Na een mislukte rebellie van een groep linkse militairen greep het Indonesische leger in 1965 de macht. Generaal (en vanaf 1967 president) Soeharto leidde een heksenjacht op alles wat links was of leek. Het kostte tussen een half miljoen en een miljoen Indonesiërs het leven. Bij de vestiging van Soeharto’s Nieuwe Orde speelde een Nederlander achter de schermen een belangrijke rol: pater Josephus Gerardus (Joop) Beek (1917-1983).
Aan wie meer dan vijfendertig jaar na zijn overlijden nog een ‘overwinning’ wordt toegeschreven moet bij leven wel iets bijzonders hebben verricht. Dat was met pater jezuïet Joop Beek dan ook het geval. In 2019 won Joko Widodo de presidentsverkiezingen en begon hij aan zijn tweede ambtstermijn. Oud-parlementariër Djoko Edhi Abdurrahman van de Partai Amanat Nasional (PAN, Nationale Mandaatpartij) noemde de herverkiezing van de president een…
…overwinning van Pater Beek op de islamitische beweging.

Een derde en laatste voorbeeld stond in 2002 in het islamitische tijdschrift Suara Hidayatullah. Het blad hekelde de rol van ‘jezuïtische brigades’. Ter illustratie werd een Koran-vers aangehaald uit Soera Ali Imraan:
O gij die gelooft, neemt buiten uw volk geen ander tot intieme vrienden; zij zullen niet in gebreke blijven u te benadelen. Zij houden van leedvermaak. Nijd laten zij blijken en wat hun innerlijk verbergt, is nog erger. Wij hebben u onze geboden duidelijk gemaakt, indien gij, ze wilt begrijpen.
Dergelijke geluiden vallen veel vaker te horen vanuit radicaal-islamistische hoek in Indonesië. En zeer geregeld wordt dan verwezen naar de activiteiten van pater Beek als bewijs voor het bestaan van een ‘jezuïtische samenzwering’. Curieus is wel dat de door Prabowo uitgedeelde brochure de ‘jezuïtische samenzwering’ ervan betichtte Soeharto ten val te willen brengen, terwijl islamisten gewoonlijk onderstrepen dat pater Beek en de zijnen het Soeharto-bewind juist steunden en samenwerkten met het leger om de islam zijn rechtmatige plaats te onthouden.
De Franse historicus Rémy Madinier constateerde in 2023 dat nog nooit een degelijke wetenschappelijke studie is verschenen over pater Beek. Dat is inderdaad opvallend. Want Beek mag dan een wat mysterieuze figuur zijn, duidelijk is wel dat hij achter de schermen in Indonesië een belangrijke rol speelde in het politieke en religieuze machtsspel in 1965 en de jaren daarna. “Zelden heeft iemand in de Indonesische geschiedenis voedsel gegeven aan zoveel geruchten, fantasieën en uiteenlopende interpretaties als Joop Beek”, aldus Madinier.
De Australische socioloog Richard Tanter voegde daar in 1991 nog iets aan toe. Volgens hem schrapte Beek in de jaren zeventig, ‘misschien eerder’, het ‘van’ uit zijn naam. Heette hij dus eigenlijk Van Beek? En waarom schrapte hij dat ‘van’? Het Stadsarchief Amsterdam (Beek is in Amsterdam geboren) leert dat Tanter de plank mis sloeg. Documentatie uit 1936/37 bevestigt dat Beek vanaf zijn geboorte Beek heette.
Aad van den Heuvel
Maar terwijl Beeks naam in Indonesië zelfs in de eenentwintigste eeuw nog rondgaat, was en is hij in Nederland vrijwel onbekend. Aan KRO-journalist Aad van den Heuvel (1935-2020) heeft dat niet gelegen. In 2005 verscheen van hem het boek Dit was Brandpunt, goedenavond. Media besteedden er aandacht aan, maar niemand viel op dat Van den Heuvel naast veel andere dingen ook een bizar verhaal vertelde waarop hij in 1966 in Indonesië was gestuit dankzij een tip van een pater bij de KRO.

Al eerder bracht de KRO-man in een roman (1991) en een interview (1993) de geheimzinnige priester ter sprake. In de roman Stenen tijdperk lijkt pater Herman Sloot als twee druppels water op pater Joop Beek. Van den Heuvel suggereerde in roman en interview zelfs dat Beek de kwade genius was achter de mislukte rebellie van 30 september 1965 en de daaropvolgende machtsgreep van het leger. Zo lezen we in de roman:
Hij zou de werkelijke bedenker zijn van het 30 september-complot en hij zou ook bijna alle namen hebben ingevuld van de militairen en politici die de nieuwe democratie na Sukarno zouden moeten gaan leiden.
De coup van ’65 en de man die buiten beeld bleef
Ook in een tv-uitzending in 2015 verklaarde Van den Heuvel nog dat er ‘een soort complot was waar hij (Beek, red.) met handen en voeten in zat’. Nu zijn er rond de gebeurtenissen van 30 september 1965 en de dagen direct daarvoor en daarna inderdaad feiten die de fantasie prikkelen en ook nog tal van onbeantwoorde vragen, maar bij gebrek aan een degelijke onderbouwing is Van den Heuvels suggestie wel erg boud.
En dat terwijl zaken die Van den Heuvel uit eigen waarneming memoreert al boeiend genoeg zijn. Zo trof hij Beek in 1966 eens achter diens oude, grijze Remington-typmachine. De pater vertelde dat Soeharto die avond een toespraak zou houden. Op de vraag wat hij zou gaan zeggen, antwoordde Beek: “Dat weet ik niet, want ik ben nog bezig met zijn toespraak”.

Je stelde een vraag, dan boog hij zich over een papiertje, daar stonden precies de vragen op die we aan Beek hadden doorgegeven, mét de antwoorden. Het moest allemaal voorgelezen worden om geen fouten te maken. Ik denk dat de man bij wie we de vragen ingeleverd hadden de antwoorden er wel onder geschreven heeft.
Dergelijke observaties onderstrepen hoezeer Beek destijds een kekuatan diam was, een stille kracht.
Jezuïeten op Java
Om te begrijpen tegen welke religieuze en politieke achtergrond pater Beek in Indonesië werkte even een stapje terug in de tijd. Maar eerst de getalsmatige religieuze verhoudingen, die nu hooguit marginaal afwijken van die in Beeks tijd. Blijkens een volkstelling was in 2010 87,18 procent van de Indonesiërs moslim, 6,96 procent protestant, 2,92 procent katholiek, 1,69 procent hindoe, 0,72 procent boeddhist en 0,05 procent confucianist. Van het resterende halve procentje was de godsdienst in veel gevallen onbekend, terwijl een piepkleine fractie een andere religie aanhing dan de al genoemde.

In dat klimaat arriveerden in 1896 de eerste jezuïeten in Midden-Java. Ze gingen voortvarend aan de slag. In 1934 telde het sultanaat Yogyakarta liefst 110 door jezuïeten geleide scholen en Solo meer dan veertig. In 1940 werd de jezuïet Albertus Soegijapranata (1896-1963) benoemd tot apostolisch vicaris en bisschop van Semarang. Toen Nederlandse troepen na de Tweede Wereldoorlog werden ingezet om de voormalige kolonie te heroveren verruilde Soegijapranata Semarang voor Yogyakarta, waar de regering van de in 1945 uitgeroepen Republiek Indonesië zetelde. In geschriften van Indonesische jezuïeten komt dit naar voren als een sleutelmoment voor het katholicisme in Indonesië. A. Budi Susanto noemde het zelfs de hijrah van Soegijapranata, verwijzend naar de verhuizing van de islamitische profeet Muhammad van Mekka naar Medina in 622.
Intussen hanteerde de Republiek sinds 1945 de door president Soekarno voorgestelde Pancasila (vijf principes). Het eerste luidt: ‘Geloof in één Almachtige God’. Daarmee behoorde religie wel tot de fundamenten van de nieuwe staat, maar was het geen islamitische staat. De jezuïeten konden zich er prima in vinden en onderhielden ook goede betrekkingen met de grootste islamitische partij, Masyumi. Beider anticommunisme was een bindende factor.

Kadertrainingen voor jonge katholieken
In dat klimaat kreeg Beek in 1952 opdracht in Yogyakarta een kostschool te beginnen: Asrama Realino. Een van de hoogtepunten in Beeks tijd daar (1952-1959) was de feestelijke opening van de nieuwbouw op 29 juli 1956. Tegelijk was het politiek een zeer woelige tijd, waarin kabinetten het maar kort volhielden. President Soekarno zag daarin in 1959 aanleiding de Demokrasi Terpimpin (Geleide democratie) af te kondigen, waarmee hij veel macht naar zich toetrok.
Daarnaast was de Partai Komunis Indonesia (PKI) uitgegroeid tot een van de grootste communistische partijen ter wereld en verhardden de standpunten van moslimpartij Masyumi. Die partij eiste voor de islam een (veel) grotere rol op dan waarin staatsfilosofie Pancasila voorzag.

Tegen die achtergrond begon Beek in Asrama Realino met wat hij later in Jakarta zou voortzetten onder de naam khasebul (khalwat sebulan, afzondering gedurende een maand). Het waren keiharde kadertrainingen voor jonge katholieken. Ze werden getraind in onder meer leiderschap, spreken in het openbaar, schrijven, groepsdynamiek, sociale analyse en het gebruik van codewoorden. Zo kweekte Beek een aan hem toegewijde groep volgelingen die konden worden ingezet voor het verzamelen van informatie en voor het vervullen van (liefst belangrijke) functies in allerlei organisaties, tot in het machtscentrum in Jakarta aan toe.
Bij de trainingen ging het er ongewoon aan toe. Om te beginnen moesten de jongeren erover zwijgen tegen de buitenwereld. Hun eerlijkheid testte Beek door in elke slaapkamer in een boek wat papiergeld te verstoppen, waarvan hij de serienummers noteerde. Was geld verdwenen, dan werd de schuldige gestraft of weggestuurd.
Volgens onderzoeker Richard Tanter moesten de jongeren elkaar tijdens de trainingsmaand geregeld slaan en werden ze vaak midden in de nacht gewekt. Enkele deelnemers hebben – anoniem – details verstrekt. Een van hen werd drie dagen zonder eten opgesloten. Een ander werd in een donkere kamer op een stoel vastgebonden. Op zijn schouders werd een slang gelegd (hoewel die waarschijnlijk niet giftig was). Een derde werd, slechts gekleed in zijn onderbroek, vastgebonden, waarna modder over hem heen werd gegooid. Vervolgens werd hij zo een hele nacht blootgesteld aan stekende muskieten.

In 1959 werd Beek overgeplaatst naar Jakarta om daar de Maria-congregatie te leiden. De kadertrainingen verhuisden mee (naar een groot complex met 144 bedden in Klender, Oost-Jakarta). In 1961 zat het hem echter tegen. Met zijn geharnaste anti-islamstandpunt had hij onder de jezuïeten in Indonesië weinig vrienden gemaakt. Hij werd gedwongen de leiding van de Maria-congregatie op te geven. Maar het volgende jaar trad in Indonesië een nieuwe jezuïtische provinciaal (overste) aan die meer in Beeks benadering zag en hem in zijn functie herstelde.
In 1972 ging het voor Beek nogmaals mis. Na een bezoek van de generaal-overste der jezuïeten en na onderzoek naar zijn activiteiten werd hem dringend verzocht Indonesië te verlaten. Maar na druk van president Soeharto zwichtte Beeks directe superieur, de provinciaal der jezuïeten, en liet Beek terugkeren.
Een eigen inlichtingendienst
Terug nu naar 1961. Beek werd toen gekozen tot hoofd van het Biro Dokumentasi (Documentatiebureau) dat het Indonesische episcopaat en de Katholieke Partij moest voorzien van sociale en politieke analyses van de situatie in het land. Met zijn netwerk van enige honderden activisten bouwde Beek het ‘Biro Dokumentasi’ uit tot een soort inlichtingendienst.
In 1983, Beeks sterfjaar, waren er zo’n 2.300 loyale volgelingen opgeleid. Ze waren georganiseerd in cellen in 190 van de 300 Indonesische kabupaten (districten). Een indrukwekkend netwerk voor verzameling van inlichtingen. Al een poos eerder had Beek zijn khasebul-trainingen losgemaakt van de katholieke kerk, waarbinnen veel kritiek op zijn doen en laten bestond. Donaties om de trainingen te financieren zamelde hij voortaan in met een stichting.

Het kleinere kwaad
Van den Heuvels bewering dat er in 1965 ‘een soort complot was waar hij (Beek, red.) met handen en voeten in zat’ is zoals al opgemerkt niet heel geloofwaardig. Interessanter is wat socioloog Wim Wertheim schreef in 1979. Namelijk dat Beek…
…enkele maanden voor de gebeurtenissen aan een vriend vertelde dat hij het jammer vond Indonesië om gezondheidsredenen tijdelijk te moeten verlaten, omdat hij er zeker van was dat een herhaling van de Madiun Affaire (1948) zich spoedig zou voordoen, op een veel grotere schaal, wat zou resulteren in een uiteindelijke nederlaag van de PKI.

In 1948 brak in en rond Madiun (Oost-Java) een communistische rebellie uit, die werd onderdrukt door troepen die de regering van de Republiek trouw waren. Anders dan Van den Heuvel stelt Wertheim dus niet dat Beek in een complot zat, maar wel dat hij ervan wist.
De gebeurtenissen uit 1965 leidden er inderdaad tot uitschakeling van de PKI. Beek kon tevreden zijn, want het communisme had hij altijd beschouwd als een ernstige bedreiging voor de Indonesische christenen. Maar in Beeks ogen was er meer. In 1998 schreef socioloog George Aditjondro dat Beek ‘de theorie van het kleinere kwaad’ hanteerde. Voor de christenen zag hij naast het communisme – in 1965 verslagen – twee ‘groene’ bedreigingen: het leger en de islam. Het leger was volgens Beeks het kleinere kwaad. Dat probeerde hij daarom te steunen tegen president Soekarno en te gebruiken tegen het grotere kwaad: de islam.
Veel van zijn mede-jezuïeten en de leiding van de Katholieke Partij zagen de zaken anders. Waar zij meenden dat de islam best een politieke rol kon spelen als die zich maar democratisch toonde en tolerant jegens minderheden, was bij Beek volgens de Franse wetenschapper Madinier sprake van ‘een archaïsche vorm van koloniale islamofobie’.

Hoe ging Beek met die standpunten aan de slag in crisisjaar 1965? Al op 4 oktober ontmoetten door Beek getrainde activisten generaal Soeharto. Een van hen noemde het later het ‘begin van een bondgenootschap dat twintig jaar zou standhouden’. Eind die maand namen Beek-getrouwen deel aan de oprichting van de activistische studentenorganisatie Kesatuan Aksi Mahasiswa Indonesia (KAMI). Ook socialistische en moslim-studenten deden mee, maar de invloed van Beeks mensen was opvallend groot. KAMI-leider Cosmas Batubara was een van hen. Ook bij de vele demonstraties van studenten en andere jongeren tegen het communisme, tegen Soekarno en voor meer democratie – waarvan ze (vergeefs) dachten dat het leger die zou brengen – speelden Beek-getrouwen een voorname rol.

‘Functionele Groepen’
Hierboven kwam al aan de orde dat Beek Soeharto influisterde wat hij moest antwoorden op vragen van een KRO-ploeg. Voorts schreef (inmiddels oud-)journalist Van den Heuvel in 2005 dat hij papieren had gezien waaruit bleek dat Beek al vanaf 1963 plannen maakte voor Golongan Karya (Golkar), het politieke voertuig (het was lange tijd nog geen echte partij) waarvan Soeharto zich ging bedienen. Golongan Karya betekent Functionele Groepen: boeren, vissers, vrouwen, arbeiders, ambtenaren enzovoort. Het doet denken aan het corporatisme waarvan katholieken in Europa voorstander waren. Volgens het corporatisme moeten functionele groepen, waartoe ook werkgevers en werknemers werden gerekend, nauw samenwerken – wat haaks staat op de klassenstrijd van de communisten.
Nu was gedachtevorming over ‘golongan karya’ niets nieuws in Indonesië. Dat begon al in de jaren 1920 en ging versterkt door in de jaren veertig en vijftig. De Australische historicus David Reeve heeft onderstreept dat het Soekarno was die, de partijtwisten goed zat, in 1956/’57 opperde het partijwezen te vervangen door functionele groepen. Het leger nam het idee over en vormde functionele groepen voor jongeren, boeren, vrouwen en moslimgeleerden. In 1964 werden die ondergebracht in het Sekretariat Bersama Golongan Karya (Sekber, Verenigd Secretriaat van Functionele Groepen).
Maar die plannenmakerij voor Golkar dan waarmee Beek volgens Van den Heuvel sinds 1963 bezig was? In 1999 interviewde het Indonesische weekblad Tempo de jezuïet Dick Hartoko (pseudoniem van de Indo-Europeaan Theodoor Willem Geldorp, 1922-2001). “Het begin van Golkar was een idee van een pater jezuïet: Beek”, zei hij met grote stelligheid. Een jaar eerder schreef socioloog Aditjondro hetzelfde in het islamitische blad Media Dakwah. Wat Hartoko en Aditjondro stellen, sluit Reeves mededelingen echter niet uit. Een van Beeks vertrouwelingen, Harry Tjan Silalahi (oorspronkelijk Harry Tjan Tjoen Hok), bezocht na de machtsgreep van het leger generaal Soeharto en overhandigde hem een plan voor organisatie en reglementen van wat Soeharto’s politieke vehikel Golkar moest worden.

Met instemming van Soeharto stichtten de etnisch-Chinese Beek-volgelingen Jusuf en Sofian Wanandi (oorspronkelijke namen: Liem Bian Kie en Liem Bian Khoen) in 1971 het Center for Strategic and International Studies (CSIS). Het fungeerde tot eind jaren tachtig als denktank voor regeringsbeleid. Zo hielp het CSIS het politieke landschap flink te versimpelen. Naast Golkar werden nog maar twee partijen toegestaan, Partai Persatuan Pembangunan (PPP, Verenigde Ontwikkelingspartij) en Partai Demokrasi Indonesia (PDI, Indonesische Democratische Partij). In de PPP kwamen moslimpartijen samen, de PDI bood plaats aan nationalisten en christenen. Echte oppositie voerden ze niet, want de machthebbers hielden PPP en PDI strak in de hand.
Daarmee werd ook de rol van de islam verkleind. Dat was precies Beeks doel en het kwam Soeharto – zelf moslim, maar van de Midden-Javaanse soort, dus ook gelovend in Javaanse mystiek – op dat moment goed uit. Tegen christelijke adviseurs, zoals die van het CSIS, had de nieuwe machthebber geen bezwaar. Zij immers zouden naar zijn taxatie loyaler zijn dan moslims en afhankelijker van hem, aangezien ze geen talrijke christelijke machtsbasis hadden die moeilijkheden kon veroorzaken.

Tactische draai
Ook na Beeks dood in 1983 bleef zijn netwerk grote invloed uitoefenen binnen de Nieuwe Orde. Begin jaren negentig keerde echter het tij. Strikte moslims waren doorgedrongen tot hoge functies en zij stoorden zich aan het klein houden van de islam door Soeharto. Ook in de samenleving zwol dat geluid aan. De president maakte daarom een tactische draai. Hij keerde zich af van de gematigde, nominale moslims (abangan) en de christenen en ging een verbond aan met de striktere, reformistische moslims (santri). In 1991 ging hij op bedevaart naar Mekka.

Intussen zetten de jezuïeten definitief een streep onder Beeks benadering. Er kwam weer een dialoog op gang tussen hen en de belangrijkste moslimorganisaties. Drijvende kracht daarachter was de in Duitsland geboren jezuïet Franz Magnis-Suseno. Hij kon het goed vinden met Aburrahman Wahid (1940-2009), voormalig leider van de grootste moslimorganisatie in het land, Nahdlatul Ulama, en in de jaren 1999-2001 president van Indonesië. Ook onderhield Magnis-Suseno goede banden met Ahmad Syafi’i Maarif, oud-voorzitter van een andere grote moslimorganisatie, Muhammadiyah.
Mikpunt van kritiek
In een belangrijke periode van de Indonesische geschiedenis was pater Beek met zijn netwerk van activisten en informanten van achter de schermen zeer invloedrijk geweest. Tot dus begin jaren negentig de ommekeer kwam. Maar curieus genoeg is zijn naam in Indonesië nog steeds bekend. Niet meer als wajangspeler achter de schermen van het Indonesische machtscentrum, maar als mikpunt van kritiek van strikte moslims, die in hem nog steeds de kwade genius zien achter tal van zaken. Onder strikte moslims is Beek nu al ruim dertig jaar de favoriete kop van jut.
Priesterleven

Beek overleed op 17 september 1983 in Jakarta. Hij rust op de jezuïetenbegraafplaats Giri Sonta bij Semarang, Midden-Java.
– Brandpunt (KRO-NCRV): De coup van ’65 en de man die buiten beeld bleef. 25 september 2015. Te zien via https://www.youtube.com/watch?v=CBwzYWX-L28
– De Heilige Qor’aan, met Nederlandse vertaling. (Rabwah, Pakistan 1994)
– Ronald Frisart: Wajangspeler trok aan vele touwtjes. Dubieuze rol pater Beek bij opbouw Soeharto-regime. In: Haarlems Dagblad, Leidsch Dagblad, De Gooi- en Eemlander en Noordhollands Dagblad, 20 oktober 2007.
– Aad van den Heuvel: Stenen tijdperk. (Amsterdam 1991)
– Aad van den Heuvel: Dit was Brandpunt, goedenavond. (Soesterberg 2005)
– Leeszaal KADOC-KU Leuven/Archief Nederlandse provincie van de jezuïeten: Album Asrama Realino Yogya, 1956.
– Rémy Madinier: From ‘mystic synthesis’ to ‘Jesuit plot’: The Society of Jesus and the making of religious policy in Indonesia. In: Modern Asian Studies (2023), 57.
– Mujiburrachman: Feeling Threatened/Een gevoel van bedreiging. Muslim-Christian Relations in Indonesia’s New Order. (Leiden/Amsterdam 2006)
– David Reeve: 70 years of Golkar thinking. (ongedateerd paper)
– Stadsarchief Amsterdam, militieregisters 1827-1940, archiefnummer 5182, inventarisnummer 4499.
– Richard Tanter: Intelligence Agencies and Third World Militarisation: A Case Study of Indonesia, 1966-1989, with Special Reference to South Korea, 1961-1989. (Melbourne 1991)
Operatie Duck: de zuivering van negen kampongs (1946)
Abolitionisme – Strijd tegen de slavernij
Hans Goedkoop over het verzwegen KNIL-verleden
Van Imhoff-drama in Indië werkt door tot huidige dag