Nederlandse zoutbaronnen en gelukszoekers in de Donbas

Hoe de Van den Muijzenbergen betrokken waren bij de industrialisering en modernisering van de Donbas (1884-1920)
11 minuten leestijd
Zoutbaronnen in de Donbas
Archief Marc van den Muijzenberg

Voor de winter van 2022-2023 was er weinig belangstelling voor de Donbas; maar door de Russische invasie stond Bakhmut, en het vlakbij gelegen dorpje Stoupky, plots wereldwijd symbool voor oorlog en vernietiging. Maandenlang domineerde de slag het internationale nieuws. Bakhmut en Stoupky werden volledig met de grond gelijkgemaakt.

Anderhalve eeuw eerder was diezelfde plek het toneel van een heel ander verhaal, een verhaal van technische innovatie, een netwerk van ondernemende figuren die kansen zagen en namen, en het begin van een aantal kleine sociale experimenten die tot op de dag van vandaag worden gezien als voorbeelden van succesvolle sociale innovatie.

Zoutwinning

Op 5 december 1884 richtten enkele ondernemers in Den Haag de Hollandsche Maatschappij tot Exploitatie van Zout in Rusland (HMZER) op. Hun doel: de exploitatie van een twintig meter dikke zoutlaag op 600 voet diepte in Stoupky, nabij het huidige Bakhmut. De mijn werd vernoemd naar “Peter de Groote”, de tsaar die Rusland had geopend voor West-Europese expertise.

Dit initiatief paste in een patroon van industrialisering van de Donbas. Waar de Welshman John Hughes in 1869 het staaldorp Yuzovka (nu Donetsk) had gesticht, waar Belgische investeerders zo dominant waren dat de regio ‘de tiende provincie van België’ werd genoemd, vestigde een internationale ondernemersgroep zich met een bescheidener maar niet minder fascinerende Nederlandse inbreng. Hun verhaal toont hoe ondernemende types uit Hellevoetsluis en Dordrecht gebruik maakten van de mogelijkheden die verbeterde infrastructuur, communicatie en techniek boden en hoe zij verweven raakten met netwerken van professionals uit onder andere Rusland en het industriële landschap in de Donbas transformeerden.

Dmitry Chernov
Dmitry Chernov
Het avontuur begon met Dimitry Konstantinovich Chernov (1839-1921), een metallurg van eenvoudige komaf die bekendheid had verworven door baanbrekend staalonderzoek voor de wapenindustrie. Hij was goed op de hoogte van eerdere Franse en Belgische onderzoeken. Na een conflict bij de Obukhov-wapenfabriek, verhuisde Chernov in mei 1881 naar Bakhmut om proefboringen naar zout te financieren. Zijn ontdekking was spectaculair: steenzoutafzettingen van uitzonderlijke kwaliteit op het landgoed van weduwe Nadezhda Stankovych, een Servische familie die door Catharina de Grote naar Bakhmut was gehaald om het door haar veroverde gebied te bevolken na de Vrede van Kucuk Kaynarca in 1774.

“Het Bakhmut-bekken vertegenwoordigt het grootste zoutbekken ter wereld en bevat in de volle betekenis van het woord onuitputtelijke rijkdommen aan zout,” beweerde Chernov in de herfst van 1883 in Sint-Petersburg. De strategische locatie direct aan de spoorlijn Kharkiv-Bakhmut Propasna bood aanzienlijke kostenvoordelen. Op bedrijfskaarten in het familiearchief staat precies ingetekend waar de beste prijzen te behalen waren: “tussen de Oeral en Warschau en tussen de Zwarte Zee en Sint-Petersburg.”

Toen Russische ondernemers afhaakten, zocht Chernov internationale partners. Via de Italiaanse zakenman Tognolati kwam hij in contact met Nederlandse ingenieurs uit de gasindustrie: Dirk van der Made (1843-1900) en C.W. Terwen (1838-1889). Van der Made, opgeleid bij Rijkswaterstaat, had zich sinds 1865 in Moskou toegelegd op de bouw van gasfabrieken. Beiden vielen op een of andere manier op met hun bijdrage tijdens het jubileumjaar van Peter de Grote in 1872; Van der Made kreeg zelfs een Order of St. Stanislaus III. Dit netwerk zou de basis leggen voor zesendertig jaar Nederlandse aanwezigheid in de Donbas – een periode waarin families, kapitaal en expertise over nationale grenzen heen circuleerden in wat we nu de eerste globalisering noemen.

Zoutbaronnen in de Donbas (1)
Archief Marc van den Muijzenberg

Oprichting van de HMZER, de komst van de Muijzenbergen

De kapitaalstructuur van HMZER onderscheidde zich fundamenteel van typische koloniale ondernemingen. Van het miljoen gulden startkapitaal – een astronomische som voor die tijd – was Chernov grootaandeelhouder met 54% (540.000 gulden), Tognolati investeerde 14% (140.000 gulden), terwijl Van der Made en Terwen elk slechts 4,2% hadden (42.000 gulden stuk). Een veertiental andere Nederlandse investeerders verdeelde de resterende aandelen. Deze structuur was opmerkelijk: meer dan twee derde van het kapitaal was niet-Nederlands.

Het Nederlandse aandeel richtte zich op het leveren van managementexpertise, technische kennis en handelsnetwerken. Dit was Russisch kapitaal dat Nederlandse expertise aantrok, niet West-Europees kapitaal dat lokale grondstoffen regionaal uitbaatte. Alle productie was immers bestemd voor de Russische binnenlandse markt.

Van der Made haalde zijn negentienjarige neef van moederszijde, Leendert Willem van den Muijzenberg, vanuit Hellevoetsluis naar Stoupky als assistent-boekhouder. De keuze was niet toevallig – Leendert Willem kwam uit een bescheiden milieu (zijn vader was koperslager op de marinewerf), maar had een goede opleiding en ambities. Zijn dagboek vat de emotie van het vertrek naar Stoupky goed samen:

Op 4 september 1888, maandag uitgeleide Rotterdam Rijnspoort, als 5-jarige knaap staan huilen om mee naar Rusland te gaan. Nu begin ik mijn grooten reis van ruim 3000 km, uitgeleide van vele vrienden. Door Westfalen naar Berlijn. Van Berlijn avond naar Warschau Alexandrov, Warschau-Kiev-Charkov, erg lang. Aankomst Stoupky Zondag.

Dit citaat laat zien hoe het avontuur van zijn oom in het verre Rusland Leendert al als kind had gefascineerd. In achttien jaar werkte Leendert Willem zich op van assistent-boekhouder tot manager, consul in Warschau en commercieel directeur. Hij bracht als eerste de fiets in Bakhmut en deed mee aan lokale jachtpartijen – een detail dat des te opmerkelijker is omdat hij later strikt vegetariër zou worden. Zijn integratie leek succesvol: van Nederlandse nieuwkomer, het neefje van de baas (nepobaby), was hij gerespecteerd lid van het bedrijf geworden. Hij sprak en schreef vloeiend Russisch, en moet grote sociale vaardigheden en onmetelijke energie hebben gehad omdat hij overal naartoe reisde, met trein, paard en als het moest lopend.

Op 22 november 1899 trouwde hij in Odessa met Olga Lilly Mary Kiessler, dochter van een Duitse ingenieur die via vele omzwervingen bij de HMZER werkte en een Engelse vrouw had, Hannah Lydia Spooner. Erwin Kiessler kwam oorspronkelijk uit een Quaker-domineesgezin uit de Harz en was gefascineerd door technologie. Als ingenieur opgeleid was hij antiautoritair en impulsief; zijn kleinkinderen beschreven hem later als een man met “intuïtieve levenservaring.”

Hij vluchtte in 1870 (Frans-Duitse oorlog) om dienstplicht voor Bismarcks “Blut und Eisen”-leger te ontlopen, kwam waarschijnlijk via het Quaker-netwerk van zijn familie bij machinebouwer Ransomes & Sims in Ipswich (VK) terecht, die ook Quakers waren. Hier trouwde hij dus met Hannah Lydia Spooner. Via Ransomes kwam hij in Odessa en later Yuzovka terecht, waar hij waarschijnlijk landbouwmachines verkocht of op en of andere manier verbonden was aan de mijnen van staalmagnaat John Hughes, wiens industriële complex zo groot was dat het dorp naar hem werd vernoemd.

Kiessler was een excentrieke figuur die zichzelf “vrijetijdsfilosoof” noemde en een ijzeren doodskist bij zich had. Hij vond het idee door wormen opgegeten te worden onaangenaam. Zijn eigen bedrijven gingen regelmatig te gronde, maar in Stoupky werd hij de cruciale schakel tussen bedrijfsvoering en management – tussen de ondergrondse wereld van de mijnwerkers en de bureaucraten van het bedrijf. Olga groeide op als tweede dochter en haar opleiding doet vermoeden dat er wel enige middelen beschikbaar waren: Duits-Engels thuis, Russisch op school (wellicht in Moskou) tussen adellijke kinderen, met mogelijk contacten met anarchistische kringen – niet ongewoon voor intellectuele jongeren in het Russische Rijk.

“De zoutmijn werd een goudmijn,” zo beschrijft het familiearchief de eerste succesvolle jaren.

Tussen Bakhmut en Blaricum

Het gezin Van den Muijzenberg-Kiessler werd het prototype van de nieuwe internationale ondernemersfamilie, met interesse en betrokkenheid in opkomende sociale bewegingen. Hun negen kinderen werden op verschillende plekken geboren, wat hun nomadische leven en de politieke ontwikkelingen van hun tijd illustreert: Cornelis (Kees) in 1899 in Stoupky tijdens de opbouwfase van Leenderts carrière, Erwin in 1901 in Warschau terwijl Leendert Willem een verkoopkantoor voor de mijn opzette, Dick in 1903 in Warschau, Lydia in 1904 tijdens Leenderts consulaire benoeming, Leendert in 1905 tijdens de Russische Revolutie, Reinhold in 1906 in Stoupky (die tragisch na zes maanden overleed), Johan in 1908 in Stoupky tijdens de tweede bloeiperiode, Theo in 1910 als de laatste ‘Russische’ Van den Muijzenberg, en Gerard in 1912 in Blaricum.

Deze geboortedata vertellen het verhaal van een mooie carrière, maar de politieke instabiliteit nam toe. In 1905 woonden Olga en de kinderen tijdelijk op de Krim vanwege onrust door de Russisch-Japanse Oorlog en pogroms. In november 1911 maakten Olga en Leendert een definitieve keuze, Kees 12, en Erwin 10 moesten volgens hun ouders onderwijs in Nederland krijgen (ze hadden via de jeugdboekenschrijver Cor Bruin bekend van onder andere Sil de Strandjutter enige tijd thuisonderwijs gehad; maar die sloeg de kinderen). Er werden twee huizen gebouwd in Blaricum om op stand te wonen.

“De zoutmijn werd een goudmijn,” zo beschrijft het familiearchief de eerste succesvolle jaren. Het management introduceerde progressieve voorzieningen die opvielen in de Donbas, met vaak abominabele werkomstandigheden. De HMZER bood een bedrijfsschool voor arbeiderskinderen (vierentwintig leerlingen in 1906), medische voorzieningen met bedrijfsarts, stenen huizen voor werknemers in plaats van de gebruikelijke barakken, faciliteiten zoals badhuis, kantine en bibliotheek (een exemplaar van Max Havelaar van Leen was in 2019 te vinden in de collectie van het museum in Bakhmut, inmiddels door de Russische agressie verwoest). Nederlandse werkethiek van stipte betaling, vaste werktijden en respect voor vakmanschap werd ingevoerd. Olga en Leendert Willem speelden een grote rol in deze initiatieven. Ze lieten zich inspireren door Tolstoiaanse idealen van eenvoud en solidariteit, ze correspondeerden uitgebreid over religieuze zaken.

In Nederland aangekomen organiseerde Olga in Blaricum salons waar gelijkgestemden elkaar ontmoetten. Ze werd actief lid van de Nederlandse Vrouwenbond en streed voor vrouwenkiesrecht. Haar Russische ervaring met revolutionaire ideeën maakte haar tot een pleitbezorgster van sociale vernieuwing, geheelonthouding en vegetarisme. Fascinerend was haar betrokkenheid bij de theosofische beweging van Blavatski. Voor Olga, die was opgegroeid tussen Duitse methodisme, Brits pragmatisme en Russische mystiek, was dit kennelijk een natuurlijke synthese.

Het succes was meetbaar: de productie steeg gestaag, de winstmarges bereikten 8,3% in 1904, en de Peter de Groote zoutmijn werd zelfs opgenomen in een aardrijkskunde boek dat tot ver in de jaren dertig werd gebruikt op Russische scholen – een teken van nationale erkenning voor dit transnationale bedrijf.

Zoutbaronnen in de Donbas
Archief Marc van den Muijzenberg

Crisis, overleven en ineenstorting

Zoals elders in Europa was 1905-1906 een kanteljaar; fundamentele kenteringen die leidden tot de Eerste Wereldoorlog wierpen hun schaduw vooruit. Hoewel de stakingen en de revolutie enige democratisering teweegbrachten, werd het beleid vanuit Sint-Petersburg restrictiever en nationalistischer. Prijsdalingen bedreigden alle zoutmijnen in de regio, maar de Nederlandse respons toonde karakteristieke pragmatische aanpassingskracht: samenwerking met voormalige concurrenten in kartelvorm met internationale prijsafspraken.

In 1906 nam Leendert Willem namens de HMZER deel aan cruciale onderhandelingen in Parijs, die leidden tot een zoutkartel met Fransen. Leen reisde continu in de Donbas om zout te verkopen en het netwerk van agenten te managen, wat volgens zijn correspondentie in toenemende mate moeilijk werd door corruptie van de agenten. Hij reisde naar de berg Ararat om daar de Ark van Noach te bezichtigen (niet gevonden) en om de Zuilen van Lot te bekijken (ook niet); tijdens deze reis ontplofte er een bom in Tbilisi. Hij maakte ook een reis achter de Oeral om daar volgens Tolstoi’s voorbeeld landbouwgrond te kopen. Ondanks de donkere wolken investeerde de HMZER wel verder in de toekomst. In 1909-1910 werd een tweede service-mijnschacht aangelegd en zorgde elektrificatie voor een schoner productieproces.

Begrafenis van Pjotr Stolypin, 1911
Begrafenis van Pjotr Stolypin, 1911

Maar Rusland werd steeds meer op zichzelf gericht. Kapitaal en expertise uit het buitenland werden gaandeweg minder op prijs gesteld; dit was onderdeel van een bredere beweging na de moord op de hervormingsgezinde premier Pjotr Stolypin in Kyiv op 14 september 1911, waarin de tsaristische regelgeving probeerde de sterker wordende middenklasse en ondernemers te controleren. In 1914 voerde de regering een staatsmonopolie op zout in, waarmee prijsvaststelling naar Sint-Petersburg verschoof- een proces dat eerder al had plaatsgevonden rond de kolenmijnen. Bedrijfscijfers tonen de dramatische impact: HMZER-winst daalde van 8,3% (1904) naar 4,1% (1913), ondanks gestage productiegroei.

Leendert maakte tijdens de Eerste Wereldoorlog nog één laatste reis naar Rusland, met oudste zoon Kees in 1917, via Stockholm en over de bevroren meren van Finland naar Petrograd – een waagstuk midden in revolutionaire chaos dat zijn toewijding aan het bedrijf en zijn Russische collega’s toonde.

Tijdens de burgeroorlog tussen bolsjewieken, Oekraïense nationalisten en aanhangers van het oude bestel hield het Nederlandse pragmatisme de mijn draaiende. Leendert Willem en zoon Kees deden zaken door ruilhandel – soms wagonladingen tegelijk, maar vaker met individuele “zakkendragers” die zout inwisselden voor voedsel en brandstof. Kees maakte zich verdienstelijk met het verhandelen van landbouwproducten van het stukje grond dat de familie in bezit had. Contact met Nederland was sporadisch, waardoor winsten niet konden worden overgemaakt en het bedrijf en Leendert en Kees volledig op eigen kracht moesten overleven.

Hoe komen wij heelhuids uit deze hel
 
Het einde kwam abrupt en dramatisch, zoals in detail te lezen is in het boek van Janine Jager: Hoe komen wij heelhuids uit deze hel (2017). Eind 1919 werd de situatie levensgevaarlijk voor alle buitenlanders. Leendert Willem werd twee weken gevangen gehouden door de Bolsjewieken, op beschuldiging van “kapitalistische uitbuiting”. Zoon Kees hield zich schuil. Maar toen Leendert Willem voor een Sovjet-tribunaal stond dat hem ter dood had veroordeeld, gebeurde iets opvallends: zijn eigen arbeiders pleitten voor hem. Hun getuigenissen over zijn sociale reputatie als “democratische werkgever” die scholen had gebouwd en medische zorg had georganiseerd, redden letterlijk zijn leven.

Met de spreekwoordelijke “laatste trein” en “laatste boot” ontsnapten vader en zoon. Een van de Nederlandse collega’s, Cornelis Marx, stierf onderweg aan tyfus en werd noodgedwongen achtergelaten op station Atamanskaja – een van de duizenden slachtoffers van deze chaotische periode. Het einde van de HMZER was hartverscheurend: een Nederlandse medewerker, Chris van den Steenhoven, die achterbleef met zijn Russische vrouw kreeg “de eer” de overdracht te ondertekenen waarbij zoutmijn Peter de Groote voor slechts één roebel werd overgedragen aan de jonge Sovjet-Unie.

Leendert Willem kwam gebroken terug in Nederland. Vanaf 1921 zien we in de correspondentie aan Olga dat hij brieven begon met Beste in plaats van Lieve, de irritaties hadden zich opgebouwd, met name over de familie-financiën. Na terugkomst in Nederland gaf hij les aan de Hogeschool in Rotterdam, hij probeerde namens de HMZER en andere Nederlandse bedrijven, onder andere Bank Mees en Hope, een claim bij het nieuwe regime in te dienen, maar dit werd niet door de Nederlandse staat gesteund. Het gezin viel terug tot bijna armoedestatus, wat een hard gelag was na de mooie jaren in Blaricum.

Het faillissement van HMZER werd in 1930 gepubliceerd – het definitieve einde van zesenveertig jaar Nederlandse aanwezigheid in de Donbas. In Nederland werd de balanswaarde nog geschat op twee miljoen gulden, maar deze som zou nooit meer geïnd worden. Het was het slot van een experiment dat veel verder reikte dan economische winst: het was een poging geweest om internationale samenwerking en sociale innovatie te combineren in een van Europa’s meest dynamische industriële regio’s.

Afsluitende opmerkingen

Dit artikel schetst de contouren van de bijzondere geschiedenis van HMZER en de familie Van den Muijzenberg in de Donbas. Het toont hoe kennis, kapitaal, nieuwsgierigheid en ondernemingszin mensen uit Hellevoetsluis, Dordrecht, Petersburg, Duitsland en Engeland aanspoorden om samen te werken in een industrieel centrum ver van huis, en hoe die experimenten, ondanks sociale innovaties, kwetsbaar bleken voor politiek geweld.

Cruciaal is op te merken dat de Donbas vóór 1918 geen “etnisch Russisch” gebied was, maar een smeltkroes waarin internationale investeerders, migranten en lokale arbeiders bouwden aan onderwijs, infrastructuur en zelfs voorzichtig een begin maakten met democratische hervormingen.

‘De huidige strijd om de regio is dus óók een conflict over herinnering en identiteit.’

Voor een diepgaand micro historisch onderzoek biedt het IISG-familiearchief, de HMZER-bedrijfsdocumenten en secundaire studies een schat aan materiaal. De correspondentie tussen Olga en Leendert Willem over hun progressieve idealen, en de getuigenissen van arbeiders opgenomen in de verschillende studies recentelijk uitgevoerd door de Historische Werkgroep Bakhmut ondersteunen dat de HMZER in vergelijking met andere ondernemingen meer deed aan sociale ontwikkelingen.

Tegelijk toont dit verhaal dat de Donbas nooit voorbestemd was om “Russisch” te blijven, en dat de sovjet historiografie en het huidige narratief rond het gebied grondige herziening nodig heeft. De huidige strijd om de regio is dus óók een conflict over herinnering en identiteit: tussen een internationaal, Europees georiënteerd gebied, en een revanchistisch nationalisme dat die legacy wil uitwissen. Wanneer we vandaag beelden zien van de verwoeste straten van Bakhmut, is het goed te beseffen dat diezelfde straten ooit het toneel waren van een internationaal experiment in sociale innovatie en interculturele samenwerking.

Op basis van paper gepresenteerd op 7 november 2024 Universiteit Groningen

Bronnen

– Van den Muijzenberg-Kiessler familiearchief, IISG Amsterdam; HMZER-bedrijfsdocumenten en kaarten https://www.vandenmuyzenberg-kiessler.nl.
– De Van den Muijzenberg-Kiessler familie rond 1900 : een vroeg voorbeeld van transnationaliteit
– Otto van den Muijzenberg: https://www.vandenmuyzenberg-kiessler.nl.
– Rod Loader: Timeline 1884-1917: Storyline based on available financial information (niet gepubliceerd).
– Jager, Janine, Hoe komen wij heelhuids uit deze hel pp. 125-186), Atlas Contact , Amsterdam 2017.
– Publicaties van de Historische Werkgroep Stoupky; 1881-2010; 1884-2018.
– https://izolyatsia.org/en/project/soledar-salty-history.
×