Eindelijk biografie van laatste gouverneur-generaal Nederlands-Indië

Boek over Van Starkenborgh vertoont gebreken
10 minuten leestijd
Van Starkenborgh in zijn tijd als gouverneur-generaal van Indië
Van Starkenborgh in zijn tijd als gouverneur-generaal van Indië (CC BY 4.0 - Ziegler - wiki)

Het heeft lang geduurd, maar eindelijk is er dan een biografie van de laatste gouverneur-generaal van de kolonie Nederlands-Indië, Van Starkenborgh (1888-1978). Historicus/theoloog Paul van Lunteren (1990) begon er volgens zijn eigen website aan in 2021. Na zo’n vier jaar ongetwijfeld hard doorwerken naast zijn ‘gewone’ baan is het project nu afgerond.

Eerst maar eens de vraag waarom we op een Van Starkenborgh-biografie zo lang hebben moeten wachten. De man was immers de laatste gouverneur-generaal van de veruit grootste kolonie die Nederland ooit had en alleen al daarom interessant voor een levensbeschrijving. Twee historici hebben wel plannen gehad, zo noteert Van Lunteren. In 1963 gold dat voor George Puchinger. Maar, lezen we, Van Starkenborgh zag daar niet veel in. Kennelijk heeft Puchinger het er toen maar bij gelaten. In 1973 had Simon van der Wal ideeën voor een publicatie en volgens Van Lunteren vond Van Starkenborgh dat toen ‘plezierig’. Maar in 1978 overleed niet alleen Van Starkenborgh, maar ook Van der Wal.

Dat jarenlang niemand het stokje overnam, komt, zo stelt Van Lunteren, doordat ‘onze beeldvorming over Indië/Indonesië’ wordt gedomineerd door wat er vanaf augustus 1945 tot eind 1949 in de Oost gebeurde: de oorlog van Nederland tegen de Republiek Indonesië. Politici Wim Schermerhorn, Willem Drees, Huib van Mook en Louis Beel, Indisch legercommandant Simon Spoor en diplomaat Herman van Roijen speelden toen hoofdrollen. Over hen verschenen eerder al wél biografieën.

“Toch is ook Van Starkenborgh een beeldbepalend figuur geweest”, aldus Van Lunteren. “Tijdens zijn ambtstermijn (vanaf 1936, red.) krabbelde Nederlands-Indië economisch gezien weer op, werd het Indonesische nationalisme in de Volksraad zichtbaarder en de Japanse invloed én dreiging merkbaarder. Na de Duitse verovering van Nederland in mei 1940 stond Indië er in zekere zin alleen voor. In die jaren werd van Starkenborgh des te meer een publiek figuur.”

Niet van de straat

Op 7 maart 1888 kwam in Groningen een gezonde baby ter wereld: Alidius Warmoldus Lambertus (roepnaam: Li) Tjarda van Starkenborgh Stachouwer. Wie met zo’n achternaam wordt geboren is vast niet van de straat en dat was Li dan ook niet. Vader Edzard was op dat moment advocaat en notaris (later zou hij Gronings commissaris van de Koningin worden) en kwam uit een welgestelde familie. Dat laatste gold ook voor moeder Christine Jacoba Quintus.

Li van Starkenborghs ouders Edzard en Christine in Groningen, tussen 1917 en 1925
Li van Starkenborghs ouders Edzard en Christine in Groningen, tussen 1917 en 1925. (Groninger Archieven)
Van vaderszijde betrof het een oud Fries geslacht. In de vijftiende eeuw bewoonde de familie Tjaerda of Tjaarda in Rinsumageest (bij Dokkum) een stenen huis: Tjaerda State. In 1452 verwierf familielid Barthold in die regio de burcht Starkenborgh en noemde zich sindsdien Tjarda van Starkenborgh. Dan was er ook nog de familie Stachouwer, sinds 1640 eigenaar van het eiland Schiermonnikoog. Door een huwelijk raakten beide families met elkaar verbonden en was het sinds 1801: Tjarda van Starkenborgh Stachouwer.

Na de elitaire Eerste Jongensschool doorliep Li van Starkenborgh in Groningen het Stedelijk Gymnasium, waarna hij er rechten ging studeren. In februari 1911 rondde hij zijn studie af om al twee maanden later te promoveren. Dat dat zo razendsnel ging, kwam doordat voor promoveren destijds niet per se een proefschrift nodig was. Het kon ook op grond van stellingen – de route die Li koos.

Gouverneur-generaal

Dankzij een vriend van pa, minister van Buitenlandse Zaken René de Marees van Swinderen, kon Li in 1912 in Den Haag terecht bij dat departement, eerst als volontair (onbetaald), al snel als adjunct-commies. De weg naar een diplomatieke loopbaan lag open. Zijn eerste buitenlandse post werd eind 1913 Brussel, zij het slechts voor twee maanden. Wel was die periode van belang, want hij leerde er Christine Marburg kennen, dochter van de Amerikaanse gezant. Op 16 november 1915 trouwden ze in Christines thuisstad, Baltimore. Ze kregen twee dochters, Frances (1918) en Tiny (1924). Voor Li volgden na Brussel functies bij de diplomatieke posten Washington, Parijs en Berlijn, waarna hij in 1925 commissaris van de Koningin werd in Groningen – als directe opvolger van zijn vader! Na opnieuw een diplomatieke baan (gezant in Brussel, 1933-1936) viel de keuze op Van Starkenborgh om Bonifacius de Jonge op te volgen als gouverneur-generaal van Nederlands-Indië. Het benoemingsbesluit dateert van 9 juni 1936.

Het gezin Van Starkenborgh in 1925
Het gezin Van Starkenborgh in 1925. Van links naar rechts: Frances, Tiny, Li en Christine. (Groninger Archieven/P.B. Kramer)

Voor de gereformeerde minister van Koloniën Hendrikus Colijn (ARP) was Van Starkenborgh niet de eerste keus. De partijloze Van Starkenborgh gold als liberaal en was niet christelijk. Als diplomaat had hij echter een goede reputatie en voor de aanstelling van een katholiek voelde Colijn al helemaal niets. Dus volgde hij toch maar de suggestie van de invloedrijke Amsterdamse reder Ernst Heldring en koos voor Van Starkenborgh. Van de politiek/bestuurlijke problematiek in Indië en de Indische staatsinrichting wist de nieuwe gouverneur-generaal niets. Instructies van Colijn kreeg hij niet mee. “Ik zou het allemaal wel zien als ik er was”, heeft hij daarover opgemerkt. Op 16 september 1936 arriveerde hij met vrouw en dochters op Java.

Van Lunteren schetst dat Van Starkenborgh vlot tot twee conclusies kwam die zijn beleid zouden bepalen. Ten eerste dat Indië op enig moment een zelfstandige plek zou moeten krijgen binnen het Koninkrijk der Nederlanden (maar geen onafhankelijkheid). Voorts dat de Indonesiërs er nog lang niet aan toe waren Indië op een verantwoorde manier te besturen. Wel bevorderde Van Starkenborgh in Indië de benoeming van inheemse bestuurders.

Van Starkenborgh in 1937
Van Starkenborgh (midden) in 1937 op bezoek in Solo (Midden-Java). Links van hem susuhunan (sultan) Pakubuwono X. (Nationaal Archief/Fotocollectie Elsevier)

De petitie-Soetardjo

Soetardjo in 1945
Soetardjo in 1945
Al heel snel kreeg hij te maken met een belangrijke kwestie: de petitie-Soetardjo. Op initiatief van Soetardjo Kartohadikoesoemo werd die petitie op 29 september 1936 aangenomen door de Volksraad, dat geen echt parlement was, maar een adviesorgaan. De petitie vroeg om een rijksconferentie waar zelfstandigheid van Indië het voornaamste bespreekpunt moest zijn. Wel zagen Soetardjo en de zijnen die zelfstandigheid nog ‘binnen de grenzen van artikel 1 der Grondwet’, dus binnen het koninkrijk. Vanuit Den Haag gevraagd om advies treuzelde Van Starkenborgh erg lang en adviseerde uiteindelijk de petitie af te wijzen. Hij vreesde dat anders ‘een sluis wijd open’ zou gaan voor Indonesische politieke wensen. In november 1938 wees Den Haag de petitie inderdaad af.

Het gevolg was dat de meeste Indonesische politieke stromingen zich aaneensloten in de Gabungan Politik Indonesia (Gapi, Indonesische Politieke Federatie). De eerste Gapi-eis was omzetting van de Volksraad in een echt parlement. Het kwam er niet van. Wel kwam er in 1940 een commissie om wensen en opvattingen over staatkundige ontwikkelingen te onderzoeken (de commissie-Visman). Aan de Volksraad maakte Van Starkenborghs Indische regering al vast duidelijk dat elke discussie over Indonesische onafhankelijkheid uitgesloten was.

Door de Duitse bezetting van Nederland stond Indië er vanaf mei 1940 alleen voor, al bleef er wel contact tussen Batavia en de Nederlandse regering in Londen. In juni 1941 liet Van Starkenborgh de Volksraad weten dat na de bevrijding van Nederland kon worden overlegd over aanpassing van het rijksverband ‘aan den eisch der tijden’. Aan Indonesische kant viel daarover vooral teleurstelling waar te nemen.

Capitulatiebesprekingen met de Japanners
Capitulatiebesprekingen met de Japanners in maart 1942 in Kalidjati (West-Java). Links achter de tafel luitenant-generaal Ter Poorten. Ook Van Starkenborgh was bij deze besprekingen. (NIMH)

‘Special Party’

Begin 1942 was het de beurt aan de Indische autoriteiten en strijdkrachten om het hoofd te buigen. Op 8 maart capituleerde Indië voor Japan. Diverse hoge bestuurders weken uit naar Australië, maar Van Starkenborgh besloot in Indië te blijven. Hij bleef gouverneur-generaal, maar had al wel voor de zekerheid Huib van Mook, die opereerde vanuit Australië en Londen, benoemd tot luitenant-gouverneur-generaal, zodat deze zo nodig het hoogste Indische bestuur formeel kon waarnemen.

Van Starkenborgh werd krijgsgevangene van de Japanners. Hij ging deel uitmaken van een wisselend samengestelde ‘Special Party’ van hoge bestuurders en militairen. De Japanners sleepten hem in de oorlogsjaren 1942-1945 van hot naar her. Eerst zat hij vast op Java, vervolgens in diverse kampen op Formosa (Taiwan) en tot slot kwam hij via Japan en Korea in Mantsjoerije (China), waar hij opnieuw diverse kampen van binnen zag.

Tjarda van Starkenborgh krijgsgevangene
Van Starkenborgh en KNIL-commandant Ter Poorten worden in maart 1942 als krijgsgevangenen een kamp in Batavia binnengebracht. (NIMH)

Na de oorlog werd Van Starkenborgh in vooral Indische kringen zeer gewaardeerd omdat hij de rug recht had gehouden en het lot van de geïnterneerden in Indië had gedeeld. Dat is overigens betrekkelijk, want de omstandigheden waaronder de Special Party vastzat, waren zeer matig, maar wel beter dan die in de Japanse kampen in Indië. Li’s echtgenote Christine en dochter Tiny overleefden hun internering op Java, dochter Frances doorstond de oorlog in Europa.

In Nederland keerde Van Starkenborgh terug op 9 september 1945, namelijk op vliegveld Welschap bij Eindhoven. Minister van Buitenlandse Zaken Eelco van Kleffens bood hem om te beginnen even onderdak in zijn woning aan Plein 1813 in Den Haag.

Terug in Nederland, 9 september 1945, voor de woning van minister Van Kleffens in Den Haag. Van links naar rechts: premier Schermerhorn, Van Kleffens en Van Starkenborgh.
Terug in Nederland, 9 september 1945, voor de woning van minister Van Kleffens in Den Haag. Van links naar rechts: premier Schermerhorn, Van Kleffens en Van Starkenborgh. (CC0 – Nationaal Archief/Fotocollectie Anefo)

Ontslag

In de eerste naoorlogse ministersploeg, het kabinet-Schermerhorn/Drees, was Johann Logemann minister van Overzeese Gebiedsdelen (niet meer Koloniën). Net als de rest van de ministerraad weigerde hij aanvankelijk overleg met Soekarno, president van de op 17 augustus 1945 uitgeroepen Republiek Indonesië. Maar naar andere nationalisten wilde Logemann de deur wel open houden. Van Starkenborgh zag dat anders. Eerst moesten Britse troepen Indië in bezit nemen en als zij dat niet deden, dan moest Nederland dat zelf doen. Pas daarna kon wat hem betreft met Indonesische nationalisten worden gepraat.

Het meningsverschil leidde ertoe dat Van Starkenborgh in september 1945 ontslag vroeg als gouverneur-generaal. Per 1 november werd het hem eervol verleend. Begin 1946 werd hij ambassadeur in Parijs. Wel hield hij zich beschikbaar voor als het kabinet advies mocht willen over Indische zaken. Dat is gedurende de Indonesië-oorlog twee keer gebeurd, al stelde het beide keren niet zo heel veel voor.

Medio 1950 werd Van Starkenborgh lid van de Noord-Atlantische Raad, als plaatsvervanger van de minister van Buitenlandse Zaken. Die raad was het overlegorgaan van de leden van het militaire pact de NAVO. In 1956 stopte hij ermee, omdat hij het als 68-jarige rustiger aan wilde doen. Op 29 juni werd hij minister van Staat, een adviserende erefunctie.

Van Starkenborgh, zeer waarschijnlijk in zijn tijd als ambassadeur in Frankrijk.
Van Starkenborgh, zeer waarschijnlijk in zijn tijd als ambassadeur in Frankrijk. (Nationaal Archief/Fotocollectie Rijksvoorlichtingsdienst)

Greet Hofmans en de Schelde-Rijn

Twee dagen daarvoor was hij al benoemd in een zeer bijzondere commissie, waarin ook oud-premiers Pieter Sjoerds Gerbrandy en Louis Beel zitting namen. Formeel niet in opdracht van de regering, maar op verzoek van koningin Juliana en prins Bernhard moesten ze onderzoek doen naar de crisis op en rond paleis Soestdijk: de Greet Hofmans-affaire. Het optreden van gebedsgenezeres Greet Hofmans had tussen Juliana en Bernhard geleid tot een huwelijkscrisis die maar al te gemakkelijk zou kunnen uitlopen op een constitutionele crisis. De drie ‘wijze mannen’ adviseerden dat Juliana haar banden met Hofmans en geestverwanten zou verbreken, dat Bernhard zou breken met zijn perscontacten (naar wie hij de crisis had laten uitlekken) en dat Bernhard buitenlandse reizen voortaan tevoren zou melden. Zo werd een constitutionele crisis afgewend.

Greet Hofmans (1894-1968) - Gebedsgenezeres
Greet Hofmans
Van Starkenborghs laatste klus als minister van Staat betrof het al sinds de negentiende eeuw slepende probleem van de Schelde-Rijn-verbinding. Die was cruciaal voor de haven van Antwerpen. Ook dat karwei bracht hij tot een goed einde. In 1963 werden de ministeriële handtekeningen gezet. In zijn laatste jaren kampte Van Starkenborgh met sterk verslechterend zicht. Lezen en schrijven werd hem onmogelijk. Op 16 augustus 1978 overleed hij, thuis in Wassenaar. Op de Haagse begraafplaats Westduin werd hij ter aarde besteld.

Vorm en inhoud

Handel en wandel van Van Starkenborgh heeft Van Lunteren uitgeplozen en in deze biografie opgetekend. Dat is mooi. Maar helaas stellen zowel vorm als inhoud van het boek teleur. Wat betreft de vorm: het ritselt van de taal-, schrijf- en redactiefouten. Laten we het beperken tot enkele voorbeelden. De auteur denkt ten onrechte dat Staten-Generaal een enkelvoudig begrip is (pagina 83: ‘heeft de Staten-Generaal gereageerd’). Een incidentele verschrijving wellicht? Nee hoor, op pagina 110 gaat het weer mis: ‘de Staten-Generaal de petitie zou afwijzen’. Omgekeerd meent hij dat Sovjet-Unie meervoud is (pagina 199: ‘het nieuws dat de Sovjet-Unie de oorlog hadden verklaard aan Japan’). Ook fout. Guerrilla dan, een woord dat opduikt in verband met de Indonesië-oorlog (1945-1949). Pagina 251: ‘querrilla-aanvallen’, met een q. Pagina 252: ‘querrilla-aanvallen’. Maar op pagina 259: ‘de Republikeinse guerrilla’. Bravo, drie keer opgeschreven en de laatste keer nog goed ook!

Oude foto’s én filmopnamen van Van Starkenborgh in Indië

Met feiten heeft Van Lunteren het op diverse plekken eveneens moeilijk. Zo beweert hij op pagina 81 dat in Indië de Volksraad in 1917 werd ingesteld. Fout. De wet daarover stamt uit 1916, geïnstalleerd is de Volksraad in 1918. Gelukkig staat dat wel correct op pagina 96. Maar als Van Lunteren met elkaar strijdige gegevens vermeldt (en dat doet hij vaker), welke mededeling moet de lezer dan geloven?

Ook blijkbaar lastig: hoofd- en bijzaken scheiden. Dat het onderzoek voor het boek veel details heeft opgeleverd, zal best. Maar moeten die ook allemaal over de lezer worden uitgestort? Hier slechts twee voorbeelden uit vele. Moeten we bijna twee volle pagina’s (pp. 145-147) worden onderhouden over een onbelangrijk uitje naar Tjipanas (West-Java)? Moeten we echt weten dat het personeel daar op zeker moment bang was voor een groen gifslangetje dat zichzelf om een deurknop had gewonden? Zou de lezer echt niet zonder de mededeling kunnen dat een dame die aan het diner naast minister Van Kleffens zat de bewindsman ‘ontzettend lelijk’ vond? Het tweede voorbeeld is nogal mal. Uitgebreid wordt op pagina 40 de buitenkant van het Groningse gymnasium beschreven, terwijl de lezer dat in één oogopslag kan zien op de foto pal ernaast (pagina 41).

Van Starkenborgh (1888-1978)
 
Tot slot de zogenoemde bersiap-periode. Dat waren eind 1945, begin 1946 de maanden waarin Indonesische jongeren (pemuda) zich geregeld zeer bloedig en dodelijk keerden tegen Europeanen, Indo-Europeanen en Indonesiërs die ze ervan verdachten met de kolonisator te heulen om Indonesië te heroveren. Boeken die het traditionele beeld van de bersiap-tijd ten dele tegenspreken en vooral nuanceren schreven historici Esther Captain en Onno Sinke (2022) en antropologe Mary van Delden (2024). Beide boeken zijn eerder bij Historiek besproken. Die genuanceerdere historische inzichten bevallen Van Lunteren niet. Hij schrijft: “Een populair standpunt tegenwoordig is dat de Bersiap grotendeels meeviel (…)”. En: “Daardoor wordt de Bersiap-tijd bewust of onbewust als minder ernstig voorgesteld”. Dat mag Van Lunteren uiteraard vinden, maar dan moet hij er wel argumenten voor aanvoeren. Dat doet hij niet. Zelfs een begin van onderbouwing van zijn kritiek op Captain, Sinke en Van Delden ontbreekt. Voor een historicus is dat, zacht gezegd, een wel erg povere vertoning.

×