Uit de strijd tegen kolonialisme en imperialisme zouden een nieuwe wereld en een nieuwe mensheid voortkomen, hoopte en verwachtte Frantz Fanon (1925-1961). Uit alle macht probeerde hij daaraan bij te dragen, als revolutionair én als psychiater. Zijn schriftelijke nalatenschap sprak in de jaren zestig en zeventig velen aan en doet dat soms nog steeds. In een omvangrijke nieuwe biografie schildert de Amerikaanse journalist/historicus Adam Shatz het intrigerende leven van Fanon.
- Een oude kolonie
- Tweede Wereldoorlog
- Een denigrerend kindertaaltje
- Psychiater in Algerije
- Op 25 augustus 1955 besteedt het Amerikaanse Universal News een item aan de strijd in Algerije
- Held van de revolutie
- Pionieren in Tunis
- Reizend ambassadeur
- Verworpenen van de aarde
- Geweld als praktisch instrument
- Nalatenschap
- Naslagwerk zonder namenregister
Niet lang na de Tweede Wereldoorlog studeerde Frantz Fanon in Lyon medicijnen en psychiatrie. Geboren in de middenklasse in een Franse kolonie had hij gedacht Fransman onder de Fransen te kunnen zijn. Maar op een winterdag, in een trein, keek een Frans jongetje naar hem met een mengeling van fascinatie en angst. Tegen zijn moeder zei het jochie: “Kijk die nègre… Mama, een nègre!’’ Geruststellend sprak de moeder: “Kijk wat een mooie nègre.” Fanon: “Die mooie nègre heeft schijt aan u, mevrouw.”

De lof die witte studenten hem toekenden, stoorde hem al bijna net zozeer als het terloopse racisme dat hij voor zijn kiezen kreeg. Hij was niet écht Zwart, zeiden ze, aangezien hij zo goed Frans sprak. ‘Je bent eigenlijk een van ons’, kreeg hij te horen, want ‘je denkt als een Europeaan’.
In dit citaat is ‘Zwart’ geschreven met een hoofdletter. Shatz doet dat consequent, maar legt nergens uit waarom. Arabisch schrijft hij met een hoofdletter; logisch, want dat komt van de geografische naam Arabië. Terecht schrijft hij wit/witte met een kleine letter, het is immers meestal gewoon een bijvoeglijk naamwoord, een enkele keer gewoon een zelfstandig naamwoord. Net als zwart en zwarte, maar dat schrijft Shatz dus steeds met een hoofdletter. In het tv-programma Jiskefet (1990-2005) zouden ze vroeger zeggen: rrááárrrrr!
Een oude kolonie
Frantz Fanon werd op 20 juli 1925 geboren in Fort-de-France, de hoofdplaats van Martinique. Dat Caribische eiland was al sinds 1635 een van de ‘oude koloniën’ van Frankrijk. Frantz was het vijfde van de acht kinderen in het zwarte gezin Fanon. Zijn vader was douanebeambte, zijn moeder dreef een winkel met stoffen en ijzerwaren. Het gezin behoorde tot de middenklasse op het eiland. De kleine Fanon kreeg een voornaam die er niet bepaald Frans uitzag: Frantz. Het was waarschijnlijk een verwijzing naar verre voorouders van zijn moeder; die waren wit en kwamen uit Straatsburg. Daar in de Elzas werd en wordt naast Frans ook Duits gesproken.
Tweede Wereldoorlog
Frantz was nog een tiener toen de Tweede Wereldoorlog uitbrak. Het bestuur op Martinique had zich aangesloten bij het met nazi-Duitsland collaborerende Vichy-bewind. Dat beviel Frantz, die de Franse republikeinse idealen hoog had zitten, in het geheel niet. Hij glipte naar het Britse buureiland Dominica, waar hij zich aansloot bij de Vrije Fransen van generaal Charles de Gaulle en een militaire basistraining kreeg. In maart 1944 vertrok hij met zo’n duizend andere Antilliaanse soldaten naar Noord-Afrika. Op het schip, noteert de biograaf, zaten zwarte mannen ‘die op pad gingen om hun kolonisator van het nazisme te bevrijden’.
Als militair was hij eerst actief in Marokko en Algerije en vanaf september 1944 in Frankrijk. Daar raakte hij gewond aan zijn borst, maar hij herstelde en haalde het einde van de oorlog. Inmiddels had het Franse moederland hem de ogen geopend. Het racisme was er niet minder dan op Martinique. De troepen van de Vrije Fransen waren opgedeeld langs raciale lijnen en na de Duitse nederlaag wilde tijdens een bevrijdingsfeest in het zuid-Franse Toulon geen enkele witte vrouw met de zwarte Fanon dansen.
Terug op Martinique voltooide hij zijn middelbare-schoolopleiding. In die periode raakte hij beïnvloed door de ‘négritude’, een zwarte literaire stroming, gegrondvest door de Martinikaanse dichter Aimé Césaire en diens Senegalese collega (en latere politicus) Léopold Sédar Senghor. Later keerde Fanon zich ertegen; toen vond hij het maar een slap gedoe dat uitmondde in compromissen met het Franse racisme en (neo)kolonialisme. In 1946 werd zijn geboorte-eiland omgezet van een kolonie in een overzees departement van Frankrijk. Ook dat verwierp Fanon later als neokoloniaal. Echte onafhankelijkheid van de Franse Antillen – daar ging het volgens hem om.
Eveneens in 1946 kon hij dankzij een studiebeurs van de overheid weer naar Frankrijk vertrekken. In Lyon ging hij medicijnen studeren en specialiseerde hij zich in de psychiatrie. Met medestudent Michèle Weyer kreeg hij een relatie. Toen ze zwanger bleek, vroeg hij haar ten huwelijk, maar haar Russisch-joodse (immigranten)familie keerde zich daartegen, waarna ook hun relatie sneuvelde. Fanon heeft dochter Mireille wel erkend en betaalde jarenlang alimentatie, maar wilde de baby niet zien. Het jaar erna ontmoette hij Marie-Josèphe (Josie) Dublé. Zij kwam uit een gezin van vakbondsactivisten die tegen een relatie van hun dochter met een zwarte man geen bezwaar hadden. Frantz en Josie kregen in 1954 een zoon, Olivier, en ze bleven bij elkaar tot Frantz’ overlijden.
Een denigrerend kindertaaltje
Als jonge arts werd Fanon in Lyon vaak opgeroepen voor patiënten in de Algerijnse wijk rond rue Moncey en in de wijk La Guillotière. Daar zag hij ook Franse artsen aan het werk. Die spraken de Algerijnen aan in een soort kindertaaltje (‘petit nègre’ genoemd) en altijd als ‘tu’ (jij), nooit het voor witte Fransen normale ‘vous’ (u). Die communicatie zag hij steeds spaak lopen. Franse artsen concludeerden dan dat de Algerijnen clowns, simulanten, leugenaars, aanstellers waren, die leden aan denkbeeldige kwalen of die kwalen regelrecht verzonnen. Het racisme lag er duimendik bovenop. Het leidde tot een van Fanons grote thema’s, ‘eigenlijk zijn levensproject: het bestrijden en opheffen van de vervreemding van de raciaal onderdrukten en onteigenden’, aldus Shatz.
Zijn ervaringen verwerkte Fanon in het boek Peau noire, masques blancs (Zwarte huid, witte maskers, 1952). Daarin beschouwt hij zichzelf nog wel volledig als Fransman, maar beschrijft hij de psychologische gevolgen van racisme, onderdrukking en kolonialisme. Onderdrukten trachten een wit masker op te zetten, de witte kolonisator te imiteren, waardoor ze van zichzelf vervreemd raken.
De zogenaamde Franse kleurenblindheid prikt Fanon door als een mythe. Het boek sloeg niet heel erg aan, werd moeilijk en ook wel verwarrend gevonden. Als hij later niet door een ander boek beroemd was geworden, schrijft biograaf Shatz, ‘dan zou Fanons eerste boek best eens een obscuur curiosum kunnen zijn gebleven’. Maar:
Vandaag de dag wordt ‘Zwarte huid, witte maskers’ echter alom erkend als een cruciale – en vermoedelijk onovertroffen – reflectie op de Zwarte conditie in Frankrijk.

Psychiater in Algerije
In april 1952 ging Fanon werken in de psychiatrische kliniek in het zuid-Franse Saint-Alban-sur-Limagnole. Wat hem trok, was dat de Spaanse psychiater François Tosquelles daar bezig was het vak te vernieuwen door geesteszieken een nieuw gevoel van controle over hun leven te geven. Anderhalf jaar later, eind 1953, werd Fanon directeur van Psychiatrisch Ziekenhuis Blida-Joinville in Algerije. Wat hem daar wachtte, zo dacht hij, was een goede baan en de mogelijkheid met Josie een gezin te stichten. Ook dat gebeurde, maar Fanons leven kwam toch vooral in het teken te staan van iets anders. Met de vrijheidsstrijd in Algerije, die in 1954 ontbrandde, zou hij zich tot zijn dood in 1961 met huid en haar verbinden.
Frankrijk had zich in 1830 van Algerije meester gemaakt en bestuurde het sinds 1848 als integraal onderdeel van Frankrijk. Dat nam niet weg dat Algerije wel degelijk een kolonie was. In de jaren vijftig woonden er een miljoen Europese kolonisten als Franse burgers.
Wat Fanon in Blida aantrof, was schrikbarend. Er waren zo’n 1.500 psychiatrische patiënten en maar de helft van dat aantal bedden. Tal van geesteszieken waren vastgebonden aan hun bed, aan bomen op het ziekenhuisterrein of lagen geketend in cellen op stro. Hij spande zich in voor verbetering en voor het praktiseren van ‘sociale psychiatrie’. Daarbij kreeg hij steeds sterker de indruk dat tal van geestelijke aandoeningen van Algerijnse patiënten verband hielden met de ‘ontmenselijkende’ ervaringen die ze hadden opgedaan onder het koloniale bewind.
Op 25 augustus 1955 besteedt het Amerikaanse Universal News een item aan de strijd in Algerije:
Held van de revolutie
Met het aanbrengen van verbeteringen was hij nog niet zo heel lang bezig toen het Front de Libération Nationale (FLN, Nationaal Bevrijdingsfront) op 1 november 1954 de Algerijnse onafhankelijkheidsoorlog ontketende. Het was een half jaar na de Franse nederlaag bij het Vietnamese Dien Bien Phu. De ‘guerre d’Algérie’ (Algerijnse oorlog) is berucht geworden door het nietsontziende geweld, in de eerste plaats van de Fransen, die onder meer systematisch martelden. Maar ook het FLN liet zich niet onbetuigd (of eigenlijk de gewapende tak, het ALN, l’Armée de Libération Nationale, het Nationale Bevrijdingsleger).
In maart 1955 schaarde Fanon zich definitief aan FLN-zijde. Met zijn staf richtte hij in het Psychiatrisch Ziekenhuis in Blida een geheime kliniek in waar FLN-strijders terecht konden voor lichamelijke of geestelijke zorg. Dat was belangrijk, want in andere zorginstellingen in Algerije waren ze hun leven niet zeker. In december 1956 vertrok Fanon naar Frankrijk. Er waren aanwijzingen dat de Franse autoriteiten in de gaten kregen wat in het ziekenhuis in Blida in het geheim gebeurde. Inderdaad deed de politie enkele weken na Fanons vertrek een inval. Een van de stafleden werd in een interneringskamp opgesloten, een ander werd gemarteld en een derde overleefde een verhoor niet.
Op 27 januari 1957 werd tegen Fanon een officieel uitwijzingsbevel uit Algerije uitgevaardigd. De volgende dag verliet hij Frankrijk en reisde via Zwitserland en Italië naar Tunis. In het in maart 1956 onafhankelijk geworden Tunesië genoot de buiten Algerije verblijvende FLN-leiding bescherming. In Tunis werd Fanon actief voor het FLN-persbureau, voor de Franstalige FLN-krant El Moudjahid en (tot najaar 1958) als woordvoerder van de onafhankelijkheidsbeweging. Biograaf Shatz stelt:
Hij werd een held van de revolutie. Maar hij werd ook haar gevangene.

Pionieren in Tunis
In Tunis was hij overigens ook weer aan de slag gegaan als psychiater. Eerst werkte hij bij een kliniek in een buitenwijk, daarna op de psychiatrische afdeling van het Charles Nicolle-ziekenhuis in het stadscentrum. In dat ziekenhuis stichtte hij, met goedkeuring van de Tunesische autoriteiten, het Centre neuropsychiatrique de jour (CNPJ). Het was de eerste psychiatrische dagkliniek in Afrika. Daar moest behandeling van geesteszieken ‘meer gaan lijken op een dagtaak dan op een gevangenis’, schrijft Shatz. Patiënten gingen ’s avonds naar huis en kwamen de volgende dag weer terug. Niet op alle gebieden was Fanon overigens zo vooruitstrevend. Zo zag hij in homoseksualiteit een abnormale toestand die genezing behoefde.

In 1959 vroeg de linkse Parijse uitgever François Maspero aan Fanon een boek te schrijven over de Algerijnse onafhankelijkheidsstrijd. In oktober verscheen L’An V de la révolution algérienne (Jaar vijf van de Algerijnse revolutie). Fanon schilderde een krachtmeting die niet alleen een anti-koloniale opstand was, maar, in de woorden van zijn biograaf, ‘ook een sociale revolutie tegen klassenonderdrukking, religieus traditionalisme en zelfs tegen het patriarchaat’.
Met de realiteit stond die voorstelling van zaken op gespannen voet. Fanon gaf ongetwijfeld weer wat hij hoopte, maar de werkelijkheid was anders. De atheïst Fanon had binnen het FLN aansluiting gevonden bij de linkse, seculiere stroming. Maar die vormde slechts een minderheid. Naar wordt aangenomen mede onder invloed van de Chinese communist Mao zong Fanon in die jaren ook de lof van de plattelandsbevolking. Wat hem kennelijk ontging, was dat op het platteland een conservatieve stroming onder aanvoering van oelama’s (islamitische schriftgeleerden) juist aan kracht won.

Reizend ambassadeur
Begin 1960 verkaste Fanon naar de Ghanese hoofdstad Accra. De door het FLN ingestelde Voorlopige Regering van de Algerijnse Republiek (GPRA) had hem benoemd tot reizend ambassadeur voor Afrika bezuiden de Sahara. Hij moest de Algerijnse zaak bepleiten in onder meer West-Afrika, waar de meeste landen kort daarvoor niet hadden gekozen voor onvoorwaardelijke onafhankelijkheid, zoals het FLN, maar voor zelfstandigheid in nauwe verbondenheid met Frankrijk. Wat bij zijn werk hielp, was dat Fanon geen Noord-Afrikaanse Arabier was, maar een zwarte man, net als de inwoners van sub-Sahara Afrika.
Het werd een ontnuchterende ervaring, vooral door wat hij in de in juni 1960 onafhankelijk geworden Belgische oud-kolonie Congo meemaakte. Premier Patrice Lumumba, met wie Fanon vriendschap had gesloten, werd verdreven en vermoord. De macht kwam in handen van kolonel Mobutu, die deze niet inzette voor het soort onafhankelijkheid dat Fanon voor ogen zweefde. In plaats daarvan werd de macht gebruikt ten bate van de corrupte Congolese toplaag en buitenlandse bedrijven. Uit deze en andere ervaringen concludeerde Fanon dat een groot obstakel voor echte onafhankelijkheid en vrijheid werd gevormd door het ‘ontbreken van ideologie’, ofwel, in de woorden van Shatz, het ontbreken van een collectief politiek project.
In diezelfde tijd bleek dat Fanon leed aan een ernstige ziekte: leukemie, mogelijk terminaal. Het FLN overwoog hem voor behandeling naar de Verenigde Staten te sturen, maar naar ‘het land van de lynchers’ wilde Fanon pertinent niet. Daarom werd het Moskou. De behandelende artsen daar bewerkstelligden verbetering en gaven Fanon nog vier, misschien vijf jaar te leven.
Verworpenen van de aarde
Terug in Tunis stortte hij zich op een nieuw boek, dat hij dicteerde aan zijn medewerkster Marie-Jeanne Manuellan. In juli 1961 rondden ze het werk af. Met dat boek, Les damnés de la terre (De verworpenen van de aarde), zou Fanon wereldberoemd worden. Shatz schrijft dat de titel is ontleend aan het begin van een gedicht van de marxistische Haïtiaan Jacques Roumain uit 1930:
Et nous voici debout / tous les damnés de la terre. (Zie ons in opstand komen / de verworpenen van de aarde)
Vreemd is dat Shatz niet vermeldt dat Roumain die eerste regels vrijwel letterlijk heeft geplukt uit het socialistische strijdlied De Internationale (1888), waarvoor de Fransman Eugène Pottier de tekst schreef. In de originele Franse versie begint dit lied met: ‘Debout les damnés de la terre!’ (in de vertaling van Henriëtte Roland Holst uit 1900: ‘Ontwaakt, verworpenen der aarde!’).
Shatz noemt Fanons boek ‘De verworpenen van de aarde’ diens ‘laatste testament’ en ‘een manifest’. Hij wilde ermee waarschuwen tegen ‘steriel formalisme’ waarin dekolonisatie kon uitmonden als alleen maar de buitenlandse kolonisator werd vervangen door de binnenlandse elite. Dat noemde hij de ‘misselijkmakende imitatie van koloniaal bewind onder de banier van onafhankelijkheid’. Maar verreweg het bekends werd het boek doordat Fanon daarin geweld aanprees als probaat middel in handen van onderdrukten, gekoloniseerden, verworpenen.
Geweld als praktisch instrument

Fanon prijst geweld inderdaad aan als middel in de anti-koloniale strijd, maar hij doet dat niet zonder restricties. Positief waardeert hij geweld als praktisch instrument om van koloniale onderdrukking af te komen. Ook het bevrijdende psychologische effect voor gekoloniseerden die naar geweld grijpen waardeert hij (‘het neemt het minderwaardigheidscomplex bij de gekoloniseerden weg’). Maar tegelijk waarschuwt hij tegen ongebreideld gebruik ervan. Het moet zinvol worden ingezet, niet om alleen maar bloedbaden aan te richten of om zonder onderscheid des persoons alle kolonisten te treffen, stelt hij. Daarnaast laat hij zien tot welke psychische nood geweld kan leiden.
Ook uit anti-koloniale hoek kwam overigens wel kritiek op ‘De verworpenen van de aarde’. Zo schreef de Vietnamese marxist Nguyen Khac Vien in 1963 dat Fanon een ‘fundamentele waarheid’ negeert, ‘namelijk dat de gewapende strijd weliswaar van kapitaal belang is, maar niet meer beslaat dan een kortstondige periode, slechts een fase is van de revolutionaire beweging, die in de eerste plaats politiek is’. Overigens hebben de Vietnamezen zelf er gewapenderhand bijna dertig jaar over gedaan om eerst de Fransen eruit te werken (1946-1954) en zich vervolgens de Amerikanen van het lijf te houden (1955-1975).

Nalatenschap
Op 5 juli 1962 werd Algerije formeel onafhankelijk. Fanon maakte het niet meer mee. Na de behandeling in Moskou was in Tunis zijn toestand weer verslechterd. Begin oktober 1961 werd hij daarom toch maar naar de VS gevlogen. Hij werd opgenomen in de National Institutes of Health in Bethesda, Maryland. Hij overleed er op 6 december 1961 aan een dubbele longontsteking. Aan zijn wens om in Algerije te worden begraven is voldaan. Fanon rust op de begraafplaats van de ‘chouhada’ (oorlogsmartelaren) in Aïn Kerma, nabij de grens met Tunesië.
“Inmiddels ligt Fanons project voor de postkoloniale wereld in duigen”, stelt Shatz terecht. “De raciale scheidslijnen en de economische ongelijkheid waartegen hij protesteerde, zijn niet zozeer verdwenen als wel veranderd. De hedendaagse politieke orde is niet minder verdeeld tussen Noord en Zuid en wordt niet in mindere mate gekenmerkt door exploitatie, geweld en selectieve compassie.”
Naslagwerk zonder namenregister
Bij dit boek passen wel enkele kanttekeningen. Deze Fanon-biografie is uitgebreider dan de pakweg tien eerdere, dus alleen al door zijn omvang kan het boek als naslagwerk dienst doen. Daarom dacht ik na ontvangst van het recensie-exemplaar: snel even kijken of twee mensen die ik eind jaren zeventig herhaaldelijk heb ontmoet en die in de Algerijnse onafhankelijkheidsoorlog een rol speelden erin voorkomen. Het gaat om de Griek Michel Raptis (1911-1996), die als secretaris van de trotskistische Vierde Internationale het FLN steunde door onder meer te helpen bij het organiseren van wapenproductie in Marokko, en om de Algerijnse historicus Mohammed Harbi (1933), die in diverse functies voor het FLN actief was. Maar helaas, in het boek ontbreekt een namenregister. Raptis en Harbi komen erin voor, maar bij gebrek aan een register zijn ze heel slecht te vinden, net als alle andere personen die in het boek figureren. Dat ontneemt het een flink deel van zijn praktische waarde als naslagwerk en dat is erg jammer.

Tot slot iets over Shatz’ verteltrant. De uitgebreidheid van zijn boek verdient lof. Maar daar staat tegenover dat hij zo ongeveer elk denkbaar zijpad inslaat en de lezer geregeld alinea’s en soms zelf pagina’s lang vertelt wat hij op die zijpaden aantrof. Prima natuurlijk als ze van belang zijn om de hoofdlijn te illustreren of begrijpelijker te maken. Helaas verkent de auteur echter ook niet of nauwelijks relevante zijpaden en stelt daarmee het uithoudingsvermogen van de lezer danig op de proef.
De Nederlandse editie van het boek is vertaald door Alexander van Kesteren.
Dekolonisatie van Amerika, Azië en Afrika (1776-1975)
Algerijnse Oorlog (1954-1962) – Oorzaken, samenvatting, tijdlijn & gevolgen
‘Meer en Bosch’ in de greep van het nationaalsocialisme
De geschiedenis van de psychiatrie (1800-heden)
Fré Dommisse wilde de kloof tussen ‘normaal’ en ‘abnormaal’ slechten