De bakermat van de Nederlandse publieke omroep lag in het centrum van Hilversum en is er ook nu nog te zien: de panden Groest 104-108. Het zijn een zogenoemd fabrikeurshuis en een bijbehorend gebouw (vroeger twee). Hier vestigde zich in 1918 de Nederlandse Seintoestellen Fabriek (NSF), die aan de basis stond van de omroep. Die publieke omroep groeide vervolgens tot 1930 tot de vorm die we in hoofdlijnen ook anno 2026 nog kennen.
In 1948 werd pal naast het oude pand Groest 104 in Hilversum een eenvoudige, tijdelijke herinneringspoort van hout neergezet met daarop de tekst: ‘HIER werd in 1918 de N.S.F. opgericht’. Dat was bijna goed, maar niet helemaal. Hoe zat het wel precies?
Nederland was in de Eerste Wereldoorlog neutraal, maar reders hadden van die oorlog – nog los van gevaren op zee – toch veel last. Het probleem was dat de Marconi-fabriek in Engeland op zeker moment geen apparatuur meer kon leveren voor het onderhouden van contact tussen de wal en schepen op zee. Voor dat contact via radiogolven – tot in de wateren van Nederlands-Indië aan toe – hadden reders en de Bataafse Petroleum Maatschappij in 1916 Radio Holland opgericht. Toen echter uit het buitenland geen apparatuur meer kon worden betrokken, werd besloten die dan maar zelf te gaan maken.
Op 27 februari 1918 werd de eerste stap gezet. Bij notaris Fredrik Hendrik van den Helm, Keizersgracht 697 in Amsterdam, werd die dag de NV Nederlandsche Seintoestellen Fabriek (NSF) opgericht. De oprichters waren de Stoomvaart Maatschappij Nederland, de Koninklijke Nederlandsche Stoomvaart Maatschappij, de Koninklijke Hollandsche Lloyd, de Koninklijke Paketvaart Maatschappij, de Java-China-Japan Lijn, Koninklijke Olie en Marconi’s Wireless Telegraph Company.

Een groeiend schapendorp
Als vestigingsplaats voor de NSF is heel even gedacht aan Amsterdam, Alkmaar en Tilburg, maar al snel viel de keus op Hilversum. Dat Gooise schapendorp van weleer was sinds de aansluiting in 1874 op de Oosterspoorlijn (van Amsterdam via Amersfoort richting Duitsland) aan een snelle groei begonnen. Het lag centraal, de grond was er nog goedkoop (zo’n zeventig cent per vierkante meter), in de zandgrond hoefde voor het bouwen van een fabriek niet te worden geheid en er waren voldoende arbeidskrachten voorhanden.
De bouw van een grote NSF-fabriek kwam pas een paar jaar later. Om toch snel te kunnen beginnen, vestigde het bedrijf zich meteen in oprichtingsjaar 1918 in het centrum van Hilversum, aan de Groest, in gebouwen die door tapijtweverij H. Bijlard waren verlaten. Het betrof drie panden, waarvan er anno 2026 nog twee staan die allebei sinds 2002 rijksmonument zijn (inclusief het hek dat het perceel van de straat scheidt). Een informatiebordje van onder meer de plaatselijke historische kring en de ANWB op de voorgevel van Groest 104 vermeldt:
Dit complex (…) wordt beschouwd als de bakermat van Hilversum als Mediastad.

Kenmerkend voor de panden is de ‘Neo-Renaissancistische bouwtrant’, aldus het rijksmonumentenregister. Om te beginnen staat er de voormalige fabrikeurswoning, halverwege de negentiende eeuw gebouwd. Fabrikeur was destijds de term waarmee de eigenaar/directeur van een (machinale) weverij werd aangeduid. Achterin het pand op de begane grond bleef de katholieke leeszaal zitten, het voorhuis en de zolderverdieping kreeg de NSF ter beschikking. Ook betrok de NSF de voormalige ververij, een langwerpig pand naast de fabrikeurswoning, maar iets verder van de straat. Achter het hoofdgebouw stond nog een derde pand dat de NSF ging gebruiken. Dat is inmiddels gesloopt.

In 1918 betrok de NSF-directie op de begane grond van de voormalige fabrikeurswoning het voorhuis. Op de zolder werd plaats gevonden voor de tekenkamer, het laboratorium en de boekhouding. In de voormalige ververij – het lange, tegenwoordig witgeschilderde pand Groest 108 – begon de productie van onder meer zenders en ontvangers. Behalve rederijen hadden marine en luchtmacht daaraan grote behoefte. Op 12 oktober 1918 was het allereerste product klaar, een ‘afstemspoel’ voor de marine. Daarom werd die dag een feestelijke groepsfoto gemaakt van directie en personeel, opgesteld voor de voormalige ververij. In mei 1920 werd een zender gebouwd voor de Amsterdamse effectenbeurs. Die werd verhuurd aan de Vereniging voor de Effectenhandel en bediend door NSF-personeel. Abonnees konden op een klein ontvangsttoestel beurskoersen en ander financieel nieuws beluisteren. In 1921 begon persbureau Vaz Dias via deze zender nieuwsberichten te verspreiden.

Al in maart 1919 was voor de NSF, met toen zo’n tachtig personeelsleden, uitbreiding noodzakelijk. Die werd ruim vierhonderd meter verderop gevonden: Naarderstraat 8. De montage-afdeling werd er ondergebracht. Het pand was in 1912 gebouwd als het luxe Autopalace De Wit. Bijzonder was het voor die tijd zeer moderne, gekromde schaaldak van dun beton. Sinds 2017 zit in het monumentale pand de populaire horecazaak Mout. In mei 1920 huurde de NSF voor de exploitatie-afdeling Groest 76, dat inmiddels is gesloopt.

Een nieuwe fabriek op de hei
Op 8 oktober 1920 begon de bouw van de nieuwe fabriek aan de Jan van der Heijdenstraat (officieel destijds nog met een y, de ij kwam er door een raadsbesluit in 1988). In 1921 was het eerste deel van het complex klaar. De opening vond plaats op 1 juli 1921, hoewel sommige bronnen reppen over 23 augustus. Later raakte het fabriekscomplex omsloten door een woonwijk (en na de sloop staan er sinds 2000 winkelcentrum Seinhorst en nieuwbouwwoningen). Maar oorspronkelijk verrees de nieuwe NSF-fabriek op wat toen nog hei was.
Al vrij snel kreeg de NSF in de nieuwe behuizing te maken met de gevolgen van de teruglopende economie. Om het bedrijf toch draaiend te houden ging de afdeling houtbewerking ramen en deuren maken, de montage-afdeling zette fietsen in elkaar.

Op de plek waar het allemaal begon, Groest 104-108, huizen tegenwoordig uiteraard andere gebruikers. De voormalige ververij biedt nu (2026) onderdak aan een onderneming in bruidsmode. In de oude fabrikeurswoning zit Sonos Europe BV, het Europese hoofdkantoor van dit Amerikaanse bedrijf in geluidsinstallaties. Toepasselijk wel: de NSF maakte apparatuur voor draadloze communicatie, Sonos levert draadloze muzieksystemen.
De eerste radio-uitzendingen

De eerste echte radio-uitzending in Nederland staat op naam van ir. Hans Henricus Schotanus à Steringa Idzerda (1885-1944). Op 6 november 1919 verzorgde hij vanuit zijn woning aan de Haagse Beukstraat een ‘Radio Soirée-Musicale’. Dat deed hij met zijn zender PCGG, een code die was toegekend door de PTT (het staatsbedrijf voor post, telegrafie en telefonie). Idzerda had de uitzending een dag eerder aangekondigd in een advertentie in de Nieuwe Rotterdamsche Courant. Daardoor wordt Idzerda’s technische staaltje beschouwd als de eerste omroep-uitzending ter wereld.

Behoefte aan vermaak
In Hilversum ging dat anders. Daar was de NSF begonnen met de productie van zend- en ontvangstapparatuur voor de scheepvaart. Maar ook werd ingespeeld op de markt van radioamateurs. Met de geleverde onderdelen bouwden zij eigen apparaten. Steeds vaker echter kwam vanuit de handel de vraag: “Maar wat kun je ermee horen?” De radioamateurs vonden morsecodes en informatie over radioapparatuur boeiend genoeg, maar het grote publiek niet. Dat wilde vermaakt worden. In 1921/’22 bouwde de NSF daarom om te beginnen een kant en klaar ‘gezellig houten toestel’ voor radio-ontvangst. Bovendien bedacht directeur Dubois dat het voor de verkoop bevorderlijk zou zijn zelf uitzendingen te gaan verzorgen. Wat hij beoogde, was in feite een commerciële omroep. Het ging er nog niet om reclamezendtijd te verkopen, maar wel radiotoestellen.

Op 8 juli 1923 was het zover: de eerste proefuitzending. De NSF-tekenkamer, in een houten loods achter het hoofdcomplex, was ingericht als klankkamer (studio) van vijf bij vijf meter. De microfoon werd getest door bij herhaling tot tien te tellen. Ook werd een rijmpje opgezegd, in het Engels, wat makkelijk was voor George William White. Tot slot speelde een gehuurde pianola keer op keer – volgens sommigen tot vervelens toe – Schuberts ‘Marche Militaire’.

Na de proefuitzending werd Vogt belast met de verdere programmering. Zo kwam het dat hij de aankondiging verzorgde toen op zaterdag 21 juli 1923 de eerste echte uitzending de lucht in ging. Het uurtje muziek werd verzorgd door onder anderen enkele leden van De Larense Jazzband (L. Mees viool, H. Mossel slagwerk, J. Loeber cello, K. Lommel piano). Ook waren drie zangers te horen. Regionale krant De Gooi- en Eemlander vond het kennelijk maar matig belangrijk, want het verslagje van ‘dezen merkwaardigen avond’ werd weggestopt op een binnenpagina (‘Vervolg plaatselijk nieuws’).
Er kwamen zo’n zeshonderd reacties van mensen uit het hele land die meldden dat ze het muzikale vertier hadden gehoord. Na nog enkele uitzendingen was al te merken dat de vraag naar het complete radiotoestel toenam. Als studio werd spoedig niet meer het houten gebouwtje gebruikt, maar een ruimte in het NSF-hoofdcomplex. Voor de inrichting daarvan werd de hulp ingeroepen van niemand minder dan Willem Marinus Dudok (1884-1974), directeur publieke werken bij de gemeente Hilversum, later in architectuurkringen wereldberoemd door zijn ontwerp voor het nieuwe Hilversumse gemeentehuis.

De volgende stap kwam op 19 augustus 1923. Met een ‘buitenuitzending’ werd een lijnverbinding getest. De Larense Jazzband speelde in Hotel Hamdorff in Laren, het geluid werd via telefoonlijnen naar de NSF-zender in Hilversum gestuurd en van daar uitgezonden. Het werkte goed. Voortaan was men dus niet meer per se gebonden aan de NSF-studio.
Een belangrijke partner: Philips

In 1924 waren de radio-activiteiten dermate toegenomen dat de NSF-directie besloot tot een soort afsplitsing. Het comité, zoals het groepje Vogt/White/Van der Voort was gaan heten, werd uitgebreid met enkele notabelen/radio-amateurs uit het Gooi: G.A. baron Tindal, arts B. Suermondt en opticien L.J. Smit Duyzentkunst. Hoofdtaak van het comité: voor de radio-activiteiten geld binnenhalen. Vogt verzon voor luisteraars die vrijwillig doneerden de term ‘luistervinken’. Om de lossere band met de NSF te benadrukken tooide het comité zich vanaf 1 april 1924 met de naam Hilversumsche Draadlooze Omroep (HDO).

Voor de uitzendingen stelde de NSF technisch personeel en de zender gratis ter beschikking. Op 1 mei 1925 trad Vogt uit NSF-dienst om zich volledig op de HDO te kunnen storten. Per 1 maart 1926 werd de HDO een zelfstandige stichting en daarmee geheel losgeknipt van de NSF. Op 1 oktober 1926 had de HDO ongeveer 19.000 luistervinken onder de kleine 48.000 bij de PTT geregistreerde radiobezitters in Nederland. Bij de HDO begon de hoop te leven uit te groeien tot nationale omroep – neutraal, los van enige politieke of religieuze richting. Vooral voor Vogt speelde dat sterk, nog tot in de bezettingstijd in Tweede Wereldoorlog.
De eerste omroeporganisaties
Op de NSF-zender werd intussen incidenteel zendtijd verhuurd aan anderen dan de HDO. Aan christelijk weekblad Het Leven bijvoorbeeld, dat een kerkdienst uitzond, en aan de firma Jamin, die een lezing liet horen met de titel Lof der Zoetheid. Ook dienden zich gegadigden aan die zelf het karakter hadden van een omroeporganisatie. De eerste was een nog naamloos christelijk comité, maar toen het in november 1924 tot daadwerkelijke oprichting van een organisatie kwam, werd gekozen voor de naam Nederlandsche Christelijke Radio-Vereeniging (NCRV). Het voorlopige comité had al een contract gesloten over de huur van zendtijd op de NSF-zender.
Daarmee ging het spel op de wagen en werd de weg naar verzuiling ook in omroepland betreden. De NCRV was overigens met opzet een vereniging: leden zouden invloed kunnen uitoefenen – anders dan de luistervinken, die bij de HDO niets in te brengen hadden. De NCRV-oprichters zagen ook helemaal niets in de HDO als nationale omroep, want dan, zo werd aangenomen, zou er in de ether geen christelijk geluid te horen zijn.
Na het initiatief vanuit protestants-christelijke kring vonden de Nederlandse bisschoppen dat de rooms-katholieken niet achter konden blijven. Ook van katholieke zijde werd NSF-zendtijd gehuurd en in juni 1926 werd de Stichting Katholieke Radio Omroep (KRO) opgericht. Al in november 1925 was in sociaaldemocratische kring besloten tot oprichting van de Vereeniging van Arbeiders Radio-Amateurs (VARA), waarvoor eveneens bij de NSF zendtijd werd gehuurd. In juli 1926 volgde tot slot de oprichting van de Vrijzinnig Protestantsche Radio-Omroep (VPRO). Niet dat men in die kring veel op had met de zuilenstructuur, maar gevreesd werd dat het vrijzinnig protestantse geluid niet of nauwelijks te horen zou zijn als men niet zelf een omroep zou oprichten.
De curieuze situatie was inmiddels dat de NSF, waaruit de HDO was voortgekomen, geld verdiende door zendtijd te verhuren aan omroeporganisaties die de HDO (terecht) beschouwde als serieuze concurrenten. Na enig organisatorisch geharrewar kwam als opvolger van de HDO op 1 januari 1928 de Algemeene Vereeniging Radio-Omroep (AVRO) tot stand. Willem Vogt en de zijnen riepen om het hardst dat ze neutraal waren, maar de andere omroepen hadden eerst de HDO en vervolgens de AVRO allang het etiket liberaal opgeplakt. Inmiddels hadden de NCRV en de KRO met hulp van de NSF in Huizen een eigen zender gekregen. Die werd op 22 oktober 1927 in gebruik genomen. Al in 1925 was over zo’n zender geheim overleg begonnen van NCRV- en KRO-bestuurders met de politieke leiders Colijn (ARP) en Ruijs de Beerenbrouck (RKSP), waaruit blijkt dat omroep vanaf het begin (ook) een politieke zaak was.

Hilversumse villa’s
Omdat ook NCRV, KRO en VARA de gelegenheid kregen de studio in het NSF-complex te gebruiken, besloot de HDO die te verlaten. In maart 1927 werd in Hilversum een dubbele villa betrokken: Witte Hullweg 1-3, op de hoek met de Hoge Naarderweg. De panden werden gehuurd van de gemeente en er werden twee studio’s ingericht. Omdat sloop van die panden eraan kwam vanwege de bouw van het nieuwe Hilversumse raadhuis plus vijver en omringend groen (architect: W.M. Dudok) verkaste de inmiddels tot AVRO omgevormde omroep naar de nabijgelegen villa Sole Mio, Oude Enghweg 4. De parterre daar kwam ter beschikking van de omroep, op de eerste verdieping ging het gezin Vogt wonen.
Net als de AVRO betrokken de andere omroepen aanvankelijk in Hilversum villa’s, waarin ze een of meer kamers inrichtten als studio. Pas later verrezen de trotse nieuwe gebouwen van de AVRO (1934-’36, ’s-Gravelandseweg), VARA (1929-’32 en later, Heuvellaan), NCRV (1938-’41, Schuttersweg) en KRO (1936-’38, Emmastraat). Een mooi voorbeeld is de VARA. Met geld van De Centrale (voluit De Centrale Arbeiders Verzekerings- en Depositobank) kocht de VARA in 1928 villa Quiete, Heuvellaan 33. Daarna verrezen op het perceel de eerste speciaal voor radio ontworpen studio van Nederland plus een toren, in latere jaren volgen uitbreidingen. Alleen de VPRO deed niet aan nieuwbouw. Tientallen jaren zou deze omroep gevestigd zijn in eerst één en uiteindelijk zes al bestaande villa’s (’s-Gravelandseweg).

Politieke bemoeienis
Al vroeg was de Nederlandse overheid zich met de omroep gaan bemoeien, om te beginnen om te voorkomen dat ander radioverkeer zou worden gestoord. Omdat het aantal elkaar niet storende golflengtes relatief beperkt was, ging de overheid werken met zendvergunningen. Ook zwaar woog de vrees dat strafbare of onzedelijke zaken de ether in geslingerd zouden kunnen worden. Toen eenmaal heuse omroepen waren opgericht kwam daar het vraagstuk bij van de verdeling van de zendtijd, dat zeer weerbarstig bleek.
Niet minder dan drie commissies hielden zich in de tweede helft van de jaren twintig bezig met de omroepproblematiek. Erg opschieten deed het niet, terwijl de omroepen groeiden als kool. In 1930 had de KRO 101.595 leden, de AVRO 94.000 en de VARA 70.927. Van de NCRV is het eerste cijfer bekend over 1931: 98.435 leden. De VPRO bleef fors achter met 26.329 leden in 1930.
Toen de commissies en de omroepen zelf er niet uitkwamen, deed de AVRO in 1929 nog een laatste poging om het in de ogen van Vogt en de zijnen naderende onheil af te wenden. Ze vonden dat hun AVRO de nationale (dus enige) omroep moest zijn. Vierhonderdduizend handtekeningen werden verzameld onder een petitionnement, waarin de regering werd gevraagd…
…dat de pogingen van anderen tot verkrijging van zendtijd – die een historisch verworven bezit is van de A.V.R.O. – zouden worden afgewezen.
Radioreglement en Zendtijdbesluit

…in zoodanige mate gericht zijn op bevrediging van in het volk levende cultureele of godsdienstige behoeften, dat hare uitzendingen uit dien hoofde geacht kunnen worden van algemeen nut te zijn.
Op straffe van intrekking van de vergunning mochten de omroepen niets uitzenden dat op gespannen voet stond met de veiligheid van de staat, de openbare orde en de goede zeden. Daarop zou worden toegezien door de Radio-Omroep Controle Commissie, bestaande uit vijf door de Kroon benoemde leden. Van de censuur kreeg vooral de VARA veel last. Honderden programma’s van deze omroep werden in de jaren die volgden geheel of gedeeltelijk geschrapt. Strijdlied De Internationale mocht de VARA slechts uitzenden met weglating van het begin van het tweede couplet: ‘De staat verdrukt, de wet is logen’ (in de vertaling die Henriëtte Roland-Holst had gemaakt van het Franse origineel).
Ook bevatte het Radioreglement de cruciale bepaling dat de radiozendtijd naar billijkheid zou worden verdeeld. Op 15 mei 1930 volgde daarom Reijmers Zendtijdbesluit, dat eveneens op 1 juli inging. De AVRO en de VARA kregen een uitzendvergunning voor de zender in Hilversum, de KRO en de NCRV voor die in Huizen. AVRO, VARA, KRO en NCRV kregen ieder veertig procent van de zendtijd op de hun toegewezen zender (dus elk twintig procent van de totale zendtijd). Vijftien procent van de tijd op beide zenders werd gereserveerd voor een ‘Algemeen Programma’, beurtelings in te vullen door de omroepen. Wat precies ‘algemeen’ was, bleef wat mistig, al was wel duidelijk dat niemand zich erdoor gekwetst mocht voelen. De resterende vijf procent op beide zenders was voor kleine omroepen, wat in de praktijk van toen betekende: de VPRO. Die werd overigens overgeheveld van de zender in Huizen naar die in Hilversum.

De AVRO was verbijsterd. Willem Vogt hekelde het ‘afschuwelijke sloperswerk’ van de regering met als resultaat ‘de dorre potplantenperken der partij-verstarring’. De AVRO organiseerde tegen Radioreglement en Zendtijdbesluit diverse protestbijeenkomsten. Op 6 september 1930 kwamen honderdduizend luistervinken demonstreren in Den Haag. Het haalde niets uit. Parlementaire steun kreeg Reijmer van de katholieke RKSP, de protestants-christelijke ARP en CHU en de sociaaldemocratische SDAP.
Later gebeurde er in omroepland uiteraard nog veel. Er kwam naast radio ook televisie (1951), er kwamen STER-reclame (1965) en commerciële tv (1989), er kwamen publieke omroepen en omroepjes bij. Maar wat in 1918 was begonnen op de Groest in Hilversum kreeg na veel getouwtrek in 1930 in hoofdtrekken de vorm die we anno 2026 nog steeds kennen: de publieke omroep.
– Draadloos concert, De Gooi- en Eemlander 23 juli 1923.
– Dudok Architectuur Centrum: Een fabrikeurswoning aan de Groest. In: HilversumsNieuws 27 november 2025.
– Petrus Johannes Maria de Goede: Omroepbeleid met en tegen de tijd. Interacties en instituties in het Nederlandse omroepbestel 1919-1999. Proefschrift, Universiteit Leiden, 1999.
– Het jubileum der N.S.F, De Gooi- en Eemlander 13 april 1928.
– J.H.J. van den Heuvel: Dubois, Antoine (1887-1956), in: Biografisch Woordenboek van Nederland 1 (Den Haag 1979), online bijgewerkt 12-11-2013.
– W.J.M. Klaassen: Reijmer, Paul Johan (1882-1952), in: Biografisch Woordenboek van Nederland 3 (Den Haag 1989), online bijgewerkt 12-11-2013.
– A.H. Meijer: Straatnamenboek van Hilversum (Hilversum 1988).
– Eddie de Paepe: Het Gooi toen & nu: Radio en televisie (Zwolle 2009).
– Parlement.com: Mr. P.J. (Paul) Reijmer.
– Recordermagazine.nl: De HDO stond aan de omroepwieg, 20 augustus 2018.
– Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed: Rijksmonumentenregister, Groest 104-106 en Groest 108 Hilversum.
– Peter Schavemaker: 100 jaar Hilversum Mediastad (Groet 2018).
– A.L. van Schelven: Idzerda, Hans Henricus Schotanus Steringa (1885-1944). In: Biografisch Woordenboek van Nederland 1 (Den Haag 1979), online bijgewerkt 7-8-2017.
– Spreekbuis.nl: De Nederlandse Seintoestellen Fabriek, bakermat van de omroep (29 oktober 2018).
– Meindert Tepper: Hilversum van A tot Z (Hilversum 2025).
– Stadsarchief Amsterdam, Algemeen adresboek der stad Amsterdam 1918-1919.
– Dick Verkijk: Radio Hilversum 1940-1945 (Amsterdam 1974).
– D. de Vilder: NSF (Hilversum 1948, jubileumboek).
– Arno Weltens: Hilversums historie. W.M. Dudok en de radio. In: Hilversums historisch tijdschrift Eigen Perk 1992/1.
– Joep van der Wiel: Het nieuwe wonder. Over het ontstaan van het Nederlandse omroepbestel, 1919-1930. Doctoraalscriptie geschiedenis, Universiteit Utrecht, 2006.
– Huub Wijfjes: VARA. Biografie van een omroep (Amsterdam 2009).
– Wikipedia: Guglielmo Marconi.
Heinrich Hertz (1857-1894) – Ontdekker van de radiogolven
Paul Kruger kon in Hilversum op adem komen
VPRO ontketende in 1978 een chaotisch ‘Project X’ in Woudrichem
De volksontvanger of i-Hitler: propagandaradio in nazi-Duitsland