Het Kalifaat van Samarra en het verval van Bagdad (833-946)

24 minuten leestijd
Grote Moskee van Samarra
De Grote Moskee van Samarra, gebouwd onder kalief al-Mutasim. De stichting van Samarra als nieuwe residentie markeerde de opkomst van Turkse militaire macht en het begin van een onrustige periode binnen het Abbasidische kalifaat. (CC BY-SA 4.0 - Fakhri Mahmood - wiki)

Na het overlijden van kalief al-Mamun komt het moslimrijk steeds meer onder invloed te staan van Turkse militaire leiders van wier kracht de kalief afhankelijk is. Al-Mutasim, de zoon van al-Mamun laat een nieuwe stad bouwen aan de Tigris: Samarra, die tot 892 dient als residentie. De door de Turken op de troon gezette kaliefs wisselen elkaar in hoog tempo af en er ontstaat chaos in het kalifaat, mede omdat provincies meer autonomie opeisen. Bagdad raakt in verval.

De erfenis van al-Mamun

Kalief al-Mamun, die regeert van 813 tot 833, is de geschiedenis ingegaan vanwege zijn affiniteit met de Vertalersbeweging en zijn positieve houding jegens de wetenschap. Een houding die alles te maken heeft met zijn poging om religie en rationeel onderzoek met elkaar in lijn te brengen. Er doet een apocrief verhaal de ronde, afkomstig uit het werk van de historicus Ibn al-Nadi, over een droom waarin de kalief een ontmoeting heeft met Aristoteles. Er speelt zich de volgende dialoog af.

Al-Mamun zei: ‘Het was alsof ik in zijn aanwezigheid vervuld was van ontzag. Ik vroeg hem: “Wie bent u?” Hij antwoordde: “Ik ben Aristoteles.” Ik verheugde mij, en zei: “O wijsgeer, mag ik u iets vragen?” Hij zei: “Vraag maar.” Ik zei: “Wat is het goede?” Hij antwoordde: “Datgene wat redelijk is.”
Ik vroeg: “En wat nog meer?” Hij zei: “Datgene wat in overeenstemming is met de Wet.” Ik vroeg: “En wat nog meer?” Hij zei: “Datgene wat door het publiek als goed wordt beschouwd.” Ik vroeg: “En wat nog meer?” Hij zei: “Daarna is er geen nog meer.” Ik zei: “Geef mij nog iets mee.” Hij antwoordde: “Wie je raad geeft over goud, moet voor jou zijn als goud. En houd vast aan de eenheid van God.”1

Buste van Aristoteles
Buste van Aristoteles
Waar of niet, feit is dat al-Mamun uiteindelijk de religieuze autoriteit ondergeschikt maakt aan het gezag van de kalief, waarmee hij vroomheidsgezinden, de zogeheten ulama, die de Koran en de hadith (uitspraken van de Profeet) interpreteren, tegen zich in het harnas jaagt. Al-Mamun sympathiseert met het mutazilisme, een religieuze beweging die leert dat niet alles door God is voorbestemd, dat de mens een vrije wil heeft en verantwoordelijk is voor zijn daden. Het mutazilisme benadrukt de absolute eenheid van God en stelt dat deze de Koran geschapen heeft in de tijd. Het is met name deze laatste stelling die mutazilieten in conflict brengt met de de haditheleerden voor wie de Koran eeuwig en ongeschapen is. Voor hen is de Koran gewoon het woord van God.

In 833 doet al-Mamun er een schepje bovenop door de introductie van de zogeheten Mihna, een soort van inquisitie oftewel religieuze vervolging, waardoor de hadithgeleerden voor de keuze worden gesteld tussen acceptatie van de nieuwe geloofsleer of gevangenschap. Morrend gaan zij akkoord. De Mihna wordt ook na de dood van al-Mamun gehandhaafd. Al met al ondermijnt dit beleid het aanzien van het kalifaat als de hoeder van religieuze autoriteit. De weerstand tegen de Mihna groeit vooral in de oostelijke provincies zoals Khorasan waar de hadithgeleerden onderdak vinden en Ahmad ibn Hanbal uit de stad Merv het symbool wordt van traditionele verzetsbewegingen.

Gouden dinar van al-Mamun, geslagen in Egypte, 830/831
Gouden dinar van al-Mamun, geslagen in Egypte, 830/831

De opkomst van de Turken

Niet al-Mamuns zoon al-Abas volgt de in 833 overleden kalief op, maar diens jongere broer Abu Ishaq Muhammad ibn Harun al-Rashid onder de naam van al-Mutasim. Hij is een man met weinig opleiding, maar fysiek sterk, en ofschoon hij door zijn vader niet beschouwd wordt als iemand die genoeg talent heeft om in aanmerking te komen voor een eventuele opvolging, komt hij toch aan de macht. Opmerkelijk is dat alle daaropvolgende kaliefs afstammelingen zijn van al-Mutasim.

De reden waarom al-Mamun voorbijgaat aan de claims van zijn zoon heeft zeker te maken met het feit dat Abi Ishaq in de jaren voor de dood van al-Mamun een privé leger heeft opgebouwd van slaven van Turkse herkomst die hij koopt van de familie der Samaniden, een familie die in de omgeving van het verre Samarkand heer en meester is. De hulp van deze getrainde militaire eenheid van enkele duizenden manschappen kan al-Mamun goed gebruiken, wat mede van invloed is om te besluiten zijn broer aan te wijzen als opvolger.2

De gevechtseenheid van Abu Ishaq gaat de kern uitmaken van het Abbasidische leger en het laat zich raden dat de komst van zoveel vreemde troepen in Bagdad voor de nodige weerstand zorgt, hoezeer de bevolking ook onder de indruk is van hun kracht. Al-Mutasim kiest voor een radicale oplossing: de bouw van een nieuwe hoofdstad, Samarra geheten, ongeveer honderd kilometer ten noorden van Bagdad aan de oostoever van de Tigris. Samarra, dat als basis dient voor de Abbasidische heersers van 836 tot 892, strekt zich uit over een lengte van ongeveer vijftig kilometer langs de rivier met een oppervlakte van zeker vijfenzeventig vierkante kilometer.

Grote Moskee van Samarra, gebouwd onder kalief al-Mutasim
Grote Moskee van Samarra, gebouwd onder kalief al-Mutasim (CC BY-SA 4.0 – Aliraad22333 – wiki)
Er worden enorme paleizen en moskeeën gebouwd naast onderkomens voor de militairen waarbij opvalt dat voor deze laatstgenoemde categorie laagbouw de voorkeur heeft. Wellicht heeft dat te maken met het gebruik van laagwaardig bouwmateriaal en de inhuur van ongeschoolde arbeiders uit het achterland. De paleizen van Samarra overtreffen qua omvang alles wat er daarvoor en erna is gebouwd door de islamieten en de architectuur ervan is terug te vinden in het door de Omajjaden nabij Córdoba gecreëerde paleizencomplex Medina al-Zahra.3

De bouw van Samarra betekent een enorme investering die een economische opleving teweeg brengt en de handel bevordert, niet in het minst omdat de weelderige inrichting van het hof de import van allerlei exotische producten uit verre streken zoals Centraal-Azië, China Afrika en Rusland, met zich meebrengt. Om deze investering mogelijk te maken, breekt de kalief met de al tijdens het Vroege Kalifaat ontstane gewoonte om kolonisten, die zich kunnen beroepen op hun afkomst, te betalen uit de aldaar verworven oorlogsbuit en belastingen. Al-Mutasim maakt daar een einde aan, eist dat alle opbrengsten naar Samarra worden gestuurd, waarna vanuit de centraal vergaarde middelen alleen een salaris wordt uitbetaald aan de in de regio gelegerde Turkse troepen. Met deze centralisatie maakt de kalief korte metten met de lokale elites die voornamelijk uit Arabieren en Perzen bestaan. Zij worden vervangen door beambten van Turkse komaf.4

Hoewel al-Mutasim net als zijn broer de Vertalersbeweging en de florerende cultuur een goed hart toedraagt, laat hij zich vooral kennen als een gevreesd militair commandant. In 838 weet hij af te rekenen met de opstandeling Babak al-Khurammi in Azerbeidzjan om in hetzelfde jaar wraak te nemen op de Byzantijnse keizer Theophilos die een aanval heeft gedaan op de stad Zipatra in Klein-Azië. Tegen de adviezen van zijn astrologen in en onder winterse omstandigheden trekt al-Mutasim op tegen Amorion, de woonplaats van de keizer dat hij met de grond gelijk maakt na een langdurig beleg. De kalief neemt de ijzeren poorten van de geruïneerde stad mee naar Samarra, waar hij er een van bij de ingang van zijn paleis plaatst en de andere in de Tigris gooit.5 In oktober 841 wordt al-Mutasim ziek en hij overlijdt op 5 januari 842 in zijn paleis te Samarra. Tegen de opvolging door zijn zoon al-Wathiq bestaat geen oppositie.

Al-Wathiq verschilt nogal van zijn vader. De nieuwe kalief is meer geïnteresseerd in geschiedenis, literatuur en zang dan het beheer van zijn rijk wat hij delegeert aan zijn vizier Ibn al-Zayyat en de Turkse militaire leiders. Hij heeft – naar zeggen – geprobeerd Alexanders Muur te ontdekken, een vestingwerk dat gebouwd zou zijn door de Macedonische veroveraar. En misschien heeft die expeditie wel de Chinese Muur bereikt. Hoe dan ook, dergelijke zoektochten, die zeker ook door al-Mamun zijn ondernomen, illustreren de zelfverzekerdheid waarmee de islamieten de omringende wereld verkennen en respect afdwingen van vorsten zoals de keizer van China.

De kalief overlijdt na een regeringsperiode van ongeveer vijf jaar zonder een opvolger te hebben aangewezen. Ibn al-Zayyat is erop uit om de status quo aan het hof intact te laten en pleit voor de benoeming van al-Wathiqs zoontje, maar zijn collega bureaucraten beslissen anders. Zij maken bezwaar tegen de verheffing tot het hoogste ambt van een kind en kiezen voor de broer van de overledene, Jafar, die de titel aanneemt van al-Mutawakkil. De hofelite verkeert in de veronderstelling dat deze zeker zo plooibaar is als zijn voorganger, maar dat blijkt een vergissing.

De nieuwe kalief maakt schoon schip door zittende hoogwaardigheidsbekleders als Ibn al-Zayyat de laan uit te sturen en het kalifaat te ontdoen van de erfenis van al-Mamun. Hij keert het mutazilisme de rug toe en zet een streep door de Mihna, wat hem door de bevolking in dank wordt afgenomen. Ruim baan wordt gemaakt voor de orthodoxie en tegenstanders van het mutazilisme, de volgelingen van Ibn al Hanbal oftewel de Hanbali, kunnen rekenen op de steun van de kalief. De soennitische ideologie van de hadithgeleerden die gelden als duiders van het woord van de Profeet, krijgt de overhand waarmee een einde komt aan de bevoegdheid van de kalief om de islamitische cultuur vorm te geven. Daarmee valt ook het doek voor de door al-Mamun gehuldigde tolerante houding jegens de sjiieten.

Maar waar al-Mutawakkil niet in slaagt is om zich te verzekeren van de trouw van het militaire monster dat al-Mutasim heeft gecreëerd in Samarra. Het ontbreekt hem aan voldoende gezag om de Turken in het gareel te houden en zijn poging om de residentie te verplaatsen naar Damascus valt bij de militairen niet in goede aarde. Wat de kalief waarschijnlijk de das omdoet is zijn extravagante levenswandel waarmee hij het kalifaat aan de rand van de financiële afgrond brengt. Zelfs besluit hij tegen het eind van zijn leven een nieuwe stad te bouwen en naar hem te noemen: Jafariyya, met het grootse paleis Quasr al-Jafari, wat een enorm beroep doet op de beschikbare middelen. Natuurlijk wordt het betrekken van het nieuwe paleis luister bijgezet waarbij de wijn rijkelijk vloeit. Maar dan baant een groep Turkse officieren zich een weg naar binnen met getrokken zwaard en vermoorden de beschonken kalief en zijn rechterhand al-Fath ibn Khaqan.

hadith
Een handschrift van al-Jāmiʿ al-Ṣaḥīḥ van al-Bukhari, een van de invloedrijkste hadithverzamelingen uit de negende eeuw. Het werk weerspiegelt de groeiende autoriteit van hadithgeleerden binnen het Abbasidische rijk, ten koste van de religieuze rol van de kalief. (CC BY-SA 3.0 – Khalili Collections – wiki)

De chaos van Samarra

De moord op al-Mutawakkil vindt plaats met medeweten van diens oudste zoon al-Muntasir die al wat langer vreest dat de kalief zijn jongere broer al-Mutazz als zijn opvolger zal aanwijzen. Deze onderlinge strijd om het hoogste leiderschap is op zich geen onbekend verschijnsel binnen de Abbasidische dynastie, maar wel nieuw is dat de coup van al-Muntasir met de inzet van de Turken het karakter draagt van een militaire ingreep en dat zet de toon voor de negen jaar van anarchie die komen. Een anarchie waarin de Turkse officieren een hoofdrol vervullen. Zij stammen af van slaven die omhoog geklommen zijn langs de militaire ladder en zich afhankelijk weten van de wil en het vermogen van de kaliefs hen naar behoren te salariëren. En dus is het niet zo vreemd dat zij zich verzetten tegen de manier waarop al-Mutawakkil de middelen van het kalifaat verkwist.

Na de moord op zijn vader schrapt al-Muntasir zijn broers al-Mutazz en al-Muayyad van de lijst van zijn mogelijke opvolgers, waarmee hij tot in de uithoeken van zijn rijk wil aangeven dat hij de touwtjes stevig in handen heeft. Wat niet wegneemt dat vanaf dit moment lokale leiders, de Samaniden in Transoxanië, de Saffariden in Sistan en de Tuluniden in Egypte, zich proberen te ontworstelen aan het centrale gezag.

Al-Muntasir sterft onder verdachte omstandigheden zes maanden na zijn aantreden. Mogelijk is hij vergiftigd op bevel van zijn voormalige Turkse medestanders die hem ervan verdenken zich tegen hen te keren. Er volgt een chaotische periode waarin drie kaliefs elkaar in rap tempo opvolgen: al-Musta’im regeert van 862 tot 866, al-Mutazz van 866 tot 869 en al-Muhtadi van 869 tot 870. Elk van hen wordt in het zadel geholpen en de macht ontnomen door toedoen van de militaire elite.

Met de keuze van al-Musta’im denken de Turken een plooibare figuur te hebben benoemd, maar dat blijkt tegen te vallen als de nieuwe kalief Baghir, de leider van de groep die zijn voorganger ombrachten, laat executeren. Dat maakt hen wantrouwig en de militairen besluiten om en tegenkalief te benoemen: al-Mutazz die in Samarra blijft terwijl al-Musta’im uitwijkt naar Bagdad waar hij steun zoekt bij Mohammed ibn Abd Allah ibn Tahir, de gouverneur van de stad. De burgeroorlog tussen beide troonpretendenten, die duurt tot 866, leidt tot enorme schade, vooral omdat het zo zorgvuldig bevloeide agrarische gebied tussen de Eufraat en de Tigris verandert in een slagveld.

Stamboom van de Abbasidische kaliefs

Abbasids stamboom
 

De genealogie laat zien hoe het kalifaat na al-Mutasim steeds vaker werd geconfronteerd met opvolgingsstrijd, korte regeringsperiodes en de groeiende invloed van militaire elites.

De infrastructuur wordt grotendeels vernietigd, wat zowel in de zinderende zomerhitte als in de winter, wanneer overvloedige regenval niet meer in goed banen kan worden geleid, desastreuze gevolgen heeft voor de economie. Dit en het ontbreken van een stabiel regime beweegt tal van boeren om weg te trekken en veiliger streken op te zoeken. Het conflict tussen de beide kemphanen mondt uit in de abdicatie van al-Musta’im die in ruil daarvoor een veilig bestaan in Medina wordt toegezegd. Maar als al-Mutazz, na Bagdad te hebben belegerd en veroverd, eenmaal in Samarra op de troon zit, houdt de nieuwe kalief zijn rivaal in de stad Wasit gevangen waar hij wordt omgebracht.

Het is te begrijpen dat de militaire wanorde in Samarra en de verspilling die plaatsvindt aan het hof de weg vrijmaakt voor een rebellie in Zuid-Irak die bekend staat als de Zanj-opstand. Deze duurt van 869 tot 883. Het is een streek waar al sinds het begin van de islamitische veroveringen Afrikaanse slaven werken in de moerasgebieden die onder leiding van lokale Arabische landeigenaren gecultiveerd worden. Het is het enige gebied waar dit werk wordt uitgevoerd door slaven, elders zijn het vrije boeren die dat doen.

Het lijdt geen twijfel dat de Afrikaanse slaven in slechte omstandigheden leven wat hen tot een gewillig instrument maakt in handen van Ali ibn Mohammed, afkomstig uit de stad Rayy, die zich uitgeeft als profeet. In Basra weet hij enkele volgers te werven waarna hij zich realiseert dat de slaven van Zuid-Irak een geweldig potentieel bieden voor de uitbreiding van zijn achterban. Vanaf dat moment profileert hij zich als een afstammeling van Ali, de neef van de Profeet, waardoor hij zijn acties doet voorkomen als een sjiitische beweging. De rebellen profiteren van het moerasachtige karakter van deze streek die zij van haver tot gort kennen en guerilla-oorlogvoering mogelijk maakt. Dat stelt de Abbasiden voor een haast ondoenlijke opgave. Geholpen door nomaden uit het noordoosten van Arabië weet Ali ibn Mohammed in 871 Basra te veroveren. Tal van inwoners worden afgeslacht en gebedshuizen gaan in vlammen op.

Zanj-opstand
Monument voor de Zanj-opstand. De langdurige slavenopstand in Zuid-Irak vond plaats tegen de achtergrond van instabiliteit en machtsverlies van het Abbasidische kalifaat. (CC BY-SA 4.0 – Ahmad Barakizadeh – wiki)
Uiteindelijk grijpen de Abbasiden hard in met inzet van een leger van vijftigduizend man, waarbij zij zich concentreren op de vernietiging van de schepen van de opstandelingen. In 883 wordt Basra straat voor straat veroverd en Ali komt om tijdens de schermutselingen. De Zanj-opstand heeft grote gevolgen voor de regio, vooral omdat belangrijke handelsroutes verstoord waardoor kooplieden, die gewoonlijk hun goederen transporteren over de Eufraat en de Tigris, kiezen voor elders gelegen vervoersmogelijkheden over land.

Al-Mutazz probeert de invloed van de militairen in te dammen door een aantal belangrijke leiders te ontslaan, maar wordt in 869 uit zijn macht ontzet waarop de Turken al-Muhtadi, de zoon van al-Wathiq, in het zadel helpen. Maar alweer komen de militairen tot de ontdekking dat zij te maken hebben met iemand die zich niet door hen de wet wil laten voorschrijven en een nieuwe stijl van leiderschap etaleert. Al-Muhtadi wordt beschreven als vroom, ascetisch, een kalief die een einde aan de praalzucht van het hof probeert te maken en die militairen straft voor het drinken van wijn. Daarnaast wordt gewag gemaakt van zijn bemoeienissen met de rechtspraak door klachten van zijn onderdanen serieus te nemen.

Binnen een jaar wordt hij door de Turken om het leven gebracht en in 870 vervangen door al-Mutamid, een zoon van al-Mutawakkil. Al-Mutamid wordt terzijde gestaan door zijn broer al-Muwaffaq, een man met militaire kwaliteiten die orde weet te scheppen in het kalifaat. Onder diens leiding wordt een informele taakverdeling overeengekomen, waarbij de ceremoniële taken van de kalief gescheiden worden van de militaire verantwoordelijkheden die al-Muwaffaq voor zijn rekening neemt. Dat luidt een periode in gedurende welke het gezag van de Abbasiden in provincies als Transoxanië, Sistan en Egypte gaandeweg weer wat toeneemt.

Ontwikkelingen in de provincies

Omdat de Abbasiden sinds al-Mamun hun gezag hoofdzakelijk baseren op de kracht van troepen afkomstig uit Iran, is het niet zo vreemd dat lokale leiders aldaar een zekere mate van zelfbestuur claimen. Zij zijn afkomstig uit de dynastie van de Tahiriden en tooien zij zich met de titel van emir waarmee zij hun zelfstandigheid onderstrepen en tegelijkertijd hun onderhorigheid aan de kalief tonen. Net als de hoogste leider zijn zij aanhangers van de soennisme en wijzen zij de sjiitische leer van de Aliden af.

Samaniden-Mausoleum (Bukhara)
Het Samaniden-Mausoleum (Bukhara), gebouwd door de dynastie die in Transoxanië een eigen machtsbasis vestigde en zich steeds meer losmaakte van de Abbasidische hoofdstad.

In het veraf gelegen Transoxanië, met name in steden als Bukhara en Samarkand, is het de lokale dynastie van de Samaniden, afstammelingen van de in de achtste eeuw levende Saman Khoda, die streven naar meer autonomie. Dit gebied is niet alleen rijk aan zilvererts, maar vormt ook het scharnier tussen het islamitische kalifaat en de rijken van Noord-Europa zoals Rusland en die van Centraal-Azië en China, waartussen zich een levendige handel ontwikkeld heeft. De Samaniden profiteren hiervan en meten zich een levensstijl aan die kan wedijveren met de hoven waarmee zij handelsrelaties onderhouden. Handel in goederen, maar ook in Turkse slaven die gewild zijn vanwege hun inzetbaarheid in het leger.

Net als de Tahiriden zijn de Samariden soennieten en onder hun leiding floreert de ulama van de hadithgeleerden. Wetenschappers van allerlei aard worden door de Samariden aangetrokken zoals bijvoorbeeld de medicus Ibn Sina (980-1037), oftewel Avicenna uit Afghanistan die meer dan honderd verhandelingen op zijn naam heeft staan over onderwerpen als geologie, natuur- en wiskunde. Een bijdrage aan de geografische wetenschappen wordt er geleverd door de uit Khorasan afkomstige Abu Zayd al-Balkhi (850-934) en de Palestijn al-Muqaddasi (ca. 946-991). Werken van hen en anderen staan bekend als afkomstig uit de Balkhi school der geografie.

Mag de relatie tussen Bagdad en Transoxanië goed genoemd worden, anders ligt dat met de provincie Sistan, een gebied in het grensgebied van het huidige Afghanistan en Iran, waar de Saffariden zich heer en meester wanen nadat in 854 de broers Yaqub en Amr ibn al-Layth al-Safar de tot de dynastie van de de Tahiriden behorende gouverneur uit de stad Bust (nu een archeologische vindplaats) verdrijven. De Saffariden staan zich voor op hun eenvoudige komaf als kopersmid, de letterlijke betekenis van Saffar. Zij haten de Tahiridenelite die in hun ogen niets geeft om de gewone bevolking en trekken vervolgens op richting de Nishapur, de toenmalige hoofdstad van Khorasan, waar zij een eind maken aan het bewind van de Tahiriden.

Om de zaak te sussen bieden de Abbasiden Yaqub het gouverneurschap van Khorasan aan, maar dat is niet aan de Saffariet besteed die zich opmaakt om de Abbasiden een lesje te leren. Al-Muwaffaq organiseert de verdediging slim door de Saffariden op te laten komen en – wanneer hun aanvoerlijn erg lang is geworden – te bevechten voor zijn eigen deur. In 876 rukken de Saffariden op tot vlakbij Bagdad, de laatste Tahiridische gouverneur, Mohammed ibn Tahir, geketend met zich meevoerend om daar op een door de kalief en al-Muwaffaq geleid leger te stuiten dat goed getraind en bewapend is. Daartegen zijn de Saffariden niet opgewassen, waarna zij rechtsomkeert maken richting Sistan. Al-Mutamids opvolger al-Mutadid erkent later in 892 Yaqubs broer Amr als gouverneur van Khorasan, maar die, ambitieus als hij is, claimt ook de zeggenschap over Transoxanië. Dit leidt tot zijn ondergang. Tijdens een verkenningstocht wordt Amr gearresteerd door de Samaridische leider Ismael ibn Ahmad en naar Bagdad gezonden waar hij wordt geëxecuteerd.

In het westen, in Egypte en Syrië, ontstaat eveneens een beweging die streeft naar meer autonomie. Het zijn de Tuluniden, aangejaagd door Ahmad ibn Tulun, een drieëndertig jarige Turkse officier, die in 868 naar Egypte wordt gestuurd en daar het gouverneurschap op zich neemt. Zijn wens voor meer autonomie weerspiegelt zich in de bevordering van de landbouw in combinatie met het efficiënt innen van de belastingopbrengsten die hij voor eigen doeleinden wil inzetten in plaats van deze af te dragen aan de Abbasidische regering. Om die afdracht veilig te stellen is in Egypte zelfs een financiële administrateur benoemd die direct ressorteert onder de kalief.

Deze functionaris, Ibn al-Muddabir, is geenszins van plan om zich door de jonge Ibn Tulun de wet te laten voorschrijven en er ontwikkelt zich een strijd die bijna vier jaar duurt. Uiteindelijk krijgt Ibn Tulun de overhand als de kalief enkele opstanden in Palestina en Syrië niet onder controle weet te krijgen en de hulp inroept van de Egyptenaren die korte metten maken met de rebellen. Van die gelegenheid maakt Ibn Tulun gebruik om de financiële administratie onder zijn beheer te nemen. Dit stelt hem in staat om een krachtig eigen leger op te bouwen bestaande uit slaven van Turkse, Griekse en Nubische komaf dat hij – net als in Samarra – onderbrengt in de aparte garnizoensstad, al-Qatai, waar hij een enorme moskee laat bouwen. Deze Ibn Tulunmoskee is nog altijd te zien in de huidige hoofdstad Caïro.

Ibn Tulunmoskee in Caïro
Ibn Tulunmoskee in Caïro (CC BY 3.0 – Berthold Werner – wiki)

Het laat zich raden dat in het verre Samarra al-Muwaffaq met enige bezorgdheid deze ontwikkelingen gadeslaat en ingrijpt als de Egyptische gouverneur al-Mutamid in 882 uitnodigt hem een bezoek te brengen. Bevreesd dat al-Mutamid zich door de Egyptische gouverneur zal laten inpalmen, geeft al-Muwaffaq een legereenheid de opdracht de kalief te onderscheppen op zijn reis en hem terug te brengen naar Samarra waar hij in feite huisarrest krijgt opgelegd en tot aan zijn dood in 892 niets meer is dan een marionet van zijn broer. Als al-Muwaffaq in 891 overlijdt proberen de supporters van de kalief de touwtjes weer in handen te krijgen, maar worden terzijde geschoven door al-Muwaffaqs zoon die een jaar later het kaliefschap opeist onder de naam van al-Mutadid.

Herstel van het Abbasidisch gezag

In 884 overlijdt Ibn Tulun en wordt opgevolgd door zijn zoon Khumarawyh die net als zijn vader expansionistische neigingen heeft en net als de Saffariden door al-Muwaffaq verleid wordt om te ver van huis het gevecht aan te gaan met de legers van de Abbasiden. Nabij Raqqa in Syrië ziet de Egyptenaar zich gedwongen tot onderhandelingen die ertoe leiden dat de Tuluniden het gouverneurschap kunnen behouden in ruil voor een enorme belastingafdracht. Geld dat de nieuwe kalief goed kan gebruiken om de Abbasidische legers te versterken.

Vier jaar na zijn machtsovername treedt de kalief in het huwelijk met Khumarawyhs dochter Qatr al-Nada, een idee waarmee de Tuluniden zeer verguld zijn, maar niet onwaarschijnlijk is dat al-Mutadid hiermee de Tuluniden opzettelijk in een financiële val lokt. Afgezien van de enorme bruidsschat die past bij het huwelijk met een kalief, doen de feestelijkheden een enorme aanslag op de middelen van de Egyptenaren wat hen aan de rand van een bankroet brengt. Als de vader van de bruid in 896 sterft begint het rijk van de Tuluniden af te brokkelen. Een aantal soldaten loopt over naar de Abbasiden en nog geen jaar later wordt Khumarawyhs zoon Jaysh, die hem is opgevolgd, vermoord en vervangen door zijn broer Harun. Dan, na een aantal schermutselingen tussen pro-Abbasiden en aanhangers van de Tuluniden, komt de kalief als overwinnaar uit de bus en dwingt Harun tot het doen van een aantal territoriale en financiële concessies.

In West-Iran, in de al-Jibal regio – waar ooit de Meden heersten – rekent de kalief af met de lokale dynastie der Dulafiden, nakomelingen van Abu Dulaf al-Ijli die door zijn voorganger Harun al-Rashid aldaar als heerser werd gedoogd. Als Abu’s nazaat Ahmad ibn al-Aziz ibn Dulaf in 893 overlijdt grijpt al-Mutadid in en benoemt zijn zoon en beoogd opvolger al-Muktafi als gouverneur. Dat de kalief veel belang hecht aan het onder controle brengen van al-Jibal is niet vreemd, want deze streek is uit economisch en strategisch oogpunt van grote betekenis voor Bagdad vanwege de zogeheten Khorasanroute die er doorheen loopt en onderdeel is van de Zijderoute.

De Khorasanroute verbindt Bagdad met de stad Rayy (iets ten zuiden van Teheran) dat ten tijde van de Abbasiden het handelsknooppunt is van waaruit karavaans vertrekken naar het oosten tot Nishapur en verder oostwaarts, naar naar Qom en Isfahan in het zuiden en noordwaarts richting Zanjan en Azerbeidzjan. Wie de Khorasanroute onder controle heeft beheerst de handel in al-Jibal en is tevens in staat om de langs deze verkeersader binnenvallende vijandige troepen de weg te versperren.

Gouden dinar van kalief Al-Mutadid, 892/893.
Gouden dinar van kalief Al-Mutadid, 892/893.
Al-Mutadid ontleent zijn militaire kracht aan de creatie van een nieuw leger gebaseerd op het ghulamsysteem. Ghilman (meervoud van ghulam dat jongen of jongeman betekent) zijn jongens die al sinds eeuwen gerekruteerd werden door de Perzische koningen. Later, ten tijde van de Seljuks als de Abbasidische dynastie ten onder is gegaan, worden zij aangeduid als mamluk. Het is niet voor het eerst dat zoiets plaatsvindt want al onder al-Mutasim vormen jonge Turken een belangrijke onderdeel van het leger, maar nu haalt de kalief een type soldaat binnen die gewend is om in kleine eenheden van een paar honderd man te vechten onder aanvoering van een leider voor wie zij door het vuur gaan en die zorgt voor hun soldij.

De ghilman zijn vooral loyaal aan hun leider – die ze dikwijls beschouwen als een vaderfiguur – en niet zozeer aan de kalief. Deze leiders zijn te vergelijken met de condottieri uit het Italië van de veertiende en vijftiende eeuw, geharde strijders die goed betaald worden voor hun diensten. Onder de ghilman zullen waarschijnlijk veel homoseksuele relaties zijn ontstaan en van het aangaan van een huwelijk en gezinsvorming is slechts zelden sprake. Dit heeft tot gevolg dat er zich geen dynastievorming voordoet die lokale leiders voortbrengt van voldoende gewicht om onafhankelijkheid te claimen.6

Voor al-Mutadid is het essentieel dat hij een goede verstandhouding onderhoudt met de leiders van de ghilman, zijn commandanten te velde. Niet alleen dienen zij tijdig en royaal betaald te worden, maar ook acht hij het van belang hen na een behaalde overwinning uitvoerig te eren en te decoreren.

Behalve dat al-Mutadid zich verzekert van de steun van het leger, zet hij ook in op verdergaande professionalisering van het bureaucratisch apparaat en het op orde brengen van de belastinginning en -afdracht, in de verschillende provincies. In 895 verschuift hij het begin van het nieuwe fiscale jaar van april naar juni waardoor een betere schatting mogelijk is van de oogst en de daarop gebaseerde belastinginning.

Voor zijn ambtenaren heeft hij een verrassing in petto: de introductie van wekelijkse vrije dagen, waar tegenover staat dat van hen het uiterste wordt verlangd. Zij dienen het belastingsysteem tot in de puntjes te kennen en bovendien overzicht te hebben van de geografie van de verafgelegen provincies. Daarbij kunnen zij gebruik maken van het boek van de hand van Ibn Khordadbeh, een beambte van de post- en inlichtingendienst en voorloper van de Balkhi school.

Zijn boek, dat bekend staat als de Kitab al-Masalik wa-l-Mamalik (Het Boek der Wegen en Koninkrijken) bevat een systematische beschrijving van handelsroutes, zoals afstanden tussen steden, informatie over rivieren, gebergtes et cetera. Het dateert uit 885 is een van de oudste geografische handboeken uit de islamitische wereld De selectie van ambtenaren is streng en zij doorlopen zij een grondige opleiding. Behalve de bovengenoemde kennis wordt van hen ook eloquentie verwacht en een goede stijl van schrijven. Over dat laatste schrijft Ibn Qutayba een verhandeling, de Adab al-Kitab (Handboek van de schrijver-ambtenaar) met instructies over correct taalgebruik, juiste spelling en stijl. Dit werk dateert uit de periode van 850-860.

In 892 besluit al-Mutadid Samarra te verlaten en zijn residentie – de Dar al-Khalifa – weer in Bagdad te vestigen, zij het dat hij kiest voor een plaats verder stroomafwaarts aan de oostoever van de Tigris. Het is de officiële verblijfplaats van de Abbasiden tot aan het einde van de dynastie in 1258. Al-Mutadid begint met de bouw van het Taj paleis dat door zijn zoon al-Muktafi wordt voortgezet waarbij deze bakstenen gebruikt uit de resten van het oude paleis van de Sassaniden in Ctesiphon en de residentie voorziet van een wildedierentuin. Ofschoon de regeringsperiode van al-Mutadid slechts tien jaar bedraagt, heeft hij zijn stempel gedrukt op het kalifaat, niet alleen door orde te scheppen, maar ook door de Vertalersbeweging te blijven ondersteunen.

Het rampzalige kalifaat van al-Muktadir

Al-Muktafi, die al-Mutadid opvolgt in 902, zet het beleid van zijn vader voort. In Syrië en Egypte versterkt hij het Abbasidische gezag en in 904 valt hij met zijn zeemacht het Byzantijnse Rijk aan. Kreta wordt veroverd en even ziet het naar uit dat de Abbasiden ook de belangrijke stad Thessaloniki in handen zullen krijgen, maar dat mislukt. Al-Muktafi is net als zijn vader een beperkte regeringsperiode beschoren, een periode waarin de ziekelijke kalief langzaamaan overtroefd wordt door ambitieuze ministers afkomstig uit twee families: de Banu al-Furat en de Banu al-Farrah.

Zij roepen na al-Muktafi’s overlijden in 912 de dertien jaar oude zoon van al-Mutatid tot kalief uit met als titel al-Muktadir. Deze coup wekt een reactie op bij andere hovelingen. Zij schuiven als tegenkalief Abd Allah ibn al-Mutazz naar voren die bekend staat als een bekwaam persoon. Wanneer blijkt dat de tegenkalief geen middelen ter beschiking heeft om de troepen te betalen, grijpen de aanhangers van al-Muktadir in en vermoorden hem. Vandaar dat hij de geschiedenis is ingegaan als de kalief-voor-een-dag. Vier jaar later vindt in Byzantium iets degelijks plaats en wordt de zeven jaar oude Constantijn VII door vooraanstaande hovelingen op de troon gezet.

Ahmad al-Fadlan
Manuscript van Ahmad al-Fadlan
Op het moment van aantreden van de jonge al-Muktadir geniet het kalifaat nog veel aanzien Verafgelegen rijken proberen banden aan te knopen met de islamieten. Deze belangstelling is wederzijds. Vandaar dat al-Muktadir in 921 een gezantschap uitstuurt naar het noorden onder leiding van Ahmad al-Fadlan die het gebied van de Wolga verkent en over zijn tocht een levendige verhandeling schrijft waarin hij verhaalt over ontmoetingen met volkeren als Bulgaren en Russen. Over de Russen schrijft hij in onderkoelde stijl:

Zij zijn de smerigste van Gods schepselen [….] Zij wassen niet eens hun handen na het eten. Inderdaad, zij gedragen zich als zwervende ezels.7

Fameus is zijn beschrijving van het begrafenisritueel van een Vikingleider waarbij een slavin van de hoofdman met hem wordt verbrand na dronken te zijn gevoerd, verkracht en vermoord.8

Alle pogingen van al-Muktadir om de grootsheid van zijn rijk uit te breiden en te etaleren kunnen niet verhullen dat er sprake is van intern verval. Verspilling, hofintriges, de bemoeienissen van koningin-moeder Shagab, talloze wisselingen in de top van de bureaucratie en al-Muktadirs onvermogen om orde op zaken te stellen, brengen het kalifaat op de rand van de afgrond. Toenemende inflatie en oplopende tekorten aan voedingsmiddelen, vooral graan, zijn een teken aan de wand. Tegen het eind van al-Muktadirs regeringsperiode drogen de belastingafdrachten vanuit Egypte en Syrië geheel op en de chaos in Bagdad leidt tot de uittocht van tal van handelaren, met name joden. Maar er is meer. In Arabië rebelleren de Qarmaten, bedoeïenenstammen, die net als de Zanj-opstandelingen, vanwege hun sjiitische overtuiging de Abbasidische kaliefs afwijzen. Met rooftochten op Basra en Kufa illustreren zij hun kracht en in 927 wordt zelfs Bagdad bedreigd. In 930 doen zij een geslaagde overval op Mekka en in de jaren erna vormen zij een voortdurende bedreiging voor de karavaans die reizen door de Vruchtbare Sikkel en Arabië.

Het imago van de Abbasiden loopt een stevige deuk op als blijkt dat zij de veiligheid van pelgrims niet kunnen garanderen. Deze erosie van macht leidt ertoe dat in 929 de soennitische emir van al-Andalus, Abd al-Rahman een eigen kaliefschap uitroept en zich onttrekt aan het gezag van Bagdad.9 In Egypte roeren de Fatimiden zich. Het zijn sjiieten die beweren af te stammen van een dochter van de profeet Mohammed, Fatima Zahra en echtgenote van de vierde kalief, Ali. Een van hen, Ubaydalla al-Mahdi, ressorteert in Syrië en probeert tegen het eind van de negende eeuw volgelingen te werven elders in het moslimrijk. Met name krijgt hij steun van Berberstammen in Noord-Afrika van waaruit de Fatimiden hun macht uitbreiden. Later, in 969, als zij heer en meester zijn in Egypte, sticht hun leider de stad Caïro en claimt hij net als in al-Andalus de titel van kalief waarmee het aantal kalifaten op drie komt. Deze sjiitische bewegingen in Arabië en Noord-Afrika zijn dusdanig sterk dat de tiende eeuw wel de ‘Sjiitische eeuw’ wordt genoemd.10

Bezorgen deze sjiitische rebellen de regering in Bagdad al genoeg problemen, ook de Byzantijnen maken het de Abbasiden lastig door samen met de Qarmaten aanvallen uit te voeren op Iraakse steden als Kufa, aanvallen die door generaal Munis met moeite bestreden worden. In West-Iran verliest de kalief zijn greep op de provincie Jibal. Al deze bedreigingen plus de voortdurende verspilling aan het hof lopen uit op een poging om al-Muktadir te onttronen. De militairen onder leiding van Munis hebben er schoon genoeg van een plegen een coup in 932 waarbij de kalief wordt vermoord. Het luidt een tijdperk in van kortdurige kaliefschappen. Achtereenvolgens regeren al-Qahir (932-934), al-Radi (934-940), al-Mutakki (940-943) en al-Mustakfi (943-946). Gedurende deze periode neemt de welvaart in Bagdad af en de stad beleeft een dieptepunt als tijdens heftige regens in 941 de koepel van al-Mansurs paleis in de door hem gecreëerde Ronde Stad instort.

Noten

1 – El-Hibri, T., The Abbasid Caliphate, Cambridge University Press 2021 p. 121-22.
2 – Kennedy, H., The Prophet and the Age of the Caliphates, The Islamic Near East from the six to the eleventh century, Longman New York 1986 p. 159.
3 – Milwright, M., An introduction to Islamic Archeology, Edinburgh University Press 2012 p. 81-82.
4 – Kennedy, op. cit, p. 160.
5 – El-Hibri, op. cit., p. 140.
6 – Kennedy p. 206-08.
7 – Ahmad ibn al-Fadlan, Mission to the Volga, vertaald door J. E. Montgomery, New York University Press, 2017 p. 33.
8 – Op. cit., p. 35-38. Zie ook: N. Price, De Vikingen, een Nieuwe Geschiedenis, Nieuw Amsterdam 2020 p. 245-252.
9 – El-Hibri, op. cit., p. 174.
10 – Op. cit., p. 172. Zie ook: Hodgson, M. G. S., The Venture of Islam 2 The Expansion of Islam in the Middle Periods, The University of Chicago Press 1977 p. 36-39.
×