Miranda de Ebro, 13 januari 1943
Het is de achtste dag van de hongerstaking. De Poolse gevangenen zijn ermee begonnen, andere sloten er zich snel bij aan. Sommigen zitten hier al bijna twee jaar vast en kunnen het niet meer verdragen. De belabberde omstandigheden, de slechte behandeling en de uitzichtloosheid. Er komen steeds meer mannen bij in het kamp, sinds de Duitsers vorige maand heel Frankrijk hebben bezet is er een enorme stroom vluchtelingen op gang gekomen.
Het kamp is ingericht voor 1500 gevangenen, maar er zitten inmiddels meer dan het dubbele. De barakken zijn er niet op berekend, de voedselvoorziening ook niet, en die ene kraan met drinkbaar water nog minder. In de winter raakt hij bovendien bevroren. Het is stervenskoud geworden, en meer dan een dunne deken om zich ’s nachts te bedekken hebben ze niet. Doordat ze allemaal dicht tegen elkaar aan liggen blijven ze nog een beetje op temperatuur.

Waarom worden zij hier gevangen gehouden? Die vraag houdt iedereen bezig. Spanje is neutraal in de oorlog, behalve de buitenlandse vrijwilligers die in de Burgeroorlog tegen Franco vochten is niemand hier krijgsgevangene. En de manier waarop die Spanjestrijders worden behandeld, bruter en slechter dan de vluchtelingen, gaat tegen alle regels van de Conventie van Genève in – de Burgeroorlog is bijna vier jaar geleden beëindigd, zij zouden allang moeten zijn vrijgelaten.
De Nederlanders
Willy Zomerplaag, Ipie en Joop Meljado, Bram Schilansky en Gerrit van Geuns verblijven sinds twee weken in Kamp Miranda. Na enkele dagen in Sort werden ze naar de gevangenis van Lérida overgebracht en daarvandaan naar die in Zaragoza, tot ze met tientallen anderen in een trein naar Miranda de Ebro werden vervoerd. Joop moest huilen toen bij aankomst zijn zwarte krullen werden afgeschoren.
De vrouw en zoon van Van Geuns zijn naar Madrid gebracht; ze zouden daar door het Nederlandse consulaat in een hotel worden ondergebracht.

Elias, de broers Meljado en Bram leren hun medegevangenen snel kennen; er zijn enkele tientallen landgenoten. De meesten van hen zijn ook Joods, ieder met zijn eigen verhaal. Maar eigenlijk lijkt elk verhaal op dat van de anderen. Velen zijn met hun vrouw de Pyreneeën over gevlucht. Zoals Barend Boers, die net voor de oorlog is getrouwd. Zijn vrouw Mimi was in Amsterdam door de SS opgepakt; toen ze was vrijgelaten waren ze direct uit Nederland vertrokken.
Mimi hoefde niet naar Madrid maar mag in Miranda de Ebro verblijven, het stadje ligt een paar honderd meter verderop. Ze hoopt haar man zo sneller vrij te krijgen, en bovendien kan ze hem af en toe eten brengen.
Hubert Goldschmidt, Felix Max de Jong, Jonas Brilleslijper en Max Dekker zijn na hun vlucht uit Aulus-lesBains ook in het kamp geïnterneerd. Bij hen hetzelfde verhaal: opgepakt bij Sort toen ze net de Pyreneeën over waren.

Totale minachting
Er zijn meer Nederlanders uit Antwerpen in Kamp Miranda. Diamantslijper Felix Vigeveno, deze week 22 geworden, en zijn zwager Ben Max Jessurun Lobo (29). Ze zitten samen al twee jaar vast in Spanje; ze werden pas gearresteerd toen ze half Spanje hadden doorkruist en bijna in Portugal waren. Ze vertellen schrijnende verhalen over de totale minachting vanuit het Nederlandse consulaat en het gezantschap in Madrid. Volgens de twee zwagers hoeft niemand van de Nederlanders te rekenen op een vroege vrijlating.
Daniël Ritmeester (22) vertelt hetzelfde; hij komt ook uit Antwerpen en zit nu voor de tweede keer in Miranda, nadat het consulaat hem tussentijds, na zijn vrijlating, Spanje niet uit heeft weten te krijgen, waarop de Spanjaarden hem opnieuw arresteerden.
Chaim Gottfried (20) is een persfotograaf uit Den Haag, Salomon de Gorter (30) is een Amsterdamse schrijver en journalist die in Frankrijk woont. Benjamin Juda van Esso (25) is dokter, net als zijn even oude vrouw Martha; zij bleef achter in de gevangenis van Pamplona toen haar man naar Miranda werd vervoerd. Hij weet niet waar ze nu is. Dan zijn er nog David Polak (23), Izak Cats (21) en Salomon den Arend (28).
Wat al deze Joodse mannen – jongens nog eigenlijk – met elkaar gemeen hebben, is dat ze niet alleen voor de Duitsers zijn gevlucht, maar dat ze vanuit Engeland aan de strijd willen deelnemen. Net als het groeiende aantal Nederlandse militairen en verzetsmensen dat in het kamp verblijft. Maar niemand lijkt zomaar op vrije voeten te komen.

Honger
Intussen moeten ze allemaal de omstandigheden in het kamp zien te doorstaan. Binnen enkele weken is iedereen broodmager. ’s Morgens krijgen ze een kom met een van geroosterde eikels getrokken brouwsel dat voor koffie moet doorgaan. ’s Middags ontstaan er lange rijen voor de grote pannen met rancho, een smakeloze, om niet te zeggen smerige soep van koolbladeren waarin naast wat peulvruchten soms enkele brokjes vlees drijven; één pan is bedoeld voor honderd man. Tweehonderd gram zwart brood per persoon per dag moet voor een beetje vulling zorgen.
De hoeveelheid voedsel is totaal ontoereikend. Gelukkig is er de cantina, een soort winkeltje waar je wat extra’s kunt kopen, mits je uit Nederland of België meegebrachte geld onderweg niet is opgeraakt of tijdens de arrestatie is afgenomen. De Nederlanders krijgen elke week een kleine financiële bijdrage vanuit het consulaat, maar dat is minder dan de Belgen of Engelsen van hun overheid ontvangen.
Met de dag groeit de frustratie onder de jonge mannen uit heel Europa, die graag vanuit Engeland, de Verenigde Staten, Canada of Noord-Afrika hun bijdrage willen leveren aan de strijd tegen de Duitsers. Nu zitten ze hier met meer dan drieduizend man niks te doen; ze raken uitgehongerd en worden ziek. In een concentratiekamp in een land dat zich eigenlijk helemaal niet met de oorlog bemoeit, maar dat Hitler niet wil afvallen.
Staking

Vandaag zijn er beloftes gedaan, de kampleiding lijkt te zwichten voor de druk. Er zal voor meer en beter voedsel worden gezorgd, de hygiëne zal worden verbeterd. En de gevangenen zullen ongehinderd contact mogen hebben met hun consulaten en het Rode Kruis. Bovendien – voor Willy Zomerplaag, Bram Schilansky en Gerrit van Geuns het belangrijkste – heeft Franco onder de groeiende druk uit het buitenland besloten dat iedereen jonger dan 18 en ouder dan 40 jaar zo spoedig mogelijk moet worden vrijgelaten. Niet alleen die gelukkigen putten er hoop uit – ook voor de rest lijkt het einde van de reis nabij.
Hoe Léon Degrelle in Spanje opdook als zakenman en schrijver en er een nieuwe naam en moeder kreeg
Francisco Franco (1892-1975) – Uitgebreide biografie van de dictator
De Spaanse Burgeroorlog
Ravensbrück door de ogen van gevangenen en overlevenden
Bergen-Belsen: “Een stad van de levende doden”
Nacht und nebel – Strafmaatregel