Nederland liep in interbellum vooraan bij Europese samenwerking

13 minuten leestijd
Colijn spreekt op de World Economic and Monetary Conference in Londen
Colijn spreekt op de World Economic and Monetary Conference in Londen in 1933 - Collectie WdW
In zijn eerder dit jaar verschenen boek De Groote Vrede onderzoekt Wim de Wagt hoe Nederlandse politici, denkers en activisten al vóór de Tweede Wereldoorlog pleitten voor Europese samenwerking. Voor Historiek schreef hij onderstaand artikel over de Nederlandse bijdrage aan die Europese eenheids­gedachte tussen 1914 en 1948.

De taxi’s rijden af en aan op het Binnenhof. Honderden afgevaardigden uit vrijwel alle Europese landen, aangevuld met waarnemers uit de VS en Canada, begeven zich op 7 mei 1948 naar Den Haag voor het Congres van Europa. Tientallen sprekers roepen vanachter het spreekgestoelte in de Ridderzaal op het geruïneerde continent een nieuwe toekomst te geven. Bekende politici als Konrad Adenauer, Anthony Eden en Édouard Herriot begeven zich onder de gasten, naast talrijke academici, zakenmensen, kunstenaars, juristen en economen. Het voltallige kabinet onder leiding van premier Louis Beel (KVP) neemt plaats en ook prinses Juliana en prins Bernhard betreden de zaal.

Winston Churchill roept onder de gebogen eikenhouten balken van de middeleeuwse zaal hoopvol uit dat ‘de stem van Europa’ er te horen is. Hij verwacht dat Europa eindelijk de scheidslijnen opheft en een einde maakt aan de vernietigende onderlinge verdeeldheid. Er moet een ‘Europees handvest’ komen, zegt de Britse oorlogspremier die een verzoenende toon aanslaat tegenover Duitsland:

Wij kunnen ons alleen uit deze gevaren redden door af te zien van nationale rancune en wraakneming (…). Om Europa te herbouwen en haar licht te doen schijnen, moeten wij in de eerste plaats onszelf overwinnen.

Churchill houdt toespraak op Congres van Europa
Churchill houdt toespraak op Congres van Europa in Den Haag, 9 mei 1948 -Foto Nationaal Archief.

Het Congres van Europa vormde de opmaat van de Europese samenwerking die na de Tweede Wereldoorlog geleidelijk tot stand kwam. Het kan gelden als een sleutelmoment in de geschiedenis van de Europese samenwerking. Maar er ging een fascinerende geschiedenis aan vooraf die tegenwoordig nauwelijks bekend is maar van grote betekenis was voor het naoorlogse Europa. En uitgerekend Nederland speelde hierin een stimulerende en initiatiefrijke rol.

Pelgrim van de vrede

Bijna twintig jaar eerder gaat op 5 september 1929 in Genève de jaarlijkse Algemene Vergadering van de Volkenbond van start. Een immense zaal, afgeladen met honderden ministers, premiers, diplomaten en journalisten uit de hele wereld. De Franse premier Aristide Briand, de ‘pelgrim van de vrede’ genoemd, stelt zich op achter het spreekgestoelte. Iedereen houdt zijn adem in wanneer hij begint te spreken:

De afgelopen jaren heb ik me verbonden aan een idee dat al zo lang de verbeelding van filosofen en dichters prikkelt, maar dat de laatste tijd steeds meer weerklank vindt omdat het in een grote behoefte voorziet. (…) Ik ben van mening dat tussen de volkeren die geografisch bij elkaar horen, zoals dat in Europa het geval is, een soort federale band zou moeten bestaan. Deze volkeren moeten op elk gewenst moment de mogelijkheid kunnen hebben om met elkaar in contact te treden om gezamenlijk besluiten te nemen. Hiertoe moeten ze een onderlinge band van solidariteit smeden, die hen in staat stelt op het moment dat het nodig is de grote problemen die hen collectief treffen het hoofd te bieden.

Aristide Briand, ca. 1931
Aristide Briand, ca. 1931 – Collectie WdW
Briand was een van de dominante figuren in de Franse politiek in de eerste decennia van de twintigste eeuw. Tijdens de Eerste Wereldoorlog was hij minister-president toen bij Verdun honderdduizenden soldaten sneuvelden. Hij heeft eens gezegd dat deze gebeurtenis hem ervan doordrong zich voortaan met hart en ziel in te moeten zetten voor een duurzame Europese vrede. In de Franse politiek behoorde de links georiënteerde Briand tot een krachtige, op verzoening en samenwerking met Duitsland georiënteerde stroming. Daartegenover stonden rechts-conservatieve partijen, die vervuld waren van wantrouwen jegens de Duitsers en veel minder gecharmeerd waren van samenwerking in internationaal verband.

Een paar dagen na zijn geruchtmakende toespraak stemmen alle Europese regeringen, inclusief Nederland, bij monde van hun ministers van buitenlandse zaken in met zijn plan voor een ‘federatie van Europese Staten’. De Franse premier krijgt het verzoek om op 1 mei 1930 een uitgewerkt ontwerp voor het nieuwe Europa te presenteren. De ministers spreken af om op de eerstvolgende Algemene Vergadering in september 1930 met hun reactie daarop komen, waarna de eerste Europese Conferentie kan beginnen.

Soldaten tijdens de Slag bij Verdun, 1916
Soldaten tijdens de Slag bij Verdun, 1916 – Collectie WdW

Europese landkaart

De verwachtingen waren hooggespannen. Ondanks het enorme wederzijdse wantrouwen en de revanchegevoelens was er op het hoogste politieke niveau veel overleg tussen Frankrijk, Duitsland, Engeland en hun buurlanden over hoe een nieuwe oorlog kon worden voorkomen. Tegelijk was de economische en politieke toestand in vooral midden- en Oost-Europa hopeloos. Dat was mede het gevolg van de herverkaveling van de Europese landkaart ten gevolge van het Verdrag van Versailles (1919), die tot elf nieuwe, soevereine staten had geleid, zoals Tsjecho-Slowakije, Hongarije, Oostenrijk, Estland, Letland en Litouwen.

Het probleem was dat elke nieuwe staat zijn eigen in- en uitvoertarieven, nationale munt, belastingstelsel en dergelijke had ingevoerd. Met dramatische economische gevolgen: de internationale handel stagneerde, waardoor ondernemers en bedrijven het zwaar te verduren kregen, de boeren hun producten niet meer kwijt konden en de werkeloosheid schrikbarende vormen aannam.

Tegelijk had ook westelijk Europa grote moeite om vanwege de politieke en economische spanningen uit het dal omhoog te klimmen. Deze omstandigheden overtuigden velen ervan dat de Europese staten nauw moesten gaan samenwerken, in de eerste plaats op economisch gebied. De douanegrenzen moesten worden verlaagd of liever helemaal afgebroken. Er moesten bovendien internationale regelingen worden getroffen over de handel, productie en distributie van goederen en grondstoffen. Pas dan kon er sprake zijn van economische groei en een blijvende vrede.

Congres van Europa in de Ridderzaal in Den Haag, 9 mei 1948
Congres van Europa in de Ridderzaal in Den Haag, 9 mei 1948. – Foto Nationaal Archief.

Studiecommissie

De Franse regering presenteerde haar bouwplan voor de architectuur van het nieuwe Europa keurig op tijd, op 1 mei 1930. Ruim twee weken later lag het op de deurmat van alle regeringscentra in Europa: ‘Memorandum over de organisatie van een systeem van een federale Europese unie’, heette het in vertaling. Hierin werden de contouren geschetst van een verenigd Europa met een periodieke conferentie van regeringsafgevaardigden onder een roulerende voorzitter, een kleiner politiek uitvoerend comité, eveneens met een wisselende voorzitter, en een eigen secretariaat.

Om dit ambitieuze plan kans van slagen te geven richtte de Volkenbond een speciale, zwaar bezette commissie op: de ‘Commission of Enquiery for European Union’, of ‘Studiecommissie voor een Europese Unie’. Alle ministers van buitenlandse zaken zaten daar in, bijgestaan door hun topambtenaren en diplomaten.

In wekenlange sessies in Genève heeft deze commissie tussen september 1930 en het voorjaar van 1932 geprobeerd om Briands federale samenwerkingsverband handen en voeten te geven. Er werden talrijke voorstellen en plannen geproduceerd om Europa uit het slop te trekken, zoals een internationale kredietbank voor de duizenden verarmde boeren in de Donaulanden en douane-unies tussen aan elkaar grenzende staten. ‘Gezamenlijke economische actie’ was het sleutelwoord.

Nog even terug naar de toespraak van Briand uit 1929, want die ging nog een paar regels verder. Hij zei ook:

Het is duidelijk dat een dergelijk verbond vooral de economie zal betreffen; hier ligt de meest dringende behoefte. Ik geloof dat op dit terrein zeker succes is te boeken. Maar ik ben ervan overtuigd dat een federaal verbond ook vanuit politiek of maatschappelijk gezichtspunt heilzaam kan zijn.

En ook in het memorandum werd benadrukt dat het niet alleen om de economie moest gaan. Nee, er moest een verdrag komen met een ‘moreel grondbeginsel’ dat een waarborg moest zijn voor de ‘onderlinge solidariteit’ tussen de staten. Zonder dit was Europese samenwerking niet mogelijk.

Pioniers

De Nederlandse regering was ruim op tijd klaar met het formuleren van haar officiële antwoord. De teneur was dat Nederland de grote voordelen inzag van het Franse initiatief en hieraan graag meewerkte. De regering bestond op dat moment uit ministers van de christelijk-conservatieve partijen Christelijk-Historische Unie (CHU), Anti-Revolutionaire Partij (ARP) en Roomsch-Katholieke Staatspartij (RKSP), en stond onder leiding van de katholieke jonkheer Charles Ruijs de Beerenbrouck. Vanwaar dat enthousiasme?

In de jaren die hieraan vooraf gingen, was Nederland op de troepen vooruit gelopen. Een bont gezelschap van geëngageerde rechtsgeleerden, schrijvers, zakenlieden, economisch specialisten, wetenschappers en vredesactivisten verkondigde al vanaf 1914 dat het echt anders moest.

Nico van Suchtelen
Nico van Suchtelen, schrijver en pleitbezorger van een Europese statenbond. Foto uit 1921.

Een van deze pioniers was Nico van Suchtelen. Letterkundige, journalist, uitgever, stichter van de Wereldbibliotheek. Al kort na het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog, in de herfst van 1914, formeerde hij met enkele geestverwanten een comité met de naam ‘Europeesche Statenbond’. Zij wilden ‘een economisch-politiek rechtsverband, met een internationaal leger tot onderlinge garantie’. Alle landen, de grote en de kleine, waren in deze statenbond gelijk aan elkaar. De vrede werd gegarandeerd op basis van internationaal recht. Tegelijkertijd, meende Van Suchtelen, hoefde dit een gezond nationalisme niet in de weg te staan, integendeel, dit zou er juist door in toom worden gehouden. Een statenbond was voor Europa, ‘het eenige redmiddel’.

Wat Van Suchtelen verkondigde was even idealistisch als rationeel en hij had veel medestanders. Internationale samenwerking was bij uitstek in het voordeel van ons land. Nederland kón alleen maar economisch floreren in een wereld met zo min mogelijk handelsbarrières. Nederland kón alleen maar veilig zijn in een context waar het internationaal recht leidend was en niet de staten met de meeste spierballen de dienst uitmaakten. Nederland slaagde er weliswaar in neutraal te blijven in de oorlog, maar hoe lang kon het die benijdenswaardige positie volhouden?

Bovendien zag Nederland voor zichzelf een bijzondere missie: omdat het steevast neutraal was in internationale conflicten, omdat het onderdak had geboden aan twee baanbrekende vredesconferenties (in 1899 en 1907) én vanwege de status van Den Haag als vredeshoofdstad van de wereld, dankzij de vestiging van het Vredespaleis en twee internationale gerechtshoven. Nederland als missionaris van internationale vrede en recht.

Ambitieuze lobbyclub

Hendrik Clemens Muller
Hendrik Clemens Muller – Stadsarchief Amsterdam
Een andere visionaire denker was de klassiek letterkundige Hendrik Clemens Muller. Hij stichtte in 1925 de ’Vereeniging ter Bevordering van de Oprichting der Vereenigde Staten van Europa’. Dit was een ambitieuze lobbyclub, die al snel aan ruzie ten onder ging, maar zeven jaar later, in 1932, een doorstart beleefde. Op het hoogtepunt telde de vereniging tweeduizend leden met plaatselijke afdelingen in heel Nederland en een eigen tijdschrift, Europa!. Er werd samengewerkt met zusterverenigingen in België, Zwitserland en Frankrijk en het bestuur maakte zelfs werk van een internationaal tijdschrift.

Muller maakte dat niet meer mee, hij overleed in 1927. Zijn persoonlijke ontwikkeling laat evenwel zien hoe de evolutie van de Europese eenheidsgedachte in Nederland verliep. Zijn vergaande ideeën deed hij op in het vooruitstrevende, internationalistische milieu in Den Haag rond de Eerste Wereldoorlog, dat talrijke verenigingen en organisaties kende als de ‘Broederschaps Federatie’, ‘Vrede en Recht’ en de ‘Vereeniging Het Vrije Ruilverkeer’. Muller was een veelzijdige academicus met speciale aandacht voor de rechtswetenschap. Zo zette hij al in 1909 een schets voor Europees volkenrecht op papier en in het jaar waarin hij zijn Europavereniging oprichtte (1925), publiceerde hij ook zijn politieke hoofdwerk, International European Law. An Essay on the future United States of Europe.

Oud-KNIL militair

Behalve onder intellectuelen bestond er ook in de politiek een stroming die dit gedachtegoed omarmde, en opvallend genoeg van links tot rechts. Nogal wat Nederlandse politici waren lid van internationale Europese lobbyorganisaties, zoals de Union Douanière Européenne en de Pan Europabeweging. Nota bene een van de bekendste staatslieden uit het interbellum, ARP-leider Hendrik Colijn, was een uitgesproken voorstander van Europese samenwerking. Colijn, een oud-KNIL militair en doorgewinterde financieel-economisch specialist, was verschillende malen minister-president. De meeste mensen associëren hem tegenwoordig met de economische crisis, bezuinigingen, stilstand, provincialisme, onderschatting van het Duitse gevaar. ‘Gaat u maar rustig slapen’, die uitspraak van hem is blijven hangen.

Hendrikus Colijn op de Economische Wereldconferentie in Londen, 1933
Hendrikus Colijn op de Economische Wereldconferentie in Londen, 1933. Nationaal Archief
Maar dit suffe, naar binnen gericht beeld klopt niet. In zijn tijd gold deze voorman van de antirevolutionairen internationaal juist als een gezaghebbend staatsman. Die status had hij te danken aan de vele malen dat hij een leidende rol speelde op internationale economische conferenties. Colijn had heel goed in de gaten waar het in economisch opzicht aan schortte. Hij was tegen protectionistische handelsbarrières en voor vrijhandel. Alleen één grote Europese markt, zonder douanetarieven, bood een uitweg uit de misère, dáár lag de toekomst van een gezond Europa.

Zijn buitenlandse collega-politici probeerde hij daar telkens weer van te overtuigen. En nogal wat christelijk-confessionele collega’s dachten er net zo over. Dat spraken ze uit, in de Eerste en Tweede Kamer, maar ook bij de Volkenbond in Genève, zoals de minister van buitenlandse zaken Frans Beelaerts van Blokland (CHU). De vrijzinnig-liberale staatsraad Joseph Limburg sloot zich aan bij de wijdvertakte lobbyclub Comité Fédéral de Coopération Européenne. Limburg was jurist van huis uit en jarenlang lid van de Nederlandse afvaardiging bij de Volkenbond.

Maar de partij waar de meest overtuigde voorstanders van een verenigd Europa waren te vinden, was die van de sociaaldemocraten, de SDAP. Willem Albarda, de SDAP-fractievoorzitter in de Tweede Kamer, zei op een partijcongres in Utrecht in 1928:

In onze dagen, nu het voortbrengingsvermogen der nijverheid fabelachtig groot is geworden; nu geen enkele groot-industrieel meer binnen de grenzen van haar eigen land voldoenden afzet voor haar product kan vinden; nu het reuzen-bedrijf de heele wereld wil bedienen en de trusts reusachtige internationale organisaties geworden zijn – nu is de oude Staatkundige organisatie van Europa onhoudbaar geworden.
Zoo komt het vraagstuk van de Vereenigde Staten van Europa met grooten ernst voor ons te staan.

Een andere vermaarde partijprominent, Pieter Jelles Troelstra, had het al in 1916 over ‘een bond van Europese staten, met het doel de vrije ontwikkeling van alle landen te waarborgen’. Vrijhandel en een vrij verkeer van personen en goederen, gefundeerd op een internationale rechtsorde, was het ideaal dat aan de horizon schemerde.

Toegangspoort

Zodoende groeide de term ‘Verenigde Staten van Europa’ in Nederland geleidelijk uit tot een begrip dat onder brede lagen van de bevolking ingeburgerd raakte, door de veelvuldige herhaling in de dagbladen en tijdschriften, tijdens congressen en op conferenties waar de kranten en tijdschriften dan weer verslag van deden. Dankzij de publicaties, lezingen en acties van figuren als Van Suchtelen en Muller en het grote gezag van politici als Colijn, Albarda en Troelstra groeide dit concept in het bewustzijn uit tot een reële mogelijkheid, een toekomstige werkelijkheid, weliswaar nog ver weg, maar vast in het vizier. Europa hoefde niet langer een puzzel van losse stukken te zijn, altijd maar vechtend en kiftend en hopeloos verdeeld.

Willem Albarda
Willem Albarda, datum onbekend – Nationaal Archief
Het is bijvoorbeeld illustratief dat de gedrukte media vol stonden over het plan dat Briand in 1929 lanceerde. Toen de Nederlandse regering een jaar later haar antwoord hierop klaar had, werd dit door veel landelijke en regionale kranten van a tot z afgedrukt. Er daagde een voorstelling van onderling verbonden naties, waarmee men zich kon vereenzelvigen omdat dit denkbeeldige verband de hoop op een betere toekomst beloofde. Europa hoefde niet langer een eeuwig recept voor oorlog en geruzie te zijn. Europa bevatte een toegangspoort naar blijvende vrede, voorspoed en welvaart.

Het liep anders. De plannen om de staten te laten samenwerken in een economisch en later misschien politiek verband mislukten uiteindelijk, omdat de grote mogendheden forse handelsbarrières bleven opwerpen. Tijdens de economische wereldcrisis in de jaren dertig nam het economisch protectionisme alleen maar toe. De opkomst van fascistische en nazistische autocratieën en een falende Volkenbond deden de rest om in Europa een nieuwe oorlog te laten ontbranden – waar de pleitbezorgers van Europese eenwording nu juist zo voor gewaarschuwd hadden. Het ‘morele grondbeginsel’ dat noodzakelijk was voor de ‘onderlinge solidariteit’, waar Aristide Briand ooit toe had opgeroepen, was in Europa verder weg dan ooit.

De voorzitter van de SDAP-fractie in de Eerste Kamer Henri Polak deed in februari 1936 in het parlement nog een wanhopige oproep om de ‘Vereenigde Staten van Europa’ te realiseren. Alleen dan kon ‘een ander Europa dan het verscheurde, tot een politiek en economisch dolhuis verworden Europa’ ontstaan. Lukte dit niet, ‘dan wordt ons werelddeel een hel.’ Op dat moment hoefde je al niet meer over bijzondere gaven te beschikken om dit te kunnen voorspellen.

De Groote Vrede - Wim de Wagt
 
Wie deze geschiedenis tot zich door laat dringen begrijpt dat het geen wonder is dat het Congres van Europa van mei 1948 gedragen werd door een massaal gedragen gevoel van urgentie: de wens om een statengemeenschap te vormen, in welke vorm dan ook, mocht niet nóg een keer falen. Dat het congres uitgerekend in Den Haag werd georganiseerd had alles te maken met de specifieke, op internationale samenwerking gerichte rol die Nederland in de eerste decennia van de twintigste eeuw speelde. Het doel en de middelen die in de Ridderzaal werden aangevoerd waren exact dezelfde als pakweg twintig jaar eerder in Genève: een economisch en politiek hecht verbond, dat de volkeren welvaart moest brengen, hen veiligheid moest geven en een blijvende vrede moest waarborgen.

Na 1948 waren er nog talloze vergaderingen, conferenties, verdragen en initiatieven voor nodig om stapsgewijs via de Raad van Europa (1949), de Europese Gemeenschap van Kolen en Staal (EGKS, 1950) en de Europese Economische Gemeenschap (EEG, 1957) tot de Europese Unie in 1992 te komen. De kiem hiervoor werd al lang voor de Tweede Wereldoorlog gelegd, en juist ook door de Nederlanders.

Bronnen

– Bellon, Christian, Briand l’Européen, Parijs 2009.
– Diepen, Remco van, Voor Volkenbond en Vrede. Nederland en het streven naar een nieuwe wereldorde 1919-1946, Amsterdam 1999.
– Duerr, Benjamin, De droom van Den Haag. De Haagse Vredeconferenties en het ontstaan van een nieuwe wereldorde, Amsterdam-Antwerpen 2024.
– Herriot, Édouard, The United States of Europe, Londen 1930.
– Langeveld, H., Hendrikus Colijn 1869-1944, deel I, Dit leven van krachtig handelen, Amsterdam 1998.
Keynes, J.M., De economische gevolgen van den vrede, 2e dr., Amsterdam 1922.
– Linden, W.H. van der, The International Peace Movement During The First World War. In and around the Dutch Anti-War Council 1914-1919, its mediatory work for a speedy peace, its Central Organisation for a Durable Peace, Almere 2006.
– Richard, Anne-Belle, ‘Europa vóór de Europese Gemeenschap van Kolen en Staal. Nederlandse civil society organisaties in het interbellum’, Tijdschrift voor geschiedenis, jrg. 130, 2017, nr. 1, 247-269.
– Wim de Wagt, De Groote Vrede. Nederlandse voorvechters van een verenigd Europa 1914-1948, Amsterdam 2025.
×