Zakenman
Volgens zijn eigen verklaringen begint Léon Degrelle vanaf 1951 zaken te doen, aan de telefoon, vanuit de finca (landgoed) waar hij tot dan ondergedoken verblijft. Wat voor zaken Degrelle precies aanpakt is niet helemaal duidelijk en in ieder geval nooit goed onderzocht. In interviews heeft hij het over import-exporttransacties met wol, over handel in metalen en over bouwondernemingen. Ongetwijfeld heeft het Falange-netwerk hem op zijn minst op weg geholpen.
In de jaren vijftig heeft Spanje nog geen liberale economie. Vriendendiensten en overheidsgunsten spelen nog een grote rol. Ruimhartige kredieten voor nieuwe ‘hovelingen’ van Franco zijn geen uitzondering. Er is nog een ander netwerk dat hem kan ondersteunen: dat van de Duitse ballingen. Léon Degrelle is lang niet de enige oudgediende van het Derde Rijk in Spanje. Madrid is na de oorlog een centrum van ex- en neonazi’s geworden, van wie er een aantal met succes in zaken zijn gegaan en die tussendoor hun ideologie blijven verspreiden. Het verzoek van de geallieerden om grote schoonmaak te houden in de Duitse kolonie is kundig opgevangen. Veel Duitse belangen in Spaanse bedrijven zijn handig verstopt of ineens verzwonden, zodat er een stevige clandestiene basis overblijft.

Als zakenman speelt Skorzeny in een veel hogere klasse dan Degrelle, die, behalve met een gebrek aan commercieel talent, waarschijnlijk ook met een tekort aan motivering kampt en liever boeken schrijft dan handel drijft. Hij kan of durft ook niet internationaal te reizen. Maar misschien heeft Skorzeny zijn collega-Ridderkruis-drager laten meegenieten van zijn florissante affaires? Skorzeny’s handeltjes zijn grondig doorgelicht en Degrelles naam duikt daarbij maar één enkele keer op, als medevertegenwoordiger, samen met Skorzeny, van het grote Duitse import-exportbedrijf Lucht in Spanje. Dat bedrijf werd in Duitsland geleid door Werner Naumann, een voormalige medewerker van Goebbels.
Wat er ook van zij: Degrelle, in 1945 gearriveerd met alleen maar een rugzak vol dagelijkse spullen en een boek van de Vlaamse kunsthistoricus Max Rooses, wordt in korte tijd een redelijk welvarende burger, of houdt in ieder geval de levensstijl van zo iemand aan. In november 1954 zal een Madrileense bank aankloppen bij de Belgische ambassade om informatie te vragen over een Belg, een zekere Juan Sanchis Dupret (sic), die een duur appartement heeft gehuurd in de stad en bezig is het op luxueuze wijze in te richten. Juan Sanchis Dupret is een van de vele namen die Degrelle gebruikt.
Brandende zielen
Degrelle vaart wel, maar hij kan geen afscheid nemen van zijn vroegere zelf. De buitenwereld staat hem dat ook niet toe. In België blijven velen om zijn uitlevering schreeuwen. En voor journalisten wordt hij een gegeerde interviewpartner. Zo gegeerd dat er ook fictieve interviews verschijnen. Een daarvan staat in de Naamse krant Vers l’Avenir van 26 mei 1952. Een journalist heeft Degrelle zogenaamd in Tanger kunnen spreken, waar hij ongehinderd rondgelopen zou hebben, onder het oog van de daar door Belgen geleide politie (Tanger in Marokko vormde tot 1956 een internationale zone, met een uit diverse Europese landen gerekruteerde politiemacht). Het blijkt een staaltje vals nieuws te zijn, bedoeld om de reputatie van de Belgische politiemensen in Tanger te beschadigen en de gesprekken over de toekomst van de internationale zone te beïnvloeden. Degrelle is een speler, maar er wordt ook met hem gespeeld.
Het herstel van volwaardige diplomatieke relaties tussen België en Spanje en het duidelijke gebrek aan jachtinstinct van de Belgische minister van Buitenlandse Zaken Paul van Zeeland maken Degrelle roekelozer. De Spaanse regering is nu nog minder geneigd hem en zijn falangistische vrienden in te tomen. Publicaties en interviews volgen elkaar op. Degrelle is een zakenman die blijkbaar veel tijd heeft om te schrijven. Naast zijn onuitputtelijke oorlogsmemoires schudt hij ook gedichten (La Chanson ardennaise), quasimystieke cursiefjes (Les âmes qui brûlent) en zelfs een roman (La grande bagarre) uit zijn ‘gouden pen. De roman publiceert hij onder de naam Jean Doutreligne.

Het gerucht over Degrelles verblijf in Tanger of in Marokko is intussen goed blijven hangen. Tot verbijstering van de Belgische consul-generaal in de Internationale Zone is zelfs de Belgische minister van Justitie eraan gaan geloven. De Tanger-kwakkel komt natuurlijk goed uit om de Spanjaarden verder niet onnodig onder druk te hoeven zetten.
Niets blijft duren. Ook de tijd van de homogene CVP-regeringen gaat voorbij. In 1954 treedt de vierde regering van Achille Van Acker aan, een coalitie van socialisten en liberalen. Pech voor Degrelle én voor Franco: de nieuwe minister van Buitenlandse Zaken is een oude bekende: Paul-Henri Spaak. Spanje is nog altijd geen volwaardig VN-lid. Spaak kan dat lidmaatschap niet in zijn eentje tegenhouden. Maar als historische medestichter van die organisatie kan hij nog voor veel problemen zorgen.

De volkeren haten elkaar. De individuen verfoeien elkaar. Zij respecteren niemand meer, zelfs niet de verslagene die op de grond ligt, noch de vrouw die smeekt, noch de kinderen met hun dromende ogen. Het dromen is dood. Alleen het beest leeft, het wilde beest, dat de zwakken en de sterken vertrapt, de onschuldigen en de schuldigen.
Almas Ardiendo krijgt brede aandacht in Arriba, het blad van de Falange. ‘Het is de eerste maal dat Degrelle derwijze in Spanje voor het openbaar voetlicht wordt geplaatst’, constateert de Antwerpse socialistische krant Volksgazet beduusd. Er is blijkbaar een wat gepolijstere versie van Léon in de maak. De keuze van de vertaler, die ook een inleiding verzorgt, draagt daartoe bij. Dat is namelijk geen falangist, maar een gerespecteerde academicus die bekendstaat om zijn liberale ideeën: dokter Gregorio Marañón.

Marañón, een arts met een brede historische en filosofische belangstelling, is een soort ‘excuus-intellectueel’ voor de franquisten. Hij is een republikein die zich naar de dictatuur heeft gevoegd uit afkeer voor de uitwassen van de republiek. In zijn zeer korte inleiding schrijft hij dat Degrelle een ander ‘sociaal traject’ heeft gevolgd dan hijzelf, maar dat het de moeite loont om over die ‘omstandigheden’ heen te stappen en te luisteren naar iemand die ‘anders’ denkt. Dat is voor hem de kern van zijn liberale wereldbeeld. Verder prijst hij Degrelles opstellen aan als ‘pagina’s van ondraaglijke schoonheid en menselijk pathos, vol van hoop op een gemeenschappelijke en betere wereld…’
De Belgische ambassadeur in Madrid, prins de Ligne, knarsetandt:
Léon Degrelle, de “collaborateur” die zijn land verried, heeft in het Spaans zijn boek Âmes Ardentes (sic) gepubliceerd. Dat is zijn goed recht, zoals zijn bewonderaar dokter Gregorio Marañón het recht heeft om het te vertalen en in te leiden. Maar het mag niet gebeuren dat het publiek een verkeerd beeld krijgt van wat dit weinig aanbevelenswaardige individu, dat zijn euveldaden probeert te verontschuldigen door de gloed van zijn ziel aan te voeren, voor de Belgen vertegenwoordigt.
Een of andere Belgische schrijver, bekend om zijn gematigdheid en onpartijdigheid, zou dat eens duidelijk moeten maken aan de Spanjaarden, vindt hij. Maar dat gebeurt niet.
Als de ambassadeur de moeite had gedaan om de Spaanse editie van Les âmes qui brûlent ter hand te nemen had hij daar nog een stukje informatie in kunnen ontdekken dat Degrelle haast terloops weggeeft aan wie naar hem op zoek is: het boekje is gedrukt in het atelier van meester-drukker Ildefonso Becerra in Lora del Rio, vlakbij zijn woonplaats.
Moeder Matilde
Protesteren tegen de publicatie doet Spaak niet meer. Degrelle provoceert hem spoedig op een nog veel brutaler manier.
Op 15 december 1954 heeft er een plechtige ceremonie plaats in het stadhuis van Madrid. De burgemeester en een groep hooggeplaatste vertegenwoordigers van het regime, onder wie twee ministers, ontvangen een groep Spaanse oostfrontstrijders die na negen jaar zijn vrijgelaten uit een krijgsgevangenenkamp in de Sovjet-Unie. Tussen de genodigden die de mannen zijn komen begroeten en toejuichen merkt een redacteur van het persagentschap EFE ook ‘de Belgische politicus’ Léon Degrelle op. Verschillende kranten en radiostations nemen dat bericht over en binnen de kortste keren is het nieuws over Degrelles eerste publieke verschijning in Spanje ook in België bekend. Het komt daar hard aan. De vele burgerslachtoffers van het von Rundstedt-offensief, precies tien jaar eerder, worden net herdacht. Degrelle, of in ieder geval sommigen van zijn Rex-militanten, worden nog altijd verdacht van moordpartijen in die dagen.
De Franco-dictatuur is hard, maar laat in haar eigen gelederen blijkbaar toch wat ruimte voor onprettige chaos. Nadat de Belgische ambassadeur een verontwaardigde missive heeft laten bezorgen, gaan de paraplu’s in Madrid meteen open. Het EFE-bericht wordt ingetrokken, geloochend, ontkend. De burgemeester van Madrid laat weten dat Degrelle niet op de gastenlijst stond, dat het een publieke bijeenkomst was en dat Degrelle misschien gewoon binnengeglipt is.
Ten slotte wordt de oude leugen herhaald: Léon Degrelle is helemaal niet in Spanje. Maar te veel mensen hebben hem gezien. Medewerkers van de Belgische ambassade kunnen een kaartje maken met zijn verblijfplaatsen en contacten in de Spaanse hoofdstad. Iemand van de Amerikaanse geheime dienst had hem daar een jaar eerder al zien rondlopen. De Falange maakt het nog wat erger met een Degrelle-interview in haar weekblad El Español. De interviewer, José Jiménez Sutil, verklapt niet waar hij Degrelle gesproken heeft, maar geeft aan dat het ergens in een kuststad was. En Degrelle blijkt intussen vloeiend Spaans te spreken.
In het interview looft hij de Spanjaarden als ‘de reserve van de eeuw’ en betreurt hij dat er slechts 28 miljoen exemplaren van bestaan. Wat hij zijn interviewer niet vertelt is dat een bejaarde dame uit Constantina, de 72-jarige weduwe Matilde Ramírez Reina, net de toestemming van een rechter heeft gekregen om hem te adopteren. De adoptie wordt een klein jaar later notarieel vastgelegd. Degrelle mag nu zijn nieuwe naam gebruiken: León José Ramírez Reina. Het is de naam die uiteindelijk ook op zijn overlijdensakte zal staan. Matilde heeft geen beroep, dat van haar geadopteerde zoon blijkt escritor (schrijver) te zijn.
De adoptie lijkt op een extra veiligheidsgordel, maar bezorgt Degrelle niet formeel de Spaanse nationaliteit – al zal hij, maar ook de Belgische regering, dat later vaak beweren. Degrelle had minderjarig moeten zijn om die nationaliteit door adoptie te verwerven. Maar hij is al 49. Zijn nieuwe ‘moeder’ is er 72. De adoptie levert hem toch een legaal Spaans paspoort op, dat hem ineens vijf jaar jonger maakt dan hij is en de juridisch betwistbare verklaring ‘Español por adopción’ draagt. Het is mogelijk dat een rechter of een ambtenaar heeft geoordeeld dat iemand van wie de nationaliteit is afgepakt in dezelfde kwetsbare positie verkeert als een minderjarige, maar dan nog had de naturalisatie formeel vastgelegd moeten worden in een centraal register bij het ministerie van Justitie. Dat is nooit gebeurd.
Wat extra Spaanse veiligheid kan geen kwaad bij het onweer dat opsteekt na zijn verschijning in Madrid. Spaak kan de zaak niet laten gaan. De storm in de Belgische pers is te hevig. En ook aan Spaanse kant maken sommigen zich zorgen. De Spaanse ambassadeur in Brussel ziet zijn werk van de voorbije jaren verloren gaan, terwijl er nog allerlei belangrijke onderhandelingen lopen. Hij begon net wat prettiger op te schieten met de nieuwe regering, en daar duikt Degrelle weer op. Graaf Casa Miranda probeert de Belgen ervan te overtuigen dat ze de zaak niet groter mogen maken dan ze is. Het valt allemaal terug te brengen tot een persoonlijk initiatief van de burgemeester van Madrid, die een intieme vriend van Degrelle is. Meer is er niet aan de hand.
In 1952 is niemand minder dan de graaf van Mayalde, de man die Degrelle aan zijn eerste onderduikadres heeft geholpen, burgemeester van Madrid geworden. Hij zal dat tot 1965 blijven.

Léon Degrelle blijft intussen provoceren, met nieuwe interviews, maar ook met een brief aan Martín-Artajo, waarin hij het betreurt dat hij Spanje zoveel last bezorgt. Hij wil zich aangeven, op voorwaarde dat hij in België een nieuw proces krijgt, voor een assisenhof (en dus met een jury). De brief eindigt met een pathetische mededeling die nogal haaks staat op wat hij later zou vertellen over zijn commerciële successen:
Ik leid het harde, moeizame leven van een banneling, voortdurend vervolgd, zonder zelfs maar een lapje grond waar ik een uur in vrede kan leven.
Martín-Artajo heeft ook een van de uitgeschreven nieuwe ‘interviews’ (toegestaan aan het persagentschap Unipress Madrid) toegestuurd gekregen, vanuit een of ander ‘buitenland’. Wellicht heeft Degrelle de antwoorden, maar ook de vragen geschreven. Aan landverraad heeft hij zich nooit schuldig gemaakt. Aan collaboratie wel, maar altijd in naam van het vaderland, dat opgebouwd moest worden na de ‘definitieve’ overwinning van de Duitsers in 1940, waar toen iedereen in geloofde. Hij handelde toen niet anders dan de Duitse kanselier Adenauer nu: samenwerken met de overwinnaar tot groter heil van het eigen land. Zo moet de wereld ook zijn inzet aan het oostfront begrijpen. Die was nodig om later rechten af te kunnen dwingen van de Duitse bezetter. Nooit heeft hij daarbij oorlogsmisdaden gepleegd, evenmin als misdaden van gemeen recht. Dat wil hij allemaal gaan uitleggen in België, maar daar gunt men hem geen nieuw proces, alleen een executie. Het is tijd dat Europa ophoudt de haat te cultiveren en zich verenigt tegen de dreiging van de Sovjet-Unie:
Het is daarom dat die mensenjacht tegen mij me zo wanhopig maakt. Niet voor mezelf: ik heb veel geleden. Ik ben niet bang om te sterven. (…) Moskou staat aan de poorten van de beschaving en men vergeet het gevaar om een verslagen soldaat en balling op een ziedende manier te belasteren en te vervolgen.

Op 14 december 1955 wordt er bij de Verenigde Naties in New York gestemd over het volwaardige lidmaatschap van zestien nieuwe landen, waaronder Spanje. Iedereen wil Spanje erbij, behalve Mexico en België. Mexico is het ballingsoord van veel Spaanse republikeinen. België is het land waar Paul-Henri Spaak minister van Buitenlandse Zaken is. Hij verantwoordt zijn onthouding in de Senaat. Wie snel vergeet doet misschien aan liefdadigheid, maar loopt het risico van verschrikkelijke gevolgen. Er is echt te veel gebeurd dat niet vergeten mag worden, zoals Spaaks eigen behandeling door Franco in 1940 en de manier waarop Belgen op weg naar Engeland tijdens de oorlog werden opgesloten in het Spaanse interneringskamp van Miranda. Ook de Spaanse ‘ontgoochelingen’ in het dossier-Degrelle is Spaak nog niet vergeten.
Koning Boudewijn heeft het minder lastig met Franco’s palmares. In augustus 1956 zal hij zijn vakantie voor de eerste keer in Spanje doorbrengen.
Voor de bronnen van dit artikel wordt verwezen naar het uitvoerige notenapparaat in het boek.

Een Nederlandse invasie op Gran Canaria in 1599
Nederlandse beeldvorming over Spanje en de Spanjaarden, 1566-1609
Piet Hein – Veroveraar van de Spaanse Zilvervloot