Kalief al-Mansur en de consolidatie van het Abbasidische kalifaat

750-775
16 minuten leestijd
Kalief al-Mansur in een Ottomaanse genealogie uit het werk Zübdet-üt Tevârîh (1598)

Na de Abbasidische Revolutie maakt kalief Aboe al-Abbas al-Saffah korte metten met de Omajjaden en probeert orde te scheppen in het moslimrijk. Maar de belangrijkste rol in de consolidatie van het kalifaat is weggelegd voor zijn oudere broer en opvolger al-Mansur, die eenentwintig jaar regeert en de nieuwe hoofdstad Bagdad laat bouwen.

Aboe al-Abbas al-Saffah (750-754)

De Abbasidische Revolutie, ingezet door de machtige veldheer Aboe Moslim uit Khorasan, maakt een eind aan de regeringsperiode van de Omajjaden. In 749 wordt Aboe al-Abbas als eerste kalief van de Abbasiden dynastie naar voren geschoven. Hij stuurt zijn oom Abd Allah ibn Ali eropuit om de laatste Omajjaadse kalief Marwan II een definitieve nederlaag te bezorgen bij de rivier de Grote Zab (750) en laat het aan zijn oudere broer Aboe Ja’far Abdallah ibn Muhammad al-Mansur – kortweg al-Mansur – over om af te rekenen met de gouverneur van Irak.

Abbasidische dinar geslagen onder kalief al-Mansur, 758 n.Chr. (CC BY 3.0 – DrFO.Jr.Tn – wiki)
Bij deze acties leunen de Abbasiden sterk op de legers uit het oostelijke Khorasan in het besef dat dit risico’s met zich meebrengt. Koste wat kost dient vermeden te worden dat het nieuwe regime ondergeschikt wordt aan militaire leiders zoals Aboe Moslim. Om de steun van het westelijk deel van het moslimrijk niet te verliezen, maken zij een gebaar naar twee machtige rivaliserende stammen, de Kalb uit Jemen en de Qays uit het noorden van het Arabische schiereiland die zich ooit vestigden in Syrië. De Jemenieten worden beloond met diverse gouverneurschappen zoals bijvoorbeeld dat van de belangrijke garnizoensplaats Basra als dank voor hun steun aan de revolutie en ook de Qays wordt de hand toegestoken, ondanks hun verzet tegen de Abbasiden.

Geen compassie toont Aboe al-Abbas met de Omajjaden, want na de slag bij de Grote Zab brengt de kalief, bevreesd als hij is voor een wederopstanding van het oude regime, hen om het leven. Alleen de jonge Abd al-Rahman weet aan dit bloedbad te ontkomen en vlucht naar het Iberisch Schiereiland waar onder hem en zijn nazaten in al-Andalus een ongekende bloeitijd aanbreekt. De nieuwe kalief van het immense moslimimperium is door zijn meedogenloze afrekening met de Omajjaden de geschiedenis ingegaan als Aboe al-Abbas al-Saffah, oftewel de bloedvergieter. Zijn korte regeringsperiode voltrekt zich niet zonder problemen.

Moderne verbeelding van de Slag bij de Grote Zab
Moderne verbeelding van de Slag bij de Grote Zab

Het kost hem moeite om de Qays in bedwang te houden die het nieuwe regime maar moeilijk kunnen accepteren, evenals de Khorasanen die de toenemende macht van de Abbasiden met argusogen bekijken. Maar hij weet het hoofd boven water te houden en de groeiende spanningen tussen hem en de machtigste figuren die hem omringen te bedwingen. Het gaat om Aboe Moslim en de familieleden van de kalief: al-Mansur en Abd Allah ibn Ali, allen bekwaam en zeer ambitieus. En dus barst na het overlijden van Aboe al-Abbas in 754 de strijd tussen deze drie om het kaliefschap los. Daarbij is de hoofdrol weggelegd voor al-Mansur die door zijn jongere broer als opvolger is aangewezen, met als aanvullende bepaling dat na zijn dood het kaliefschap toevalt aan zijn neef Isa ibn Musa.

Al-Mansur (754-775)

In zijn positie als nieuwe kalief speelt de slimme al-Mansur zijn tegenstrevers tegen elkaar uit. Als eerste besluit hij af te rekenen met zijn oom Abd Allah die het kaliefschap claimt op grond van zijn rol in het definitief verslaan van Marwan II. Daarbij doet al-Mansur een beroep op Aboe Moslim, misschien wel zijn machtigste tegenstrever. Hij weet hem ertoe over te halen ten strijde te trekken tegen Abd Allah die nabij Nisibis (in het huidige Zuidoost Turkije) in november 754 een nederlaag wordt toegebracht. Diens troepen zouden – aldus een Syrische vertelling – gedemoraliseerd zijn door het overtrekken van een komeet als een ‘speer van vuur’.1

Abd Allah neemt de wijk naar Basra waar zijn broer Suleiman ibn Ali als gouverneur hem onderdak verleent en al-Mansur weet af te houden van verdere wraakacties.

Maar dan wacht al-Mansur de strijd met de ongekroonde koning van Khorasan, Aboe Moslim, de man die in het uiterste oosten, in Transoxanië, Chinese troepen heeft weten tegen te houden in de slag bij de Talas-rivier in 751 aan de grens van Kazachstan met Kirgizië. Bij die gelegenheid zouden, aldus de legende, Chinese papiermakers krijgsgevangen zijn gemaakt waardoor deze fabricagetechniek voor het eerst de Arabische wereld bereikt zou hebben.

Khorasan en andere gebieden tijdens het kalifaat in 750
Khorasan en andere gebieden tijdens het kalifaat in 750
Hoe dan ook, iemand die van invloed is geweest op het reilen en zeilen van zowel het moslimrijk als dat van China, dient al-Mansur zich van het lijf te houden. Nadat Aboe Moslim Abd Allah heeft verslagen maakt hij aanstalten om naar Khorasan terug te keren, woedend omdat al-Mansur hem verbiedt de aanhangers van Abd Allah te vervolgen met wie de kalief zich wil verzoenen

Voordat Aboe Moslim zijn thuisbasis weet te bereiken, waar hij, zo vreest al-Mansur, wel eens een afscheidingsbeweging zou kunnen ontketenen, stuurt de kalief een delegatie onder leiding van de welbespraakte Isa ibn Musa op hem af die de Khorasaanse veldheer uitnodigt hem een bezoek te brengen. De Khorasaan trapt in de val, wordt ingerekend en na een schijnproces geëxecuteerd. Dat gebeurt in de zomer van 755, nog geen half jaar nadat Abd Allah is verslagen en het tekent de vastbeslotenheid van al-Mansur om zijn onderdanen zo snel mogelijk te laten zien wie er de baas is.

Vanaf dat moment profileert de kalief zich als religieuze voorman (imam) en als wereldlijk leider. Al-Mansur streeft naar een strak centraal geleid kalifaat en karakteriseert zijn start als een dawla, een term die wisseling betekent, een machtsovergang en die door de Abbasiden wordt ingekleurd als de komst van een nieuw tijdperk:

Met hun heerschappij werd een begin gemaakt met het leggen van een speciale band met diverse elementen uit het politieke erfgoed: een verbinding met voorafgaande monarchieën in het Midden-Oosten en Perzië, met de opvolging van de profeet Mohammed; en zelfs een band met Bijbelse figuren – de eerste patriarchen, Abraham en zijn directe afstammelingen, zowel als de Israëlische koningen David en Salomo.2

Vandaar dat al-Mansur en zijn opvolgers zich tooien met een bijnaam die de hen door God gegeven leiderschapskwaliteiten benadrukt: al-Mansur de Zegevierende, al-Mahdi de Geleide, al-Rashid de Wijze et cetera. Al-Mansur benoemt een aantal van zijn familieleden op provinciale gouverneursposten in rijke gebieden als Egypte en de Vruchtbare Sikkel. Zijn speciale aandacht gaat uit naar Khorasan waar afstammelingen van de eerste Arabische kolonisten belangrijke posten krijgen toegewezen als eerbetoon voor de door hen bewezen diensten.

Ook besluit hij om het regeringscentrum naar het oosten te verplaatsen van het in Syrië gelegen Damascus naar Irak, naar de plaats waar ooit de Babyloniërs en Perzen heersten, de bakermat van pre-islamitische beschavingen en die altijd in economische en strategische zin een belangrijk centrum is geweest. Kortom, al-Mansur zoekt naar een centraal gelegen plaats om de identificatie van de Omajjaden met Syrië van zich af te schudden, naar een plaats waar een nieuwe stad kan verrijzen met allure. Grootser dan Kufa of Basra die gelegen zijn aan de grens met het woestijnachtige Arabische achterland en altijd het karakter hebben gehad van een garnizoensplaats.

Maar voordat hij Bagdad aanwijst als plaats waar het nieuwe centrum van het islamitische imperium gebouwd zal worden, neemt de kalief het besluit om zijn zoon al-Mahdi (voluit Aboe Abd Allah Mohammed ibn Abd Allah al-Mansur) aan te wijzen als zijn opvolger, dit in afwijking van wat zijn voorganger Aboe al-Abbas al-Saffah heeft bepaald en wiens keuze was gevallen op Isa ibn Musa.

Al-Mansur weet uiteindelijk in 764 ibn-Musa ervan te overtuigen dat hij beter plaats kan maken voor al-Mahdi in aanloop waarvan deze zich op vijftienjarige leeftijd vestigt in de stad Ray (nabij Teheran) waarmee de band met het oostelijk deel van het moslimrijk wordt geaccentueerd. Het is ook daar waar zijn zoon Haroen al-Rashid wordt geboren.

Een schilderij van Julius Köckert (1864), dat de Abbasidische kalief Haroen al‑Rashid toont terwijl hij de gezanten van Karel de Grote begroet.
Een schilderij van Julius Köckert (1864), dat de Abbasidische kalief Haroen al‑Rashid toont terwijl hij de gezanten van Karel de Grote begroet.

Opstand van de Aliden

Net als tijdens het regime van de Omajjaden vormen ook voor de Abbasiden de Aliden een probleem. Dit zijn de vooral in het Arabisch Schiereiland actieve sjiitische aanhangers van de vierde kalief uit het Vroege Kalifaat, Mohammeds neef Ali ibn Abi Talib, die hem en zijn nazaten beschouwen als de gelegitimeerde opvolgers van de Profeet. Traditiegetrouw leggen zij de nadruk op het belang van verwantschap. Ofschoon al-Mansur er alles aan doet om deze Jemenieten voor zich te winnen, vormt er zich een opstandige beweging in Medina rond de jonge Mohammed ibn abd-Allah, een afstammeling van Ali’s zoon Hoessein3, geboren uit Ali’s huwelijk met Fatima, de dochter van de Profeet. En het is deze Mohammed ibn abd-Allah, beter bekend als al-Nafs al Zakiyya oftewel de Zuivere Ziel, die al-Mansur ervan beschuldigt het kaliefschap geroofd te hebben van de enige ware opvolger van Mohammed.

De opstandelingen vormen eigenlijk geen partij voor de legers van al-Mansur die hen ook nog eens het mes op de keel zet door de gebruikelijke graantoevoer uit Egypte naar de stad af te snijden. Voordat het tot een militair treffen komt, wisselen al-Nasr en al-Mansur brieven uit waarin zij hun claims op kaliefschap uiteenzetten. Al-Nasr legt de nadruk op zijn afstamming van de dochter van Mohammed, terwijl al-Mansur, die genealogisch inderdaad verder afstaat van de Profeet, zich beroept op soera 26 vers 214 uit de Koran dat zegt: ‘En waarschuw je stam en je naaste verwanten.’4

Het is een vers dat refereert aan het moment waarop de Profeet wordt opgedragen zijn missie openlijk te maken, te beginnen bij zijn eigen familie. Al-Mansur beweert nu dat zijn voorouder (al-Abbas, de oom van Mohammed) wel gehoor heeft gegeven aan deze oproep, terwijl die van al-Nasr (Ali) dit niet heeft gedaan. Volgens al-Mansur is gehoor geven aan deze soera van primair belang en hecht de Koran aan de positie van Fatima als vrouw van de Profeet minder betekenis.

Met deze briefwisseling wordt het verschil tussen de sjiitische interpretatie van de Koran en die van de soennieten op scherp gezet, een verschil van inzicht dat tot de dag van vandaag doorklinkt in de toepassing van het islamitisch erfrecht.5 De briefwisseling leidt niet tot verzoening en de strijd wordt uitgevochten op het slagveld in 763 waar de Aliden ten onder gaan.

Gedurende de regeringsperiode van al-Mansur en ook die van zijn zoon en opvolger al-Mahdi, blijft het in Khorasan voortdurend onrustig en breken er diverse opstanden uit gedreven door nationalistische en religieuze motieven, maar vinden hun oorzaak ook in klassentegenstellingen tussen boeren en Perzische landheren.

Aanhangers van de vermoorde Aboe Moslim, die beweren dat hij nog leeft, spelen zeker een rol evenals de manicheeërs, volgelingen van de stichter van deze religie, Mani, die leefde in de derde eeuw in het oude Perzië en die door de kaliefs gezien worden als een serieuze bedreiging. Hen wordt niet zoals christenen en joden de status verleent van dhimmi (de traditionele aanduiding voor bepaalde niet-moslims onder islamitisch bestuur die onder voorwaarden hun eigen religie blijven aanhangen), maar worden beschouwd als ketters die voor de keuze staan tussen bekering tot de islam of uitroeiing.6 Het luidt de totale verdwijning in van deze religie van het wereldtoneel.

Taq-i Kisra, een restant van de Sassanidische hoofdstad Ctesiphon
De Taq-i Kisra, een restant van de Sassanidische hoofdstad Ctesiphon, gelegen op dertig kilometer van het nieuwe Bagdad. (CC BY-SA 4.0 – Safa.daneshvar – wiki)

Stad van de Vrede

Al-Mansur laat zijn nieuwe hoofdstad bouwen op een plek in Mesopotamië waar de rivieren Eufraat en Tigris dicht bij elkaar komen en die ongeveer dertig kilometer ten noorden ligt van de oude hoofdstad van het Sassanidische rijk, Ctesiphon. De Abbasiden noemen de nieuwe stad Madinat-al-Salam oftewel de Stad van de Vrede, zij het dat deze naam al gauw plaats maakt voor Bagdad, de naam van een oude nederzetting aldaar die ‘door God gegeven’ betekent. Verwijzingen naar deze naam zijn te vinden in oude geschriften:

In ieder geval verschijnt er vrij vroeg in de Mesopotamische geschiedenis een naam die lijkt op Bagdad. Een van de meest energieke vroege Assyrische vorsten, Tiglath-Pileser I (1115-1077 v.Chr., WP) ondernam verschillende campagnes in de buurt, en zijn zoon veroverde een stad die blijkbaar bekend stond als Bagdad, hoewel het toen geen belangrijke plaats was.7

De Stad van de Vrede zou de opvolger moeten worden van vroegere hoofdsteden van het oude Midden-Oosten zoals Babylon en Ctesiphon en het is dus niet vreemd dat al-Mansur stenen uit Babylon verwerkt heeft in zijn nieuwe stad die het stempel dragen van de Babylonische vorst Nebukadnezar II.8

Madinat-al-Salam wordt niet rechthoekig, maar cirkelvormig met als middelpunt de moskee en vooral het paleis en van de kalief dat getooid is met een koepel die de macht symboliseert van een universele monarch. En voor het bepalen welke datum de meest gunstige is om de bouw een aanvang te laten nemen doet de kalief een beroep op vooraanstaande astrologen uit die periode, waaronder Ibrahim ibn Habib al-Fazari, die als eerste moslim een astrolabium construeert naar Grieks voorbeeld. Volgens hen is het moment dat Jupiter in Boogschutter (Sagittarius) staat – 2 augustus 762 – de dag waarop de bouw moet aanvangen, want, aldus de horoscoop, dat betekent een goede gezondheid, een lang leven voor de kalief en dat er nooit in deze stad een kalief zal sterven.9

Bagdad onder de vroege Abbasidische kaliefen, met de Ronde Stad
Bagdad onder de vroege Abbasidische kaliefen, met de Ronde Stad

Het is moeilijk om je een voorstelling te maken van de Stad van de Vrede omdat deze in de loop van de eeuwen compleet van de aardbodem is verdwenen en dus worden beschrijvingen ervan ontleend aan oude getuigenissen, waarbij vooral die van de in Bagdad geboren en ca. 898 overleden geograaf en historicus al-Yaqubi de moeite waard zijn. De hieronder aan zijn werk ontleende impressies zijn afkomstig uit het boek Baghdad, Metropolis of the Abbasid Caliphate van de hand van Gaston Wiet10 en zonder twijfel deels legendarisch.

Al-Yaqubi vermeldt dat kalief al-Mansur wel honderdduizend handwerkslieden naar de bouwplaats dirigeert die aan de slag gaan met de bouw van de zogeheten Ronde Stad, waarvoor bakstenen worden gebruikt, het gebruikelijke bouwmateriaal van het land. Het zijn kubussen met ribben van ongeveer vijfenveertig centimeter en blokken ter grootte van de helft van de kubus. Aboe Hanifa, de stichter van een van de vier islamitische rechtsscholen zou belast zijn geweest met het tellen van de bakstenen die benodigd zijn waarbij hij wiskundige methoden toepast die voor die tijd baanbrekend zijn: inschatten van het totale bouwvolume en dat delen door het volume van de baksteen. Zorgvuldig aangelegde kanalen brengen fris water naar de bouwplaats voor de fabricage van de bakstenen en consumptie.

De Ronde Stad – met een diameter van ongeveer twee kilometer – kan betreden worden door vier poorten die de kalief persoonlijk van een naam voorziet: van zuidwest met de klok mee zijn het de Kufa Poort (het startpunt van de pelgrimages), de Syrische Poort, de Khorasan Poort (die leidt naar een brug over de Tigris) en de Basra Poort. De muur die de poorten verbindt meet aan de basis ongeveer vijfenveertig, aan de top twaalf meter en is dertig meter hoog, inclusief de kantelen. En dan is er een buitenmuur op een afstand van vijftig meter met ronde kantelen omringd door een gracht.

Een kaart van Bagdad tijdens het Abbasiden-tijdperk.
Een kaart van Bagdad tijdens het Abbasiden-tijdperk.
De hoofdstraten die naar het centrum van de stad leiden zijn vijfentwintig meter en de andere straten acht meter breed. Op de koepel van de het paleis staat een ruiter die een lamp vasthoudt en die volgens veel gelovigen magische krachten bezit. Uiteraard ontwikkelt Bagdad zich ook buiten de poorten van de Ronde Stad. Zo is er de wijk Karkh op een heuvel aan de zuidkant die niet onderloopt als de Tigris buiten haar oevers treedt. Daar is het commerciële centrum van de stad en een anekdote verhaalt over het ontstaan ervan. Al-Mansur, die de arcaden aan de binnenmuur van de Ronde Stad bestemd heeft voor de kooplieden, krijgt bezoek van een Byzantijnse ambassadeur die op de vraag van de kalief wat hij vindt van de stad hem complimenteert, maar opmerkt dat dat iedereen in en uit kan lopen en onder het mom van commerciële motieven vrijelijk kan spioneren.

Dat is voldoende reden om de markten al in 774 te verplaatsen naar Karkh, waar de zaken strikt gereglementeerd zijn en elke markt zijn eigen vaste plek heeft. Slagers, die totaal ongeletterde mensen met altijd een mes in hun hand, worden totaal geïsoleerd. De statistieken van Yaqubi moeten met een korrel zout worden genomen. Hij zegt dat er zesduizend straten en stegen zijn, dertigduizend gebedsplaatsen en tienduizend badhuizen. De markten en winkels worden door al-Mansurs opvolger al-Mahdi voor het eerst belast, wat de schatkist het equivalent van ruim een miljoen euro zou hebben opgeleverd.

Met zijn keuze van de bouwlocatie van Bagdad in Irak toont al-Mansur dat hij afstand wil nemen van de Omajjaden die sterk leunden op de kracht van Syrië en kozen voor Damascus als hun residentie. Bagdad wordt de thuisstad van de Abbasiden die gunstig gelegen is voor Khorasanen. Zij krijgen in de Stad van de Vrede nieuwe economische kansen waardoor de kalief zich verzekerd weet van hun steun.11 Bagdad functioneert als centrum voor alle culturen en net als dat in het Iberisch Schiereiland het geval is, ontstaat er een vorm van convivencia waar naast de islam plaats is voor andere godsdiensten. Joden en christenen worden geïntegreerd in de samenleving. De wijken waarin zij zich vestigen zijn centraal gelegen in de stad en doen in geen enkel opzicht denken aan getto’s.

De ligging van de stad tussen de twee belangrijke rivieren in de Vruchtbare Sikkel opent tal van economische mogelijkheden waardoor Bagdad zich al snel ontwikkelt tot een stad van allure. Dat leidt tot het gebruik van een nieuwe Arabische uitdrukking: tabaghdada (je gedragen als iemand uit Bagdad), vergelijkbaar met moderne termen als je bent een New Yorker of Amsterdammer.12

Staatsvorming

Nadat al-Mansur zijn tegenstanders schaakmat heeft gezet, wijdt hij zich aan de opbouw van de Abbasidische staat, daarbij geholpen door een aantal hofsecretarissen (de kuttab) waarvan Ibn al-Muqaffa, een uit de Perzische provincie Fars afkomstige literator en vertaler, zich ontpopt als een kundig raadsman die de kalief adviseert gebruik te maken van de kennis en loyaliteit van de voormalige Perzische ministers zoals de Barmakiden, een familie die al zich al tijdens het regime van de Omajjaden heeft bekeerd tot de islam. Ibn al-Muqaffa refereert in zijn werk aan het politieke inzicht van de Sassanieden dat zegt:

…de monarchie is afhankelijk van het leger, het leger van geld, geld komt van grondbelasting, grondbelasting van landbouw. Landbouw is afhankelijk van het recht, het recht van de integriteit van beambten, en de integriteit en betrouwbaarheid van de continue oplettendheid van de koning.13

Behalve dat al-Muqaffa de importantie onderstreept van een goede salariëring van de Khorasaanse troepen en het behoud van koopkracht, wijst hij ook op het belang van hun godsdienstige band met de dynastie. Daarnaast ziet hij de noodzaak van het ontwerpen van een uniforme religieuze wetgeving, wat echter bemoeilijkt wordt door het bestaan van verschillende scholen zoals die van de Hanafieten uit Irak, die situaties beoordelen via een rationele benadering (ra’y) en die van de Malakieten uit de Hidjaz die de letter volgen van de Koran en tradities (de soenna). Maar de Abbasiden nemen deze verschillen tussen de rechtsgeleerden voor lief en baseren zich op hun militaire macht, daarbij refererend aan soera 38 – 26:

O Dawoed (David)! Waarlijk! Wij hebben jou als een opvolger op aarde geplaatst, oordeel dus in Waarheid tussen de mensen en volg niet de begeerte, want die zal je van het Pad van Allah doen afdwalen. Waarlijk! Degenen die afdwalen van het Pad van Allah (zullen) een zware bestraffing krijgen omdat zij de Dag van de Afrekening vergaten.14

Net als Oethman, de derde kalief uit het Vroege Kalifaat, sieren de Abbasiden zich met de titel van Gods Kalief, de plaatsvervanger van God op aarde en dat geeft voor al-Mansur voldoende gezag over de juristen. Al-Mansur is zich ervan bewust dat hij zijn legitimiteit kan verstevigen door aandacht te schenken aan belangrijke rituelen. Zo leidt hij zelf pelgrimages naar Mekka en investeert hij in het onderhoud en de bouw van gebedshuizen. In 755 besluit de kalief tot een grootse renovatie van de Kaäba. Daarnaast stimuleert de kalief de islamitische geschiedschrijving wat onder meer resulteert in de biografie van Mohammed door Ibn Ishaak.15

Een enorme prestatie van al-Mansur is de grondlegging van het zogeheten Huis der Wijsheid, waar de crème de la crème van de Arabische intellectuelen de geschriften uit de Griekse en Perzische oudheid vertaalt en aanvult, en dat onder kalief al-Mamun zijn hoogtepunt beleeft.

Gedurende zijn gehele regeringsperiode toont al-Mansur zich een krachtig leider die overigens neigt tot micromanagement. Hij creëert een bureaucratie geleid door de kuttab, die een minutieuze controle voert over alle provincies. Net als in het verleden onder de Sassanidische vorst Nushirvan en de Marwaniden, leunt al-Mansur op de inkomsten uit de Vruchtbare Sikkel, de sawad en ook de belasting die de groeiende klassen van kooplieden en ambachtslieden verschuldigd zijn spekken de schatkist die na het overlijden van de kalief goed gevuld blijkt.

Dat is zeker het gevolg van de zuinigheid van al-Mansur – die wel spottend een Krentenweger wordt genoemd16 – maar ook te danken aan de competente Kalid ibn Barmak die met zijn aantreden niet alleen opkomst inluidt van de machtige familie der Barmakieden, maar ook die van de vizier, de eerste minister van de kalief die een toenemende invloed heeft op het beleid.17

Noten

1 – El-Hibri, T., The Abbasid Caliphate, Cambridge University Press 2021 p. 44.
2 – Op. cit., p. 46.
3 – Hoessein komt als pretendent van het kaliefschap om in de slag bij Karbala in 680 en leeft voort in de sjiitische traditie als martelaar. De datum van deze slag, de 10e dag van de maand muharram, wordt nog alijd herdacht.
4 – El-Hibri, op. cit, p. 53. Zie ook: https://koran.nl/soera-26-ash-shu-ara-de-dichters/.
5 – Op. cit., p. 54.
6 – Hodgson, M. G. S., The Venture of Islam 1 The Classical Age of Islam, The University of Chicago Press 1977 p. 291.
7 – Coke, R., Baghdad the City of Peace, Thornton Butterworth, London 1927 p. 22.
8 – Op. cit.,
9 – El-Hibri, op. cit., p. 56.
10 – Wiet, G., Baghdad, Metropolis of the Abbasid Caliphate, University of Oklahoma Press 1971 (vert. Seymour Feiler) hst 2.
11 – Kennedy, H., The Prophet and the Age of the Caliphates, The Islamic Near East from the six to the eleventh century, Longman New York 1986 p. 136.
12 – El-Hibri, op. cit., p. 60.
13 – Op. cit., p. 63.
14 – Zie: https://koran.nl/soera-38-sad-de-arabische-letter-sad/.
15 – Verschenen in de Nederlandse vertaling van Wim Raven als: Het leven van Mohammed, Bulaaq, Amsterdam 2000.
16 – Hodgson, op. cit., p. 286.
17 – Op. cit., Zie ook El-Hibri, op. cit, p. 71.
De rol van de vizier is te vergelijken met die van de valido ten tijd van de Spaanse Habsburgers in de zestiende eeuw. Beide vervulden zij politieke rollen als machtige vertrouwelingen van een absolute heerser, maar de vizier was een meer geïnstitutionaliseerde ambtenaar en de valido eerder een persoonlijke favoriet.
×