Help de keizer komt!

Bruno Lüdke, de zwakzinnige die tientallen vrouwen zou hebben vermoord

“Een miskleun in de Duitse criminele geschiedenis”
WOII-kenner Kevin Prenger schreef een boek over Arthur Nebe, de chef van de Kriminalpolizei van het Derde Rijk. Op Historiek publiceren we een interessant fragment over Bruno Lüdke, een zwakzinnige die de moord op tientallen vrouwen in de schoenen geschoven kreeg, maar vervolgens stilletjes moest verdwijnen, omdat hij de Duitse recherchediensten anders belachelijk zou maken…

Miskleun in de Duitse criminele geschiedenis

De zaak Bruno Lüdke, die speelde in 1943, werd pas na de oorlog bekend bij het grote publiek. Het geruchtmakende verhaal van de zwakzinnige seriemoordenaar sprak na de oorlog tot de verbeelding van schrijvers en filmmakers in West-Duitsland. In de in 1957 uitgebrachte speelfilm Nachts, wenn der Teufel kam (’s nachts, toen de duivel kwam) van regisseur Robert Siodmak werd Bruno Lüdke neergezet als een lustmoordenaar die schuldig was aan het vermoorden van tientallen vrouwen. De film was een aanklacht tegen het nazisme en behandelde de verhouding tussen de Kriminalpolizei en de SS.

Nachts, wenn der Teufel kam
Nachts, wenn der Teufel kam
In de film wordt aanvankelijk een onschuldige man gearresteerd als dader. Wanneer de fictieve Kriminalkommissar Kersten de werkelijke dader – in de film Bruno Lüdke – op het spoor is, wordt hij tegengewerkt door een SS-Gruppenführer die wil verhullen dat de zwakbegaafde man jarenlang heeft kunnen toeslaan. In een politiestaat als het Derde Rijk mocht het niet bekend worden dat een zwakbegaafde zo lang had kunnen ontglippen aan de politie. Uiteindelijk wordt de onschuldige man “op de vlucht neergeschoten” en wordt Lüdke in het geheim met behulp van een injectie omgebracht. Om te voorkomen dat commissaris Kersten de waarheid aan het licht kan brengen wordt hij tot soldaat gedegradeerd en naar het front gestuurd. Weliswaar zijn er overeenkomsten tussen het filmverhaal en de feiten, maar de werkelijkheid is nog onthutsender dan de film.

“Dumme Bruno”

Bruno Lüdke werd geboren op 3 april 1908 in Köpenick, vlakbij Berlijn. Omdat hij moeilijk kon leren, werd hij naar een school voor leerlingen met leerproblemen gestuurd. In 1922 verliet hij de school en vervolgens werkte hij tot 1939 in de wasserij van zijn ouders. Toen zijn vader in 1937 overleed aan keelkanker werd het zijn verantwoordelijkheid om met paard en wagen de schone was thuis te bezorgen bij klanten. Daarna had hij verschillende baantjes, onder meer bij een transportbedrijf waar hij vanwege gebrek aan discipline ontslagen werd.

- advertentie -

Bruno werd in Köpenick “Dumme Bruno” genoemd en stond bekend als goedmoedig en ongevaarlijk. Wel was hij voordat hij gearresteerd werd op verdenking van moord geen onbekende voor de politie. Begin 1938 kwam hij voor het eerst met de politie in aanraking nadat enkele inwoners van Köpenick hadden geklaagd dat hij zijn paard teveel sloeg met de zweep; ze beschuldigden hem van dierenmishandeling. Het Staatskrankenhaus der Polizei, waar op last van de plaatselijke politie Lüdkes mentale en fysieke gezondheid gecontroleerd werd, concludeerde dat hij fysiek gezond was, maar zwakbegaafd. Geconstateerd werd dat hij niet kon rekenen en schrijven en dat hij niet in staat was simpele mentale vraagstellingen op te lossen. Hoeveel dagen een jaar telt wist hij niet en hij kende slechts de eerste zes letters van het alfabet. Wel kon hij de vraag wie rijkskanselier was correct beantwoorden.

Bruno werd geschikt bevonden om te werken als koetsier, maar daarmee was de zaak nog niet afgedaan. In januari 1939 werd door het Erbgesundheitsgericht besloten dat hij gesteriliseerd moest worden. Dit soort rechtbanken hield zich bezig met het verordenen van de verplichte sterilisatie van geestelijk gehandicapten en mensen met erfelijke aandoeningen, waaronder blindheid en doofheid, met als doel het Duitse ras te zuiveren van “smetten”. In een ziekenhuis in Berlijn op 22 mei 1940 vond de sterilisatie van Bruno plaats. Hetzelfde lot trof in nazi-Duitsland in totaal circa 320.000 tot 350.000 individuen.

Lüdke werd voordat hij gearresteerd werd als moordverdachte ook meerdere keren door de plaatselijke politie beschuldigd van diefstal. Hij kreeg eens een voorwaardelijke gevangenisstraf van drie maanden vanwege het verhandelen van gestolen hout. In 1940 zat hij vijf weken in voorarrest omdat hij had geprobeerd een gestolen eend te verkopen. Tot een rechtszaak kwam het niet, want hij werd buiten vervolging gesteld omdat hij als “geestesziek” en dus ontoerekeningsvatbaar werd beschouwd. Een maand na zijn vrijlating werd hij opnieuw gesnapt; dit keer had hij geprobeerd een gestolen haan te verkopen. Ook daarna nog liep hij meerdere keren tegen de lamp, onder andere bij het stelen van kippen en konijnen en bloemen van het kerkhof. Vervolging bleef ook toen telkens uit.

In één van zijn processen-verbaal werd het volgende opgetekend:

“Zijn daden vloeien voort uit zwakzinnigheid en niet uit criminele neigingen.”

Lüdke was niet meer dan een kruimeldief en zeker geen doorgewinterde misdadiger. Toch werd hij op 18 maart 1943 gearresteerd op verdenking van moord op de 59-jarige weduwe Frieda Rössner. Haar lichaam was op 31 januari 1943 aangetroffen in de bossen van Köpenick. Uit onderzoek bleek dat ze twee dagen daarvoor gewurgd was met haar eigen sjaal. De moordenaar had haar verkracht en haar portemonnee gestolen, die het schamele bedrag van één rijksmark bevatte. Het moordonderzoek werd geleid door Kriminalkommissar Heinz Franz van de Berlijnse Kriminalpolizei. Nadat hij enkele verdachten vanwege een gebrek aan bewijs weer had moeten vrijlaten, besloot hij Lüdke op te pakken. Hij rapporteerde dat

“Bruno Lüdke, […] die wat zwakzinnig zou zijn, reeds herhaaldelijk vrouwen met onzedelijke praatjes zou hebben lastiggevallen.”

Er was echter geen sprake van bewijs dat in zijn richting wees en evenmin was hij door iemand als dader aangewezen. Vermoedelijk was het enkel zijn zwakzinnigheid en diefstalverleden waardoor hij opgevallen was bij de politieman.

Bekentenissen

In de bekentenissen van Lüdke vond Franz echter bevestiging dat hij de juiste dader in handen had. Vrijwel direct bekende Lüdke namelijk dat hij gedurende een periode van meerdere jaren vijftig vrouwen onzedelijk had benaderd en dat hij een aantal van hen had verkracht. Opmerkelijk genoeg was er nooit aangifte tegen hem gedaan en werd dit in het verdere verloop de zaak buiten beschouwing gelaten. Lüdke kwam daarnaast met een nog veel meer opzienbarende verklaring, namelijk dat hij Frieda Rössner vermoord had. “Vrouwenmoord in Köpenick” opgelost, zo meldde de Völkischer Beobachter van 21 maart 1943.

Binnen 24 uur na zijn arrestatie legde Lüdke ook een bekentenis af in andere moordzaken. De daarop volgende maanden werd Lüdke veelvuldig door Franz ondervraagd over meer dan 80 onopgeloste moorzaken. Hij slaagde erin Lüdke de moord op 53 vrouwen te doen bekennen. Op last van Arthur Nebe en Heinrich Himmler werden daarop maatregelen genomen om de zaak in de doofpot te houden. Het feit dat een seriemoordenaar twintig jaar lang in vrijheid vrouwen had kunnen vermoorden, vormde een te grote smet op het blazoen van de Kriminalpolizei en bedreigde daarom ook de reputatie van zowel Nebe als Himmler. Onder meer werd publicatie over de affaire in de Duitse pers verboden. Een uitzondering werd gemaakt voor drie moorden, omdat in die zaken de eer gered moest worden van de “volksgenoten” die eerder als verdachte aangemerkt waren.

Dood van Bruno Lüdke

Lüdke werd ook bewust weggehouden uit de rechtbank. In december 1943 werd hij op last van Himmler overgebracht naar Wenen, waar hij onderworpen werd aan een onderzoek door het Kriminalmedizinische Zentralinstitut van de Sicherheitspolizei, het medisch-wetenschappelijke onderzoekscentrum van de Duitse recherche. Op 8 april 1944 ontving het Reichskriminalpolizeiamt in Berlijn vanuit Wenen de melding dat Lüdke die dag om 14:00 uur was overleden. De exacte doodsoorzaak is niet bekend, maar het heeft er alles van weg dat hij uit de weg geruimd werd in opdracht van het Reichskriminalpolizeiamt. Op voorstel van Kriminalkommissar Franz werd besloten dat als de zussen van Bruno zouden vragen naar de doodsoorzaak van hun broer ze dan te horen moesten krijgen

“dat hun broer in Wenen plotseling aan een besmettelijke ziekte was overleden.”

Hen moest ook verteld worden dat “op hygiënische gronden een onmiddellijke verbranding van het lijk noodzakelijk was geweest.”

Een Rotterdamse commisaris

Boek van commissaris Blaauw over de zaak Lüdke
Boek van commissaris Blaauw over de zaak Lüdke
Lüdke zou voor altijd bekend hebben gestaan als één van de grootste seriemoordenaars uit de geschiedenis als de oud-hoofdcommissaris van de Rotterdamse politie, Jan Blaauw, de zaak niet opgevallen was. Blaauw vond het opmerkelijk dat er in de politieliteratuur nauwelijks aandacht was voor de opzienbarende zaak en vroeg zich af hoe Lüdke twintig jaar lang uit handen van de politie had kunnen blijven. In de jaren negentig kreeg hij inzage in de dossiers van de zaak. Twee jaar lang deed hij nauwgezet onderzoek naar alle moordzaken waarin Lüdke een bekentenis afgelegd had. Zijn verbijsterende conclusie luidde als volgt:

“De affaire Bruno Lüdke was de ongelofelijkste miskleun in de Duitse criminele geschiedenis.”

De gepensioneerde politieman liet geen spaan heel van het onderzoek van de Kriminalpolizei en stelde vast dat de bekentenissen van Lüdke vals waren. Kriminalkommissar Heinz Franz had volgens hem Lüdke moorden laten bekennen die hij helemaal niet gepleegd had. Lüdke kon immers geen details van de moorden noemen, kende de omgeving van de meeste moorden niet of nauwelijks, kon de locaties van de moorden niet eigenhandig aanwijzen en wist niet welke objecten ontvreemd waren van de slachtoffers.

Blaauw stelde vast dat Lüdke in meerdere zaken een geldig alibi had en dat getuigenverklaringen niet objectief tot stand gekomen waren. Bovendien constateerde hij dat er geen duidelijk verband gelegd kon worden tussen de verschillende moorden en dat er geen bewijs was dat ze het werk waren van één dader. Verder waren op de plaatsen delict geen vingerafdrukken of andere bewijzen aangetroffen die Lüdke in verband brachten met de moorden. Zijn bekentenissen waren onder druk afgelegd en gemanipuleerd. Vermoedelijk om zijn ondervragers tevreden te stellen had de zwakbegaafde Lüdke de moorden bekend. “Ik heb geen moord gepleegd. Ze zijn zo goed voor mij, ze vragen me naar alles, ik hoef alleen maar te antwoorden”, zo liet Lüdke zich eens ontvallen aan een Hamburgse rechercheur die twijfelde aan het moordonderzoek van zijn Berlijnse collega. De man had zich voorgedaan als een medegevangene om het vertrouwen te wekken van de moordverdachte. Zijn aanbeveling om een onafhankelijk onderzoek in te stellen werd niet opgevolgd.

Onschuldig

Blaauws conclusie kon niet anders zijn dan dat Lüdke onschuldig was. Hij schreef erover in Kriminalistik, het periodiek van de Duitse recherche (waarin Arthur Nebe vele jaren eerder ook artikelen had geschreven), en publiceerde in Nederland in 1994 een boek over zijn bevindingen. “Per saldo blijft Duitsland dus zitten met 51 onopgeloste moordzaken”, zo concludeerde hij in zijn boek. Het zal vermoedelijk nooit opgehelderd worden wie de werkelijke moordenaar was, voor zover het al het werk was van één dader. Ook zonder de misdaaddossiers intensief bestudeerd te hebben kan geconcludeerd worden dat Bruno Lüdke onmogelijk een seriemoordenaar kon zijn geweest. De moorden waren kriskras door heel Duitsland gepleegd, terwijl Lüdke niet de beschikking had over een eigen gemotoriseerd vervoersmiddel en hij zich dus moet hebben verplaatsen met de fiets, te voet, liftend of met de trein. Telkens zou hij weer op tijd in Köpenick teruggekeerd moeten zijn om geen argwaan te wekken bij zijn familie.

Het is zeer onwaarschijnlijk dat iemand met zijn beperkte geestelijke vermogen daartoe in staat was. Geografische kennis had hij niet en uit de verhoren bleek zelfs dat hij geeneens wist hoe hij een treinkaartje kopen moest. Ook is het onvoorstelbaar dat hij in al die tijd nooit door de politie gecontroleerd zou zijn, terwijl zeker tijdens de oorlog het openbaar vervoer intensief werd gecontroleerd en hij met zijn uiterlijk en gedrag opgevallen moet zijn. Iemand die zelfs niet in staat was gestolen hout en kippen onopgemerkt te verhandelen en als kruimeldief telkens tegen de lamp liep, past niet in het patroon van de seriemoordenaar die twintig jaar lang onopvallend vrouwen kon vermoorden.

Hellend vlak

Het masker van de massamoordenaar - Kevin Prenger
Fragment uit het boek “Het masker van de massamoordenaar” van Kevin Prenger
Lüdke was niets meer dan een gemakkelijk slachtoffer om de schuld op af te schuiven. Kriminalkommissar Franz kon zich over de rug van de zwakbegaafde man profileren als de rechercheur die tientallen onopgehelderde moordzaken tot een goed eind bracht. Zijn superieuren, waaronder Arthur Nebe, hechtten meer belang aan het geheimhouden van de zaak dan aan gerechtigheid. Het is een smet op de reputatie van de in de jaren dertig zo geroemde Kriminalpolizei. Of de zaak Lüdke representatief is voor de hele periode van het Derde Rijk is niet te bepalen zonder meer moordzaken onder de loep genomen te hebben, maar het is aannemelijk dat deze manipulatieve en bedrieglijke onderzoeksmethode niet op zichzelf staat.

In een systeem zonder vrijheid van pers, zonder onafhankelijke en eerlijke rechtspraak en onder druk van de nazi-leiding, voor wie elk negatieve feit een gevaar was voor hun positie, bevonden de objectiviteit en betrouwbaarheid van de recherche zich op een hellend vlak.

~ Kevin Prenger
Fragment uit het boek Het masker van de massamoordenaar, over Arthur Nebe, de chef van de Kriminalpolizei

Ook interessant: Paul Ogorzow, de Berlijnse S-Bahn-moordenaar

Bestel dit boek bij:

Bekijk ook onze uitgebreide onderwerpenlijst of het personenregister

Dit atikel is afkomstig van online geschiedenismagazine www.historiek.net

Gelijk naar geschiedenisboeken over: