De Marwaniden
Nadat de laatste kalief van de Sufyaniden, Moe’awija II, is overleden op jonge leeftijd en er geen kandidaat voor het kaliefschap uit zijn familie gevonden kan worden, scharen veel moslims zich achter de voor het leiderschap zeer geschikt geachte Abd Allah ibn Zubayr. Die probeert naarstig vanuit Mekka zijn autoriteit als zelfbenoemde kalief te bevestigen door in de verafgelegen provincies gouverneurs aan te stellen. Maar tribale tegenstellingen die zich ver van Mekka afspelen doorkruisen zijn pogingen om greep te krijgen op het imperium.
In Syrië bestaat verdeeldheid tussen twee stammen die al veel eerder ruziën over het gebruik van weidegronden. Met de stam van de Kalb, afkomstig uit Jemen en behorend tot de eerste kolonisten aldaar, heeft Moe’awija I (de grootvader van Moe’awija II ) een hechte band opgebouwd. Hun leider, Hassan ibn Malik ibn Bahdal al-Kalbi, kortweg ibn Bahdal, gouverneur van Palestina en Jordanië, is familie van hem. De andere stam is die van de Qays, afkomstig uit het noorden van het Arabisch Schiereiland die later neerstreken in Syrië en weinig op hebben met de Sufyaniden, zij steunen Abd Allah.

Ook ibn Bahdal steunt Marwan. Dat valt natuurlijk niet goed bij de Qays die zich achter al-Dahhak scharen en hem ertoe bewegen de strijd met de Kalb aan te gaan. In juli 684 treffen de partijen elkaar nabij Marj Rahit een plaats aan de weg die van Damascus naar het noorden voert. In deze veldslag worden de Qays verslagen en vindt al-Dahhak de dood. Marwan wordt uitgeroepen tot kalief.
Marwan I en Abd al-Malik ibn Marwan (684-705)
Marwan probeert na zijn aantreden onmiddellijk om de orde in het imperium te herstellen. Ubayd Allah mag zich opmaken om Irak te heroveren, Marwans zoon Mohammed krijgt de opdracht om de Qays in bedwang te houden en samen met zijn andere zoon, Abd al-Aziz, herovert de nieuwe kalief Egypte op een door Abd Allah ibn Zubayr benoemde gouverneur. Vanaf 685 neemt Abd al-Aziz deze functie over tot aan zijn overlijden in 705.
Marwan, naar toenmalige maatstaven een oude man van rond de zestig, overlijdt in april van datzelfde jaar, maar niet nadat hij zijn zoon Abd al-Malik tot opvolger heeft aangewezen. Met al deze benoemingen van familieleden treedt hij in de voetsporen van de derde kalief, Oethman ibn Affan, die rond 650 ook leden van de familie der Omajjaden op belangrijke posten benoemt.

Als Ubayd Allah vanuit Syrië richting Irak optrekt, is Kufa al stevig in handen van Mukhtar die in de slag van Khazir (een rivier nabij Mosul) in 686 een overwinning boekt waarbij Ubayd Allah het leven laat. Maar Mukhtar kan niet bogen op de steun van alle Kufanen. Het zijn de ashraf, de elite van de moslimbezetters van het eerste uur die zich vestigden in de vruchtbare gronden, de sawad, in Irak die Mukhtar niet vertrouwen en weinig ophebben met zijn pogingen om hen te verzoenen met de zwakkeren in de samenleving, de van oorsprong niet-Arabische bewoners die zich hebben bekeerd tot de islam, oftewel de mawalï.
Voor Mukhtar is er nog een ander probleem wanneer hij een gouverneur, die Abd Allah ibn Zubayr hem vanuit de Hidjaz opdringt, weigert te accepteren. Daardoor raakt hij in conflict met Musab en op dat moment ruiken de ashraf hun kans, verlaten de stad en sluiten zich aan bij Abd Allah’s broer in Basra. Daarmee beschikt Musab over een sterk leger waarmee hij Kufa verovert en Mukhtar ombrengt. Diens bewind is slechts tijdelijk van aard geweest en strekte zich nooit veel verder uit dan de stad zelf, maar het zaad van verzet tegen de Omajjaden heeft wortel geschoten onder Iraakse moslims. Nadat Mukhtars rebellie de kop is ingedrukt resteren er slechts twee serieuze kandidaten voor het kaliefschap: Abd al-Malik en Abd Allah ibn Zubayr. Laatstgenoemde bevindt zich echter in Mekka, geïsoleerd en ver van het eigenlijke strijdtoneel.
Gedurende de regeringsperiode van Moe’awija hebben de rechtlijnige kharidjieten zich rustig gehouden, maar dan, aan het begin van Marwans kaliefschap, vormen zij guerrillagroepen die een voortdurende bedreiging vormen voor de bevolkingscentra. Vooral op het Arabische Schiereiland weten de Najdat veel grondgebied in handen te krijgen waardoor zij een machtsfactor vormen die de positie van Abd Allah ibn Zubayr bedreigt en zijn isolement versterkt. De andere groep, de Azariqa, actief in Irak en Iran, zet eveneens druk op de Zubayr-familie en worden pas geëlimineerd als Abd Allah verslagen is en ook de Najdat van het toneel verdwijnen.

Zover is het echter nog niet. De zoon van Marwan speelt een belangrijke troef uit door een prominente volgeling van Abd Allah over te halen om de Omajjaad te steunen. Het gaat om Zufar ibn al-Harith al-Kilabi, een prominent leider binnen de Qays clan, die voorheen al-Dahhak ibn Qays al-Fihri voorzien heeft van troepen uit de Koeraisj in diens strijd tegen de Kalb. Hij zwicht voor de belofte van Abd al-Malik om hem een post te gunnen aan het hof van de Omajjaden. Daarmee is het lot van de Zubayrs bezegeld. Musab wordt een nederlaag toegebracht in 691 in de slag bij Dayr al-Jathaliq, nabij het huidige Bagdad, waarna een bombardement Mekka op de knieën krijgt waarbij zelfs de Kaäba niet wordt ontzien. In oktober 692 valt het doek voor de dan zeventig jaar oude Abd Allah ibn al-Zubayr en wordt hij omgebracht.
Met de dood van Abd Allah komt er een gewelddadig einde aan de tweede fitna en kan Abd al-Malik beginnen aan het herstel van de Omajjaden-hegemonie. In zijn ogen is de decentrale vorm bestuur die Moe’awija introduceerde niet effectief. Hij effent de weg naar een politiek en bestuurlijk centralistisch systeem waarmee hij de grondslag legt voor latere moslimregeringen. De invoering van uniforme munten die de oude Sassanidische en en Byzantijnse geldstukken vervangen, kan gezien worden als een gedurfde innovatie. Op de munten worden – in tegenstelling tot de tot dan toe gebruikelijke portretjes van heersers – teksten geplaatst in het Koefische schrift, abstract en met een hoge symbolische lading. Het is het begin van de het vermijden van figuratieve afbeeldingen in zijn algemeenheid in de islamitische kunst.
Ook de in opdracht van Abd al-Malik gebouwde Rotskoepelmoskee in Jeruzalem getuigt ervan.2 Het Arabisch wordt de formele voertaal van het bestuur, wat de tot op dat moment actieve Perzisch- en Griekssprekende ambtenaren dwingt om zich het Arabisch meester te maken.

Net als Marwan voor hem, probeert de nieuwe kalief leden uit de Omajjadenfamilie te benoemen op belangrijke posten. Dat gaat over het algemeen goed, behalve in Irak, waar Marwans zoon, Mohammed ibn Marwan, er niet in slaagt een strak regime op te bouwen en Abd al-Malik een beroep doet op de veelbelovende al-Hajjaj ibn Yisuf al-Taqafi, een voormalig docent die een belangrijke rol speelde in de verovering van Mekka en verantwoordelijk is voor de schade aan de Kaäba. Geboren in 661 in Ta’if in de Hidjaz vertoont hij al op jonge leeftijd het kenmerk van de meedogenloze heerser. De kalief benoemt hem in 694 tot gouverneur van Kufa en Basra. Drie jaar later wordt daar de verantwoordelijkheid over de provincie Khorasan aan toegevoegd, waar onder zijn toezicht al-Muhallab ibn Abi Sufra het gouverneurschap bekleedt.
Net als zijn voorganger en stadgenoot Ziyad ibn Abihi regeert al-Hajjaj als een onderkoning over het oostelijk deel van het moslimimperium. Dat gaat niet zonder weerstand op te wekken, met name van de leden van de ashraf in Kufa die hun positie in gevaar zien komen.
Onder aanvoering van Abd al-Rahman ibn Muhammad ibn al-Ash’ath, bekend als ibn al-Ash’ath, komen zij in opstand en boekt hun leger, dat wel de Peacock Army genoemd wordt, in 701 een overwinning op de troepen van al-Hajjai. Hoewel al-Muhallab sympathiseert met de ashraf sluit hij zich niet aan bij deze opstand. De kalief zelf onderhandelt met ibn al-Asrath wat echter mislukt. Bijgestaan door de Syriërs maakt al-Hajjaj nog in dat jaar een eind aan de rebellie in de beslissende slag bij Dayr al-Jamajijm. Nogmaals is hiermee de verdeeldheid onder de Irakezen afgestraft door de Syriërs.
De onderkoning laat na zijn overwinning een nieuwe militaire garnizoensplaats bouwen tussen Kufa en Basra genaamd Wasit die door al-Hajjaj wordt volgestopt met trouwe Syrische militairen. Vanaf dat moment lijkt de Iraakse oppositie definitief gebroken. De Kufaanse elite is verslagen en de eens zo machtige stad onder kalief Omar is ontdaan van zijn leiders. Maar in Khorasan dreigt een nieuw gevaar voor al-Hajjaj aangezien Yazid ibn al-Muhallab daar zijn vader is opgevolgd in 702 en zich onafhankelijk opstelt tegenover de Omajjaden. Dat kost hem het gouverneurschap en de onderkoning sluit hem op.
Abd al-Malik en al-Hajjaj zijn onafscheidelijk tot aan het overlijden van de kalief op zestigjarige leeftijd in oktober 705. Zijn zoon al-Walid volgt hem op, een keuze die hij al maakt als enkele maanden ervoor zijn broer Abd al-Aziz sterft.
Groeiende verdeeldheid in het kalifaat van de Marwaniden (705-724)
Al-Walid I zet het beleid van zijn vader voort en start een groot aantal bouwprojecten, waaronder die van de moskee van Damascus. De rivaliteit tussen de Qays en de Jemenieten onder aanvoering van de Kalb, houdt een permanent gevaar in en de nieuwe kalief kan weinig anders doen dan ervoor te zorgen dat ze elkaar in evenwicht houden. Hij benoemt zijn broer en opvolger Suleyman tot gouverneur van Palestina die daar een stevige band opbouwt met de Jemenieten, en gunt zijn neef Umar de belangrijke post van het gouverneurschap van de Hidjaz dat daarmee verandert in een vluchthaven voor Irakezen die onder de knoet van al-Hajjaj uit willen.
Tijdens het bewind van al-Walid I breidt het rijk der Omajjaden zich aanzienlijk uit. In 710 steken de moslimlegers onder aanvoering van Tariq Ibn Ziyad de straat van Gibraltar over om in nog geen vijftien jaar vrijwel het gehele Iberisch Schiereiland te veroveren.
Ruwweg vijfduizend kilometer ten oosten van Spanje beginnen de moslims rond 706 aan een serie veroveringstochten vanuit Merv in Iran naar gebieden achter de Oxus waarbij zelfs afgelegen plaatsen in Oezbekistan als Samarkand en Fargʻona bereikt worden. Deze streken worden niet bezet, maar komen onder vazalschap te staan van het moslimgezag in Merv waaraan zij tribuut zijn verschuldigd.
Al-Hajjaj en al-Walid overlijden respectievelijk in 714 en 715, wat de weg vrijmaakt voor veranderingen in het regime. Zoals Abd al-Malik al heeft bepaald, volgt Suleyman zijn broer op die de Jemenieten een warm hart toedraagt en diverse benoemingen van al-Hajjaj in Khorasan ongedaan maakt. De tweedracht tussen de Qays en Jemenieten blijft dooretteren waarbij laatstgenoemden zich steeds meer ergeren aan het feit dat zij weliswaar de Marwaniden in het zadel hebben geholpen, maar daar nog maar weinig profijt van hebben gehad. Doordat beide partijen overal steun zoeken, waaiert het oorspronkelijke intern-Syrische conflict breed uit over het moslimrijk.

Suleyman regeert maar kort, maar onderneemt vanuit zijn residentie Ramla, gelegen in Palestina, grote militaire expedities. Een ervan, onder aanvoering van Maslama ibn Abd al-Malik, richt zich op Constantinopel dat nog altijd onneembaar blijkt te zijn voor de moslims. Voordat het beleg op de hoofdstad van het Byzantijnse rijk moet worden opgegeven overlijdt de kalief. Een crisis over zijn opvolging breekt uit, want zijn broers Tazid en Hisham, die mogelijk zijn plaats kunnen innemen, behoren tot de tegenstanders van het Jemenitische kamp. Het testament van Suleyman, vlak voor zijn dood opgemaakt op aandringen van Raja ibn Haywa, theologisch en politiek adviseur van de Omajjaden, brengt uitkomst. Daarin draagt de overledene zijn neef Omar ibn Abd al-Aziz voor als nieuwe kalief.
Omar II staat bekend als een vrome moslim die afstand neemt van het dikwijls luxueuze leventje dat zijn voorgangers leiden en probeert eenheid te brengen in het verdeelde imperium. In het conflict tussen de Qays en de Jemenietische Kalb wenst hij geen partij te kiezen. Zijn gouverneursbenoemingen reflecteren de wens om de moslimgemeenschap te herstellen, waarbij hij aan competentie voorrang verleent boven politiek-religieuze affiniteit. Bestuurders van wie hij prudentie verwacht en geen persoonlijke verrijking.
Het machtsbolwerk van al-Hajjaj wordt gesplitst in drie afzonderlijke provincies. Ook neemt hij maatregelen om de Syrische dominantie in Irak aan banden te leggen. Maar bovenal gaat zijn aandacht uit naar de bekering van de dhimmi (niet-moslim onderdanen) tot de islam. Al eerder zijn Berbers opgenomen in de moslimgemeenschap die een belangrijke rol spelen in de westelijke expansie van het Arabische rijk en ook elders is al eerder enige druk uitgeoefend op de dhimmi, maar nu wordt bekering een onderdeel van het regeringsbeleid waarbij christenen en joden steeds meer last ondervinden van discriminatie.3
Opzienbarend is de manier waarop Omar II het systeem van belastingheffing wijzigt. Kharaj is een individuele grondbelasting die door door het regime van moslimveroveraars wordt opgelegd aan de dhimmi en die tijdens het Omajjaden-regime kan oplopen tot 25 à 30% van de landopbrengsten. Moslim-landeigenaren daarentegen betalen een lager tarief van ongeveer 10%, de zogeheten ushr in aanvulling op de zakat, de aalmoezenbelasting.
Om de peperdure veroveringskosten in het oosten af te dekken, probeerde al-Hajjaj te bewerkstelligen dat de moslims eveneens de kharaj betalen, maar dat stuitte op grote weerstand van deze groep en komt ook niet overeen met de nadrukkelijke wens van Omar II dat alleen de dhimmi de kharaj wordt opgelegd. Als veroveraars mogen de Arabieren aan het langste eind trekken, maar tegelijk wil de kalief voorkomen dat er een superrijke moslimklasse ontstaat die overigens alleen maar groeit omdat veel dhimmi zich bekeren (waardoor de belastingopbrengst wordt verminderd) en vandaar dat hij een compromis introduceert.
Vanaf 719 geldt de regel dat kharaj-plichtig land voortaan niet meer in handen mag komen van moslims, maar wel door hen gepacht kan worden en zij dan verplicht zijn de kharaj te betalen. Zo wordt de kharaj een grondbelasting die altijd geheven wordt, ongeacht wie het land in bezit heeft.4 Om financiën vrij te maken en in te zetten voor andere doelen verbiedt hij verdere veroveringstochten. Met al zijn maatregelen laat Omar II hij zien dat hij prioriteit geeft aan langetermijnoplossingen, maar zijn vroege overlijden in 720 gooit roet in het eten.
Zijn opvolger Yazid II ibn Abd al-Malik vaart een andere koers en probeert mede onder druk van de Qays de oude orde te herstellen. Opnieuw dreigen de Syriërs te domineren over Irak, wat de uit zijn gevangenschap ontsnapte Yazid ibn al Muhallab ertoe beweegt tegen de Omajjaden in opstand te komen.
Hij verzamelt aanhang in Basra, verovert de garnizoensplaats Wasit, maar krijgt onvoldoende steun van de Syrische Jemenieten en wordt door de fameuze generaal van de Qays, Maslama ibn al-Malik, in augustus 720 verslagen en gedood in de slag van Sufar. Weer delven de Irakezen het onderspit. Yazid II regeert slechts vier jaar waarna zijn bekwame broer Hisham het stokje overneemt.
Hisham en het einde van het kalifaat der Omajjaden (724-750)
Hisham is begin dertig als hij het kaliefschap aanvaardt. Hij ontpopt zich als een centralistisch heerser die net als zijn voorganger Omar II boven de tegenstellingen tussen de Qays en Jemenieten wil staan. Dit werpt vruchten af, want zijn negentien jaar durende regering is een van de meest rustige periodes uit het gehele Omajjaden kalifaat. In Irak benoemt hij de neutrale figuur Khalid ibn Abd Allah al-Qasrï tot goeverneur die vanaf dat moment ook Khorasan onder zijn hoede heeft en dit gebied vijftien jaar zonder al te grote problemen beheert.
Hisham mag zich dus verheugen in het ontbreken van serieuze interne problemen, daar staat echter tegenover dat zijn rijk blootstaat aan een drietal externe gevaren: aanvallen van de Chazaren, afkomstig uit het gebied ten noorden van de Zwarte Zee, van Turkse nomaden uit het Thürgesh-Khaganaat in het huidige Kazachstan en opstanden van Berbers in Noord-Afrika. De Chazaren worden bestreden door generaal Maslama en vanaf 734 door Marwan ibn Mohammed, een kleinzoon van de voormalige kalief Marwan I. Deze telg uit de familie der Marwaniden weet de Chazaren terug te dringen en plundert in 728 hun hoofdstad aan de Wolga.
Ook de Türkesh worden teruggeslagen, wat niet zonder moeite gaat omdat de lokale bevolking niet wil meevechten met de Arabieren tegen hun gemeenschappelijke vijand. Maar een groot leger uit Irak maakt in 732 een einde aan de invallen. De Berbers, die de Arabische legers bemannen, voelen zich achtergesteld door de Arabieren, zeker nadat zij een beslissende rol hebben gespeeld in de verovering van het Iberisch Schiereiland. In 740 rebelleren zij en verdrijven de Arabieren die twee jaar later echter een eind maken aan de opstand. De opstand heeft overigens wel tot gevolg dat de Omajjaden hun ambitie om grote veroveringstochten ten noorden van de Pyreneeën voort te zetten vaarwel zeggen. Deze militaire activiteiten aan de grenzen van zijn rijk leggen de nodige druk op de schatkist van de kalief, maar dat is niet de enige oorzaak van de penibele financiële toestand waarin hij zich bevindt.
Het afzien van verdere uitbreiding van het moslimrijk impliceert het wegvallen van oorlogsbuit en ook de gebrekkige effectiviteit van belastingheffing speelt hem parten. Nog altijd heerst in de bezette gebieden het idee bij lokale bestuurders dat belastingopbrengsten in de regio ter plekke verdeeld dienen te worden onder de moslims zodat er slechts een gering deel wordt afgedragen aan het centrale gezag in Damascus. Met name geldt dat voor de opbrengsten van de sawad, de vruchtbare gronden in Irak die beschouwd worden als gemeenschappelijk bezit. En niet zelden verdwijnen er grote sommen geld in de zakken van de lokale bestuurders.
Om paal en perk aan te stellen aan deze praktijken oefent Hisham zware druk uit via de zogeheten musadarah, waarbij een van verduistering verdachte functionaris door de kalief wordt ontslagen, aan de tand gevoeld en beboet. Daarbij schrikt Hisham er niet voor terug om hen te laten martelen, een praktijk die onder zijn voorgangers als ondenkbaar werd gezien en over het algemeen als een inbreuk wordt ervaren op de islamitische principes.5 Gebrek aan inkomsten tracht Hisham ook te compenseren door grote irrigatieprojecten te starten waarvan de opbrengsten niet alleen de schatkist, maar ook zijn eigen portemonnee spekken. Naar schatting overtreffen deze inkomsten die van de belastingen welke in het rijk worden geheven.6
Tegen het eind van Hishams kaliefschap steken de tegenstellingen tussen Qays en Jemenieten weer de kop op. Dat heeft te maken met de discussie over zijn opvolging. De kalief acht zijn eigen nakomelingen zeer geschikt, maar dat stuit op eerder gemaakte afspraken binnen de Omajjaadse elite om zijn neef Al-Walid ibn Yazid ibn Abd al-Malik, bekend als al-Walid II te benoemen. Al-Walid is een man met een werelds karakter, liefhebber van architectuur en wijn en Hisham vreest het ergste. Om brokken te voorkomen na zijn overlijden besluit hij wat meer te leunen op de Qays. Hij ontslaat in 738 de neutrale Khalid ibn Abd Allah al-Qasrï als gouverneur van Irak en benoemt daar Yusuf ibn Omar al-Thaqafi, een vertrouweling van al-Hajjaj en afkomstig uit dezelfde stam.
Ook in Khorasan komt in dat jaar een lid van de Qays aan de macht: Nasr ibn Sayyar, een militair leider die een belangrijke rol speelde in de strijd tegen de Thürges. Twee jaar later breekt er een opstand uit in Kufa geleid door Zayd ibn Ali, een kleinzoon van Hoessein. Hij denkt te kunnen rekenen op de steun van veel Kufanen, die traditioneel een lid van het huis van de Profeet als kalief wensen, maar wordt eenvoudig verslagen door het regeringsleger waarbij Yusuf ibn Omar een belangrijke rol speelt.
In februari 743 komt Hisham te overlijden en, zoals hij al vreesde, blijkt al-Walid II een zorgeloos bestuurder en verkwister die zich zelden in Damascus laat zien. De door Hisham benoemde Qays-regeerders krijgen de vrije hand. Yusuf ibn Omar, die zich doet gelden als behoeder van de erfopvolging, zoekt steun voor al-Walids zonen, al-Hakam en Oethman. Dat roept weerstand op onder de Syrische gelederen wat Yusuf ertoe brengt sommige concurrenten uit de familie der Marwaniden om te brengen. Suleyman, een van Hishams zonen, wordt afgeranseld en verbannen.
Ysufs voorganger in Irak, Khalid ibn Abd Allah, weigert een eed van trouw af te leggen aan de kinderen van al-Walid II en wordt vermoord. Dit alles schiet de familie dusdanig in het verkeerde keelgat dat zij besluiten al-Walid af te zetten, een hoogst ongebruikelijke stap binnen de Omajjaden clan. De actie wordt ingezet door Yazid, een zoon van al-Walid I, die de kalief verwijt de islamitische principes te hebben geschonden en dat hij ongeschikt is voor het kaliefschap. In april 744 neemt hij, gesteund door een aantal Jemenieten, Damascus in en executeert al-Walid II. Net zoals de moord op kalief Oethman ibn Affan in 656 de eerste fitna doet losbarsten, veroorzaakt de gewelddadige dood van al-Walid II de derde fitna die leidt tot het eind van de Omajjaden.
Kalief Yazid III zet enkele hervormingen in door de klok terug te draaien en enkele Jemenieten op belangrijke posten te benoemen, maar overlijdt al zes maanden na zijn aantreden. Hij wordt gedurende korte tijd vervangen door zijn onzekere broer Ibrahim die wordt weggevaagd door de nieuwe voorman van de Qays, Marwan ibn Mohammed, kleinzoon van Marwan I. Ooit benoemd door Hisham als gouverneur van Armenië wist hij zelfs door te dringen tot in Georgië. Hij verbijt zijn ergernis aan de gebeurtenissen in Damascus en steunt in beginsel Yazid III, maar neemt al gauw het heft in handen als Ibrahim aantreedt als kalief.

Marwan trekt met zijn leger zuidwaarts, slaat pogingen hem te weerstaan af, bereikt Damascus en wordt in december 744 in de moskee uitgeroepen tot kalief. Hij is ongetwijfeld een kundige militair en bestuurder, maar ondervindt vanwege zijn afkomst – zijn moeder was een Koerdische slavin – het uitdrijven van de Jemenieten uit de hoofdstad en gebrek aan brede steun vanuit de Syrische elite, veel weerstand. Het duurt tot het eind van 746 als hij een wankele vrede weet te bewerkstelligen.
Ook in Irak is het onrustig na zijn aantreden waar de kharidjieten zich roeren en in Kufa Abd Allah ibn Moe’awija – een verre nazaat van de broer van Ali ibn Abi Talib – de Jemenieten van Syrië en Irak achter zich weet te krijgen in verzet tegen Marwan II. Maar Marwan II, de door de wol geverfde militair, weet de tegenstand te breken en in 748 is de orde hersteld. Net als in Syrië blijft de situatie echter instabiel.
Als de pest toeslaat en hongersnoden het rijk teisteren ligt de weg open voor rebellen uit Khorasan geleid door Abu Moslim, een vrijgemaakte slaaf en leider van een militante secte die in 748 de gouverneur uit Merv heeft verjaagd en nu het kalifaat van de Omajjaden bedreigt. In 749 nemen deze rebellen Kufa in en wordt Abu al-Abbas Abd Allah ibn Moḥammed, een verre verwant van de Profeet, uitgeroepen tot tegenkalief.

Marwan II trommelt vervolgens zijn aan hem loyale Qays op en trekt met zijn leger Irak binnen waar hij in februari in de slag bij de rivier Zab door de Abbasiden wordt verslagen. Marwan II en zijn volgelingen vluchten richting Egypte, maar worden nabij Fustat verrast en omgebracht. Datzelfde lot treft veel familieleden van de Omajjaden. Abu-Abbas brengt hen meedogenloos om en verwerft zich daarmee de bijnaam Abu al-Abbas al Saffah oftewel de bloedvergieter.
Eén van de Omajjaden, Abd al-Rahman, weet aan het bloedbad te ontkomen en vlucht naar het Iberisch Schiereiland waar het Omajjaadse kalifaat van Córdoba zal opbloeien tot grote hoogte. Als aan dit kalifaat in 1031 na eindeloze ruzies binnen de familie en veel bloedvergieten door de notabelen van Córdoba wordt opgedoekt en uiteenvalt in zogeheten taifas oftewel kleine koninkrijkjes, betekent dat tevens het einde van deze tak van de Omajjaden-dynastie.
2 – Hodgson, M. G. S., The Venture of Islam 1 The Classical Age of Islam, The University of Chicago Press 1977 p. 247. Zie voor een uitvoerige beschouwing over de betekenis van de Rotskoepel: Hawting, op. cit. p. 59 e.v.
3 – Hodgson op. cit. p. 269.
4 – Kennedy, op. cit. p. 107; Hodgson, op. cit. p. 270. Zie ook: https://www.wikiwand.com/en/articles/Kharaj
5 – Hodgson, op. cit. p. 271.
6 – Kennedy, op. cit. p. 111.
Het kalifaat van de Sufyaniden (661-684)
Het kalifaat van de Omajjaden
Strijd om Mohammeds opvolging legde basis voor splitsing soennieten en sjiieten
Oethman ibn Affan – Derde kalief van het Vroege Kalifaat
Hoe Aboe Bakr de fundamenten legde voor het islamitische kalifaat