Slangengif als geneesmiddel: van koloniale experimenten tot moderne behandelingen

Slangengif, medicijnen en… kolonialisme
16 minuten leestijd
Indonesische man met een cobra in een mandje
Indonesische man met een cobra in een mandje (1925). Universiteitsbibliotheek Leiden, KITLV 30218

Vandaag de dag onderzoeken talloze wetenschappers, waaronder bijvoorbeeld Mátyás Bittenbinder en Freek Vonk, de geneeskundige kracht van verschillende slangengiffen. Zo kunnen we ze gebruiken als pijnstillend of bloedstollend middel, of zelfs als medicijn tegen kanker. Als officieel beginpunt voor deze ontwikkelingen wordt vaak de introductie van het medicijn Captopril in 1980 aangewezen. Dit wordt onder meer gebruikt tegen bloeddrukverhoging en hartfalen. De werkzame stof van dit middel komt uit het gif van de Braziliaanse slang Bothrops jararaca. Maar mensen wisten al eeuwenlang af van de potentie van slangengif.

Vanaf het einde van de negentiende eeuw experimenteerden ook artsen steeds vaker met giffen als geneesmiddelen. En waar kon je het meeste en het sterkste slangengif vaak vinden? Juist ja, in de koloniën.

De tropische natuur was voor veel westerse artsen een bron van fascinatie. Ze zagen veel potentie in de tropische natuur en lieten zich geregeld inspireren door de manier waarop lokale gemeenschappen gebruikmaakten van geneeskrachtige planten en dieren. Sommigen maakten dit belachelijk, maar anderen zagen mogelijkheden om te testen.

Zeker wie ziek en wanhopig was, experimenteerde zich soms suf. Een krant uit 1903 noemt onder de aangeraden middelen tegen lepra onder meer zwavel, levende hagedissen en zelfs ‘beten van vergiftigde slangen’. De auteur spot met deze oude Indiase en Chinese kennis, maar dertig jaar later werd er serieus op internationale congressen gesproken over bijensteken en slangenbeten als mogelijke behandelingen voor lepra.

Crotaline, ratelslangen en de inheemse inwoners van Amerika

Eén van de eerste stoffen die uit een slangengif gehaald werd om als medicijn te dienen, was crotaline. Dit gif van de ratelslang werd vanaf circa 1908 als medicijn toegepast. Hoewel artsen uit de VS en Duitsland hier als eerste over publiceerden, erkenden ze hun kennis ontleend te hebben aan de inheemse bewoners van Amerika. Niet de kolonist, maar de gekoloniseerde kende het land en de natuur immers al eeuwenlang.

In de traditionele Indiase ayurvedische geneeskunde wordt slangengif al eeuwen ingezet tegen gewrichtsklachten. Dergelijke kennis was echter meestal niet vastgelegd. Uiteindelijk gingen koloniale wetenschappers er dan ook vaak mee vandoor. In 1925 stelde Ralph Spangler, pleitbezorger van het gebruik van crotaline, dat hij het middel via meer dan 16.000 injecties al had toegediend aan zeker 700 patiënten. Voor het merendeel van de bevolking bleven zulke medicijnen doorgaans echter onbeschikbaar of onbetaalbaar.

melken van een slang
Het melken van een slang in Calcutta (1938). Bundesarchiv, 135-KA-01-019.
Crotaline werd aanvankelijk vooral getest tegen epilepsie en op den duur beschouwd als een werkzaam middel hiertegen. Het bemachtigen van ratelslangen en het winnen van hun gif – het zogeheten ‘melken’ – was destijds al een riskante en uitdagende klus.

In de VS ging dat dan ook geregeld in cowboystijl. In 1908 werden mensen in Clairette, Texas opgeroepen om een levende slang te vangen en deze naar de drogist te brengen. Een man met epilepsie zou dan langskomen om, voor de ogen van een groot publiek, gebeten te worden. De eerste keer durfde hij uiteindelijk niet, maar de tweede keer vond het spektakel plaats. In kranten in 1928 gingen verhalen rond over Estelle Lyle (uit dezelfde staat), die bekendstond als de ‘moderne Eva’ en de ‘Texas show woman’. Ze had wel 1500 ratelslangen gefokt en was onder meer van plan hiermee…

…proeven [te] nemen om kankerlijders en epileptici te genezen met slangengif.

Hoe zat dat nou? Het is mogelijk dat de toediening van slangengif voor een tijdelijke ‘pauze’ in epilepsie kon zorgen. Een shock in het lichaam kan namelijk hetzelfde effect hebben. De reactie van het lichaam op het gif gaf dus vermoedelijk dezelfde ‘shockpauze’. Een dergelijke behandeling is echter nooit duurzaam en bovendien zullen de bijwerkingen zwaarder zijn dan de voordelen. Bovendien ging het soms mis: in Philadelphia overleed een vijfjarig kind na het krijgen van te veel injecties.

In 2022 publiceerden Masayoshi Okada en Ernesto Ortiz nog wel een hypothese waarin ze stellen dat de peptiden (moleculen die bestaan uit een combinatie van aminozuren en als bouwstenen voor eiwitten kunnen dienen) die onder meer in slangengif voorkomen, mogelijk kunnen helpen bij neurologische aandoeningen zoals epilepsie. Deze hypothese is echter (nog) niet bewezen.

De Heilige Graal: een medicijn tegen kanker

Naarmate kanker aan het begin van de twintigste eeuw steeds vaker erkend werd als een bedreiging voor de volksgezondheid in veel landen, zeker in Europa, kwamen er steeds meer verhalen over slangengif als mogelijk medicijn. Het probleem van westerse artsen was echter dat zij – met uitzondering van wat ratelslangen, adders en de Amerikaanse cobra – maar weinig diversiteit aan slangen in hun thuisland hadden. De oplossing werd gezocht in koloniën.

Een van de populairste slangen om mee te testen was al snel de cobra. De Fransman Albert Calmette (1863-1933) had deze slang al gebruikt om zijn eerste antislangengifserum mee te ontwikkelen aan het einde van de negentiende eeuw. Hij schreef dat hij deze slangen gemakkelijk kon krijgen in India, omdat slangenbezweerders ze levend vingen. Hierdoor waren ze ook relatief goedkoop. Sommige artsen stelden bovendien dat het cobragif ‘verreweg het werkzaamste’ was. Hoe dan ook waren ze in dergelijke gevallen opnieuw afhankelijk van de vaardigheden van lokale tussenpersonen in de koloniën. Deze slangenvangers vormden een onmisbaar deel van de keten, maar hun kennis kreeg nauwelijks erkenning.

David Macht
David Macht (CC BY-SA 4.0 – wiki)
David I. Macht (1882-1961), een pionier in het gebruik van slangengif als geneesmiddel in de Verenigde Staten, noemde bijvoorbeeld enkel dat hij zijn cobra’s had ontvangen met dank aan zijn collega’s in India en Egypte – maar wie dat waren en hoe zij eraan kwamen, blijft onbenoemd.

Met name in Parijs werden aan het begin van de jaren 1930 experimenten gedaan met slangengif. Het werd vaak geïnjecteerd bij muizen en ratten met tumoren. Al vrij snel werd het middel ook op mensen toegepast. Tussen 1931 en 1933 werden verschillende patiënten in de Salpétrière-kliniek behandeld met cobragif. Onderzoekers spoten het gif direct in de tumoren. De proef werd als een succes bestempeld: ‘Door injectie met een uit dit gif bereid serum heeft men bereikt, dat het kankergezwel tot stilstand kwam en dat het lijden der patiënten werd verzacht.’

Arts Theodor Schlichting (1894-1957) was in 1934 nog niet volledig overtuigd maar begreep wel de bedoelde werking:

Het Cobra-gif bevat een diastase, dat wil zeggen een ferment, dat sommige stoffen in hun samenstellende deelen doet uiteenvallen; zooals de gist het zetmeel doet uiteenvallen in koolzuur en alcohol. Het Cobra-gif nu werkt in denzelfden geest op sommige eiwitten van de lichaamscellen, zoo b.v. op het lecithine (…). Uit het lecithine, een stof, die in alle cellen aanwezig is, komt, onder de werking van dit Cobra-gif, dan een stof te voorschijn, die de eigenschap bezit, vele weefselcellen op te lossen en te laten vervloeien, smelten. Zoo smelten dan onder invloed van het Cobra-gif de kankercellen weg.

In landen zonder cobra’s werd soms geprobeerd de experimenten te herhalen. In Zuid-Amerika werd de Bothrops jararaca toen al gebruikt en in Hongarije de zandadder – beide overigens zonder succes.

De voorspoedige berichten gingen natuurlijk als een lopend vuurtje door de internationale medische wereld. Zo bereikte het nieuws niet enkel Europese collega’s, maar tevens artsen uit de koloniën zelf. Indonesische artsen waren bijvoorbeeld opgeleid om niet alleen Nederlands maar vaak ook Engels, Duits en Frans te kunnen lezen. Mits ze toegang hadden tot de nieuwste wetenschappelijke tijdschriften, konden ze dus goed op de hoogte blijven.

Indische cobra (Naja naja), 2013
Indische cobra (Naja naja), 2013 (CC BY-SA 3.0 – Pavan Kumar N – wiki)

Zo ook Bambang Soetarso. Hij had geneeskunde gestudeerd aan de Nederlandsch-Indische Artsen School (NIAS) in Surabaya en was werkzaam aan het Nederlandsch-Indisch Kanker Instituut (NIKI) te Bandung. Hij had over verscheidene onderzoeken gelezen en was ‘wel wat sceptisch gestemd over de bewering, dat de werking van cobragif op tumoren reeds proefondervindelijk bewezen zou zijn’. Daarom ging hij zelf aan de slag. Het NIKI had immers genoeg ratten met sarcoomtumoren om als proefdier te gebruiken en cobra’s waren in Indonesië evenmin lastig om te krijgen. Hij besloot niet alleen cobragif te testen, maar ook het gif van de ‘reuzenschorpioen’ (vermoedelijk een soort bosschorpioen uit de Heterometrus-familie) en dat van de Javaansche vogelspin (Selenocosmia javanensis sumatrana). Hij vergeleek in zijn experiment ook verschillende injectiemethoden. Na de inspuitingen met cobragif verdwenen sommige tumoren wel, maar Soetarso stelde dat dit ook spontaan kon gaan, zoals wel vaker bij deze proefdieren het geval was. Hij durfde uiteindelijk geen grote conclusies te trekken, omdat hij maar in staat was geweest om het op veertien ratten te testen. Toch sloot hij af met de stelling dat…

…ondanks het aanvankelijke enthousiasme (…) meenen wij, dat de giftherapie geen lang leven beschoren zal zijn.

Dat had hij niet helemaal juist. Vandaag de dag wordt er heel wat onderzoek gedaan naar slangengif als medicijn tegen kanker. Zo is al aangetoond dat het gif van de koperkopslang tumoren in muizen tegengaat. Met name de eerder genoemde peptiden staan centraal in tal van hoopvolle, lopende onderzoeken.

Een ongebruikelijke pijnstiller

Sceptici zoals Soetarso waren misschien nog niet overtuigd van de genezende eigenschappen van slangengif, maar hen viel wel vaak iets anders op: de pijnstillende werking. Wederom waren hier proeven mee gedaan in Parijs. ‘Men stelle zich niet voor, dat deze Franschman, vergezeld van een verpleegster, die een Cobra aan den hals heeft, de zalen rondloopt en de patiënten aanwijst, die door de slang gebeten moeten worden,’ schreef arts Schlichting in 1934, ‘Alles geschiedt slechts met een klein injectiespuitje, waarin Cobra-gif aanwezig is in een verdunning van 1 op 80.000.’

Dankzij het gebruik van slangengif hoefden de artsen niet over te gaan op het verslavende morfine. Althans… een veel ouder krantenbericht, uit 1896, wijst er echter wel op dat er al vroeg zorgen bestonden over een mogelijk verslavend effect van slangengif. Calmette’s antiserum was toen net in gebruik. Een ‘anglo-indische dame te Lahore’ had het gebruikt tegen slangenbeet.

Bedoelde dame vond, dat de toediening van de dosis haar telkens zoo’n behagelijk gevoel verschafte, dat zij, hoewel nu volslagen immuun geworden, steeds voortgaat met zich te laten inspuiten bij wijze van genotmiddel. Of dit geval op zichzelf staat, dan of de inspuitingen met slangengif een manie van velen dreigen te worden, gelijk die met morfine enz. vermeldt onze berichtgever niet.

Was dit nepnieuws, of gaf het antiserum inderdaad dezelfde pijnstillende, verdovende werking als het gif?

Heel verwonderlijk zou het niet zijn. Al zo’n tien jaar geleden is op proefdieren aangetoond dat de peptiden in het gif van zwarte mamba’s (Dendroaspis polylepis), slangen die in het zuidelijke deel van Afrika leven, pijnstillend werkt. Het is wachten op een toepassing voor mensen. Bovendien zou je kunnen zeggen dat het wel degelijk een ‘manie’ geworden is. Vanaf de tweede helft van de twintigste eeuw zijn steeds meer mensen, met name in Zuid-Azië, slangengif recreatief gaan innemen. Gebruikers voelen zich euforisch, slap en verdoofd. Heel wat mensen raken er zelfs verslaafd aan.

Zwarte mamba (Dendroaspis polylepis)
Zwarte mamba (Dendroaspis polylepis)

Bloedstollend spannend

Hoewel het medicijn niet geheel ongevaarlijk was gebleken, zeker niet in grote doses, bleef men toch verder testen. Vanaf de tweede helft van de jaren 1930 werd een andere eigenschap van slangengif bekend: de bloedstollende werking. Dit in principe dodelijke effect kon soms juist van pas komen. Een archeoloog ontdekte dat het in het Rome van keizer Nero al als medicijn tegen hemofilie (een ziekte waarbij je bloed niet zelf goed kan stollen, bijvoorbeeld bij wonden) werd gebruikt. Rond dezelfde tijd gingen er verhalen rond over een zwaargewonde werknemer van een Zuid-Amerikaanse slangenboerderij die werd gebeten door een slang, waarbij de stollende werking ook zichtbaar werd. Hierop werden, in de woorden van dr. A. van Rijn, met ‘voorzichtigheid en pijnlijke zorgvuldigheid’, langzaamaan experimenten gedaan, uiteindelijk ook op mensen.

Groot-Brittannië was in dit geval een van de voorlopers. Ook zij hadden door hun grote koloniale rijk natuurlijk gemakkelijk toegang tot slangen. ‘Toepassing van dit middel doet het bloed in zeventien seconden stollen,’ meldden de kranten. ‘Men kan den tijd zelfs tot twaalf seconden terugbrengen, als men het gif tot een bepaald aantal graden verhit. Het spreekt natuurlijk vanzelf, dat het gif niet onvermengd kan worden toegediend. Eén deel slangif op tienduizend deelen water zal het vereischte middel doen verkrijgen. Zelfs bewerkstelligt een oplossing van één deel slangengif in een milliard deelen water, nog een stolling van het bloed in zes minuten.’ Toepassing werd niet alleen gevonden voor patiënten met hemofilie, maar het slangengif…

…heeft het ook mogelijk gemaakt, operaties te verrichten, die vroeger te riskant werden geacht.

Net als met crotaline zo’n dertig jaar eerder, waren farmaceuten nu eveneens snel geïnteresseerd. Laboratoire Gallier ontwikkelde het medicijn Daboïne uit het gif van de Daboia-adders. ‘Het slangengift bevat twee soorten van fermenten, het serozyme en cytozyme, welke een normale bloedstolling veroorzaken. Door eene verwarming op 60°C wordt de coaguleerende werking van het slangengift opgeheven,’ meldde het Pharmaceutisch Weekblad in mei 1939. ‘Deze oplossing, het Daboïne, welke volkomen steriel is, wordt gebruikt, om tampons te drenken, die 1 à 2 minuten op een bloeding worden gelegd.’ De keuze voor de Daboia-adder was overigens niet toevallig. Verschillende soorten van deze slang komen onder meer voor in Marokko, Tunesië, Algerije, Syrië en Cambodja: allemaal Franse koloniën.

Van Daboïne is weinig meer vernomen, maar de sterke invloed van slangengif op menselijk bloed wordt nog steeds erkend. Vanaf de jaren 1950 wordt batroxobin, een serineprotease (een enzym in een peptide) afkomstig uit lanspuntslangen (Bothrops atrox en Bothrops moojeni), gebruikt vanwege het bloedstollende effect. Deze slangen zijn te vinden in Zuid-Amerika. Batroxobin wordt onder meer gebruikt bij operaties en voor trombosepatiënten. Ook naar vergelijkbare stoffen en toepassingen wordt op dit moment nog altijd verder onderzoek gedaan.

Mannen in Indonesië tonen hoe je een slang beet houdt
Mannen in Indonesië tonen hoe je een slang beet houdt (1937). Universiteitsbibliotheek Leiden, KITLV 46352

Van de Tweede Wereldoorlog naar nu

Bij het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog waren diverse toepassingen van slangengif als geneesmiddel vrij algemeen erkend binnen de medische wereld. Cobragif werd als beste pijnbestrijder gezien en er werd tevens van vermoed dat het hielp tegen kanker. Gif van cobra’s en adders zou werken tegen epilepsie. En heel wat andere slangengiffen (maar juist níet dat van de cobra) werden gebruikt om hun bloedstollende werking. Tijdens de oorlog nam de interesse in het laatste natuurlijk alleen maar toe. Een krantenartikel uit 1941 erkende de koloniale oorsprong nog: ‘In Britsch-Indië is sinds eeuwen het slangengif bekend als medicijn’. Maar met de bommen die vielen en de zware bloedingen die als gevolg daarvan behandeld moesten worden, koos ook dr. MacFarlane van het St. Bartholomeus Hospitaal in Londen ervoor om het te gebruiken. De koloniën waren echter onbereikbaar geworden. De oplossing? Slangen uit de Londense dierentuin.

De oorlog en de daaropvolgende dekolonisatieprocessen hebben mogelijk bijgedragen aan het uit het zicht raken van de koloniale oorsprong van veel medische kennis over slangengif. Een aanzienlijk deel van wat we weten of vermoeden, is echter afkomstig van gekoloniseerde volken die hiervoor maar weinig erkenning kregen én krijgen. Bovendien hadden de genoemde Amerikaanse, Franse en Britse artsen hun pionierswerk niet kunnen doen zonder de hulp van tussenpersonen die hun vaardigheden inzetten om bijvoorbeeld slangen te vangen.

Nederlandse artsen deden relatief weinig onderzoek naar slangengif als geneesmiddel. Ze waren desalniettemin, wellicht ook door Soetarso’s artikel, geïnteresseerd. Zoals wel vaker waren de Nederlanders bang om achter te lopen bij de andere koloniale grootmachten. In 1939 werden er dan ook oproepjes geplaatst om slangen (het liefst levend) op te sturen naar geneeskundige laboratoria op Java.

De levende slang kan men verzenden als volgt, mits de reis niet langer duurt dan 2 à 3 dagen: men doe de slang in een zakje met wat vochtig mos of vochtige watten. Het goed dichtgebonden zakje wordt vervolgens in een houten kistje, voorzien van wat luchtgaatjes, verzonden. Dit moet men echter alleen dan doen, wanneer men een beetje vertrouwd is met deze gevaarlijke dieren.

Dat laatste suggereert dat de oproep waarschijnlijk niet bedoeld was voor (vers aangekomen) Europeanen.

Wat moeten we nu vandaag nog met deze geschiedenis? Sinds enkele decennia houden kennishistorici zich bezig met het concept epistemicide. Hiermee wordt bedoeld: ‘het doden, het zwijgen opleggen, het vernietigen of het devalueren van een kennissysteem’. Dit kan bijvoorbeeld betekenen dat kennis niet toegeschreven wordt aan de juiste personen of groepen, omdat hun manier van verzamelen en bewijzen niet goed genoeg past in het westerse systeem van ‘wetenschap’. Hierdoor wordt eigenlijk kennis geroofd. Dit is regelmatig terug te zien in deze geschiedenis van het gebruik van slangengif als geneesmiddel.

Het melken van een slang
Het melken van een slang (CC BY-SA 4.0 – wiki)

Nu blijft het natuurlijk altijd lastig om aan te wijzen wie of wat de éérste was. De archeoloog zal wellicht wijzen naar de informatie die de Romeinse arts al had. Toch hebben de bovenstaande verhalen laten zien dat er regelmatig direct werd gerefereerd aan praktijken en vaardigheden van gekoloniseerde groepen, wat minstens mag betekenen dat we hier bewust van moeten zijn. Bovendien was dit altijd een uitwisseling, of het nou van kennis of van slangen was, binnen koloniale kaders. Dat houdt in dat er geen sprake was van gelijkwaardig contact. Dat onderzoekers zo blij waren met hun goedkope cobra’s, betekende immers dat degenen die de slangen vingen waarschijnlijk te weinig betaald kregen voor hun gevaarlijke werk.

Bij epistemicide op medisch vlak komt er soms nog een tweede moeilijkheid bij kijken. Wanneer westerse wetenschappers lokale kennis ‘omzetten’ naar hun systeem en deze zo toe-eigenen, ontstaat er vaak niet alleen een mentale maar ook een fysieke afstand tot het eindproduct. Dat eerste betekent dat het medicijn de herkenbare vorm verliest. Verhit slangengif dat geïnjecteerd wordt met een naald ziet er immers niet meer bekend uit. Bovendien hadden veel gekoloniseerde patiënten weinig trek in injecties: deze konden erg pijnlijk zijn, dikke bulten veroorzaken en littekens achterlaten. Daarnaast werden mensen vaak onbewust of tegen hun wil gebruikt als proefpersonen in medische experimenten. Tot op de dag van vandaag werkt dit trauma door en kunnen mensen in voormalige koloniën terughoudend zijn ten opzichte van westerse geneeskunde.

De fysieke afstand houdt in dat het slangengif en de medicijnen die ermee gemaakt werden, vooral in westerse landen ingezet werden. In alle onderzoeken hierboven genoemd was dit immers het geval. De mensen die hun kennis hadden gedeeld en die met gevaar voor eigen leven slangen hadden gevangen, zagen van de voordelen maar weinig terug. Dat is vandaag de dag nog een risico. Geneesmiddelen zijn gemakkelijk te verkrijgen in de rijkste landen, maar in andere (veelal voormalige koloniën) niet. Bovendien is er vaak meer geld beschikbaar voor het ontwikkelen van medicijnen die gewild zijn in rijke landen dan tegen ziektes die in armere landen nog miljoenen levens eisen. Ook in de bovenstaande onderzoeken is dit terug te zien. Gelukkig zijn er steeds meer artsen, onderzoekers en beleidsmakers die willen werken aan fair partnership. Hopelijk is dat de toekomst van dit onderzoek – zonder een addertje onder het gras.

Bronnen

– ‘Een eigenaardig genotmiddel’ Bataviaasch nieuwsblad (23 juli 1896) 2.
– Een menschenvriend, ‘Nog eens: het lepragevaar’ De Locomotief (30 januari 1903).
– Albert Calmette, Venoms: Venomous Animals and Antivenomous Serum-therapeutics, vert. E.E. Austen (New York: William Wood and Company, 1908).
– L.E. Self, ‘Snake Bite for Epilepsy’ Medical World 26 (1908) 305-306.
– Dr. med. Fackenheim, ‚Neue Wege zur Heilung der Epilepsie‘ Münchener Medizinische Wochenschrift 35 (1911) 1872-1874.
– ‘Slangengif als geneesmiddel’ Het Nieuws van den dag voor Nederlandsch-Indië (2 november 1911) 10.
– ‘Slangengif tegen vallende ziekte’ De nieuwe vorstenlanden (23 juni 1915) 2.
– Ralph H. Spangler, ‘Nonspecific Desensitization Therapy in Allergic Asthma: The Eosinophilic Index as a Guide To Intramuscular Injection of Venom Protein, With Case Report’ Archives of Internal Medicine 36:6 (1925) 779-787
– ‘Moderne Eva’ Bataviaasch nieuwsblad (17 maart 1928).
– ‘Yankee Woman Seeking Snakes in Singapore’, Galena Daily Gazette (7 mei 1928) 4.
– ‘Behandeling van kanker met slangengif’ Deli courant (27 maart 1933) 7.
– ‘Bijen en slangen’ Pro Leproos 1:4 (april 1933) 93.
– ‘Slangengif en kwaadaardige tumoren’ Soerabaijasch handelsblad (10 april 1934) 18.
– Th.H. Schlichting, ‘Slangengif’ De koerier (5 juni 1934) 6.
– ‘Het geneeskrachtige cobra-gif’ De Indische courant (27 oktober 1934) 18.
– ‘Slangengif als medicament’ Bataviaasch nieuwsblad (21 mei 1935) 10.
– Bambang Soetarso, ‘Over de werking van eenige dierlijke vergiften op kwaadaardige gezwellen’ Geneeskundig Tijdschrift voor Nederlandsch-Indië 75:16 (1935) 1338-1348.
– Dr. A. van Rijn, ‘Een Serum tegen Bloederziekte?’ Het nieuws van den dag voor Nederlandsch-Indië (14 december 1935) 18.
– ‘Een nieuw bloedstollingsmiddel’ De koerier (2 januari 1936) 3.
– David I. Macht, ‘Experimental and Clinical Study of Cobra Venom as an Analgesic’ Proceedings of the National Academy of Sciences 22:1 (januari 1936) 61-71.
– Dr. W. F. R. Essed, ‘Parasitologische diagnostiek voor den medicus-practicus in Nederlandsch-Indië’ GTNI 79:52 (1939) 3504-3527.
– ‘Daboïne’ Pharmaceutisch weekblad 76:18 (mei 1939) 581-582.
– ‘Slangengif’ De Indische courant (17 mei 1941) 5.
– ‘Slangen helpen slachtoffers van bommen’ De Indische courant (27 september 1941) 7-8.
– ‘Epistemicide’, DEI Toolkit, New York State Library (z.d.), https://nyslibrary.libguides.com/c.php?g=1357224&p=10305425
– ‘Batroxobin’, U.S. National Library of Medicine Medical Subject Headings (z.d.), https://meshb.nlm.nih.gov/record/ui?name=Batroxobin
– Robert Finn, ‘Snake Venom Protein Paralyzes Cancer Cells Get access Arrow’ JNCI: Journal of the National Cancer Institute 93:4 (21 februari 2001) 261-262, https://doi.org/10.1093/jnci/93.4.261
– M. Patlak, ‘From viper’s venom to drug design: treating hypertension’ The FASEB journal 18:3 (2004) 421.
– A. Schmidtko, J. Lotsch, R. Freynhagen en G. Geisslinger, ‘Ziconotide for treatment of severe chronic pain’ Lancet 375 (2010) 1569-1577 (2010)
– Sylvie Diochot et al., ‘Black mamba venom peptides target acid-sensing ion channels to abolish pain’ Nature 490 (2012) 552-555 https://doi.org/10.1038/nature11494
– ‘JAMA 100 Years Ago: The Rattlesnake-Venom Treatment of Epilepsy’, JAMA: the journal of the American Medical Association 309:12 (2013) 1207 doi:10.1001/jama.2012.145314
– Y.N. Utkin, ‘Animal venom studies: Current benefits and future developments’ World Journal of Biological Chemistry 6:2 (2015) 28-33. doi:10.4331/wjbc.v6.i2.28
– Li Li, Jianzhong Huang en Yao Lin, ‘Snake Venoms in Cancer Therapy: Past, Present and Future’ Toxins 10:346 (2018); doi:- 10.3390/toxins10090346
– Mandë Holford, Marymegan Daly, Glenn F. King, and Raymond S. Norton, ‘Venoms to the rescue. Insights into the evolutionary biology of venoms are leading to therapeutic advances’ Science 361:6405 (31 augustus 2018) 842-844 doi:10.1126/science.aau7761
– Karla de Castro Figueiredo Bordon et al., ‘From Animal Poisons and Venoms to Medicines: Achievements, Challenges and Perspectives in Drug Discovery’ (review article) Frontiers in Pharmacol- ogy 11 (July 2020) https://doi.org/10.3389/fphar.2020.01132
– Roeliene Bos, ‘Slangengif is gevaarlijk, maar soms ook supernuttig’, Quest (22 juli 2020), https://www.quest.nl/natuur/dieren/a33323064/slangengif-is-gevaarlijk-maar-soms-ook-supernuttig- /
– ‘Promotie: Wat kan slangengif ons leren in de zoektocht naar een veilig stollingsmedicijn?’, Leids Universitair Medisch Centrum (16 september 2021), – https://www.lumc.nl/actueel/2021/promotie-wat-kan-slangengif-ons-leren-in-de-zoektocht-naar-een-veilig-stollingsmedicijn/
– Dhruv Talwar, Sunil Kumar, Sourya Acharya, Gaurav S. Jagtap, en Sanyukta Hepat, ‘A Curious Case of Snake Venom Addiction as an Alcohol De-Addiction Tool: Pain for Gain?’ Cureus 13:11 (29 november 2021) doi: 10.7759/cureus.19996
– ‘State of inequality: HIV, tuberculosis and malaria’, World Health Organization (9 december 2021), https://www.who.int/data/stories/state-of-inequality-hiv-tuberculosis-and-malaria-a-visual-summary
– Masayoshi Okada en Ernesto Ortiz, ‘Therapeutic potential of viral vectors that express venom peptides for neurological diseases’ Medical Hypotheses 161 (april 2022) https://doi.org/10.1016/j.mehy.2022.110809
– ‘Samen aan de slag voor betere toegang tot medicijnen’, WEMOS (18 december 2023), https://www.wemos.org/interview-samen-aan-de-slag-voor-betere-toegang-tot-medicijnen/
– ‘Toegang tot geneesmiddelen: krachtig symbool van ongelijkheid in de wereldgezondheid’, Institute of Tropical Medicine Antwerp (7 maart 2024), https://www.itg.be/nl/health-stories/artikels/interview-raffaella-ravinetto
– Saskia Houttuin, ‘Eindelijk een vaccin tegen malaria, maar in Kameroen loopt het geen storm’, NOS (8 november 2024), https://nos.nl/artikel/2543761-eindelijk-een-vaccin-tegen-malaria-maar-in-kameroen-loopt-het-geen-storm
– ‘Nieuw inzicht in slangengif biedt kansen voor betere behandelingen’, Vrije Universiteit (16 juni 2025), https://vu.nl/nl/nieuws/2025/nieuw-inzicht-in-slangengif-biedt-kansen-voor-betere-behandelingen
– ‘TKI-financiering voor onderzoek naar medicijnontdekking op basis van slangengif’, Vrije Universiteit (15 januari 2025), https://vu.nl/nl/nieuws/2025/tki-financiering-voor-onderzoek-naar-medicijnontdekking-op-basis-van-slangengif
×