen. En nogal wat christelijk-confessionele collega’s dachten er net zo over. Dat spraken ze uit, in de Eerste en Tweede Kamer, maar ook bij de Volkenbond in Genève, zoals de minister van buitenlandse zaken Frans Beelaerts van Blokland (CHU). De vrijzinnig-liberale staatsraad Joseph Limburg sloot zich aan bij de wijdvertakte lobbyclub Comité Fédéral de Coopération Européenne. Limburg was jurist van huis uit en jarenlang lid van de Nederlandse afvaardiging bij de Volkenbond.
Maar de partij waar de meest overtuigde voorstanders van een verenigd Europa waren te vinden, was die van de sociaaldemocraten, de SDAP. Willem Albarda, de SDAP-fractievoorzitter in de Tweede Kamer, zei op een partijcongres in Utrecht in 1928:
Zoo komt het vraagstuk van de Vereenigde Staten van Europa met grooten ernst voor ons te staan.
Een andere vermaarde partijprominent, Pieter Jelles Troelstra, had het al in 1916 over ‘een bond van Europese staten, met het doel de vrije ontwikkeling van alle landen te waarborgen’. Vrijhandel en een vrij verkeer van personen en goederen, gefundeerd op een internationale rechtsorde, was het ideaal dat aan de horizon schemerde.
Toegangspoort
Zodoende groeide de term ‘Verenigde Staten van Europa’ in Nederland geleidelijk uit tot een begrip dat onder brede lagen van de bevolking ingeburgerd raakte, door de veelvuldige herhaling in de dagbladen en tijdschriften, tijdens congressen en op conferenties waar de kranten en tijdschriften dan weer verslag van deden. Dankzij de publicaties, lezingen en acties van figuren als Van Suchtelen en Muller en het grote gezag van politici als Colijn, Albarda en Troelstra groeide dit concept in het bewustzijn uit tot een reële mogelijkheid, een toekomstige werkelijkheid, weliswaar nog ver weg, maar vast in het vizier. Europa hoefde niet langer een puzzel van losse stukken te zijn, altijd maar vechtend en kiftend en hopeloos verdeeld.

Het liep anders. De plannen om de staten te laten samenwerken in een economisch en later misschien politiek verband mislukten uiteindelijk, omdat de grote mogendheden forse handelsbarrières bleven opwerpen. Tijdens de economische wereldcrisis in de jaren dertig nam het economisch protectionisme alleen maar toe. De opkomst van fascistische en nazistische autocratieën en een falende Volkenbond deden de rest om in Europa een nieuwe oorlog te laten ontbranden – waar de pleitbezorgers van Europese eenwording nu juist zo voor gewaarschuwd hadden. Het ‘morele grondbeginsel’ dat noodzakelijk was voor de ‘onderlinge solidariteit’, waar Aristide Briand ooit toe had opgeroepen, was in Europa verder weg dan ooit.
De voorzitter van de SDAP-fractie in de Eerste Kamer Henri Polak deed in februari 1936 in het parlement nog een wanhopige oproep om de ‘Vereenigde Staten van Europa’ te realiseren. Alleen dan kon ‘een ander Europa dan het verscheurde, tot een politiek en economisch dolhuis verworden Europa’ ontstaan. Lukte dit niet, ‘dan wordt ons werelddeel een hel.’ Op dat moment hoefde je al niet meer over bijzondere gaven te beschikken om dit te kunnen voorspellen.

Na 1948 waren er nog talloze vergaderingen, conferenties, verdragen en initiatieven voor nodig om stapsgewijs via de Raad van Europa (1949), de Europese Gemeenschap van Kolen en Staal (EGKS, 1950) en de Europese Economische Gemeenschap (EEG, 1957) tot de Europese Unie in 1992 te komen. De kiem hiervoor werd al lang voor de Tweede Wereldoorlog gelegd, en juist ook door de Nederlanders.
– Diepen, Remco van, Voor Volkenbond en Vrede. Nederland en het streven naar een nieuwe wereldorde 1919-1946, Amsterdam 1999.
– Duerr, Benjamin, De droom van Den Haag. De Haagse Vredeconferenties en het ontstaan van een nieuwe wereldorde, Amsterdam-Antwerpen 2024.
– Herriot, Édouard, The United States of Europe, Londen 1930.
– Langeveld, H., Hendrikus Colijn 1869-1944, deel I, Dit leven van krachtig handelen, Amsterdam 1998.
– Keynes, J.M., De economische gevolgen van den vrede, 2e dr., Amsterdam 1922.
– Linden, W.H. van der, The International Peace Movement During The First World War. In and around the Dutch Anti-War Council 1914-1919, its mediatory work for a speedy peace, its Central Organisation for a Durable Peace, Almere 2006.
– Richard, Anne-Belle, ‘Europa vóór de Europese Gemeenschap van Kolen en Staal. Nederlandse civil society organisaties in het interbellum’, Tijdschrift voor geschiedenis, jrg. 130, 2017, nr. 1, 247-269.
– Wim de Wagt, De Groote Vrede. Nederlandse voorvechters van een verenigd Europa 1914-1948, Amsterdam 2025.
‘Het eenige redmiddel’ – Vooroorlogse pleitbezorgers van een Europese statenbond
De Europese eenwording: geschiedenis en tijdlijn
Het proefreferendum over Europa in Bolsward
Motto van de Europese Unie
Het Verdrag van München (1938) en de annexatie van het Sudetenland