Wat kunnen we van middeleeuwse Hanzesteden leren over conflicten?

13 minuten leestijd
Afgevaardigden van de Keulse Confederatie, een militaire alliantie van de Hanzesteden. Ze bespreken vredesvoorwaarden met de Denen in Stralsund, 1370
Afgevaardigden van de Keulse Confederatie, een militaire alliantie van de Hanzesteden. Ze bespreken vredesvoorwaarden met de Denen in Stralsund, 1370
In het deze week verschenen boek Het ministerie van middeleeuwse Zaken wordt beschreven hoe middeleeuwse inzichten de moderne mens kunnen helpen bij het vormgeven van een veerkrachtige en duurzame samenleving. Het boek, onder redactie van Cécile de Morrée, bundelt toegankelijke essays waarin onderzoekers laten zien hoe mensen in het verleden met spanningen, schaarste en bestuurlijke uitdagingen omgingen – en welke lessen hier mogelijk uit te trekken zijn. Op Historiek publiceren we een bijdrage uit het boek waarin Justyna Wubs Mrozewicz laat zien hoe inwoners van middeleeuwse Hanzesteden conflicten benaderden en oplosten.

Conflictbeheersing

We leven in een complexe wereld en conflicten liggen overal op de loer. Of het nu om een ruzie tussen collega’s gaat, of een grootschaliger conflict dat dreigt te escaleren, we worden steeds geconfronteerd met botsende belangen, meningen en gevoelens. Hoe ga je daarmee om? Veel mensen zouden zeggen: een conflict zo snel mogelijk oplossen en verdere conflicten vermijden. Ook binnen de sociale wetenschappen is er een stroming die nadruk legt op het zoeken van oplossingen: de titels van boeken en wetenschappelijke artikelen hebben het over conflict resolution. Deze benadering komt ook vaak voor in de rechtspraak, mediatie en diplomatie. Het is begrijpelijk, we willen immers meestal harmonie. Daarmee wordt het conflict als concept als het ware het liefst buiten de deur gezet, als stoorzender en dreiging voor de orde. Maar is het realistisch? De wetenschap en de praktijk van conflictbeheersing laten namelijk ook zien dat de meeste conflicten niet écht opgelost worden. Meningsverschillen in relaties, spanningen tussen groepen of politieke botsingen gaan dan soms escaleren, soms sudderen ze door of nemen ze een andere conflictvorm aan. Zo blijven ze op de achtergrond aanwezig.

Illustratie uit de Hamburgse stadsrechten met Hanze-handel
Illustratie uit de Hamburgse stadsrechten met Hanze-handel
Een andere stroming onder de sociale wetenschappers, juristen, diplomaten en maatschappelijk werkers ziet daarom conflicten als onderdeel van de menselijke – en bredere maatschappelijke – interacties. Ze zijn onvermijdelijk, en soms zelfs noodzakelijk om veranderingen te bewerkstelligen, bijvoorbeeld om de balans terug te brengen in relaties, of een stem te geven aan groepen die geen of minder macht hadden. Vanuit dit perspectief wordt het belangrijker om na te denken hoe je conflicten kunt navigeren, in plaats van alleen oplossen.

Historici hebben het grote voordeel en voorrecht dat ze in de schatkamer van het verleden kunnen graven en dan bijvoorbeeld ontdekken hoe zo’n conflict zijn eigen loop nam, of juist door wie het handig gestuurd werd. Ze onderschrijven vaak het inzicht dat het moeilijk te zeggen is wanneer een conflict echt opgelost werd, maar ze laten nog iets zien wat van grote waarde voor ons nu is: de eigentijdse beleving van mensen in het verleden die midden in een conflict stonden, en hoe zij met de complexiteiten omgingen. We krijgen verhalen en scenario’s aangereikt waaraan we ons kunnen spiegelen en waaruit we inspiratie kunnen opdoen.

Vanuit historisch oogpunt is er namelijk een – wellicht verrassend – positief aspect van conflicten: ze laten relatief veel historische bronnen na. Men schrijft immers veel vaker wanneer er een probleem ontstaat dan wanneer alles z’n gangetje gaat. Conflicten geven ons als historici de kans om verschillende mensen, zienswijzen en fascinerende details van interacties op bijvoorbeeld papier of perkament te vangen. En dan blijkt dat er bijvoorbeeld in de hier besproken middeleeuwen een sterk besef heerste dat conflict een onderdeel van het leven was en op verschillende manieren uitgespeeld kon worden, niet alleen door geweld.

Conflictbeheersing vond ook plaats voor rechtbanken, of met de hulp van mensen die als mediatoren of diplomaten optraden wanneer dat nodig was. Soms vermelden de bronnen dat er een oplossing gevonden werd en een conflict daarmee beslecht werd, maar veel vaker was er geen duidelijk eindpunt. Hoe gingen de middeleeuwers met conflicten om als er geen oplossing in zicht was? Kunnen we ons door hen als ervaringsdeskundigen hierin laten inspireren?

Hanzestedelingen in conflict

‘Conflicten waren onderdeel van het dagelijkse leven van de Hanzeaten’

Bewoners van middeleeuwse Hanzesteden navigeerden hun conflicten ‘in vruntschop edder mit rechte’ (met vriendschap of met recht). Met andere woorden, met behulp van informele en formele middelen. Hanzestedelingen – laten we ze zo noemen – waren uitermate goede gidsen in ingewikkelde middeleeuwse conflicten: niet alleen in steden, maar ook op land, zee en rivieren. De Hanze was namelijk een organisatie van kooplieden en steden die zich over een groot gebied uitstrekte en economische, politieke en sociale belangen van de leden behartigde. De organisatie bestond uit circa zeventig grotere en 100-130 kleinere steden in de Oost- en Noordzeeregio die gericht waren op handel in onder andere graan, vis, textiel, zout en bosproducten, maar ook op nijverheid, zoals bierproductie of kerkkunst. Onder andere Kampen, Deventer, Zwolle, Zutphen, Harderwijk, Nijmegen en Groningen hoorden erbij, en tot het begin van de vijftiende eeuw kon Amsterdam als Hanzestad gezien worden. Het was een relatief vlakke organisatie, waar zowel grotere als kleinere steden inbreng hadden en veel overleg gevoerd werd, zoals hieronder uitgebreider uitgelegd zal worden.

Het tijdperk van de Hanze was lang en enigszins fluïde: alles begon met kooplieden die in de twaalfde eeuw zeehandel begonnen te drijven, en het eindigde geleidelijk in de zestiende en zeventiende eeuw toen staten de macht van de steden overnamen. In de middeleeuwen wisten de bewoners van de Hanzesteden echter veel vrijheid voor zichzelf te onderhandelen. Formeel waren ze weliswaar onderworpen aan verschillende heersers en rechtssystemen, maar in de praktijk konden de bestuurders en kooplieden van grote steden, zoals Lübeck, Hamburg, Keulen of Danzig, hun eigen koers varen, en dus ook voor een interregionale, stedelijke samenwerking kiezen.

Voor conflictbeheersing betekende dit dat geschillen over handel binnen de stadsrechtbanken van Deventer of Danzig aangekaart konden worden, of in de overkoepelende instituties van de Hanze: de regionale en algemene Hanzedagen. Dit waren bijeenkomsten van gezanten van Hanzestadsbesturen die soms jaarlijks plaatsvonden en waar zaken, zoals privileges, maar ook oorlogsdreiging of geëscaleerde conflicten, besproken werden. Communicatie was daarbij geen probleem, want Hanzestedelingen spraken allemaal Nederduitse dialecten die als lingua franca in heel Noord-Europa functioneerden. Tijdens een regionale bijeenkomst in bijvoorbeeld Thorn in Pruisen of de algemene bijeenkomst in Lübeck kon men het dus uitgebreid hebben over zowel interne als externe conflicten, en uitdagingen van de steden en hun bewoners. Men had daarmee voldoende besef dat conflicten overal voorkwamen.

Nederlandstalige kaart van de verschillende grote en kleine Hanzesteden en de handelsroutes.
Nederlandstalige kaart van de verschillende grote en kleine Hanzesteden en de handelsroutes. Hierop ontbreekt Oldenzaal. (CC BY-SA 3.0 – Doc Brown – wiki)

Veel van deze problemen hadden met handel en mobiliteit van de Hanzestedelingen te maken. De kooplieden reisden naar andere Hanzesteden en verbleven er tijdelijk voor zaken, of vestigden zich er voor langere tijd. Men treft in de bronnen bijvoorbeeld Lübeckers in Reval (Tallinn) of Deventenaren in Danzig. Vaak trouwde men onderling, en zo ontstonden er geografisch uitgestrekte familienetwerken, wat voor veel juridische uitdagingen in bijvoorbeeld erfeniszaken zorgde, of de relaties tussen steden onder druk zette wanneer hun kooplieden over schulden ruzieden. Daarnaast waren de activiteiten van kooplieden buiten de Hanzesteden niet alleen een bron van economische welvaart, maar ook van conflicten.

Hanzekooplui (en soms hun families) reisden naar Rusland, Scandinavië, Engeland, Frankrijk, de Lage Landen, Portugal en Italië, en stichtten nederzettingen aldaar. De belangrijkste nederzettingen waren de zogenaamde kantoren in Londen, Brugge, Bergen in Noorwegen en Novgorod in Rusland, alsook de nederzetting op Schonen (nu Zweden) die als strategische scharnieren in de organisatie gezien kunnen worden. De kooplieden die daar uit verschillende Hanzesteden voor langere of kortere tijd neerstreken genoten een hoge mate van bescherming en autonomie, onder andere in hoe ze de eigen geschillen benaderden, bijvoorbeeld over een partij goederen in Londen die een koopman uit Danzig aan een handelspartner uit Keulen had verkocht en die van mindere kwaliteit bleken. De kooplieden konden de geschillen onderling proberen op te lossen door mediatie, binnen een kantoor (Hanzenederzetting in het buitenland) of door de eigen thuissteden in te schakelen. Als deze manieren niet lukten, was er zoals eerder genoemd nog de mogelijkheid om een zaak voor de Hanzedag te brengen.

Tegelijk zorgde de aanwezigheid van Hanzekooplieden vaak ook voor spanningen in de landen waar de kantoren gevestigd waren, zoals gesteggel over privileges met de heersers van Novgorod, of gewelddadige botsingen met de lokale bevolking in Bergen. Met andere woorden, conflicten waren onderdeel van het dagelijkse leven van de Hanzeaten. En ze waren het centrale onderwerp van hun discussies, die we in de zeer rijke bronnen, zoals brieven, verslagen van de Hanze- en regionale dagen, rechtszaken, petities en diplomatieke instructies, kunnen zien.

Deze bronnen schetsen ook een opvallend beeld van een beperkte hiërarchie binnen de Hanze die voor de bovengenoemde, vrij vlakke organisatie zorgde. Ook al namen de bestuurders van Lübeck vaak het voortouw in externe onderhandelingen en waren ze de hosts van de meeste Hanzedagen, het leiderschap was informeel. Andere steden, zoals Hamburg, konden regelmatig een eigen koers varen, en het leidde verrassend zelden tot sancties zoals de ‘Verhansung’ (het uitsluiten van een koopman of stad, zoals het Keulen in 1471 overkwam). Besluiten die op de Hanzedagen voorlopig genomen waren, werden pas van kracht wanneer de thuissteden ze accepteerden.

Holstenpoort in Hanzestad Lübeck
Holstenpoort in Hanzestad Lübeck (CC BY-SA 4.0 – Alexander Brühl – wiki)

De Hanze functioneerde dus heel duidelijk als stedelijke netwerkorganisatie. Buitenlandse heersers, bijvoorbeeld de Engelse of Deense koning, namen de Hanzesteden als collectief zeer serieus en nodigden meerdere van hun representanten uit voor kroningen, huwelijken of – hier het meest interessant – onderhandelingen over privileges of het sluiten van een vrede. En dit ondanks het feit dat de Hanze ook in de eigen tijd als een vage organisatie gezien werd: geen ‘societas’, ‘collegium’, ‘universitas’ of ‘corpus’, zoals men in 1469 aan de Engelse koning uitlegde.

Voor de Hanzestedelingen had het gebrek aan hiërarchie en de vaagheid veel voordelen, met name geen aansprakelijkheid voor elkaar. Het was ook een stimulus om conflictbeheersing op een creatieve manier aan te gaan: intern kon je elkaar immers weinig opleggen, en extern moest je heersers en andere steden overtuigen dat je ondanks de vaagheid als organisatie daadkrachtig was. Dus hoe deden ze dat? Laten we in de schatkist van de Hanzetactieken graven.

Hanzetactieken voor conflictbeheersing

Misschien valt het vele praten en schrijven over het algemene belang het meest op. Algemeen belang (‘bonum commune’, ‘het gemene best’, ‘gemene wolfart’) was een concept dat sterk in de middeleeuwse steden verankerd was: stadsbesturen in noord en zuid gebruikten het veelvuldig om het stedelijke beleid te rechtvaardigen. De bestuurders van de Hanzesteden gaven hier een eigen draai aan: ze hadden het niet alleen over het belang van hun individuele stad, maar ook over het collectieve belang van de Hanze als organisatie van steden (‘gemene steden’) en nog specifieker, van kooplieden binnen deze steden (‘gemene kopman’).

Deze aangepaste concepten werden door de Hanzestedelingen gebruikt tijdens conflicten om op het hogere doel van de organisatie te wijzen, bijvoorbeeld om steun af te dwingen voor maatregelen, zoals een handelsboycot, het innen van belastingen voor een oorlog of überhaupt om een oorlog te voeren, bijvoorbeeld tegen de Deense koning in 1509-1512. Of als het om een geschil tussen individuele Hanzesteden ging, om ze ertoe te bewegen om dat geschil bij te leggen, informeel of formeel, oftewel ‘in vruntschop edder mit rechte’. De al eerder geciteerde uitdrukking was een veelvoorkomende uitspraak die erop neerkwam dat men eerst direct met elkaar moest praten. Als het moeilijk bleek om eruit te komen, dan zouden andere Hanzestedelingen worden betrokken om mediatie of arbitrage plaats te laten vinden. Daarbij werden niet per se juristen betrokken, maar vooral ervaren bestuurders, secretarissen, kooplui, geestelijken, ‘goede mannen’ (en soms, achter de schermen, een vrouw) of zelfs tolken.

Conflictbeheersing was een rol die je op je nam, niet een baan. En pas als het onmogelijk bleek om ‘in vruntschop’ eruit te komen, zou een formele rechtszaak een uitkomst kunnen zijn, in een Hanzestad of op een (regionale) Hanzedag. De gang naar andere rechtbanken (bijvoorbeeld van een vorst) was voor interne Hanzeaangelegenheden uit den boze, tenminste theoretisch. In de praktijk kozen sommige kooplieden wel strategisch zo’n ‘vreemde rechtbank’, en werd mediatie ook tussendoor weer geprobeerd nadat al een formele rechtszaak was begonnen. Vriendschap en recht vloeiden soms in elkaar over. De roep om orde werd dan vaak juist in de bewoordingen van algemeen belang gekleed.

Schilderij van een Portugees koggeschip, door Charles Dixon
Schilderij van het Portugese koggeschip ‘Cardinal’, door Charles Dixon

Een ander concept dat hieraan verbonden werd was ‘naberschap’, dus goede onderlinge verhoudingen en het kunnen rekenen op elkaars hulp. Het speelde een rol in de buitenlandse nederzettingen waar kooplieden uit verschillende steden bij elkaar kwamen en letterlijk een tijd buren werden. Maar ook bestuurders van Hanzesteden die zich honderden kilometers van elkaar bevonden, konden beroep doen op ‘olde naberschap’, bijvoorbeeld Lübeck en Reval (Tallinn). In de context van conflicten werd dit concept gebruikt om mediatie te regelen: sinds eind veertiende eeuw was er een regel dat afgevaardigden van twee of drie Hanzesteden – als goede buren – als mediatoren moesten optreden. Deze steden moesten dan per definitie neutraal in het conflict zijn. Vaak waren het mensen uit steden die dichtbij lagen, omdat ze de lokale situatie goed kenden.

Het is ook opvallend dat in de vijftiende en zestiende eeuw Hanzesteden, zoals Danzig of Kampen, die veel met Amsterdam handel dreven en waar ook regelmatig conflicten dreigden, het ook over ‘naberschap’ hadden. Amsterdam kan op z’n laatst in de jaren 1430 niet meer tot de Hanzesteden gerekend worden, maar toch bleef kennelijk iets van het gemeenschapsgevoel over, althans vond men dat men zich daarop kon beroepen.

De taal van vertrouwen en wederkerigheid die men binnen de Hanze en vooral in de context van potentiële of reële problemen sprak, past ook in dit rijtje. Vertrouwen werd geuit als zelfstandig naamwoord (‘toversicht’, ‘troest’, ‘gelove’, ‘getrouwe’, ‘fides’, ‘fiducia’), maar vooral als werkwoord (‘troesten’, ‘geloven’, ‘getrouwen’, ‘betrouwen’). Het was met andere woorden iets wat je deed, omdat je ervoor koos in de middeleeuwse, onzekere wereld. Het was dus minder een gevoel (zoals vaak tegenwoordig wordt verondersteld) en meer een keuze in bijvoorbeeld handelsrelaties van individuele kooplieden, of politieke en economische relaties tussen de Hanzesteden. In conflicten, of ze nu klein- of grootschalig waren, had men het over vertrouwen dat gebroken was en hersteld moest worden.

Vertrouwen of het gebrek eraan kon dus als grens functioneren: het bepaalde wie op dat moment tot de Hanze behoorde en wie niet. We kunnen het zien als een zeer flexibele manier om het lidmaatschap van deze fluïde organisatie te definiëren. Andersom kon het ook een pressiemiddel zijn: je schreef als kooplieden of stadsbestuur bijvoorbeeld in een brief dat je erop vertrouwde dat de andere kant de afspraken na zou komen. Daar werd dan vaak nog een schepje bovenop gedaan: ‘zoals wij het ook doen’ of ‘zoals jij of jullie zouden willen dat wij het doen’. Met andere woorden, het wijzen op wederkerigheid was een belofte, maar ook een dreiging. Deze retorische middelen waren van uiterst groot belang binnen een vlakke organisatie waar, zoals boven geschetst, je elkaar niet de wil kon opleggen, maar waar er veel onderhandeld moest worden, en waar je van elkaar afhankelijk was.

Oorkonde uit 1557 waarmee afspraken tussen 63 Hanzesteden bevestigd worden
Oorkonde uit 1557 waarmee afspraken tussen 63 Hanzesteden bevestigd worden
In de interne verhoudingen tussen de Hanzesteden was men daarom uiterst voorzichtig met het dreigen met geweld. Een gewelddadige escalatie werd door de ‘vriendschap of recht’ frase actief ontmoedigd, het bracht immers veel risico van langdurige relationele schade en materiële kosten met zich mee. Het risico van bemoeienis van de heersers was dan ook navenant hoger. Geëscaleerde, langdurige of in het algemeen gecompliceerde conflicten die niet opgelost werden, werden daarom het liefst van de rest van de relaties afgezonderd. Het isoleren van zulke conflicten is het best zichtbaar in de gedetailleerde verslagen van de Hanzedagen: afgevaardigden van twee steden konden ’s ochtends fel ruziën over een geschil, bijvoorbeeld over de ruimte die Danzigers naast Lübeckers innamen in de nederzetting in Schonen. Dit kon zo ver gaan dat men de zaak tijdens een Hanzedag in een aparte zaal ging bespreken waar alleen de betrokkenen en eventuele mediatoren aanwezig waren. En ’s middags, na de gezamenlijke maaltijd, werden andere zaken in een geheel vriendschappelijke teneur besproken. Het is duidelijk dat deze variant van ‘agree to disagree’ een manier was om tenminste te pogen om de algehele verhoudingen niet te laten verslechteren – en daarmee het algemene belang niet te beschadigen.

‘Het bestuderen van conflicten uit het verleden kan meerdere, enigszins paradoxale inzichten geven’

Naar buiten toe was het dreigen met en toepassen van geweld een geheel ander verhaal. Hanzestedelingen schroomden niet om (maritieme) oorlog te voeren, bijvoorbeeld alweer tegen Denemarken in 1522-1524. Het werd weliswaar meestal als uiterste maatregel gepresenteerd, zowel uit christelijk oogpunt als vanwege de hoge kosten en noodzakelijke onderbrekingen in de handel die zo belangrijk voor deze steden was. We zien dan ook in de bronnen dat men zorgvuldig de overweging wilde maken of de kosten te rechtvaardigen waren, en wie mee moest betalen of actief betrokken zijn, bijvoorbeeld door schepen te leveren. Deelname aan grootschalige conflict en laat in ieder geval zien dat geweld ook een valide optie kon zijn – vaak gepleegd in naam van het bovengenoemde algemene belang.

Het bestuderen van conflicten uit het verleden kan meerdere, enigszins paradoxale inzichten geven. Ten eerste dat botsende belangen rondom eigendom, veiligheid, macht of groepsidentiteit van alle tijden zijn. Tegelijk wordt snel duidelijk dat er in het verleden op heel andere manieren met dergelijke botsende belangen is omgegaan. Dat kan verrassend en inspirerend zijn, zeker als het gaat om skills die we nu minder machtig zijn, bijvoorbeeld een doordachte taal van vertrouwen. Juist in situaties waarin de hiërarchie onduidelijk is of het om vrij evenredige relaties gaat, zoals in de Hanze, kan dit zeer bruikbaar zijn. Ten derde beseffen we door reflectie op het verleden beter dat informatie in en rondom conflicten altijd incompleet is, en dat communicatie altijd iemands zienswijze en vaak ook persoonlijke motivaties weergeeft.

Stel dan nu dat Hanzestedelingen naar onze tijd getransporteerd zouden worden en de gelegenheid kregen zich in onze uitdagingen rondom conflicten te verdiepen, wat zouden zij ons adviseren?

Het Ministerie van Middeleeuwse Zaken
 
Waarschijnlijk zouden ze ons aanmoedigen om verschillende tactieken creatief te gebruiken en de rol van conflictbeheerser op ons te nemen wanneer een situatie erom vraagt. Iedereen kan potentieel een conflict beïnvloeden, en het zou dus niet alleen aan professionals zoals juristen overgelaten moet worden. Vaardigheden, zoals mediatie, communicatie in en over conflicten, zouden op scholen, universiteiten, in bedrijven en instellingen geleerd moeten worden. Maar ook een breder besef waarom je conflicten zou moeten sturen, voor een algemeen en individueel belang, zou onderdeel moeten zijn van de curricula en nascholing. Een Hanzestedeling zou een leidinggevende hier zeker ook op aankijken.

Zou dit advies niet wat ouderwets zijn in een wereld vol computers en met een steeds grotere rol van AI? Onze wereld zou de middeleeuwers zeker vreemd voorkomen, maar ze zouden ons waarschijnlijk vertellen dat omgaan met conflicten altijd mensenwerk is. Juist in goede communicatie rondom conflicten kan ons grote voordeel ten opzichte van AI zitten. Luister goed naar verschillende stemmen in een conflict en durf het aan te gaan als een onderdeel van het leven.

×