In 1908 pleegde de politieke hervormingsbeweging van de Jonge Turken in het Ottomaanse rijk een staatsgreep tegen sultan Abdülhamit II. Hun machtsovername luidde een tweede constitutionele periode in, maar voor de eerste keer in de Turkse geschiedenis brak een tijdperk aan met een meerpartijenstelsel. De democratische, nationalistische omwenteling die gepaard ging met ‘turkificatie’ had op termijn ook grote schaduwzijden, zoals etnische zuiveringen en de Armeense genocide van 1915.
Eerste constitutie

Dit streven leidde tot de onttroning van sultan Abdülaziz, die na een korte periode onder Murat V werd opgevolgd door Abdülhamit II (Abdul Hamid). Het parlement werd echter in 1878 alweer door hem geschorst, de grondwet buiten werking gesteld en de absolute monarchie hersteld.
Abdülhamit II nam vervolgens het imago aan van verdediger van moslims over de hele wereld en dreigde met een jihadistische oorlog tegen de westerse imperialisten in Azië. De nadruk op islamitische waarden en het idee van een Ottomaans ‘kalifaat’ was min of meer een gevolg van de afname van de militaire kracht van het rijk en speelde al een rol tijdens de opstand van de Saoedi’s in Arabië in 1802.

Turkificatie
De belangrijkste ideologen van Ittihad waren de socioloog Ziya Gökalp en Talaat Pasja. De beweging verwierf ook grote aanhang onder jonge officieren. De machtsbasis van de groep bevond zich in de stad Salonika (nu Thessaloniki in Griekenland). Vooral Ziya Gökalp (1876-1924) was een spreekbuis van de nationalistische tendens. Hij wilde hervormingen naar westerse snit, maar hamerde ook op de eigen, Turkse identiteit. Het ontbrak de Turken van zijn tijd volgens hem aan zelfkennis en aan bewustzijn van hun nationale verantwoordelijkheid.

Dit streven richtte zich ook tegen de toenemende macht van het Westen over het Ottomaanse rijk en de invloed van grote minderheden in Turkijke, zoals de Griekse en Armeense christenen. Turkse intellectuelen moesten in het proces van turkificatie het voortouw nemen. Seculier gezinde hervormingsgezinden hadden vooralsnog de overhand in de Jong-Turkse beweging. Behalve door Europese voorbeelden werden de Jong-Turken geïnspireerd door de recente ontwikkelingen in Japan, dat zich in een snel tempo had gemoderniseerd.
De staatsgreep
In april 1908 leidde de Turkse officier Ahmed Niyazi Bey, gestationeerd in Macedonië, een mars op Istanbul om het regime van Abdulhamit II omver te werpen. Ook andere Jonge Turken voegden zich bij de opstand. Op 3 juli eiste Ahmed Niyazi het herstel van de grondwet.
Het ontbrak Abdülhamit II aan loyale troepen, zodat hij moest capituleren. Op 23 juli verklaarde Enver Pasja dat de grondwet was hersteld. De sultan bleef in functie, maar zijn macht werd hem ontnomen. Het parlement werd eveneens in ere hersteld, een aangepaste grondwet trad in werking.

Het nationalisme van veel Jong-Turken streefde aanvankelijk naar integratie van alle aanwezige etniciteiten en religies in het rijk. Hierom vonden de eerste dagen na de machtsovername vooral op de Balkan verbroederingen plaats tussen Turkse, Griekse, Bulgaarse, Armeense en Joodse onderdanen en elders tussen Turken, Koerden en Arabieren. Deze euforie hield niet lang stand. Oostenrijk-Hongarije hield Bosnië-Herzegovina al dertig jaar bezet en annexeerde het nu officieel. Ook Bulgarije verklaarde zich op 22 september onafhankelijk. Dit alles wekte wantrouwen jegens de christenen, die als zondebok gingen fungeren en als vijanden van de natie werden gezien.
Tegencoup, oorlogen
Al in april 1909 beraamden sympathisanten van Abdülhamit II een tegencoup. Deze werd verijdeld door de Jonge Turken. Abdülhamit II werd verbannen naar Saloniki en vervangen door zijn broer Mehmet V Reşat, die slechts een symbolische rol vervulde.
De aftakeling van het rijk ging door. In september 1911 brak de Italiaans-Turkse Oorlog uit om Libië. Dit conflict was nog niet beëindigd, toen in oktober 1912 de eerste Balkanoorlog losbarstte. Onder Russische leiding bereidden de Slavische landen en Griekenland de verdeling van Europees Turkije voor. Het Ottomaanse rijk moest hierdoor vrede sluiten met Italië en zijn troepen uit Libië terugtrekken, om ze in te kunnen zetten in de Balkanoorlog. Deze werd niettemin verloren, hetgeen betekende dat afscheid genomen moest worden van grote delen van het resterende Europese grondgebied.

In 1913 volgde de Tweede Balkanoorlog, waarin Servië, Roemenië en Griekenland tegen Bulgarije vochten om het veroverde gebied te herverdelen. Hetzelfde jaar sloot Duitsland onder keizer Wilhelm II een militair verdrag met Turkije.
Eerste Wereldoorlog
Te midden van al deze troebelen vond een nieuwe staatsgreep plaats. De Jong-Turken Enver Pasja, Talaat Pasja en Djemal Pasja grepen de macht en regeerden voortaan als driemanschap. Behalve Talaat Pasja hadden de nieuwe leiders een militaire achtergrond. ‘Pasja’ was sinds de vijftiende eeuw een door de sultan toegekende titel voor de hoogste ambtenaren en militairen met generaalsrangen. De titel werd achter de naam van betrokkenen geplaatst.
Enver Pasja, de belangrijkste man van het driemanschap en minister van oorlog, was enige tijd militair attaché in Duitsland geweest; onder het driemanschap koos Turkije de kant van Oostenrijk en Duitsland in de Eerste Wereldoorlog. Belangrijkste reden was de weigering van Frankrijk, Engeland en Rusland om een bondgenootschap aan te gaan, omdat deze grootmachten het Ottomaanse rijk intussen als een afgedane zaak beschouwden. Enver liet op 29 oktober 1914 Duitse oorlogsbodems onder Ottomaanse vlag Russische Zwarte-Zeehavens bombarderen, waarmee de deelname aan de oorlog een feit was.

Armeense genocide
Abdülhamit II had al de bijnaam ‘de rode sultan’ gekregen vanwege zijn massamoorden op Armeniërs. Onder het driemanschap werd in 1915 de Armeense genocide voltrokken. Als hoofdopdrachtgever wordt wel Talaat Pasja gezien, hoewel andere onderzoekers Enver Pasja als belangrijkste aanstichter aanwijzen. Hoe dan ook, de genocide veroorzaakte de dood van 800.000 tot 1,8 miljoen Armeniërs, Arameeërs, Grieken en andere christelijke minderheden. Daarnaast vielen wegens hongersnood ook honderdduizenden doden onder Koerden en Arabieren.

Einde Ottomaanse rijk
Toen het verlies van de oorlog door Duitsland, Oostenrijk en hun bondgenoten Turkije en Bulgarije onafwendbaar was, werd ook de regering van Talaat Pasja en de zijnen onmogelijk. De regering trad af op 14 oktober 1918. Het driemanschap vluchtte op 1 november aan boord van een Duitse onderzeeër het land uit. Diezelfde week hief het Comité voor Eenheid en Vooruitgang zichzelf op. De Jong-Turken waren niet meer, de Britsgezinde Vrijheid en Akkoordpartij vormde een nieuwe regering.
De leden van het driemanschap betaalden een hoge prijs voor hun vroegere activiteiten. Talaat Pasja en Djemal Pasja werden in respectievelijk 1921 en 1922 door Armeniërs vermoord wegens hun aandeel in de Armeense genocide. Enver Pasja sneuvelde in 1922 tijdens gevechten tegen het Russische leger; volgens één overgeleverde toedracht zou ook hiervoor een Armeniër verantwoordelijk zijn.

Griekenland had aan geallieerde zijde gestreden en kreeg gebiedsuitbreiding in Ottomaans gebied: heel Thracië, de eilanden Tenedos en Imbros en een streek rondom de stad Smyrna. De eerste Griekse troepen landden in mei 1919 in Izmir. Nu trad Mustafa Kemal Atatürk naar voren, die zich zou ontpoppen als stichter van het moderne, seculiere Turkije en ook de revolutie van 1908 had gesteund.
In de Turkse Burgeroorlog of Turkse Onafhankelijkheidsoorlog (1919-1923) bestreed hij met de nationalisten en zijn ‘kemalisten’ (bij wie zich ook voormalige Jonge Turken als Ziya Gökalp hadden aangesloten) zowel de geallieerde bezetters van Anatolië als de sultan, die de vernederende verdragen met de bezetters had ondertekend. De oorlog eindigde in een Turkse overwinning.
Nieuwe etnische zuiveringen
Tegen het eind van de oorlog, in september 1922, voltrok zich de nooit opgehelderde grote brand van Smyrna, waarbij tienduizenden Grieken en Armeniërs omkwamen. Om nieuwe etnische spanningen te bezweren, besloot men tot een Grieks-Turkse bevolkingsruil. Ongeveer 1,3 miljoen Grieken vertrokken uit Klein-Azië naar Griekenland, terwijl ongeveer 700.000 Turken vanuit Griekenland naar Turkije migreerden.

– Patrick Kinross, Ataturk. The Rebirth of a Nation (1964)
– Jan J.B. Kuipers, Der Kaiser! Glorie & ondergang van keizer Wilhelm II (2015)
– Guenter Lewy, The Armenian Massacres in Ottoman Turkey: A Disputed Genocide (2010)
– Mark Mazower, Salonica, City of Ghosts: Christians, Muslims and Jews 1430–1950 (2004)
– Erik Jan Zürcher, Turkije. Een moderne geschiedenis (2014)
De Turkse onafhankelijkheidsoorlog of Grieks-Turkse Oorlog
Het einde van het Ottomaanse Rijk en de grote veranderingen in het Midden-Oosten
Mustafa Kemal Atatürk – Stichter seculier Turkije
De Armeense genocide (1915)
Abdülhamit II (1842-1918) en de Hamidische bloedbaden
Mehmed Celal Bey, de ambtenaar die zich verzette tegen de Armeense genocide