De Gallipoli-campagne
Toen op 29 oktober 1914 de Osmaanse marine onder bevel van de Duitse schout-bij-nacht Wilhelm Souchon Russische doelen aanviel in de Zwarte Zee, waren daar langdurige onderhandelingen met Duitsland aan vooraf gegaan. Het Turkse keizerrijk ging hiermee deelnemen aan de Eerste Wereldoorlog als bondgenoot van Duitsland en het Habsburgse Rijk. Een antwoord van de Triple Entente kon niet uitblijven.
Dat het Osmaanse Rijk in de Eerste Wereldoorlog de kant van Duitsland koos, was goed verklaarbaar. Het had namelijk het meest te vrezen van Rusland en het Britse rijk, beide samen met Frankrijk lid van de Triple Entente. De Europese imperialistische grootmachten aasden op gebieden van het rijk, dat kort voor de Eerste Wereldoorlog ernstig verzwakt was geraakt in de Balkanoorlogen van 1912 en 1913.
Bondgenootschap
Alhoewel het Osmaanse bewind, dat werd gedomineerd door de nationalistische Jong-Turkse beweging, het liefst neutraal was gebleven, zag het zich gedwongen een keuze te maken. Op 2 augustus 1914 had de regering in het geheim een militair verdrag met Duitsland gesloten. De Duitsers wilden dat verdrag graag, omdat ze hoopten dat de moslimbevolking van de Britse en Franse kolonies in opstand zou komen, als het Osmaanse Rijk aan de oorlog deelnam. De Osmaanse sultan of padisjah claimde namelijk ook het kalifaat, het religieuze leiderschap over de islamitische wereld. Als sultan-kalief Mehmed V Reşad tot jihad zou oproepen, zou dat, zo hoopte Berlijn, de Triple Entente zwaar in de problemen brengen. Bovendien zou oorlog in het Nabije en Midden-Oosten Britse en Franse troepen wegtrekken van het Westelijk Front; het belangrijkste front waar de uitkomst van de oorlog werd bepaald.
De Osmanen op hun beurt hadden dringend financiële en militaire hulp nodig na het debacle op de Balkan. In 1912 was het rijk op een stukje van Thracië na uit Europa verdreven. Dat leidde onder de politieke en intellectuele elite van het land tot een sterk verlangen naar revanche. Alleen een bondgenootschap met Duitsland kon op lange termijn zorgen voor economische stabiliteit en veiligheid, want de leden van de Triple Entente wilden het rijk verder verzwakken en opdelen.

Al voor het geheime verdrag werd gesloten, waren er Duitse militaire adviseurs in het Osmaanse Rijk actief onder leiding van generaal Otto Liman von Sanders. Ook waren twee Duitse marineschepen, SMS Goeben en SMS Breslau, Turkse wateren in gevlucht. Daar werden ze ‘verkocht’ aan het rijk en omgedoopt tot Yavuz Sultan Selim en Midilli. De Duitse bemanning bleef echter aan en de commandant van het marine-eskader, Wilhelm Souchon, werd bevelhebber van de Osmaanse marine.
Kitchener en Churchill
Vrijwel direct na de Osmaanse aanval in de Zwarte Zee reageerde Rusland met een invasie van Oost-Anatolië. Maar na initieel Russisch succes bleek het Osmaanse leger taaier dan verwacht en dreigde er een nederlaag. De Russische opperbevelhebber, groothertog Nicolaas Romanov, een neef van de tsaar, riep daarom de hulp van de Britten in: een grote Britse aanval op het Osmaanse Rijk zou de druk op de Russen kunnen doen afnemen. Op 2 januari 1915 kwam de Britse Oorlogsraad (War Council) bijeen om het verzoek te beoordelen. Naast ministers als David Lloyd George, sir Edward Grey en Winston Churchill, was het vooral de enige militair in de raad, minister van Oorlog veldmaarschalk lord Herbert Kitchener, die de toon zette.
De raad ging akkoord met een Britse militaire actie. Kitchener bepleitte een marine-operatie om geen legertroepen aan het Westelijk Front te hoeven onttrekken. Een succesvolle aanval op de Dardanellen zou vanuit zee de hoofdstad Istanboel bedreigen en de Turken dwingen om troepen uit andere delen van het rijk te verplaatsen ter verdediging van de zeestraat en de hoofdstad. Kitchener gaf minister van Marine Winston Churchill opdracht om de mogelijkheid te onderzoeken.
Churchill besloot het idee uit te breiden door de Dardanellen daadwerkelijk te controleren en de achterliggende zee van Marmara in te varen. Dat zou een grote uitdaging worden, want de Osmanen hadden het zuidelijke deel van de Dardanellen voorzien van een stevige verdediging. Op de oevers waren met Duitse hulp gefortificeerde kustbatterijen gebouwd en het water zat vol met zeemijnen en netten tegen onderzeeboten.

Maar nog voor de admiraliteit de Oorlogsraad had kunnen antwoorden, hadden de Russen de Turken aan het Kaukasusfront verrassend verslagen. Daarmee verviel de reden voor de actie. Maar de schijnbare zwakte van het Osmaanse leger verleidde de Britten tot een nog ambitieuzer plan. Als ze de zeestraat zouden veroveren, was de inname van Istanboel een serieuze mogelijkheid. Daarmee zou het Osmaanse Rijk in één klap worden uitgeschakeld.
Als de Entente de Dardanellen en de Bosporus onder controle had, zou het Britse en Franse troepen kunnen sturen naar de Zwarte Zeekusten en de Habsburgers en Duitsers samen met de Russen vanuit het oosten kunnen aanvallen. Verder zou Russisch graan ongehinderd naar het westen kunnen worden geëxporteerd om de troepen aan het Westelijk Front te voeden. Op 13 januari 1915 kreeg de Royal Navy de opdracht om de Dardanellen te veroveren en Istanboel vanuit zee te bedreigen.

De eerste aanval
Van eind januari tot begin februari verzamelden de Britten en Fransen een machtige vloot in de Egeïsche Zee. Van het officieel neutrale, maar in de praktijk pro-Entente Griekenland, kregen ze de havenstad Moudros op het betwiste eiland Lemnos te leen als marinebasis. Churchill wist Kitchener zover te krijgen dat deze toch grondtroepen toezegde, omdat ook de oevers en de fortificaties daarop bezet zouden moeten worden, en uiteindelijk ook Istanboel.
Op 19 februari begon de marine-operatie. Veertien Britse en vier Franse slagschepen, veelal verouderd, ondersteunt door zeventig kleinere schepen, begonnen een massief bombardement op de Turkse forten aan het zuidelijke einde van de Dardanellen. Na een periode van slecht weer ging het bombardement op 25 februari verder tot het punt dat de Turkse soldaten zich terugtrokken. De tweede fase bestond uit het opruimen van de zeemijnen en de meer inlands gelegen fortificaties.
Door het slechte weer liep dat gevaarlijke werk veel vertraging op en hadden de Turken genoeg tijd om hun posities te verstevigen. Het marinebombardement had weinig effect; de fortificaties bleven grotendeels intact. De artillerie werd beter ingegraven en was vanaf het water onzichtbaar. Bovendien hadden de Duitsers mobiele artillerie meegenomen die zich de hele tijd verplaatste en daardoor met scheepsgeschut moeilijk was te raken. Ook bleken de gevreesde zeemijnen veel noordelijker te liggen. Na een maand had de marine dus weinig bereikt, tot frustratie van Winston Churchill die de marineleiding dwong meer risico te nemen.
Op 18 maart voeren de grootste Britse en Franse schepen onder leiding van de moderne super-dreadnought Queen Elizabeth de zeestraat in. Negentig minuten lang vuurden oorlogsschepen en kustartillerie op elkaar. Kustplaatsjes als Çanakkale vatten vlam. Maar toen een van de Franse schepen wilde keren om de zeestraat weer te verlaten voer het tegen een zeemijn aan en zonk. Ook andere schepen raakten zwaar beschadigd, waarop de Turken hun vuur op het aangeschoten wild concentreerden. De marine trok zich terug met achterlating van drie gezonken slagschepen. De eerste Osmaanse overwinning van de campagne was een feit.
De grondoperatie
Kitchener raakte ervan overtuigd dat de Dardanellen niet met een marine-operatie alleen konden worden veroverd, maar dat er toch een grondcampagne nodig was. Die opdracht kwam te liggen bij de Mediterranean Expeditionary Force onder bevel van generaal sir Ian Hamilton. Deze krijgsmacht van circa 75.000 man bestond naast Britten ook uit koloniale troepen uit India, Australiërs en Nieuw-Zeelanders, Fransen, Franse koloniale troepen uit Afrika en eenheden van het Franse Vreemdelingenlegioen; een divers allegaartje waardoor de onderlinge communicatie en samenwerking een uitdaging zou worden.

Op 25 april 1915 begon de invasie van het schiereiland van Gallipoli. De landingstroepen waren verdeeld in drie eenheden. De Fransen zouden de zuidpunt van de Aziatische oever, Kum Kale, innemen, de Britten Kaap Helles. De Australiërs en Nieuw-Zeelanders, verenigd in het Australian and New Zealand Army Corps (ANZAC), zouden landen bij Arıburnu, dat spoedig zou worden omgedoopt tot ANZAC Cove. Daarnaast werden er overal schijnaanvallen uitgevoerd om de verdedigers te verwarren en te verspreiden.

Bruggenhoofd
Vanaf de oorlogsschepen roeiden de soldaten in sloepen naar de landingsstranden of werden er naartoe gesleept door sleepbootjes, terwijl de kust werd bestookt met granaten. Dat laatste waarschuwde de Turken, die direct hun posities innamen. De overlevenden van de zware bombardementen openden vanuit hun loopgraven het vuur op de onbeschermde roeiboten. Om troepen sneller aan land te krijgen, probeerden de Britten een vrachtschip vol soldaten op volle kracht het strand op te varen. Het schip liep echter vast in te diep water, waardoor de militairen het strand niet konden bereiken. Het schip werd een makkelijk doelwit. Ondanks zware verliezen wist het Britse leger in de ochtend van 26 april toch voet aan wal te krijgen.
Kum Kale werd zonder veel weerstand ingenomen door Frans-Senegalese troepen. Maar spoedig openden de Turken een stevige tegenaanval. Door oplopende Franse verliezen en de moeite die de Britten hadden op het schiereiland Gallipoli, werd besloten Kum Kale weer te verlaten en de Dardanellen over te steken naar Kaap Helles.
De ANZAC-troepen waren bij hun landing bij Kabatepe op de westkust van Gallipoli door een stevige zeestroming noordwaarts afgedreven. Toen ze uiteindelijk bij ANZAC Cove aan land gingen, hadden ze geen idee van het terrein. De aanwezige Osmaanse troepen openden vrijwel direct het vuur. Wat volgde was een wanordelijke bajonetcharge tegen de rotsen op. Het joeg de Turkse soldaten voldoende schrik aan en ze trokken zich terug.

Niet ver van de inham had overste Mustafa Kemal zijn hoofdkwartier. De latere stichter van de Republiek Turkije beval direct een tegenaanval. Soldaten die zich terugtrokken omdat hun munitie op was, kregen het bevel om hun bajonet op het geweer te zetten en zonder patronen op de vijand af te stormen. Ondanks zware verliezen wist ANZAC toch een bruggenhoofd te veroveren. Maar ver kwamen ze door de taaie tegenstand niet. Van de ca. 15.000 Australiërs en Nieuw-Zeelanders werd zo’n 20% uitgeschakeld, dood of gewond.
Dit was geen gewone aanval. Iedereen die aan deze aanval deelnam, was vastbesloten om te slagen of door te gaan, vastbesloten om te sterven. Mustafa Kemal Atatürk
Generaal Hamilton dacht dat het ergste nu voorbij was. Hij weigerde het verzoek van de ANZAC-commandant om zich terug te mogen trekken: “Er zit niets anders op dan jezelf in te graven en vol te houden”, aldus de generaal. Wel stuurde hij marineschepen om de Turkse posities onder vuur te nemen. Met deze fase van de strijd op Gallipoli voorbij, bleken beide partijen aan elkaar gewaagd.
Loopgravenoorlog
De strijd op het schiereiland Gallipoli werd net als aan het Westelijk Front een loopgravenoorlog. Beide partijen groeven zich diep in de droge grond in. De Entente had zijn doelen niet gehaald. Men had wel twee bruggenhoofden weten te slaan, maar had belangrijke strategische doelen niet kunnen halen. ANZAC was er niet in geslaagd om de Turkse aanvoerroutes richting Kaap Helles af te snijden. Hierdoor konden de kustfortificaties niet worden veroverd en bleven de Dardanellen gesloten voor de marine.
Tot drie keer toe probeerden de Britten en Fransen verder landinwaarts op te rukken richting het strategisch gelegen dorpje Krithia. Maar de terreinwinst was minimaal en de prijs hoog, zo’n 16.000 doden en gewonden. De Osmanen op hun beurt probeerden ANZAC terug de zee in te drijven. Maar een massale aanval leidde tot een verlies van 10.000 man, 20% van het totale aantal ingezette soldaten.

Ondertussen arriveerden er Duitse U-boten in de Egeïsche Zee. Op 25 mei werd het eerste Britse slagschip, HMS Triumph, gekelderd, terwijl het Turkse posities bij ANZAC Cove bombardeerde. Ook bij Kaap Helles waren de Britse en Franse marineschepen niet meer veilig voor vijandige onderzeeboten, waardoor de strijd nog moeilijker werd voor de Entente.
In Londen brak daarop een politieke crisis uit. De regerende Liberal Party werd gedwongen een coalitie aan de gaan met de Conservative Party. Er werd een nieuw comité op gericht: the Dardanelles Committee. Winston Churchill kreeg de zwarte piet toegespeeld voor het Dardanellendebacle en moest aftreden als minister van Marine. Hij vertrok als majoor naar het Westelijk Front. Later in de oorlog zou hij terugkeren als minister van Munitie. Lord Kitchener bleef als hoofdverantwoordelijke echter aan en had het ook in dit nieuwe comité voor het zeggen.
Zomerhitte
Terugtrekken was geen optie. Dat zou de indruk wekken dat de Entente de zwakkere partij was en ertoe kunnen leiden dat nu nog neutrale Balkanstaten als Bulgarije en Roemenië voor de Centralen zouden kiezen. Een serieuze troepenmacht van het Westelijk Front weghalen en naar het schiereiland sturen was ook niet gewenst. Daarom moest Hamilton het maar doen met een versterking van circa 50.000 man, verdeeld over vijf divisies, en zich langzaam richting Istanboel vechten. Het schiereiland veranderde in een netwerk van loopgraven, van waaruit mannen elkaar met passie naar het leven stonden en dat zeker niet onderdeed voor het Westelijk Front.
Het is hier veel erger dan in Frankrijk, naar mening van hen die aan beide fronten zijn geweest. Korporaal Jean Leymonnerie

Het vechten op Gallipoli ging continu door. Er waren geen pauzes. Er was voor de Entente-troepen geen terrein achter het front waar ze veilig tot rust konden komen. Doordat de U-boten de Britse oorlogsschepen hadden verdreven, had de Osmaanse artillerie vrij spel. De Osmanen hadden de hoge grond in handen en samen met hun Duitse bondgenoten maakten ze het leven voor de soldaten van de Entente erg moeilijk. Tussen de ontploffende granaten door vlogen de kogels van Turkse sluipschutters, die goed gecamoufleerd in het struikgewas lagen. Ook groeven de strijdende partijen tunnels om elkaars loopgraven te ondermijnen en op te blazen.
In de loopgraven hoopte het vuil zich op en ertussen lagen de lijken van de gesneuvelden te rijpen in de Mediterrane zomerhitte, tot plezier van de vele vliegen. De Britse marineofficier A.P. Herbert schreef er in zijn gedicht This Is The Fourth Of June over
That soiled the sacred dead,
To see them swarm from dead men’s eyes
And share the soldiers’ bread.
Nor think I now forget
The filth and stench of war,
The corpses on the parapet,
The maggots on the floor.Bron
Wie niet gewond raakte, werd wel gek van de omstandigheden op Gallipoli. Een constante stroom van uitgeschakelde soldaten leidde naar hospitalen op Lemnos en Malta. Begin augustus kwamen Kitcheners versterkingen aan. Generaal Hamilton besloot de vijf divisies in te zetten voor een groot offensief vanuit ANZAC Cove en de nabij gelegen Suvla-baai om daarmee een doorbraak te forceren en uit de patstelling te komen.
Ondertussen voerde Enver Pasja nieuwe troepen aan vanuit Anatolië en het Midden-Oosten. Wat voor de Britten en Fransen een bijzaak was in vergelijking tot het Westelijk Front, was voor de Osmanen een essentiële strijd voor hun bestaan. De toestand in de Turkse loopgraven was net zo erg, maar de motivatie was hoger en in loopgravenstrijd is de verdedigende partij altijd in het voordeel. Daarbij kwam dat de Osmanen minder communicatieproblemen hadden dan de Britten en Fransen. Osmaanse en Duitse hoofdofficieren leidden de strijd in de voorste rangen, waardoor ze snel besluiten konden nemen.

Het Augustusoffensief
Hamiltons Augustusoffensief bestond uit verschillende, gelijktijdige aanvallen. De hoofdaanval was gericht op Sari Bair: het ANZAC-korps, versterkt met Britse eenheden, zou de heuvels van Chunuk Bair en Hill 971 innemen. Deze posities waren cruciaal voor de controle over het binnenland, want ze boden een goed uitzicht over het schiereiland. Tegelijkertijd werden er bij Kaap Helles afleidende aanvallen uitgevoerd. Bij Suvla-baai moesten Britse troepen een nieuw bruggenhoofd veroveren om de Osmanen verder onder druk te zetten.
De schijnaanvallen bij Helles mislukten: de aanvallers leden zware verliezen. De verdedigers leden weliswaar nog grotere verliezen, maar het doel van de aanval: het weglokken van Turkse troepen rond ANZAC Cove lukte niet. De Australiërs bestormden bij Lone Pine de Turkse loopgraven, waarop felle man-tot-mangevechten werden gevoerd; de hardste van de campagne. Ze behaalden een tactische overwinning, maar op andere punten werden de Australiërs neergemaaid door goed ingegraven Turkse machinegeweren.
De aanval op Sari Bair, het hoofddoel van het offensief, verliep ook desastreus. De ANZAC- en Britse troepen moesten door ruig, onbekend terrein oprukken, vaak in het donker. Navigatiefouten en felle Osmaanse tegenstand leidden tot chaos. Op 8 augustus slaagden Nieuw-Zeelandse troepen er kortstondig in om Chunuk Bair in te nemen, maar een krachtige tegenaanval onder leiding van de charismatische Mustafa Kemal dreef hen terug. De Entente kon de heuvels niet vasthouden.
Bij de baai van Suvla verliep de landing traag en inefficiënt. De Britse troepen aarzelden om snel op te rukken, waardoor de Osmanen tijd kregen om hun verdediging te versterken. Hamiltons plan bleek te complex voor de chaotische omstandigheden op Gallipoli. De Entente kampte met logistieke problemen, gebrek aan water, slechte communicatie en de uitputtende zomerhitte.
De nasleep
Het Augustusoffensief werd een kostbare mislukking. Hoewel sommige doelen werden bereikt, faalden de aanvallers in hun hoofddoel: de controle over de Sari Bair-heuvels en een doorbraak in de Turkse linies. De mislukking van het offensief betekende het begin van het einde voor de Gallipoli-campagne. In december 1915 en januari 1916 evacueerden de Britten en Fransen hun troepen. De campagne had in totaal meer dan 140.000 slachtoffers aan Brits-Franse zijde en 250.000 aan de Osmaanse kant gekost.
Voor Australië en Nieuw-Zeeland kreeg de campagne een diepere en blijvende betekenis. De moed en opoffering van de ANZAC-troepen werden een symbool van nationale identiteit, zoals ieder jaar herdacht op ANZAC Day (25 april). Vooral de trotse Australiërs gingen zichzelf zien als een aparte natie, los van Groot-Brittannië.

Voor de Osmanen was de overwinning een enorme opsteker na eerdere verliezen tegen Rusland en de Britten. De Entente had het Osmaanse leger zwaar onderschat. De op Gallipoli ingezette troepen waren goed getraind en bewapend, werden goed geleid en waren erg gemotiveerd. Onder de Turkse officieren had vooral Mustafa Kemal zich onderscheiden. Hij werd bevorderd tot generaal en vestigde zijn naam als een nationale held. Op langere termijn echter zou het rijk de strijd verliezen en op 30 oktober 1918 tekende het in Moudros een wapenstilstand, de facto een overgave.
De Arabische provincies werden verdeeld tussen het Britse en Franse koloniale rijk en Istanboel werd enige jaren bezet door troepen van de Entente, terwijl Griekenland West-Anatolië binnenviel. In de daaropvolgende Turkse Onafhankelijkheidsoorlog (1919-1922) leidde Mustafa Kemal Atatürk het Turkse verzet tegen de bezettingstroepen en de Griekse invasie. De laatste sultan, Mehmet VI, werd afgezet en in 1923 werd de Republiek Turkije opgericht en erkend.
– Edward J. Erickson, Gallipoli. The Ottoman Campaign.
– Mustafa Aksakal, The Ottoman Road to War in 1914.
Het einde van het Ottomaanse Rijk en de grote veranderingen in het Midden-Oosten
De Turkse onafhankelijkheidsoorlog of Grieks-Turkse Oorlog
Enver Pasja – Promotor van een onafhankelijk Turkije
De Balkan en de neergang van het Ottomaanse imperiumBoek: Het epos van GallipoliBlijf op de hoogte van nieuwe artikelen
De Slag bij Verdun 1916, de langstdurende slag van de Eerste Wereldoorlog
Hard oordeel over Belgische militairen in Nederland: ‘Jullie hebben onvoldoende jullie best gedaan!’
Mobilisatie in Ede, 1914