Het zat hem in het bloed: opponeren tegen autoriteiten en anderen die hij onrecht verweet, zowel in Indië als Europa. Het leven van Sicco Roorda van Eysinga (1825-1887) hing dan ook van conflicten aan elkaar. Twee geschriften die daaraan herinneren, hebben de tand des tijds overleefd: de geruchtmakende brochure ‘Uit het leven van Koning Gorilla’ en het heftige gedicht ‘Vloekzang. De laatste dag der Hollanders op Java’.
Roorda van Eysinga was ‘een hoogst ongemakkelijk heer’, schreef socioloog en Indië-kenner Jacques van Doorn in 1996. Daarmee zei hij niets teveel, want met welke autoriteit in Indië en Nederland is Roorda eigenlijk niet in botsing gekomen? Soms werkte dat in zijn voordeel, maar vaak juist niet. Daaraan denkend zou een van zijn voormalige chefs op Java eens hebben opgemerkt:
Ja, hij is een edel mensch, maar hij is zijn eigen vijand.
Zelfs nadat hij uit Indië was verbannen weigerde Roorda zich neer te leggen bij wat hij als onrecht beschouwde. In de brochure Mijne verbanning en mijn vloekzang. Eene andere waarheid dan de officieele onderstreepte hij dat in 1866 nog maar eens:
Zoo lang ik nog een klank kan uiten, zoo lang ik nog eene pen kan voortbewegen, zal ik spreken en schrijven voor de zwakken tegen de sterken.
Sicco Ernst Willem Roorda van Eysinga werd op 8 augustus 1825 geboren in Batavia. In sommige bronnen wordt zijn eerste voornaam overigens geschreven als Sikko en zijn tweede als Ernest. Hij was het oudste overlevende kind (een jaar eerder was een zoontje zes uur na de geboorte gestorven) uit het tweede huwelijk van zijn vader, dominee Sytze Roorda van Eysinga, telg uit een Fries geslacht. Met zijn eerste vrouw, Eyda Catharina Piers, met wie hij zes kinderen had, was de dominee in 1818 naar Nederlands-Indië vertrokken. Zijn echtgenote overleed er in 1821. Op Ambon trad Sytze, vijftig jaar oud, op 24 juli 1823 voor de tweede keer in het huwelijk, namelijk met de toen pas 14-jarige, in Arnhem geboren Geertruida Catharina Dibbetz.
Met drie kinderen (Sicco had in 1827 een broertje gekregen en in 1828 een zusje) keerde het echtpaar in 1829 terug naar Nederland. Op de Atlantische Oceaan, vlak voor het schip het eiland Sint Helena bereikte, overleed vader Sytze. Op Sint Helena is hij begraven. De negentien jaar oude weduwe vestigde zich met haar drie spruiten in Winterswijk. Hertrouwd is ze nooit.

KMA
Al in Winterswijk bleek Sicco een weerspannig kereltje. Hij werd van school gestuurd en ging naar een kostschool in Montfoort. In 1840 werd hij toegelaten tot de Koninklijke Militaire Academie (KMA) in Breda. Hij was er, het zal niet verbazen, een lastige leerling. De cadetten aan de KMA, schreef hij later, werd voorgehouden: “Jonker, u mag niet denken. Eerst gehoorzamen en dan reklameeren. Niet raisonneeren!” Roorda erkende: “Ik was echter tuchteloos”.
De KMA-gouverneur gaf hem een les mee waarmee hij later in Indië zijn voordeel zou doen: “Tracht vooral Indië en de inboorlingen te begrijpen, want bijna allen die er geweest zijn en die ik ondervraag, weten mij slechts te antwoorden: ‘De Oost is net een land als Holland, maar de meiden bennen zwart’.

Toen hij in Padang diende, werd hij in 1848 vader van een zoon, Felix. De moeder was ‘een Niasse vrouw’, afkomstig dus van het kleine eiland Nias, voor de Sumatraanse westkust. Nederlandse mannen erkenden kinderen uit zulke gemengde relaties vaak niet. Roorda deed dat wel. In 1862 liet hij in Semarang (Midden-Java) officieel vastleggen dat Felix zijn zoon was. Met Felix, die op Java koffieplanter werd, hield hij ook altijd contact en kleindochter Marianne voedde hij in Europa op vanaf 1871, toen ze drie jaar was.

Al als genie-officier stuitte Roorda in Indië op zaken die hem tegen stonden. Zo belandde hij in augustus 1851 in Tandjong Wedono (Oost-Java). Daar dreigde de monding van de Solo-rivier dicht te slibben, dus was er werk aan de winkel. Een Nederlandse bestuursfunctionaris stelde hem dagelijks honderd Javanen ter beschikking die zogeheten herendiensten moesten verrichten, in dit geval gedwongen werken voor de genie. Die gedwongen tewerkstelling – onbetaald of tegen een heel geringe vergoeding – vond Roorda maar niets. Na vier dagen stuurde hij de ter beschikking gestelde Javanen naar huis. Enkele mandoers (opzichters) liet hij vervolgens in de regio vrijwillige arbeidskrachten werven. De mandoers mochten per man per dagtaak 25 cent toezeggen. En zie: volgens Roorda meldden zich vierduizend vrijwillige dagloners. Per dag kregen ze een taak. “De meest geoefenden waren soms des morgens om elf uur reeds gereed met hun taak”, aldus Roorda. “Ik liet hun natuurlijk de vrijheid het overige van den dag door te brengen gelijk hun goeddacht.”
Normaal doen
Nadat hij was afgezwaaid uit het leger ging hij tijdelijk aan de slag als beheerder van een tabaksonderneming in Rembang (Midden-Java), waarvan de eigenaar met Europees verlof was. Daar werd gewerkt met deels vrije aanplant door de boeren en ten dele gedwongen aanplant. Het was de tijd van het Cultuurstelsel (1830-1870), toen het Indische gouvernement veelal bepaalde wat de boeren moesten verbouwen en toen nog vaak van gedwongen herendiensten gebruik werd gemaakt. Wat Roorda aanvankelijk niet goed door had, was dat ook Javaanse feodale heren een rol speelden bij deze voor de boeren onderdrukkende verhoudingen. Na steeds heviger debat werd aan het Cultuurstelsel een einde gemaakt en kregen Europese particuliere ondernemers vanaf 1870 de vrije hand in Indië.

Lang voordat het zover was, koos Roorda als tijdelijk beheerder van de tabaksplantage al voor een eigen aanpak. Volgens hem werkte die prima. Jaren later beschreef hij het zo:
Ik gaf aan twaalfhonderd inlanders, van wie ik er bijna geen enkelen kende, op hun verzoek ieder gemiddeld tien gulden voorschot voor vee, gereedschap enz. (…) Twee derden van hunnen vrijwilligen aanplant werden door regens vernietigd. Zij konden dus nog eerlijk hebben mogen heeten, zoo zij bij den oogst slechts één derde van hun schuld gedelgd en twee derden tot het volgend jaar hadden laten staan. Maar zij betaalden twee derden van het voorschot af.
Roorda’s boodschap, die hij nog vaak zou herhalen, was in feite: wie met Javaanse boeren normaal omgaat, zal zien dat zij normaal reageren, hard werken en eerlijk zijn. Dat was iets heel anders dan het destijds gebruikelijke, door kolonialen geschetste beeld van de luie Javaan die ondoorgrondelijk was en niet te vertrouwen viel.

Zijn volgende twee klussen deed hij in dienst van het gouvernement. Eerst werd hij ingehuurd voor de aanleg van een kanaal in de regio Grobogan (Midden-Java). Het project leidde tot niets doordat de autoriteiten in Batavia dwars lagen. Vervolgens werd hij in 1861 lid van de ‘commissie tot de Vervoermiddelen’, die zich boog over het vraagstuk van aanleg van spoorwegen op Java. In die functie raakte hij verzeild in het conflict van commissievoorzitter Thomas Joannes Stieltjes met gouverneur-generaal Ludolph Anne Jan Wilt baron Sloet van de Beele. Begin 1864 werd de commissie opgeheven. Het zou een voor Roorda slecht jaar worden: hij werd uit Indië verbannen. Hoe dat zat, komt verderop ter sprake.
Een vloekzang
Maar kijken we eerst iets terug, naar 1860. Roorda werkte toen aan het kanaalproject in Grobogan. Elf jaar eerder was die regio al ten prooi gevallen aan honger en Roorda zag een nieuwe hongersnood aankomen. Alle ergernis en woede over de toestanden op Java kwamen er bij hem plots uit toen hij op 1 december 1860 ’s ochtends in zijn badkamer bakjes water over zichzelf goot. Luid gaf hij daarbij een lang gedicht ten beste. Later schreef hij:
Ik schijn vreeselijk gebulderd te hebben, want de bediende van mijn’ huisgenoot liep naar zijn’ heer met de woorden: ‘Ik geloof dat de heer Roorda onaangenaamheden (perkara) heeft met zijn’ opziener, want hij bromt zoo kras in de badkamer’.

Eigenlijk volstaan de eerste, tweede en laatste strofe om Roorda’s boodschap weer te geven, maar voor de volledigheid hier toch het complete gedicht:
De laatste dag der Hollanders op Java
Door Sentot
Zult gy langer ons vertrappen,
Uw hart vereelten door het geld,
En, doof voor de eis van recht en rede,
De zachtheid tergen tot geweld?
Dan zy de buffel ons ten voorbeeld,
Die sarrens moe de hoornen wet,
Den wreden dryver in de lucht werpt
En met zyn lompen poot verplet.
Dan schroeie de oorlogsvlam uw velden,
Dan roll’ de wraak langs berg en dal,
Dan styg’ de rook uit uw paleizen,
Dan trill’ de lucht van ’t moordgeschal.
Dan zullen wy onze oren strelen
Aan uwer vrouwen klaaggeschrei,
En staan, als juichende getuigen,
Om ’t doodsbed van uw dwinglandy.
Dan zuIlen wy uw kindren slachten.
En de onze drenken met hun bloed,
Opdat der eeuwen schuld met rente,
Met woekerwinste word’ vergoed.
En als de zon in ’t Westen neerdaalt,
Beneveld door den damp van ’t bloed,
Ontvangt zy in het doodsgerochel
De laatste Hollandse afscheidsgroet.
En als de nachtelyke sluier
De rokende aard heeft overdekt,
De jakhals de nog lauwe lyken
Dooreenwoelt, afknaagt, knabbelt, lekt…
Dan voeren wy uw dochters henen,
En elke maagd wordt ons een boel,
Dan rusten we aan haar blanke boezems
Van moordgetier en krysgewoel.
En als haar schand zal zyn voltrokken,
Als wy ons hebben moê gekust,
Als elk tot walgens toe verzadigd,
Het hart van wraak, het lyf van lust…
Dan tygen wy aan ’t banketteren,
En de eerste toast is: ‘’t Batig Slot!’
De tweede toast: ‘aan Jezus Christus!’
De laatste dronk: ‘aan Neêrlands God!’
En als de zon in ’t Oosten opdaagt,
Knielt elk Javaan voor Mahomed,
Wyl hy het zachtste volk der aarde
Van Christenhonden heeft gered.
Het is heftig en bloederig, en dat uit naam van ‘het zachtste volk der aarde’. In de twintigste eeuw is het gedicht aangemerkt als ‘tamelijk bombastisch en retorisch, zelfs voor die dagen’ dan wel ‘een beetje bombastisch’. Zelf meende Roorda in 1874 dat de ‘vloekzang’ het enige schrijfwerk was waarin hij zou voortleven. Het liep anders. Het gedicht heeft weliswaar de tand des tijds doorstaan, maar het raakte in de schaduw van iets anders waaraan Roorda heeft bijgedragen: de brochure Uit het leven van Koning Gorilla, waarover hieronder meer. Ook uitte Roorda eens de wens dat op zijn grafsteen zou prijken: ‘Hier ligt de dichter van den vloekzang: De laatste dag der Hollanders op Java’. Ook dat liep anders. Op zijn grafsteen in het Zwitserse Clarens werd geschreven: ‘Exilé – Courage, Justice, Bonté’ (Balling – Moed, Rechtvaardigheid, Goedheid).
Daags nadat hij het gedicht had opgeschreven stuurde hij het naar het Bataviaasch Handelsblad. Redacteur Van der Hoeven schreef terug:
(…) gij hebt toch niet in ernst verwacht dat ik den Vloekzang zou laten drukken? Het blad zou zeker verboden worden.
Meer pogingen tot publicatie deed Roorda niet. Wel droeg hij het gedicht soms in kleine kring voor en gaf hij enkele vertrouwelingen een afschrift. In de publiciteit kwam het pas later, door schrijver Multatuli (Eduard Douwes Dekker). Die nam het op in de ‘Aantekeningen en ophelderingen’ bij de vierde druk (1875) van zijn beroemde boek ‘Max Havelaar’, dat in 1860 voor het eerst was verschenen en voor Roorda een inspiratiesbron was.
Verbanning
Beweerd is wel dat de Vloekzang (mede) de oorzaak was van Roorda’s verbanning uit Indië in 1864. Uit correspondentie tussen diverse Indische bestuurders en anderen is echter gebleken dat het gedicht daarbij geen rol speelde. Wel belangrijk voor de verbanning was herrie over der handel en wandel van F.N. Nieuwenhuijzen, de resident van Solo (Midden-Java). Met hem stond Roorda op goede voet en in de publiciteit nam hij het voor Nieuwenhuijzen op.

Al een half jaar eerder had Roorda deze Dorrepaal op de korrel genomen vanwege volgens hem dubieuze zakelijke transacties. Dorrepaals advocaat, W.K. van Dedem (die in 1891 minister van Koloniën zou worden), had Roorda toen uitgedaagd tot een duel met pistolen. Dat vond inderdaad plaats, maar er vloeide geen druppel bloed. Met de beschuldiging van corruptie was voor Dorrepaal de maat vol. Hij en Van Dedem trachtten Roorda in het nauw te drijven. Ze schreven een ‘request’ aan de gouverneur-generaal, waarin ze verzochten Roorda aan te pakken omdat die volgens hen de Javaanse bevolking tegen de Indische overheid opstookte (door kritiek op de behandeling van de susuhunan van Solo in 1830) én omdat hij bankier Dorrepaal met aantijgingen besmeurde.

In de Indische pers kwamen over de zaak de pennen in beweging. Er werd veel kritiek geleverd op het gebrek aan persvrijheid in de kolonie, maar er was ook begrip voor het optreden tegen Roorda. De meeste krantenschrijvers vonden dat hij zijn hand had overspeeld. De uitzondering was Carel Eliza van Kesteren, destijds hoofdredacteur van het Semarangse dagblad De Locomotief.
Op zoek naar eerherstel
In december 1864 stapte Roorda op een schip dat hem na de jaarwisseling in Nederland afleverde. Berooid ging hij naar het Limburgse Grevenbicht, waar zijn jongere broer Sytze predikant was. Ook verbleef hij wel bij zijn moeder, die toen in Delft woonde. Roorda begon aan een strijd voor eerherstel die vruchteloos zou blijken. In een adres aan de Tweede Kamer protesteerde hij in Multatuliaanse stijl: “Ik klaag niet, ik klaag aan”. Aan de wantoestanden in Indië moest een einde worden gemaakt, hield hij de Kamer voor. In zijn levensonderhoud voorzag hij door artikelen en brochures te schrijven. Hij leerde de acht jaar jongere Selinda Elisabeth Bolomey kennen, met wie hij op 28 augustus 1867 in Den Haag trouwde.

Sinds ik geen Hollanders meer zie ben ik gezond en begin weer te zingen. Hier geen ploertigheid, geen onbeschoftheid van den meerdere, geen kruipen van den mindere. Algemeene beschaving.
Uit de brieven blijkt dat Multatuli en Roorda (die elkaar ooit op Java al eens de hand hadden geschud) het niet over alles eens waren, maar over veel toch wel en zeker over hun kritiek op het Nederlandse kolonialisme in Indië. Overigens vonden ze wel dat de inheemse bevolking veel beter behandeld moest worden, maar waren ze niet tegen het kolonialisme op zichzelf. Roorda-biografen Vervoort en Indorf verwoordden het in 1979 zo:
In 1873 kreeg Roorda in het kanton Vaud (Waadtland in het Duits), waar hij woonde, een ingenieursfunctie in overheidsdienst om aan het spoor te werken. Ook daar kreeg hij echter onenigheid en nam hij ontslag. In maart 1875 overleed zijn vrouw, enkele dagen nadat ze hun derde kind had gebaard. In 1877 hertrouwde Roorda, 52 jaar inmiddels, met de 21-jarige Jenny Louise Duvoisin. Ze gingen wonen in Genève en zouden vier kinderen krijgen. In 1881 verkasten ze naar Clarens bij Montreux, ruim negentig kilometer verderop, bijna aan het andere uiteinde van het Meer van Genève. Het werd Roorda’s laatste woonplaats en hij is er begraven.
Een soort anarchist
Maar zo ver was het nog niet. Heel zijn leven was Roorda liberaal geweest, maar in Zwitserland radicaliseerde hij tot een eigen soort anarchisme. In 1886 noteerde hij in een brief:
Ik ben niet in elk opzicht anarchist, vooral niet communist, maar noch veel minder ‘étatiste’. Maar ieder kan socialist zijn onder de leus van Littré: ‘Het socialisme is het streven naar een beteren, nu nog onbekenden vorm der maatschappij’. Niet alles te gelijk! Dus eerst algemeen stemrecht met referendum.

In die jaren kwam hij ook in aanraking met Ferdinand Domela Nieuwenhuis, in Nederland begonnen als dominee, vervolgens sociaaldemocraat geworden en ten slotte anarchist. Diens oudste zoon, Ferdinand junior, ging in oktober 1886 op zijn zestiende voor zijn opleiding naar Zwitserland. Hij vond er onderdak in Lausanne bij de schoonouders van Roorda. Zelf ging Roorda schrijven voor Domela Nieuwenhuis’ blad Recht voor Allen. De prominente sociaaldemocraat Willem Vliegen had er veel waardering voor en schreef in 1903:
Men kan gerust zeggen dat Roorda voor ’t eerst belangstelling heeft gewekt bij de Nederlandse arbeiders voor de gruwelen der Nederlanders in Indië.
Willem III op de korrel

Onze eeuw heeft een vorst gekend die ik u schetsen zal. Uit de hulde hem gebracht kunt gij de fierheid van de groote wereld kennen. Volgens zeker koopman was hij de grootste ploert van zijn rijk. Een der ‘vertegenwoordigers’ van zijn volk noemde hem een gorilla
Na ‘Fijne Beschuit’ publiceerde Recht voor Allen een reactie daarop van een anoniem gebleven auteur: ‘Heldendaden van een Doorrooker’.

Datzelfde jaar bezocht Domela Nieuwenhuis zijn zoon Ferdinand in Lausanne en was hij daarna een ruime week in Clarens bij Roorda. “De dag voor mijn vertrek had hij koude gevat, maar daar zich geen teekenen van ongerustheid vertoonden, ging ik heen’’, schreef Domela nadien, “maar hoe verbaasd en verdrietig was ik enkele dagen later te moeten vernemen, dat Roorda ten gevolgde van een herhaalde longontsteking op 23 oktober 1887 was overleden.” Roorda was 62 jaar geworden.
Petitie-Soetardjo
Een halve eeuw na zijn overlijden gebeurde er in Batavia iets dat aan Roorda herinnerde. In 1936 nam de Volksraad (geen parlement maar een adviesorgaan) de zogenoemde petitie-Soetardjo aan. Daarin werd bij Den Haag (vergeefs) aangedrongen op een rijksconferentie die zou moeten leiden tot zelfstandigheid van Indië binnen het Koninkrijk der Nederlanden. Soetardjo Kartohadikoesoemo, eerder werkzaam bij het Indische Binnenlands Bestuur, pleitte op 9 juli bij zijn mede-Volksraad-leden voor de petitie. In zijn betoog valt deze passage op:
Ach, Mijnheer de Voorzitter, wij Javanen en speciaal de prijaji’s Binnenlandsch Bestuur zijn heusch gemakkelijke menschen. Als men ons rechtvaardig en redelijk behandelt, krijgt men bijna alles van ons gedaan. Maar wanneer men ons onrechtvaardig bejegent en plaagt tot buiten de grenzen van het toelaatbare, dan worden wij opstandig, meer dan een ander het zou doen.

Ruim negen jaar later dook de Vloekzang nogmaals op, niet in een toespraak, maar als angstaanjagend dreigement. Als hij in zijn seriewerk over de Tweede Wereldoorlog is aangeland in Indië na de Japanse capitulatie, bij de zogenoemde bersiap-periode (eind 1945, begin 1946), schrijft historicus Loe de Jong over Indische Nederlanders en Ambonnezen:
Eind september en begin oktober vonden verscheidenen hunner in Batavia anonieme briefkaarten in hun bus waarin zij met de dood en hun vrouwen en dochters bovendien met verkrachting werden bedreigd. ‘Bij het eerste sein’, zo stond op een van die briefkaarten, ‘zal over heel ons geliefde Indonesië slechts één doodskreet van Indo’s en Ambonnezen weergalmen. En voor het laatst: Sentots lied van Multatuli zal bewaarheid worden’.
Dat niet Multatuli het schreef, maar Roorda is bijzaak. Het dreigement en de verwijzing naar de Vloekzang waren duidelijk.
– Piet Hagen: Koloniale oorlogen in Indonesië. Vijf eeuwen verzet tegen vreemde overheersing (Amsterdam 2018).
– Handelingen van den Volksraad zittingsjaar 1936-1937. 6de vergadering, donderdag 9 juli 1936. Begrooting van Nederlandsch-Indië voor het dienstjaar 1937: algemeen gedeelte.
– Jannes Houkes: Roorda van Eysinga, Sikko Ernest Willem. In: Biografisch Woordenboek van het Socialisme en de Arbeidersbeweging in Nederland (Amsterdam 2001/2003).
– Dr. L. de Jong: Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog. deel 11C, Nederlands-Indië III (’s-Gravenhage 1986).
– Jan Willem Stutje: Ferdinand Domela Nieuwenhuis. Een romantische revolutionair (Antwerpen/Gent/Amsterdam 2012).
– Gerard Termorshuizen: Journalisten en heethoofden. Een geschiedenis van de Indisch-Nederlandse dagbladpers 1744-1905 (Amsterdam/Leiden 2001).
– Paul van ’t Veer: Geen blad voor de mond (Amsterdam 1958).
– Hans Vervoort, Maja Indorf: Sicco Roorda van Eysinga, zijn eigen vijand (Amsterdam, 1979).
– W. Wertheim: Doopceel van de dichter van de vloekzang. Drie telgen van het geslacht Roorda van Eysinga. In: Bijdragen tot de Taal-, Land- en Volkenkunde 116 no. 4 (Leiden 1960).
‘Koning Gorilla’ – Hoe Willem III zijn dubieuze bijnaam verwierf
Marten Douwes Teenstra, een Groningse Multatuli
Jacob Haafner keerde zich als een van de eersten fel tegen het kolonialisme
Herinneringen aan Madelon Székely-Lulofs, de ‘vrouwelijke Multatuli’
Het Zedenschandaal: heksenjacht op homoseksuelen in Nederlands-Indië
‘Nederlanders sloten duizenden Indonesiërs op zonder vorm van proces’
Jan Pieterszoon Coen en het bloedbad op de Banda-eilanden