De Abbasidische Revolutie, die tegen 750 uitbreekt in de oostelijk gelegen provincie Khorasan van het kalifaat der Omajjaden (661-750), is een uitbarsting van een groeiende ontevredenheid over de manier waarop de Omajjaden hun rijk besturen. Hen wordt discriminatie verweten van niet Arabieren en van het verloochenen van de idealen van Mohammed, van een gebrek aan religieus leiderschap.
De verre provincie Khorasan
Ongetwijfeld is het de verdienste van de Omajjaden dat onder hun leiding het islamitische rijk uitgroeit tot een van de grootste wereldmachten ooit, dat reikt vanaf de rivier de Oxus in de voormalige Sassanidische provincie Khorasan in het oosten tot aan de Pyreneeën van het Iberisch Schiereiland in het westen. Tijdens hun kalifaat zijn er twee afzonderlijke Omajjaden families aan de macht: de Sufyaniden (661–684) en de Marwaniden (684–750).

Tegen dit bewind groeit weerstand vanuit diverse hoeken. In de eerste plaats zijn er de zogeheten mawalï, de tot de islam bekeerde oorspronkelijke bewoners van de door de Arabieren bezette gebieden die door de Omajjaden behandeld worden als tweederangs burgers. Dat speelt zeker in het verre Khorasan waar zich tijdens het kalifaat van Moe’awija I (661-680) veel Arabieren vestigen in de zogeheten oase van Merv, een belangrijke handelsstad van deze provincie.
Daarnaast groeit de oppositie van de sjiieten, aanhangers van Ali ibn Abi Talib, de vierde kalief van het Vroege Kalifaat en een neef van Mohammed. Deze sjiieten vertrouwen het kaliefschap alleen toe aan iemand zoals Ali, iemand uit het huis van de Profeet. En dan zijn er de Jemenieten, behorend tot de clan van de Kalb en afkomstig uit het zuiden van het Arabisch Schiereiland – de Hidjaz – die zich vestigen in Syrië en daar voortdurend overhoop liggen met de leden van de Qays clan, immigranten uit het noorden van Arabië. De Qays steunen het regime van de Marwaniden, terwijl de Jemenieten zich tegen hen keren.
De controverse tussen deze stammen – ooit ontstaan over graasrechten – waaiert uit over het gehele moslimrijk en in Khorasan, waar de Qays de Omajjaadse gouverneur steunen, sluiten de Jemenieten zich aan bij de revolutionairen. Tenslotte groeit er in Khorasan een alliantie van Arabische kolonisten met de overgebleven Perzische en inmiddels geïslamiseerde aristocratie die niets wil weten van de dictaten vanuit Damascus en volgens de historicus Hamilton Gibb een doorslaggevende bijdrage heeft geleverd aan het slagen van de Abbasidische Revolutie.1

Gedurende het kalifaat van Hashim (724-750) wordt Khorasan geteisterd door aanvallen van Turkse nomadenstammen, de Thürkesh en Chazaren, respectievelijk afkomstig uit Centraal-Azië en het noordelijk deel van de Kaukasus, waardoor tal van Khorasanen zich harden in de strijd en een potentiële bron vormen waaruit revolutionaire bewegingen kunnen putten om zich snel te voorzien van een sterk regionaal leger. Kortom, Khorasan biedt tegen het midden van de achtste eeuw een vruchtbare bodem voor opstandigen tegen het regime van de Omajjaden.
Vooral onder hasjemieten in Khorasan, leden van de clan waartoe ook de Profeet behoort (de Banu Hashim), groeit de weerzin tegen de Marwaniden. Naar hun mening wordt het de hoogste tijd dat de Omajjaden verdreven worden en er een kalief komt uit de familie van Mohammed. Deze hasjemieten maken deel uit van een in de Iraakse garnizoensplaats Kufa ontstane sektarische beweging die bekend staat als de hashimijja. Een titel die verwijst naar Mohammed ibn al-Hanafijja, de zoon van Ali.
Ibn al-Hanafijja wordt door zijn volgelingen beschouwd als de mahdi, de verlosser of imam die veranderingen in het regime teweeg kan brengen. In die rol wordt hij geplaatst door Mukhtar, de rebel die in 685 Kufa weet te veroveren, maar uiteindelijk zijn opstand in rook ziet vervliegen, waarna de hashimijja ondergronds gaan. Pas in 747 zullen zij vanuit Merw, onder de aanvoering van de Abbasiden, de revolutie aanjagen.
Opstanden in Khorasan
Maar voordat het zover is breken er in Irak nog diverse opstanden uit in vervolg op die van Mukhtar. In 740 revolteert Zayd ibn Ali, een afstammeling van Ali, die in Kufa arriveert vanuit de zuidelijke Hidjaz en de Kufanen belooft dat er een kalief zal worden geïnstalleerd die afkomstig is uit het huis van de Profeet. Zayd delft het onderspit en wordt door de Omajjaden om het leven gebracht.
Drie jaar later is het opnieuw raak. Dit keer revolteert Yahya ibn Zayd, de zoon van Zayd ibn Ali. Deze rebellie ontvouwt zich in het oosten van Khorasan waar de jonge Yahya geen partij is voor de Omajjaden. Toch is hij van betekenis als verspreider van het sjiitische gedachtegoed in het oosten en wekt hij sympathie voor de zaak van de hasjemieten.2
In 744 vindt er een opstand plaats in Kufa geleid door Abd Allah ibn Moe’awija, de achterkleinzoon van Ja’far ibn Abi Talib, een broer van Ali, die zich weet te verzekeren van een aanzienlijke aanhang. Ook deze opstand mislukt en Abd Allah trekt zich terug in Khorasan waar hij in het gezelschap verkeert van vooraanstaande leden van het huis der Abbasiden waaronder de latere kalief al-Mansur. Enkele jaren later wordt hij verraden en vermoord, maar hij is zeker van betekenis geweest voor het ontstaan van de Abbasidische Revolutie die wellicht nooit zou hebben plaatsgevonden als hij in zijn bedoelingen was geslaagd.3

De alliantie tussen beide opstandelingen is geen lang leven beschoren en eindigt in de dood van al-Harith, waarmee al-Kirmani alleenheerser is van de stad.
Het duurt niet lang of Nasr keert terug naar Merv dat hij met hulp van de Qays hoopt te kunnen heroveren op al-Kirmani. Terwijl de kemphanen iets buiten Merv hun stellingen betrekken, komt hen ter ore dat de hashimijja in opstand komen waarop zij besluiten de handen ineen te slaan. Dit voornemen dreigt op niets uit te lopen als een zoon van al-Harith roet in het eten gooit en al-Kirmani ombrengt als wraak voor de dood van zijn vader. Niettemin wordt de zaak beklonken. Al-Kamari’s zoon Ali schaart zich achter Nasr die Merw weer als gouverneur binnentrekt.
De Revolutie
De Abbasiden zijn afstammelingen van een oom van de Profeet, Abbas ibn Abd al-Muttalib, wiens achterkleinzoon Mohammed ibn Ali in 716 succesvol de status claimt van mahdi wanneer de zoon van Mohammed ibn al-Hanafijja, Aboe Hashim, kinderloos overlijdt. De Abassiden beweren dat Aboe Hashim op zijn sterfbed zijn verre neef Mohammed ibn Ali benoemd heeft als de mahdi die een einde zal maken aan het gehate bewind van de Omajjaden. Daartoe neemt hij het aanvoerderschap op zich van de ondergedoken hashimijja en laat hij zijn keuze vallen op Merv als centrum van zijn activiteiten in de wetenschap dat hij daar een revolutionair leger kan rekruteren.

Mohammed ibn Ali komt te overlijden in 743 en wordt opgevolgd door zijn zoon Ibrahim ibn Muhammad al-Abbasi (ook bekend als Ibrahim al-Imam) die nu de titel van mahdi draagt. Hij neemt het commando over van de revolutionaire beweging op hetzelfde moment dat het rijk der Omajjaden uiteen dreigt te vallen na de dood van de laatste grote kalief Hisham. Rebellen in Kufa beginnen zich te roeren, wat voldoende reden is voor Ibrahim om Aboe Salama, de opvolger van Bukayr, vergezeld van de jonge Aboe Moslim, naar Merv te sturen teneinde orde op zaken te stellen.
Na korte tijd keren zij terug naar Kufa en laten de leiding over aan de Jemeniet Suleyman ibn Kathir. Deze Suleyman stelt zich aanvankelijk onafhankelijk op tegenover de Abbasiden van Kufa, maar accepteert gaandeweg hun voogdijschap, in de wetenschap dat de Abbasiden de enige realistische macht vertegenwoordigen om de Omajjaden ten val te brengen. Een voogdijschap dat gestalte krijgt wanneer Aboe Moslim als afgevaardigde van Aboe Salama in 747 in Khorasan arriveert.
Uit naam van Ibrahim legt hij twee zwarte vaandels neer aan de voeten van de hashimijja die zich verzameld hebben in het dorpje Sikadanje nabij Merw. Vaandels die de namen dragen van Wolken en Schaduwen, voortrazende wolken van de Abassiden die ooit zullen heersen over het uitgestrekte gebied geleid door de altijd aanwezige schaduw van een Abbasidische imam.7 Ibrahim al-Imam zal het succes van de revolutie niet meer meemaken. De Marwaniden, die de Abassiden al enige tijd verdenken van subversieve activiteiten en overtuigd zijn van de leidende rol die Ibrahim daarin speelt, arresteren de mahdi op bevel van kalief Marwan II en brengen hem in augustus 749 om het leven.
Aboe Moslim groeit op in Kufa waar hij in aanraking komt met de sjiitische beweging. Zijn volledige naam: Aboe Moslim Abd al-Rahman ibn Moslim al-Khorasani – waarvan wordt aangenomen dat deze pas in een later stadium verzonnen is – zegt dat hij een moslim is, zoon van een moslim en vader van een moslim, terwijl het laatste deel verwijst naar zijn afkomst uit Khorasan zonder verwijzing naar een of andere stam. Het is een prachtig etiket voor de man die geacht wordt de Abassidische Revolutie te leiden.8
In juni 747 heft Aboe Moslim de zwarte banieren en weet in de nederzettingen rond Merv een aanzienlijk leger op de been te brengen. De manschappen worden naar moslimgebruik geregistreerd in een zogeheten diwan waarin namen, die van hun vaders en hun dorp worden vermeld, maar een verwijzing naar de stam waarvan zij deel uitmaken of hun afkomst (Arabisch of niet Arabisch) ontbreekt. Het is een poging om de door de revolutionairen gewenste assimilatie en gelijkschakeling van bevolkingsgroepen te bewerkstelligen.9

In datzelfde jaar nog brengt hij Ali, wiens hulp hij niet meer nodig heeft, om het leven. In zijn genadeloos streven naar macht en angst voor concurrentie, vermoordt Aboe Moslim in 750 ook de verdienstelijke Suleyman ibn Kathir.
Voor de tweede keer vlucht Nasr naar Nishapur. Aboe Moslim laat het aan de Jemeniet Qahtaba ibn Shahib al Ta’i over om de uitgeweken gouverneur te achtervolgen die er niet in slaagt het leger van de hashimijja te bedwingen en Nishapur verlaat om zich in het westelijker gelegen Qumis aan te sluiten bij een door kalief Marwan II daarheen gedirigeerd leger. Daar worden zij door Qahtaba verslagen. Nasr weet te ontkomen en overlijdt in 749 te Ray, nabij Teheran.
Qahtaba laat er geen gras over groeien, dringt met zijn troepen Irak binnen en verovert in oktober 749 Kufa, waar Aboe al-Abbas, de drieëntwintig jarige broer van de door kalief Marwan II terechtgestelde Ibrahim al-Imam, diens titel van mahdi verkrijgt en wordt uitgeroepen tot kalief. Zijn oom, Dawud ibn Ali, kondigt de Abbasidische machtsovername officieel af in de grote moskee van de stad met de woorden:
Heden is het gezag eindelijk hersteld. Heden is de zon weer opgekomen in het oosten [….] en nu zijn de legitieme rechten terug waar zij behoren [….] God zij geprezen [….] die ons de erfenis van Mohammed onze Profeet in handen heeft gelegd [….] nu zijn de donkere nachten van deze wereld verjaagd [….] Hij heeft te midden van jullie een kalief het licht doen zien uit de clan van Hashim [….] Hij heeft jullie een imam geschonken die vervuld is van rechtvaardigheid [….].11
Nu Irak vrijwel onder controle is van de Abbasiden maken zij zich op voor een laatste confrontatie met kalief Marwan II die zij in januari 750 onder aanvoering van Abd Allah ibn Ali weten te verslaan in de slag bij de rivier de Grote Zab, gelegen in het noorden van Irak. Diverse aanhangers van Marwan sluiten zich aan bij de Abbasiden, maar de kalief zelf neemt de wijk – met medeneming van de parafernalia behorend bij het leiderschap van de moslimrijk: de staf, ring en mantel van de Profeet – naar het dorpje Busir nabij Fustat in Egypte. Daar wordt hij door een detachement van Abbasiden ontdekt. Hij heft op het laatste moment het zwaard op tegen zijn belagers maar wordt omgebracht.
Na dit machtsvertoon van de Abbasiden trekken zij Syrië binnen om korte metten te maken met de restanten van het Omajjaadse bewind door de overgebleven leden van deze dynastie uit te moorden, bang als zij zijn voor een herrijzenis van de Omajjaden. Dat zou gebeurd zijn tijdens een door de nieuwe kalief voor zijn slachtoffers zorgvuldig voorbereid banket.12 Een onwaarschijnlijk verhaal, maar Aboe al-Abbas al Saffah, oftewel de bloedvergieter, dankt zijn bijnaam zeker aan de meedogenloze manier waarop hij de Omajjaden heeft omgebracht.

Eén van de Omajjaden, de twintigjarige Abd al-Rahman, weet te ontsnappen naar Noord-Afrika en bouwt daar een krijgsmacht op waarmee hij in 756 het Iberisch Schiereiland binnendringt en een zelfstandig vorstendom sticht. Een vorstendom dat later wordt omgezet in een emiraat en zich in 929 afscheidt van de Abbasiden door het kalifaat van Córdoba uit te roepen. Onder deze tak van de Omajjaden bloeit in al-Andalus een beschaving op zonder weerga waaraan in 1031 een einde komt als dit rijk uiteenvalt in kleine koninkrijkjes, de zogeheten taifas. De vlucht van Abd al-Rahman baart Aboe al-Abbas niet alleen zorgen, maar wekt bij hem ook bewondering door naar hem te verwijzen als De Valk.13
Was de Abbasidische Revolutie een strijd tegen goddelozen?
Lang heeft onder historici het beeld bestaan van de Abbasidische Revolutie als een opstand van vrome moslims tegen een geseculariseerd regime dat ver is afgegleden van de idealen die Mohammed predikte en dat niet of nauwelijks heeft bijgedragen aan de ontwikkeling van het islamitische geloof of rechtssysteem. Al in 1890 zet Ignaz Golziher in zijn Muslim Studies de toon met de opmerking dat de Omajjaden zich…
…weinig zorgen (maakten) over het religieuze leven van de bevolking. Als echte Arabieren schonken zij weinig aandacht aan religie, zowel in hun eigen gedrag als in dat van hun onderdanen.14
Marshall Hodgson wijdt in zijn doorwrochte studie The Venture of Islam de nodige aandacht aan wat hij noemt de rol van de Piety-minded oftewel de vroomheidsgezinden, die hij een belangrijke rol toekent in de oppositie tegen het het Omajjaadse bewind. Hodgson omschrijft de Piety-minded – een term die hijzelf munt – als:
….een algemeen begrip dat al de verschuivende groepen omvat die zich verzetten tegen het Marwanidische bewind, of die in ieder geval kritisch stonden tegenover het vigerende islamitische leven [….]. Ik heb het natuurlijk primair over de religieuze autoriteiten, later de oelama genoemd, die zich als leiders opwierpen.15
Hij trekt de vroomheid van de Marwaniden overigens niet in twijfel :
De Marwaniden waren al met al noch vromer, noch minder vroom dan de meeste van de volgelingen van deze godsvruchtigen. [….] vanwege hun onislamitische “vernieuwingen”, kregen zij van de oppositie het stempel opgedrukt van goddeloosheid en soms werden zij beschuldigd van verraad aan de islam zelf [….].16
En inderdaad, zoals hierboven aangegeven introduceren de Marwaniden aantal vernieuwingen die veel van deze vroomheidsgezinden tegen de borst stuit. Maatregelen die in hun ogen niet te rijmen zijn met de idealen en levenswandel van de Profeet, neergelegd in de soenna. Zij verwachten van de kalief dat hij in religieus opzicht het goede voorbeeld geeft, zijn rol als geestelijk leider, als de mahdi, inhoud geeft.
De vroomheidsgezinden verzetten zich hiermee tegen de al onder de derde kalief Oethman ibn Affan ingezette tendens om zich niet zoals zijn voorgangers Plaatsvervanger van de Profeet te noemen, maar Plaatsvervanger van God, waarmee hij zich positioneert als een absolutistische koning die zich in principe weinig hoeft aan te trekken van interpretaties van oelama, de gemeenschap van rechtsgeleerden die Mohammeds leer interpreteren en deze zo goed mogelijk vertalen in wetgeving.
Maar gedragen de Marwaniden zich zodanig dat de oelama zich massaal tegen hen keert zoals Hodgson meent? Is het inderdaad zo dat, ondanks dat deze Omajjaden er volgens Hodgson niet van kunnen worden beticht ongelovig te zijn, zich de de weerzin van de oelama op de hals halen die zich vervolgens massaal aansluiten bij andere, soms extremistische, groeperingen zoals kharidjieten, sjiieten, Abbasiden en de hashimijja?
In zijn recente studie Religious Scholars and the Umajjads17 komt Steven Judd na een analyse van het werk van een aantal vooraanstaande geleerden uit die tijd tot een genuanceerder beeld. Volgens Judd veegt Hodgson ten onrechte een aantal qua opvattingen nogal verschillende bewegingen in de islam op een hoop onder de noemer van vroomheidsgezinden die zouden zijn aangevoerd door de oelama. Al deze bewegingen zijn in Hodgsons visie aaneengeklonken tot een gezamenlijke oppositie tegen de Marwaniden. Deze opvatting correspondeert met die van Montgomery Watt die in zijn The Formative period of Islamic Thought stelt:
Vanaf het begin stond een meerderheid binnen de oude school van rechtsgeleerdheid kritisch tegenover de praktijken van de Omajjaden [….] en tegen het jaar 750 was het merendeel van de “algemene religieuze beweging” vervreemd van de Omajjaden en stond sympathiek tegenover de Abbasiden.18
Ook Gerald Hawting is de mening toegedaan dat de rechtsgeleerden ten tijde van de Omajjaden gerekend kunnen worden tot de door Watt genoemde algemene religieuze beweging. Judd wijst op de volgende passage in Hawtings monografie over de Omajjaden:
[….] onder de Omajjaden begon de categorie van rechtsgeleerden op te komen [….] die hoofdzakelijk verrees in oppositie tot de regering der Omajjaden.19
In zijn studie komt Judd tot de conclusie dat deze rechtsgeleerden geenszins gemeenschappelijke oppositie voeren tegen de Marwaniden en de kaliefs zeker niet onverschillig staan tegenover de interpretaties van de oelama. Met Hodgson stelt hij vast dat de kaliefs niet vromer of minder vroom waren dan hun tegenstanders, maar hij ontkracht de stelling van Hodgson dat de Abbasidische Revolutie een frontale strijd is tegen goddeloze Omajjaden waar rechtsgeleerden en bloc deel van uitmaken. Er is, aldus Judd:
…geen simpele kloof tussen de “vroomheidsgezinde” rechtsgeleerden aan de ene en goddeloze heersers aan de andere kant. In plaats daarvan bestond er een complexe, dikwijls twistzieke gemeenschap van geleerden die onderling en met de Omajjaadse dynastie zelf interacteerden.20
Geloofsgezindheid en politieke oppositie ten tijde van de Marwaniden zijn volgens Judd geenszins twee kanten van dezelfde medaille. Hij betoogt dat de gemeenschap van rechtsgeleerden merendeels loyaal is aan de Omajjaden, dat zij door hen serieus worden genomen en dat zij onder hun bewind volop bijdragen aan de wasdom van het islamitisch recht en dogmatiek.21
2 – El-Hibri, T., The Abbasid Caliphate, Cambridge University Press 2021 p. 30.
3 – Shaban, M. A., The Abbasid Revolution, Cambridge University Press 1970 p. 149.
4 – Omar, F., The Abbassid Calliphate, niet uitgegeven proefschrift Universiteit van Londen p. 88.
5 – Lewis, B., The Abbasids, https://www.academia.edu/14490242/_693_ABBASIDS_Bernard_LEWIS
6 – Omar, op. cit., p. 92.
7 – El-Hibri, op. cit. p. 28.
8 – Shaban, op. cit. p. 154.
9 – Op. cit., p. 158.
10 – Hawting, G. R., The First Dynasty of Islam, Routledge New York 2000 (digitale reprint) 2005 p. 108. Zie ook Shaban op. cit. p. 159-160.
11 – Geciteerd in El-Hibri op. cit. p. 39-40.
12 – Chejne, A. G., Historia de España Musulmana, Catedra, University of Minnesota 1974 p. 24.
13 – El-Hibri, op. cit. p. 41.
14 – Golziher, I., Muslim Studies, Barber, C.R. and Stern S. M. (ed.), Aldine Publishing Company Chicago p. 38-39.
15 – Hodgson, M. G. S., The Venture of Islam 1 The Classical Age of Islam, The University of Chicago Press 1977 boek II hst. 1: The Islamic Opposition. p. 250.
16 – Op. cit., p. 251.
17 – Judd, S. C., Religious Scholars and the Umajjads, Piety-minded supporters of the Marwanid caliphate, Routledge, New York 2019 p. 5.
18 – Watt, W. M., The Formative period of Islamic Thought, One World, Oxford 1998 p. 67.
19 – Hawting, op. cit. p. 2.
20 – Judd, op. cit., p. 143.
21 – Op. cit. p. 146. Zie ook Schacht, J., 1963 An Introduction to Islamic Law, Oxford at the Clarendon Press 1963 p. 23.
Het kalifaat van de Omajjaden
Kalief al-Mansur en de consolidatie van het Abbasidische kalifaat
Het Kalifaat van Samarra en het verval van Bagdad (833-946)
De val van Bagdad in 1258 – Mongolen maakten einde aan Abbasidisch kalifaat
De hoogtijdagen van het Abbasidische Kalifaat (775-833)