Bijna zestig jaar lang wordt het Abbasidische kalifaat gedomineerd door drie krachtige kaliefs: al-Mahdi, de legendarische Harun al-Rashid en al-Mamun, die na een burgeroorlog met zijn broer al-Amin aan de macht komt. Het is een periode waarin het bestuur geprofessionaliseerd wordt en de wetenschapsbeoefening een hoge vlucht neemt.
Al-Mahdi en al-Hadi
Na de Abbasidische Revolutie rond 750 keert de rust in het moslimrijk weer door toedoen van kalief al-Mansur, die na een lange regeringsperiode in 775 overlijdt en wordt opgevolgd door zijn tweeëndertigjarige zoon al-Mahdi. De nieuwe kalief heeft al enig gezag opgebouwd door leiding te geven aan het pacificeren van het oostelijk deel van het imperium en kan rekenen op steun van de militaire leiding. In 771 ziet hij toe op de bouw van de stad Rafiqa in het noorden van Syrië nabij Raqqa, de eeuwenoude stad aan de Tigris. Deze steden vormen tezamen een militair complex van waaruit campagnes worden ondernomen tegen de Byzantijnen.
Vanaf 769 woont al-Mahdi met zijn zoontje Harun in Rusafa, een wijk van Bagdad, waar hij het vertrouwen geniet van de machtige familie van de Barmakiden, genoemd naar Khalid ibn Barmak, een afstammeling van Barmak uit Balch, de hoofdstad van Bactrië in het huidige Noord-Afghanistan. Khalid ibn Barmak, een boeddhistische monnik, bekeert zich ten tijde van het Omajjaadse bewind tot de islam en weet onder al-Mansur reeds naam te maken door een nieuwe systeem van belastinginning te ontwerpen.
De band tussen de Abbasiden en Barmakiden is innig en gebaseerd op melkverwantschap. Al-Mahdi’s zoon Harun al-Rashid wordt gezoogd door de schoondochter van Khalid, terwijl de moeder van Harun het kleinkind van Khalid, al-Fadl ibn Yahya, de borst geeft. Van betekenis is ook dat Khalids zoon Yahya de opvoeding van Harun op zich neemt en dat er tussen de toekomstige kalief Harun en al-Fadl een hechte relatie ontstaat. Net als zijn voorganger steekt al-Mahdi veel energie in religieuze activiteiten. Hij laat op diverse plaatsen moskeeën te bouwen en tijdens zijn bezoek aan Mekka, dat in 777 bezoekt, laat hij de binnenhof van de moskee reconstrueren waardoor de Kaäba in het midden komt te staan en de ommegang vergemakkelijkt wordt.1 Drie jaar later geeft tijdens zijn bezoek aan Jeruzalem opdracht om de Al-Aqsamoskee te herbouwen.
Dankzij deze pelgrimages en andere reizen naar de verschillende delen van zijn imperium weet hij niet alleen zijn blik te verruimen, maar ook het vertrouwen te winnen van de diverse regionale bestuurders en legerhoofden. Bovendien toont hij de wil om de aloude tegenstellingen binnen de familie van de Profeet te overbruggen en probeert hij de Aliden, aanhangers van de neef van Mohammed die de claim op het kaliefschap van de Abbasiden bestrijden, voor zich te winnen.
Het hof in Bagdad wordt gaandeweg geprofessionaliseerd door de al onder al-Mansur ingestelde groep van secretarissen – de kuttab – die leiding geven aan departementen en gaandeweg de rol vervullen van minister. Zij zijn zich bewust van hun hoge status die geaccentueerd wordt door het dragen van ceremoniële gewaden de durra’ah. De kuttab is verantwoordelijk voor het schrijven van allerlei administratieve handleidingen die nodig zijn om bijvoorbeeld de irrigatiewerkzaamheden in de Vruchtbare Sikkel, de sawad, in goede banen te leiden. Ook de cartografie heeft de volle aandacht met het oog op het laten functioneren van het uitvoerige postsysteem, dat onmisbaar is voor het spionagenetwerk waarmee de kalief op de hoogte wordt gebracht van eventuele plannen tot rebellie van ontevreden lokale bestuurders. Aan het hoofd van de kuttab staat de veelal door de Barmakidenfamilie geleverde vizier die fungeert als premier.

Behalve deze machtsfactor is er nog een tweede groep van functionarissen die een rol speelt in de verhoudingen aan het Abbasidische hof. Dat zijn de paleisdienaren geleid door al-Rabi ibn Yünus, een vrijgemaakte slaaf die door de Abbasiden wordt gewaardeerd als schrijver en dichter. Al-Rabi wordt benoemd tot kamerheer, de hadjib van de kalief en is een machtig man die de toegang tot de kalief regelt. Ook ziet hij toe op de constructie van de buiten de Ronde Stad gesitueerde wijk Karkh, het commerciële centrum van Bagdad.
Gaandeweg lopen de spanningen op tussen deze twee opkomende elites en de gevestigde macht van de militaire leiders, de quwwad, afkomstig uit de Khorasaanse gemeenschap met als inzet de controle over het bestuur. Zij hebben elkaar nodig, maar het is een gedwongen en weinig innige vorm van samenwerking. Zo komt het maar zelden voor dat een militair doordringt tot de kuttab of de garde der paleisdienaren.
Al-Mahdi regeert tien jaar en gaat de geschiedenis in als een genereus heerser die politieke gevangen amnestie verleent, veel belangstelling heeft voor kunst en cultuur en liefhebber is van de jacht. Hij komt in 785 aan zijn einde, mogelijk door een ongeluk tijdens een jagerij, of misschien is het een vergiftigde peer geweest die een concubine bestemd had voor een concurrente, maar bij vergissing door de kalief wordt opgegeten. Hij wordt opgevolgd door zijn oudste zoon Musa ibn Mahdi al-Hadi, kortweg al-Hadi.
Over de nieuwe kalief is weinig bekend, behalve dat hij in tegenstelling tot zijn vader een hardvochtig man is en zich vijandig opstelt tegenover de door de Barmakiden geleide kuttab, die terecht vrezen voor het verlies van hun bevoorrechte positie. Zij geven de voorkeur aan al-Mahdi’s tweede zoon Harun met wie zij een goede band hebben. Vlak voor zijn dood stuurt al-Mahdi zijn opvolger naar Tabaristan waar een opstand is uitgebroken in de hooglanden ten zuiden van de Kaspische Zee. De leider ervan is Wandad Hurmuzd, een krijgsheer van de Kareniden, die behoorden tot de grote families uit de Sassanidische periode en beschouwd worden als de laatste Zoroastrische dynastie in Iran. Het is een moeizaam gevecht dat Al-Hadi pas in 786 in zijn voordeel weet te beslechten.
Van meet af aan laat al-Hadi merken een andere koers te willen varen dan zijn vader. Hij leunt vooral op de militaire leiders en start een schrikbewind tegen de Aliden die hij hun rechten ontneemt welke zij genoten ten tijde van het bewind van al-Mahdi. In 786 komen zij in opstand in Medina, maar worden gemakkelijk verslagen. De Alid Idris ibn Abd Allah ontsnapt en wijkt uit naar Noord-Afrika waar hij de Berbers achter zich weet te krijgen en uiteindelijk de dynastie der Idrisiden vestigt in de Maghreb met als hoofdstad Fez. Ook de Barmakiden moeten het ontgelden.
Yahya, de mentor van Harun, wordt gearresteerd, een daad waarmee de kalief zijn moeder al-Khayzuran tegen zich in het harnas jaagt. Zij is een machtige figuur aan het hof, geliefd bij de Barmakiden en vanaf dat moment spreekt zij haar voorkeur uit voor Harun als opvolger van al-Hadi, zoals dat overigens met al-Mahdi was afgesproken. Gesteund door de militairen, die vrezen voor een Barmakidische overmacht als Harun zijn broer zou opvolgen, schuift de kalief zijn zoon Jafar naar voren, hetgeen indruist tegen de reeds lang bestaande gewoonte om zich te houden aan convenanten over de opvolging. En natuurlijk is Harun niet bereid zijn rechten op te geven. Het conflict loopt hoog op als al-Hadi besluit zijn broer op te sluiten. Maar de dood van al-Hadi brengt een ommekeer.
Hoe al-Hadi aan zijn eind is gekomen is niet duidelijk. Hij overlijdt dertien maanden na zijn aantreden in zijn bed, maar het is best mogelijk dat zijn moeder een slavin de opdracht heeft gegeven de kalief te vermoorden. Hoe dan ook, de Barmakiden reageren snel. Yahya wordt bevrijd en Harun uitgeroepen tot kalief. Het is een efficiënt uitgevoerde coup waar al-Hadi’s medestanders geen antwoord op hebben.
Harun al-Rashid
Er is geen kalief geweest die zo tot de verbeelding spreekt als Harun al-Rashid. Dat is niet verwonderlijk, want ten tijde van zijn bewind baadt het hof in Bagdad zich in weelde en vertonen ook andere steden zoals Nishnapur tekenen van grote welstand. Er is een stroom van verhalen, mythen en sprookjes opgetekend, gerelateerd aan die periode – waarvan Duizend-en-één-nacht getuigt – die tot op heden populair zijn. Ook de plotselinge machtswisseling waarbij Harun aan de macht komt heeft iets sprookjesachtigs. Deze wordt wel de Nacht van de Drie Kaliefs genoemd, want op het moment dat zijn vader overlijdt, bereikt de nieuwe kalief het bericht dat zijn tweede zoon, de latere kalief al-Mamun, is geboren.2

De eerste is die van het leiden van de aanbidding, de salaat, op vrijdag in de hoofdstad Bagdad bij bijzondere gelegenheden. Daarbij afficheert de kalief zich als de waardige opvolger van de Profeet gekleed in – naar zeggen – diens gewaad. Niet zelden laten al-Rashid en zijn opvolgers dit overigens over aan een plaatsvervanger terwijl zijzelf de ceremonie volgen vanuit een beveiligde plek in de moskee.3 Tweede verplichting is het leiden van de jihads tegen de Byzantijnen. Bij dit alles dient men zich te realiseren dat al-Rashid zich net als zijn voorgangers niet voor niets tooit met de titel Bevelhebber der Gelovigen. Veel staatszaken kan hij overlaten aan zijn vizier, maar aan aloude islamitische verplichtingen dient hijzelf te voldoen.
Haruns vele reizen naar alle windstreken tonen zijn betrokkenheid bij lokale ontwikkelingen en genereren tal van investeringen in infrastructurele werken, want tochten door het moslimrijk zijn geen sinecure. Zij vergen de aanleg van pleisterplaatsen en vooral die van watervoorzieningen. Hierin speelt Haruns echtgenote Zubaydah bint Jafar een belangrijke rol. Zij is beroemd geworden door de aanleg van een pelgrimsroute van Kufa naar Mekka, een weg die voert door een droog en ontoegankelijk gebied. Rotspartijen dienen te worden geslecht en zanderige delen geplaveid.
Maar indrukwekkend zijn vooral de vierenvijftig bewateringsstations langs deze veertienhonderd kilometer lange route die geplaatst zijn met een interval van ongeveer vierentwintig kilometer, een afstand die in een dag is te overbruggen voor de doorsnee reiziger. Archeologisch onderzoek leert dat deze stations bestaan uit cisternen (vergaarbakken, birkas genaamd), bronnen en ondergrondse aquaducten (qanats) en dammen in droogvallende waterlopen (wadi’s). De naam van dit enorme project: Darb Zubayda, is een eerbetoon aan de vrouw van de kalief.4

Deze gang van zaken rammelt aan de positie van de Barmakiden wier houding jegens de Aliden al-Rashid ook al een doorn in het oog is. Weliswaar voert de kalief een veel minder hardvochtig beleid dan zijn voorganger, maar hij volhardt in diens aanpak van de Aliden, wat niet strookt met de grootmoedige houding van de Barmakiden. Vanaf het jaar 797 brokkelt het gezag van de Barmakiden af, ofschoon Jafar ibn Yahya goed bevriend blijft met de kalief. In 803 maakt al-Rashid korte metten met de familie. Yahya ibn Khalid en zijn zoon al-Fadl verdwijnen achter de tralies. Jafar wordt onthoofd, een daad die nauwelijks verklaarbaar is.
Mogelijk heeft de opvolgingskwestie een rol gespeeld bij de desavouering van de Barmakidenfamilie, maar in elk geval wil Harun zich bevrijden van de Barmakiden, of van welke pressiegroep dan ook in Bagdad, hetgeen geïllustreerd wordt door zijn keuze van Raqqa als zijn residentie (Bagdad blijft wel de hoofdstad). De val van de Barmakiden brengt een zekere administratieve wanorde met zich mee, zoals blijkt uit de ontdekking van vierduizend ongeopende postzakken nadat de kalief is overleden.5
Harun onderneemt vanuit Raqqa veldtochten tegen de Byzantijnen met als uiteindelijk doel Constantinopel te veroveren en het Byzantijnse rijk ten val te brengen, maar de resultaten in termen van veroverde gebieden zijn pover. Harun komt niet verder dan zich te profileren als leider van de moslimwereld tegen een aloude vijand. Ondanks deze vijandige acties staat Harun bekend als iemand die hecht aan diplomatieke relaties met de buitenwereld. Dat geldt niet alleen de Byzantijnen, maar ook die van de opkomende machten in Centraal-Azië zoals de Tang-dynastie van China waar Abbasidische gezantschappen naartoe worden gezonden en waarmee intensief handel wordt gedreven.6
Twee diplomatieke missies tussen de Abbasiden en het Frankische rijk zijn fameus. De eerste is die uit 797, als een gezantschap van de Frankische koning Karel de Grote zijn opwachting maakt in Bagdad, gevolgd door een bezoek van door Harun gezonden afgevaardigden aan het hof van de Franken. Bij dit bezoek wordt er een in het westen een sinds de Romeinse tijd niet meer waargenomen dier aangeboden aan Karel: een witte olifant afkomstig uit Afrika.7
Het is niet onaannemelijk dat de Abbasiden en Karolingers samenwerking zoeken om zich te kunnen ontdoen van de Omajjaden in al-Andalus die zich weten te onttrekken aan het gezag van Bagdad en op dat moment nog te sterk zijn voor de christelijke legers. Ook is er hun gemeenschappelijke rivaliteit jegens Byzantium.
Een tweede punt van aandacht voor de kalief vormen de lokale heersers in Khorasan die, zoals te doen gebruikelijk in perifere gebieden van het moslimrijk, felle pleitbezorgers zijn van besteding van door in de provincie opgebrachte belastinggelden in de regio zelf. Onder het regime van de Barmakiden werd dat toegestaan, maar nu is het de elite van Bagdad die daar een eind aan wil maken, desnoods met geweld. In 805-06 breekt er een opstand uit onder aanvoering van een nazaat van de laatste Omajjaadse gouverneur van Khorasan die nauwelijks te bedwingen is en Harun noopt tot een persoonlijke bemoeienis. Tijdens deze campagne komt de kalief aan zijn eind.
De successieoorlog
De successieoorlog die ontbrandt na het overlijden van Harun in 809 vindt zijn oorsprong in het zogeheten Convenant van Mekka waarin Harun al-Rashid zijn opvolging heeft geregeld. Deze overeenkomst wordt vastgesteld en door alle betrokkenen met een eed van trouw bezegeld tijdens een pelgrimstocht in 802 naar de heilige stad. Harun wijst zijn zoon al-Amin – verwekt bij zijn vrouw Zubaydah – aan als opvolger. Als tweede in lijn van opvolging benoemt hij zijn iets oudere zoon al-Mamun, geboren uit een relatie met een Perzische concubine. Daarbij bepaalt Harun dat al-Amin met de titel van kalief over de Vruchtbare Sikkel van Mesopotamië en de westelijke provincies zal heersen en dat al-Mamun als onderkoning de scepter zal zwaaien over de oostelijke provincies van het rijk die zich uitstrekken van het Zagrosgebergte in het westen van Iran tot in Transoxanië, gelegen in Centraal-Azië. Na het afleggen van de eed van trouw worden de documenten opgeborgen in de Kaäba.
Het besluit van Harun om het moslimrijk in feite te verdelen onder zijn twee oudste zoons, waarvan de een zich vestigt in Bagdad en de ander zijn domicilie kiest in het ver in het oosten gelegen Merv, is vragen om moeilijkheden. Als kalief, wiens macht zich formeel uitstrekt over het gehele rijk, eist al-Amin dat er belastingopbrengsten verzameld in het oosten, worden afgedragen aan Bagdad, waarmee hij al-Mamun tegen de haren instrijkt die geen duimbreed wil wijken.

In latere kronieken, die een ongetwijfeld door de geschiedschrijvers gekleurd beeld weergeven, wordt al-Amin met zijn hofkliek in Bagdad afgeschilderd als hedonistisch (inclusief gebruik van alcohol), terwijl al-Mamun wordt geportretteerd als een sober en vroom mens.
Hoe dan ook, in elk geval presenteert al-Mamun zich als erfgenaam van de islamitische traditie door zich te tooien met de titel van imam, de religieuze leider, waarmee hij weliswaar niet formeel het kaliefschap voor zich opeist, maar wel inspeelt op het belang dat in de moslimgemeenschap gehecht wordt aan de combinatie van politiek en religieus leiderschap, samengevat in de veelgebruikte aanduiding van Gods Kalief.
Gedurende enkele jaren doen er zich tal van schermutselingen voor totdat in 810, als al-Amin zijn zoon Musa benoemt als opvolger, de legers van al-Amin en al-Mamun in gereedheid worden gebracht om de strijd om de macht definitief uit te vechten op het slagveld. Het leger van al-Amin wordt geleid door Ali ibn Isa, een gevreesd gouverneur van Khorasan, die door zijn harde optreden aldaar menigeen in de armen heeft gedreven van al-Mamun. De door ibn Sahl tot opperbevelhebber benoemde Tahir al-Hoessein, een generaal van Perzische origine die carrière heeft gemaakt in het Abbasidische leger, voert de troepen aan van al-Mamun.
Hoewel het enorme leger van ibn Isa – men spreekt van wel veertigduizend manschappen – numeriek ver in de meerderheid is, lijdt het toch een gevoelige nederlaag in de slag bij de stad Ray, waarna Tahir optrekt naar Bagdad dat na een beleg van een jaar wordt ingenomen. Tijdens de chaos van de definitieve verovering wordt al-Amin geëxecuteerd. Het is een machtswisseling via koningsmoord die louter gebaseerd is op broederlijke jaloezie en waarbij, zoals dat bij eerdere fitna’s het geval was, geen verschil van religieuze interpretatie aan de orde is.8
Na de verovering van Bagdad besluit al-Mamun in Merv te blijven om van daaruit het immense en verdeelde rijk te besturen. Overal proberen lokale machthebbers zich te onttrekken aan het centrale gezag en eigen dynastieën te vestigen. Zij ergeren zich eraan dat onder druk van vizier ibn Sahl, die getooid wordt met de titel van Dhu ‘l-Ri’āsatayn (regeringshoofd en militair leider), de invloed van de Khorasaanse elite op het bestuur toeneemt. Met name Bagdad voelt zich gedegradeerd tot een tweederangs provincieplaats. Ook speelt een rol dat her en der in het rijk er nog altijd tal van moslims zijn die de sjiitische zaak van de Aliden steunen, wat zich met name voordoet in Kufa waar de voormalige militair en avonturier Abu’l-Saraya in 815 een rebellie ontketent. Dat doet hij in naam van de Alid Mohammed ibn Ibrahim, ook bekend als ibn-Tabataba die naar voren wordt geschoven als de ware Bevelvoerder van de Gelovigen.
Wat deze rebel probeert, is om zelf de touwtjes in handen te houden onder het mom de zaak van de Aliden te zijn toegedaan, wat hem verzekert van de nodige aanhang. De opstand wint aan kracht verspreidt zich over Zuid-Irak en bereikt bijna Bagdad, waarop ibn Sahl ingrijpt en Tahir de rebellie de kop indrukt.
Intussen probeert al-Mamun de Aliden voor zich te winnen en benoemt hij in 817 zelfs de Alid Ali ibn Musa, al-Rida genaamd, oftewel de Uitverkorene, tot zijn erfgenaam, wat erop lijkt dat hij het Abbasidische rijk wil uitleveren aan de Aliden, maar in de ogen van de kalief is al-Rida gewoon competent en door hem te benoemen denkt hij de eenheid in de moslimgemeenschap te bevorderen.9 Dit wordt benadrukt door het verstevigen van de familieband tussen de Aliden en Abbasiden met de verloving van al-Mamuns dochter Umm al-Fadl en Abu Jafar, de zoon van al-Rida.10
Ook verandert de officiële Abbasidische hofkleur van zwart in het groen van de Aliden. Dit alles veroorzaakt een storm van protest in Bagdad, waar men Ibrahim ibn al-Mahdi, een halfbroer van Harun al-Rashid, als tegenkalief naar voren schuift. Op dat moment wordt het al-Mamun duidelijk dat zijn experiment van regeren vanuit het Khorasaanse bolwerk Merv ten dode is opgeschreven en besluit hij naar Bagdad te gaan. Tijdens zijn reis komt al-Rida onder duistere omstandigheden om het leven, mogelijk is hij vergiftigd. Vervolgens ontdoet de kalief zich van ibn Sahl die hij beschouwt als een gevaar voor zijn eigen positie en met de liquidatie van deze omstreden figuren is de kou uit de lucht en kan al-Mamun met een gerust hart in 819 Bagdad binnentrekken.
Al-Mamun, beschermer van de Wetenschappen
Op het moment dat al-Mamun in Bagdad arriveert verkeert zijn rijk in wanorde en hebben zich in diverse provincies zoals Egypte, Syrië en Jemen, lokale heersers min of meer onttrokken aan het centrale gezag. Bij gebrek aan voldoende militaire capaciteit leunt de kalief op zijn diplomatieke vaardigheden en indien er geweld aan te pas moet komen op de Tahir familie. Met name Tahirs zoon Abd Allah ibn Tahir krijgt een grote rol toebedeeld als bevelvoerder van het Abbasidische leger. Abd Allah weet Syrië en Noord-Irak onder controle te brengen om vervolgens orde op zaken te stellen in Egypte waar anarchie heerst ten gevolge van een burgeroorlog en Alexandrië is bezet door vluchtelingen uit het islamitische al-Andalus.11

Door middel van de uitgifte van nieuwe munten met uitsluitend opdrukken van islamitische teksten in het verfijnde Kufische schrift, wil al-Mamun tot in alle uithoeken van zijn rijk eenheid prediken en zijn autoriteit benadrukken.12 Dit gaat gepaard aan een herziening van het belastingstelsel in sommige provincies. Ook vindt een reorganisatie van het bestuurlijk systeem plaats. Bestaande provincies, zoals Khorasan, worden opgenomen in grotere eenheden en de oude garnizoenssteden Kufa en Basra toegevoegd aan de vergrote provincie Irak. Daarbij komt erfopvolging binnen die eenheden in zwang.
Meest sprekende voorbeeld ervan is het ontstaan van de Tahir dynastie die in Khorasan de scepter zwaait – waarmee in feite een staat binnen de staat wordt gecreëerd – en die tot 873 aan de macht blijft. Net als de Tahirs stammen de Samaniden, genoemd naar hun stamvader Saman Khoda, uit het oude Sassanidische rijk. Diens zoon Asad ibn Saman steunt al-Mamun en wordt daarvoor beloond met de benoeming van een aantal van zijn kinderen op belangrijke posten in Transoxanië.
In het voetspoor van de toenemende macht van al-Mamun en de bloei van cultuur en wetenschap in de hoofdstad Bagdad, doen deze families een nieuwe Iraanse elite ontstaan die qua pracht en praal het hof in de hoofdstad naar de kroon steekt.13 De band tussen de Abbasiden en Iraniërs vindt een hoogtepunt in de verloving van de kalief met Buran, de dochter van al-Hasan ibn Sahl, een broer van de door al-Mamun uit de weg geruimde vizier al-Fadl ibn Sahl. Het huwelijk wordt voltrokken in 822 in Fam al-Sihl, een dorpje in de buurt van de stad Wasit, en staat bekend als een van de meest extravagante gebeurtenissen uit de Abbasidische periode. Het feest duurt volgens de kronieken een maand of langer en er is sprake van een ongekende verkwisting en vrijgevigheid. Gastheer al-Hasan zou vier miljoen dinars hebben besteed aan de festiviteiten met een stortvloed van giften als besluit. Onder de gasten worden kaartjes uitgedeeld met namen van landgoederen die al-Hasan overdraagt aan toonder.14
Intussen neemt de invloed van de traditionele elite, de abna, in Bagdad af, wat de eenzijdige afhankelijkheid van al-Mamun van de Iraanse elite onderstreept. Vandaar dat de kalief zijn broer al-Mutasim benoemt tot onderkoning van het westelijk deel van Syrië en Egypte, waarmee hij hem uitdrukkelijk profileert als opvolger. Zijn zoon al-Abbas wordt gouverneur van Noord- Syrië en Irak en is belast met de verdediging van de noordgrens tegen de Byzantijnen. Hiermee creëert de kalief een uitgebalanceerde machtsstructuur onder zijn leiding.
Tegen het eind van de regeringsperiode van al-Mamun ontstaat er aan de noordgrens met Klein-Azië een gewapend conflict met de Byzantijnen waarover de kalief zich bijzonder boos maakt. Keizer Theophilos, die doorgaans goede diplomatieke relaties onderhoudt met zijn buren, biedt excuses aan, maar al-Mansur stelt een onmogelijke eis: óf alle Byzantijnen bekeren zich tot de islam, óf zij betalen voor de recrutering van talloze manschappen.15
De kalief heeft, zoals moslimheersers voor hem, de verovering van Constantinopel voor ogen, het ultieme doel van de islamieten, de vernietiging van dit oude christelijke rijk. Al-Mamuns overlijden in 833 maakt voorlopig een eind aan deze ambitie. Waar al-Mamun wel succes mee boekt is de al onder al-Mansur en Harun al-Rashid ingezette inspanning om geleerden te stimuleren tot het vertalen van Griekse wetenschappelijke erfenis in het Arabisch en deze aan te vullen. In zijn ogen laten de Byzantijnen het in dit opzicht afweten en misschien is dat ook wel reden voor hem om Theophilos onder druk te zetten.
2 – Op. cit, p. 75.
3 – Hodgson, M. G. S., The Venture of Islam 1 The Classical Age of Islam, The University of Chicago Press 1977 p. 292.
4 – Milwright, M., An introduction to Islamic Archeology, Edinburgh University Press 2012 p. 163.
5 – Young, M. J. L. e.a., Religion, learning and science in the Abbasid period, Press Syndicate of the University of Cambridge, New York 1990 p. 164.
6 – El-Hibri, op. cit, p. 94.
7 – Op. cit, p. 97. Zie ook: Fried, J., Charlemagne, Harvard University Press, Cambridge Massachusetts 2016 p. 402.
8 – Hodgson, op. cit., p. 300.
9 – Kennedy, H., The Prophet and the Age of the Caliphates, The Islamic Near East from the six to the eleventh century, Longman New York 1986 p. 152.
10 – El-Hibri, op. cit., p. 109.
11 – Kennedy, op. cit., p. 155.
12 – El-Hibri, op. cit., p. 113.
13 – Axworthy, M., Iran: Empire of the Mind, Penguin Books, London 2007 p. 87.
14 – El-Hibri, op. cit., p. 114.
15 – Op. cit., p. 116.
Opkomst van de Abbasiden: revolutie in Khorasan rond 750
Kalief al-Mansur en de consolidatie van het Abbasidische kalifaat
Hoe Bagdad in de Middeleeuwen hét centrum van kennis werd
Het Kalifaat van Samarra en het verval van Bagdad (833-946)