Dokter Satan, de beruchtste seriemoordenaar in de Tweede Wereldoorlog

Marcel Petiot
9 minuten leestijd
Marcel Petiot kort na zijn arrestatie
Marcel Petiot kort na zijn arrestatie

In de zomer van 1942 was Rachel Wolff, een telg uit een rijke joodse bankiersfamilie uit Königsbergen en de weduwe van de welgestelde houthandelaar Sally Wolff, op zoek naar een schuilplaats voor zichzelf, haar zoon Maurice en diens echtgenote Lina. Al bijna tien jaar lang leek het gezin opgejaagd wild. Vanuit Frankfurt waren de Wolffs na Hitlers machtsovername, in 1933, via Parijs vertrokken naar Amsterdam, waar Sally was overleden. Vervolgens, in mei 1940, viel Duitsland Nederland binnen. Al zeer snel werden een resem restrictieve wetten voor joden ingevoerd.

Toen de Duitse autoriteiten in 1942 klopjachten en razzia’s op joden organiseerden, vluchtte moeder Wolff met haar gezin eerst naar Antwerpen en daarna naar Parijs, in de hoop van daaruit het neutrale Zwitserland te kunnen bereiken. Maar ook Frankrijk bood geen veiligheid. Nog voor het verstrijken van juni 1942 waren vijf konvooien met 5.150 joden aan boord naar Auschwitz-Birkenau vertrokken. In juli ’42 volgde de ‘rafle du Vélodrôme d’Hiver’, waarbij 13.000 Parijse joden, onder wie meer dan 4.000 kinderen, werden opgepakt en gedeporteerd. Mevrouw Wolff besefte dat ze weg moest uit Parijs. En snel.

rue Le Sueur
Voorpagina van Le Matin van 14 maart 1944, met plattegrond van het pand aan de Rue Le Sueur 21 en foto’s van de kuil en verwarmingsketels
In één van hun tijdelijke schuiloorden in het Quartier Latin leerde mevrouw Wolff het echtpaar Basch kennen, Duitse joden die, net als zij, via Nederland naar Frankrijk waren gevlucht. Een betrouwbaar contact van het echtpaar verklaarde zich bereid haar netwerk aan te spreken om de twee families de grens over te smokkelen, op weg naar het veilige Zuid-Amerika. Zo kwamen ze bij ‘dokter Eugène’ terecht, een arts van middelbare leeftijd, die naar eigen zeggen als verzetsman reeds tal van wanhopige vluchtelingen uit de handen van de SS had gered.

Twijfel en spanning moeten overheersende gevoelens zijn geweest, toen de deur van de Rue Le Sueur zich eind december 1942 achter Rachel Wolff, haar zoon en haar schoondochter sloot. Instinctief begrepen ze dat ze die gevoelens moesten onderdrukken, en voorrang moesten geven aan hun onmiddellijke fysieke veiligheid. Misschien hadden ze dat beter niet gedaan. Meneer ‘Eugène’ heette in werkelijkheid Marcel Petiot, en hij was naar alle waarschijnlijkheid de meest bedrijvige seriemoordenaar van Parijs van de jaren 1940.

De affaire Petiot

In Dokter Satan (originele titel: L’affaire Petiot et la Shoah) reconstrueert de Franse historicus Jean-Marc Dreyfus het leven en de gruwelijke daden van Marcel Petiot. Dat een gereputeerd Holocaustonderzoeker zich over de kwestie boog, hoeft niet te verbazen. In het pand van Petiot troffen speurders de lichamelijke en materiële resten van minstens zevenentwintig individuen aan; een analyse van de biografische gegevens van de slachtoffers geeft aan dat ongeveer zestig procent van hen (16 van de 27) joods was. Ze waren omgebracht in een bezet land, in een tijd dat de vernietigingsmachine van het Derde Rijk op volle toeren draaide.

Marcel Petiot met baard
Marcel Petiot met baard, gefotografeerd na zijn arrestatie eind oktober 1944
Dreyfus schetst hoe de bal aan het rollen ging toen ongeruste buren in maart 1944 de brandweer verwittigden. Ze hadden een stinkende rookwalm uit een schoorsteen van een onbewoond pand zien komen, en ze maakten zich zorgen. Toen de brandweer zich een toegang tot de woning verschafte, stootte ze in de kelder op nauwkeurig in stukken gesneden mensenresten. In een verhitte kachel troffen ze bovendien de half verteerde resten van nog meer slachtoffers aan.

De politie werd er bij gehaald. Op de binnenplaats van het pand, zorgvuldig aan het oog van pottenkijkers onttrokken door een opgehoogde tuinmuur, vonden speurders een waterput met een takelsysteem; in de put bevonden zich menselijke resten onder een dikke laag ongebluste kalk. Ze waren in zo’n verregaande staat van ontbinding, dat de identiteit niet meer vastgesteld kon worden. Ook de wijze waarop ze om het leven waren gekomen kon niet meer worden achterhaald. De eigenaar van het pand, dokter Marcel Petiot, werd opgepakt en in de gevangenis opgesloten.

Een vreemde man

Marcel Petiot was altijd al een vreemde man. Zijn vriend en kompaan René Nézondet omschreef hem in zijn memoire Petiot le possédé als een vitale en humoristische kerel, maar erkende ook zijn mentale labiliteit. Als kind hield hij ervan dieren te pijnigen, schreef Nézondet, en als puber verscheen hij op school met vuur- en steekwapens. Hij diende aan het front tijdens de Eerste Wereldoorlog, voltooide daarna zijn opleiding tot arts, en schopte het kortstondig tot burgemeester van Villeneuve-sur-Yonne. Allerhande malversaties leidden tot zijn gedwongen ontslag.

Bericht over de veroordeling van Marcel Petiot in Het Parool van 5 april 1946
Bericht over de veroordeling van Marcel Petiot in Het Parool van 5 april 1946 (Delpher)
Na een anonieme beschuldiging van moord sloot hij zijn artsenpraktijk in Villeneuve en verhuisde hij naar Parijs. Daar verdween in januari 1942 de joodse bontwerker Joachim Guschinow, die gebruik had gemaakt van het ‘netwerk’ rond dokter Eugène. Daar ging Marthe Khaït, een joodse vrouw uit de Rue de la Huchette, bij een arts op zoek naar roesmiddelen voor haar verslaafde dochter, vier dagen nadat Jean-Marc Van Bever, uit de volkse wijk Belleville, heroïne had gezocht bij dokter Petiot – van geen van beiden werd ooit nog iets vernomen. Daar beantwoordde de joodse arts Paul Braunberger in juni 1942 de telefonische oproep van een patiënt, om nooit meer naar huis terug te keren. En daar besloot ook mevrouw Wolff zich met haar zoon en schoondochter aan de zorgen van dokter Eugène toe te vertrouwen, om aan deportatie naar het oosten te ontkomen.

De speurders gingen voor hun onderzoek uiterst nauwgezet te werk. In de 44 koffers met spullen van slachtoffers die ze terugvonden, gingen ze op zoek naar etiketten en textielpatronen; ze ondervroegen kleermakers naar hun klanten en konden zo een handvol vermisten aan de gevonden kledingstukken linken. Toen ze het gerucht opvingen dat één van de mogelijke slachtoffers krankzinnig was geworden, bezochten ze (met volgehouden inspanning, maar vruchteloos) alle lokale psychiatrische klinieken. In de Parijse banken trokken ze alle mogelijke bankrekeningen van Petiot na – maar ze konden geen onregelmatigheden vinden. Ze grepen een laatste strohalm, toen ze de 44 koffers met persoonlijke spullen voor het grote publiek tentoon stelden, hopend op een bruikbare tip. Hun inspanningen leverden niets op.

In maart 1946 stond Petiot terecht voor de moord op 27 personen. Het proces kon op een zeer grote publieke belangstelling rekenen. Vierenveertig getuigen werden opgeroepen voor de verdediging, 52 voor de burgerlijke partijen, en zeven deskundigen presenteerden hun gedetailleerde bevindingen voor het Hof. Petiot omschreef zichzelf als een verzetsman, een held die enkel Gestapoleden en collaborateurs om het leven had gebracht, en die daarom eerder lof dan publieke minachting verdiende. De jury was niet overtuigd. Petiot werd ter dood veroordeeld en met de guillotine terechtgesteld. Zijn stoffelijke overschotten werden in een rieten mand gelegd en op het kerkhof van Thiais in een ongemarkeerd graf begraven. Het graf werd in de jaren tachtig geruimd. Petiots gruwelpand in de Rue Le Sueur werd gesloopt, en op de vrijgekomen plaats verrezen de flatgebouwen die er vandaag nog steeds staan.

Een gedegen onderzoek, veel open vragen

Zoals de speurders Petiots misdrijven met de grootste precisie in kaart brachten, zo maakte Jean-Marc Dreyfus een historische reconstructie van de Parijse moorden op het scherpst van de snee. Wie zijn boek leest merkt meteen hoe beslagen de auteur is in de Franse geschiedenis in het algemeen en die van de bezettingsjaren in het bijzonder. Dreyfus is vertrouwd met de werking van het Frans-Duitse repressie-apparaat, kent de collaborerende organisaties en de locaties van de vele politiediensten in Parijs, en gidst de lezer door de wirwar aan joodse instellingen die voor, tijdens en na de oorlog functioneerden. Bovendien heeft hij zich grondig in zijn onderwerp verdiept – zijn bibliografie bestaat uit meer dan vijftig uitgegeven bronnen en gespecialiseerde studies, die hij aanvult met materiaal uit zeven nationale en lokale archieven.

Marcel Petiot tijdens zijn proces, 1946
Marcel Petiot tijdens zijn proces, 1946
Zoals het een historicus betaamt, verliest hij zich niet in oeverloze speculaties, maar blijft hij dicht bij de feiten. Vragen die op dit ogenblik niet beantwoord kunnen worden, laat hij keurig open. Het resultaat van zijn onderzoek is het sobere, stevig onderbouwde, niet op sensatie beluste en zeer leesbare werk dat onlangs in vertaling aan het publiek werd gepresenteerd.

De wijze waarop Petiot het leven van zijn slachtoffers beëindigde, kennen we niet. Maar het is opmerkelijk dat Jean-Marc Dreyfus de lezer niet wijst op de zeer uiteenlopende wijzen waarop de seriedoder zijn slachtoffers verschalkte. Soms gebeurde dat individueel, door een telefoontje of door bemiddeling van een tussenpersoon. Als we de bevindingen mogen geloven van de Franse jurist Jean-Marc Varaut, die in 1989 een studie aan Petiot wijdde (L’abominable dr. Petiot) dan werden andere, niet-verwante slachtoffers, per twee naar de Rue Le Sueur gelokt (en naar alle waarschijnlijkheid ook gedood). In nog andere gevallen werden ouders en kinderen in de netten van de seriemmoordenaar gevangen. Die incoherente modus operandi lijkt eerder atypisch voor een seriedoder.

Dat geldt ook voor het profiel van de slachtoffers. Van de 26 identificeerbare slachtoffers waren er 14 mannen en 12 vrouwen (één lichaam kon niet aan een concreet slachtoffer gelinkt worden, maar de jury meende dat het om een vrouw ging). Ze kwamen uit heel diverse milieus. Michel Cadoret, die in Petiots vizier kwam maar ternauwernood aan de dood ontsnapte, was een kunstenaar en aristocraat die in een residentiële wijk in Parijs woonde; andere slachtoffers kwamen uit armere volkswijken, of leefden aan de zelfkant van de samenleving, als pooier, crimineel of prostituee. Ze behoorden tevens tot heel uiteenlopende leeftijdscohorten: dokter Paul Braunberger was 62 jaar, Joachim Guschinow van middelbare leeftijd, Yvan Dreyfus was de jonge vader van een dochter van twee en René Kneller een knaap van zeven.

Slachtoffers van seriedoders delen vaak gemeenschappelijke fysieke of sociologische kenmerken – de twee dozijn slachtoffers die de Hannoverse seriedoder Fritz Haarmann kort na de Eerste Wereldoorlog maakte waren in de regel bijvoorbeeld tienerjongens; Joseph Vacher doodde zowel jongens als meisjes, maar op een enkele uitzondering na waren ze allemaal zeer jong: dertien, veertien, vijftien jaar; de slachtoffers van Landru waren doorgaans vrouwen ouder dan dertig of veertig, en die van Benjamin Atkins waren zwart, prostituee en drugsverslaafd. Het diffuse profiel van Petiots slachtoffers wordt door Jean-Marc Dreyfus niet aangestipt, laat staan geproblematiseerd of verklaard.

Ook de chronologie van Petiots acties roept bij de auteur geen vragen op. Seriedoders doden met tussenpozen, met intervallen die vaak korter worden naarmate de jaren verstrijken. Guschinow verdween in januari 1942, Marthe Khaït en Jean-Marc Van Bever in maart van hetzelfde jaar (met vier dagen ertussen); eind maart 1942 zou Petiot (volgens Varaut) ook Estebétéguy en Joséphine Grippay ‘geholpen’ hebben, twee dagen later gevolgd door Joseph Pierreschi en Gisèle Rossmy. Paul Braunberger keerde niet terug van zijn afspraak in juni 1942, het echtpaar Kneller en hun zoontje René deden enkele weken later al een beroep op ‘dokter Eugène.’ Dat betekent dat Petiot op iets meer dan een half jaar minstens elf mensen zou hebben gedood. Als de bijzonder korte intervallen kloppen, dan lijkt het weinig waarschijnlijk dat Joachim Guschinow in januari 1942 het eerste slachtoffer van deze seriedoder was; en het is even onwaarschijnlijk dat diezelfde seriedoder zich in de periode daarna (die bijna vier keer zo lang was, tot maart 1944) tot vijftien slachtoffers zou hebben beperkt.

Dokter Satan - Jean-Marc Dreyfus
 
Het verband dat de auteur legt met de jodenuitroeiing tijdens de Tweede Wereldoorlog lijkt op het eerste gezicht vanzelfsprekend. Het aantal joodse slachtoffers was inderdaad (voor zover bekend) groter dan hun aandeel in de samenleving zou suggereren, en ze werden omgebracht in een tijd dat de verdwijning van nog een jood allicht weinig opzien zou baren. Maar enkele elementen lijken toch wat bij de haren getrokken. Dat de slachtoffers lang naamloos bleven, zoals de slachtoffers van de uitroeiingscentra; dat hun lichamen verbrand werden in een kachel, zoals de crematoria in de kampen; en dat hen een ontsnappingsroute naar Latijns-Amerika werd aangeboden (dezelfde route die heel wat nazi-functionarissen na de oorlog verkozen) lijkt eerder toevallig dan existentieel.

In de regel streven seriedoders ernaar om macht over hun slachtoffer uit te oefenen; ze maken daarvoor handig gebruik van een context die deze machteloosheid vergroot. In dat opzicht doodde Petiot waarschijnlijk joden tijdens de Shoah, zoals hij ontsnapte slaven zou hebben gedood in de zuidelijke staten van de VS in de negentiende eeuw, of verpauperde handwerksters in Indische sweatshops vandaag. Seriedoders hebben met andere woorden niet de intentie om bij te dragen aan bestaande sociopolitieke structuren. Ze maken er dankbaar gebruik van, voor het stillen van hun eigen deviante driften. Enkel op die wijze, zo lijkt het, kan Marcel Petiot met de Holocaust in verband worden gebracht.

×