Geld en politiek: vaak problematische combinatie

17 minuten leestijd
Beurs van Amsterdam
Binnenplaats van de Beurs van Amsterdam, in de Gouden Eeuw een belangrijk financieel knooppunt. - Emanuel de Witte

Dat geld en politiek met elkaar te maken hebben, daarvan heeft iedereen wel op zijn minst een vage notie. Maar wat precies? Onderstaand een verkenning, te beginnen zo’n vijftienhonderd jaar geleden, maar met vooral aandacht voor iets dat de laatste vijftig jaar vaak aandacht trekt: de financiering van politieke partijen in binnen- en buitenland.

Dat politieke macht van een economische elite verkeerd kan uitpakken beschrijft de Utrechtse historicus en universiteitshoogleraar Bas van Bavel in zijn boek The Invisible Hand? (2016). Misschien wel de mooiste voorbeelden die hij behandelt zijn de oudste, want die laten zien dat het ongezond samenvallen van economische en politieke macht niet iets is van vandaag of gisteren. Die voorbeelden zijn het vroegmiddeleeuwse Irak (500-1100), de middeleeuwse Noord- en Midden-Italiaanse stadstaten (1000-1500) en de laatmiddeleeuwse en vroegmoderne Lage Landen (1100-1800), waar het zwaartepunt eerst lag in Vlaanderen, later in de Republiek der Verenigde Nederlanden.

Palazzo Vecchio
Palazzo Vecchio, ooit het machtscentrum in de Italiaanse stad Florence (CC BY-SA 4.0 – Francesco Bini – wiki)

Economische elite en politieke macht

In alle drie de gebieden ontstonden vrije markten voor land, (loon)arbeid en kapitaal. Het leidde tot activiteit, investeringen en economische bloei. Gaandeweg ontstond echter in elk van de voorbeelden toenemende ongelijkheid: een kleine groep waar de voorspoed samenklonterde, de rest van de bevolking die het beduidend minder tot ronduit slecht had.

Dat werd versterkt doordat de economisch elite zich ook de politieke macht toe-eigende. Dat leidde tot maatschappelijke frictie en botsingen en had ook zijn weerslag op de economie. Uit eigenbelang zette de elite de staatsmacht en de markten naar zijn hand. Daardoor gingen die markten nog erger haperen. In Irak betekende het bijvoorbeeld dat de agrarische middenklasse, die eerder succesvol had geïnvesteerd, grotendeels verdween. En in alle drie de gevallen namen productieve investeringen af doordat de elites daarin voor zichzelf minder direct voordeel zagen.

Zo stak de Hollandse elite steeds meer geld in speculatie, in investeringen in het buitenland en in relatief veilige staatsschuld. Dat laatste was eerder al gebeurd in Noord-Italië. Daar, maar ook in de Nederlanden, werd door de staat geleend geld nogal eens gebruikt voor oorlog – niet de economisch voordeligste aanwending. Voor de meeste kosten van die staatsschuld draaide de verarmende gewone bevolking op via de belastingen. De welvarende Hollandse kooplui, schrijft Van Bavel verder, behielden hun sterke positie in de internationale handel doordat ze een deel van de beveiligingskosten daarvoor afwentelden op de staat, waarin ze zelf aan de touwtjes trokken.

De zeventiende eeuw geldt als Nederlands Gouden Eeuw, maar Van Bavel wijst erop dat het blijkens relatief recente berekeningen (2012) al rond 1620 wel zo’n beetje gedaan was met de gezonde economische groei. Eind van het liedje: economische neergang, net als eerder in Irak en Noord-Italië. Een verbluffend gegeven in dat verband noteerden Giovanni Federico (Università di Pisa) en Paolo Malanima (Università degli Studi Magna Græcia di Catanzaro) in 2004. Aan het begin van de Eerste Wereldoorlog lagen in Italië de reële (voor inflatie gecorrigeerde) lonen per dag en per uur nog steeds onder het niveau uit het jaar 1400.

Opkomst van politieke partijen

Tegen die achtergrond is het niet zo gek dat de combinatie geld en politiek ook in moderne samenlevingen aandacht trok en trekt. Niet zelden gaat het dan om de combinatie geld en politieke partijen. Zulke partijen ontstonden eind negentiende eeuw. De eerste in Nederland was in 1879 de Anti-Revolutionaire Partij (ARP, in 1980 opgegaan in het Christen-Democratisch Appèl, CDA).

ARP-leider Abraham Kuyper
ARP-leider Abraham Kuyper. (Nationaal Archief, Fotocollectie Rijksvoorlichtingsdienst)
Om te functioneren hadden de partijen ook toen uiteraard geld nodig. ARP-leider Abraham Kuyper hield zijn achterban in 1901 voor: “Het eenige dat U nog ontbreekt en dat mag ik U niet verzwijgen, is een doeltreffende regeling om Uw krijgskas steeds gevuld te houden’’. Gedurende de halve eeuw die volgde, lukte het politieke partijen overigens wel zich te bedruipen, vooral dankzij de contributies van hun leden.

In de jaren zestig veranderde dat. De ontzuiling, ingezet in de jaren vijftig, kwam flink op stoom. Partijen zagen betalende leden vertrekken. Ze moesten dus proberen ook op andere manieren dan contributieheffing aan geld te komen. Doordat verkiezingscampagnes er niet goedkoper op werden – denk onder meer aan radio- en televisiespotjes, tegenwoordig ook aan online-reclame – werd fondsenwerving nóg belangrijker.

Een exclusief Nederlands verschijnsel was en is dat niet, integendeel. Econoom Thomas Philippon (New York University) geeft in zijn boek The Great Reversal (2019) frappante voorbeelden. Dat boek gaat vooral over de teloorgang van de vrije markt in een aantal belangrijke sectoren van de Amerikaanse economie, maar Philippon bekijkt ook de interactie tussen bedrijfsleven en politieke partijen. Vooral mogelijke beïnvloeding van partijen met behulp van geld krijgt aandacht.

Fondsenwervende Congresleden

In april 2018 vertelde de Amerikaanse Republikein Mick Mulvaney, afzwaaiend lid van het Huis van Afgevaardigden, aan een groep toehoorders uit het bankwezen hoe het in de praktijk werkte. “We hadden een hiërarchie in mijn kantoor in het Congres. Als je een lobbyist bent die ons nooit geld gaf, sprak ik niet met je. Als je een lobbyist bent die ons geld gaf, zou ik met je kunnen praten.” Dus wie aan Mulvaney en/of zijn partij geld doneerde, ‘kocht’ een luisterend oor.

Mick Mulvaney
Mick Mulvaney, eind 2017
Dit kan de indruk wekken dat het Congreslid de eisende partij was en de donateur er met de pet in de hand bijstond. De werkelijkheid was en is anders. Philippon noteert dat Congresleden tot wel dertig uur per week druk zijn met fondsenwerving in de hoop op herverkiezing. Zo veroverde Republikein David Jolly uit Florida in 2016 een zetel in het Huis van Afgevaardigden. Het betrof een speciale verkiezing, wat betekende dat de volgende al een half jaar later zou plaatsvinden. Direct na aankomst in Washington werd Jolly ingescherpt wat hem te doen stond: als een haas geld vergaren voor de volgende campagne. “Je eerste verantwoordelijkheid is 18.000 dollar per dag halen.’’

Bizar? Gezien vanuit Europa mag dat zo lijken, in de VS niet. Zie deze gegevens die Philippon opdist. In 1986 was een kandidaat voor het Huis van Afgevaardigden aan de campagne zo’n 800.000 dollar kwijt om te worden gekozen, in 2014 was dat 1,6 miljoen dollar. De cijfers zijn gecorrigeerd voor inflatie, dus in reële dollars was het ‘prijskaartje’ voor verkiezing in krap dertig jaar verdubbeld. Voor een Senaatszetel lagen de bedragen fors hoger: ongeveer 4 miljoen dollar in 1986 en 12 miljoen in 2014.

Exploderende campagnekosten

Een in 2003 gepubliceerde studie noemt een nog duizelingwekkender bedrag. Dat betreft het Amerikaanse verkiezingsjaar 2000. In de race om het Witte Huis namen George W. Bush en Al Gore het tegen elkaar op, ook waren er Congresverkiezingen plus in elf deelstaten gouverneursverkiezingen en in 44 staten verkiezingen voor deelstaatparlementen. Aan campagnes werd dat jaar naar schatting drie miljard dollar uitgegeven.

Giften voor campagnekassen kwamen en komen in de VS uit een zeer beperkte kring. Neem de zogenoemde ‘midterm’-verkiezingen voor het Huis van Afgevaardigden en de Senaat in 2014. De Federal Election Commission registreerde dat jaar dat 1,18 miljard dollar (29 procent van alle donaties) was gestort door 31.976 personen, ruwweg één honderdste procent van de bevolking. Bij de presidentsverkiezingen van 2016 was één procent van de donateurs goed voor 67 procent van al het geschonken geld.

Vergaderzaal van de Senaat in Washington.
Vergaderzaal van de Senaat in Washington.

‘Dark money’

Overigens merkte econoom Philippon in 2019 op dat ‘we de bron niet kennen van een groeiend deel van de politieke giften’. Hij repte over ‘dark money’ (duister geld). Mooi dus dat de Belgische econoom Marianne Bertrand (University of Chicago) en drie andere auteurs in 2020 een tip van de sluier over dat duistere geld konden oplichten. Hun onderzoek laat zien hoe het bedrijfsleven nogal wat geld dat het aan de politiek doneert buiten het zicht van de openbaarheid probeert te houden en daarin vaak slaagt. Daarbij wordt aan zowel de gevende als de ontvangende kant gewerkt met goede-doelenstichtingen. De donerende kant kan de giften dan van de belasting aftrekken, de ontvangende zijde is vrijgesteld van belasting én hoeft de herkomst van het geld niet prijs te geven.

Dark_Money
Tijdens een campagne tegen ‘duister geld’ in de Amerikaanse politiek verscheen in 2015 deze cartoon in een metrostation in Washington. Initiatiefnemers waren onder meer chauffeursvakbond The International Brotherhood of Teamsters en consumentenorganisatie Public Citizen.- wiki
Als typerend voorbeeld wijzen de auteurs op Joe Baca Sr., in 2003-2013 in Washington lid van het Huis van Afgevaardigden. In 2007 richtte hij de Joe Baca Foundation op. In 2010 doneerde de aan de gelijknamige supermarktketen gelieerde Walmart Foundation zesduizend dollar aan Baca’s stichting. Walmart lag over financiële kwesties overhoop met Visa/Mastercard. En laat nu net in die tijd Baca lid zijn geweest van het Financial Services Committee van het Huis van Afgevaardigden dat zich met zulke zaken bezighield. In lijn daarmee melden de auteurs dat goede-doelenstichtingen vier keer zoveel kans maken op een donatie vanuit het bedrijfsleven als in het bestuur van zo’n stichting een politicus zit. Ook is een stichting van een bedrijf eerder geneigd geld te geven aan een nonprofit-organisatie als de betreffende politicus tevens in een parlementscommissie zit waarmee lobbyisten van dat bedrijf in gesprek zijn.

Sprekende cijfers diepten Bertrand en haar mede-onderzoekers ook op. Ze berekenden dat 6,3 procent van de 18 miljard dollar die het bedrijfsleven in 2014 naar goede doelen schoof politiek gemotiveerd was. Dat was dus 1,3 miljard dollar ofwel 2,5 keer zoveel als de 464 miljoen dollar die gewone PAC’s (politieke actiecomité’s, zowel van burgers als van bedrijven) doneerden aan kandidaten bij verkiezingen in het politieke seizoen 2013-2014. Tevens was het 35 procent van de 3,2 miljard dollar die het bedrijfsleven in 2014 stak in federaal (landelijk) lobbywerk. Bedrijven hoopten met die voor de buitenwacht niet of slecht zichtbare sluiproute bij de politiek hun eigen doelen te bereiken. Volgens de auteurs bestaat minimaal het risico dat het tegelijk afbreuk doet aan wat het beste is voor de kiezers.

donald trump en Mike Pence
Presidentskandidaat Donald Trump tijdens de Republikeinse partijconventie in juli 2016. Rechts zijn ‘running mate’ Mike Pence.

In zo’n politiek landschap dringt zich de vraag op of degene die het meeste geld inzamelt en in een campagne kan steken er ook met de winst vandoor gaat. Niet per se, zo bleek bij de presidentsverkiezingen van 2016. Donald Trump en PAC’s die voor hem werkten, brachten 646 miljoen dollar bij elkaar. Hillary Clinton en haar PAC’s schopten het tot 1190 miljoen. Maar zoals bekend verloor Clinton en kon Trump beginnen aan zijn eerste termijn in het Witte Huis. Dus nee, schrijft Philippon, degene die het meeste campagnegeld spendeert, wint niet altijd. Maar: “Gemiddeld wint degene die het meeste geld uitgeeft gewoonlijk wel’’. Doordat in de VS het bedrijfsleven steeds dieper in de buidel ging tasten om verkiezingscampagnes te steunen, kwamen vragen op tafel over belangenverstrengeling en politieke integriteit. Zou het bedrijfsleven belangeloos doneren of was er sprake van ‘quid pro quo’, voor wat hoort wat?

Steun voor Nederlandse partijen

Niet toevallig waren Nederlandse media in 1999 geïnteresseerd in de financiering van politieke partijen. Nadat in de jaren zestig Nederlandse partijen het steeds moeilijker hadden gekregen de eigen broek op te houden was in 1972 voor het eerst steun opgetuigd. Vanaf dat jaar gold een subsidieregeling voor politiek-wetenschappelijke instituten van partijen. Het ging daarna nog best een poos goed, al was het maar omdat Nederlandse verkiezingscampagnes in vergelijking met het buitenland goedkoop waren. Toch lag in 1999 een ruimere regeling klaar, namelijk het voorstel voor de Wet Subsidiëring politieke partijen. Juist het jaar daarvoor was voor partijen het kostenplaatje voor campagnes flink veranderd. Ingaande 1998 mochten ze op landelijke televisiezenders reclamezendtijd kopen. Dat betekende meer mogelijkheden, maar ook extra kosten. Partijen gingen dus om zich heen kijken naar meer financieringsmogelijkheden.

Willy Claes
Willy Claes. (CC BY-SA 3.0 – Flip Naudts – wiki)
Media herinnerden zich toen wat zich in het nabije buitenland had voorgedaan. België was vanaf 1988 het toneel geweest van het Agusta-schandaal. De Italiaanse helikopterfabrikant Agusta had steekpenningen betaald in ruil voor goedkeuring door sociaaldemocratische Belgische politici van een order voor 46 gevechtshelikopters. Diverse socialistische kopstukken traden af, onder wie Willy Claes, die op dat moment secretaris-generaal van de NAVO was. Nog verser in het geheugen lag de ophef over de Britse verkiezingen van 1997. Tony Blairs Labour had voor de verkiezingscampagne geld aangepakt van het bedrijfsleven. Dat wekte wantrouwen, want steun uit die hoek lag niet voor de hand voor de ooit door de Britse vakbeweging opgerichte Labour Party.

In juli 1999 werd in Nederland de Wet Subsidiëring politieke partijen van kracht, met daarin maar één artikel over particuliere giften aan partijen. Niet zo gek dus dat Nederlandse media keken naar wat kort na invoering van de wet losbrak in Duitsland: de Spendenaffäre. Die draaide om schenkingen van een wapenhandelaar aan regeringspartij CDU (tot in 1998 onder leiding van bondskanselier Helmut Kohl) in ruil voor toestemming om tanks aan Saoedi-Arabië te leveren. Kohl raakte zwaar beschadigd, de CDU kreeg een boete van 41,3 miljoen mark. Ook werd de CDU-overheidssubsidie gekort met 7,7 miljoen mark. In 2002 kwamen er in Duitsland strengere regels voor partijfinanciering.

Wet Financiering politieke partijen

In Nederland duurde het veel langer, maar in 2013 was de Wet Financiering politieke partijen een feit. Die stelde regels voor financiële ondersteuning van politieke partijen door particulieren. In de voorbereidende Kamerstukken nam het kabinet een zin op die als laconiek, maar ook als realistisch kan worden getypeerd: “Waar regels worden gesteld, kan altijd worden beproefd deze te omzeilen”. Ook noteerde het kabinet: “Het moet kenbaar zijn of standpunten en opvattingen van politieke partijen en hun vertegenwoordigers mogelijk (mede) zijn beïnvloed door achterliggende financiële belangen”. Om tegen een misstand iets te doen zal die inderdaad eerst aan het licht moeten komen (‘kenbaar zijn’). Maar dat is te weinig, betoogde hoogleraar staatsrecht Paul Bovend’Eert (Radboud Universiteit) in 2015:

Het gaat er niet om of naar buiten toe kenbaar is dat partijen en hun vertegenwoordigers beïnvloed worden. Het gaat erom dat deze beïnvloeding achterwege blijft.

Jan_Kan
Jan Kan, in 1926-1929 de laatste partijloze minister van Binnenlandse Zaken.
Volgens Bovend’Eert zat (en zit) er ook een weeffout in de wet. De minister van Binnenlandse Zaken is daarin aangewezen als toezichthouder. Fout, vonden Bovend’Eert en anderen. Behoudens immers het geval waarin de bewindspersoon partijloos zou zijn (wat op Binnenlandse Zaken sinds 1929 niet meer is voorgekomen) is de minister per definitie niet onafhankelijk, want zelf lid van een politieke partij. Geopperd is de Kiesraad of de Algemene Rekenkamer als toezichthouder in te schakelen. In het voorstel voor de nieuwe Wet op de politieke partijen (zie hieronder) is een andere oplossing gekozen. Er komt, zo is de bedoeling, een onafhankelijke Nederlandse autoriteit politieke partijen (Napp). De voorzitter en de maximaal zes gewone leden daarvan worden benoemd per koninklijk besluit en mogen hooguit twee termijnen van vier jaar aanblijven.

Het zou te ver voeren gedetailleerd in te gaan op de nu nog geldende Wet Financiering politieke partijen, al was het maar om niet te belanden in de politieke actualiteit, waarover Historiek niet gaat. Maar feit is dat het over financiële steun door privépersonen, bedrijven, stichtingen en instellingen aan partijen nooit meer helemaal stil is geworden. In 2022 is de Wet Financiering politieke partijen aangescherpt. Dat gebeurde na druk van onder meer de Group of States against Corruption (GRECO) van de Raad van Europa, die is gericht op bevordering van democratie en mensenrechten. Sinds 2025 ligt er een voorstel voor de nieuwe Wet op de politieke partijen, maar dat wacht op dit moment (april 2026) nog op parlementaire goedkeuring.

Hoe dan ook was er in het verleden soms opvallend nieuws over partijfinanciering. Zo stuurde dagblad de Telegraaf in 2019 iemand op partijen af die zei dat hij Dennis Rietbergen heette en wilde helpen met vijftienduizend euro. Maar dan moesten wel wettelijke klippen worden omzeild, bijvoorbeeld omtrent het maximale bedrag dat ‘Rietbergen’ ineens zou mogen doneren. Konden partijen daaraan een mouw passen? Ja, dat konden de meeste wel. Knip het op in kleinere bedragen en spreid het over een paar jaar, was een veelgehoord advies. Medewerkers van VVD, D66, ChristenUnie en Denk hadden nog een tip: sluis het door via familieleden. Het CDA adviseerde het via een stichting te doen. Het verst ging de manager van het 50Plus-partijbureau: geld in een envelop was prima en politieke wensen van de gever wilde de manager wel doorgeven aan het partijbestuur. 50Plus ontsloeg die manager toen de zaak aan het licht kwam. SP, Partij voor de Dieren en Forum voor Democratie wezen ‘Rietbergen’ op de regels, de PVV reageerde helemaal niet op diens aanbod.

Steven Schuurman geeft in tv-programma Op1 uitleg over zijn politieke donaties

Nieuw gedruis was er in 2021. Kort voor de Tweede Kamerverkiezingen van dat jaar bedacht IT-miljardair Steven Schuurman D66 met een miljoen euro en de Partij voor de Dieren met 350.000 euro. Forum voor Democratie kreeg van zakenman Maarten Ruijs een half miljoen en het CDA van ondernemer Hans van der Wind 1,2 miljoen. Hind Dekker-Abdulaziz, het D66-Kamerlid met destijds dit dossier in portefeuille, reageerde. Van schimmigheid of beïnvloeding was geen sprake, stelde ze. “Bij ons was het verkiezingsprogramma al vastgesteld. De (kandidaten)lijst was vastgesteld. Niks is veranderd.’’

Daarbij moet worden opgemerkt dat in de internationale wetenschappelijke literatuur wordt genoteerd dat zakenlieden met doneren soms wachten tot verkiezingsprogramma’s zijn vastgesteld, zodat ze weten waar ze hun geld het effectiefst kunnen inzetten. Van afdwingen van een standpunt in ruil voor geld is dan geen sprake. En toch kan het wringen, zei sprekerscoördinator Mitchell Wiegand Bruss van ProDemos (‘Huis voor democratie en rechtsstaat’) in 2023 tegen tv-programma EenVandaag (AVROTROS).

Je ziet ook dat donaties hoger zijn nadat partijen hun programma hebben vastgesteld. Voor bedrijven kan het handig zijn om een partij te steunen die het eens is met hun standpunten.’

Als die partij vervolgens meer macht krijgt, kan dat gunstig zijn voor zo’n bedrijf. “Doneren bedrijven omdat ze invloed willen hebben op een partij of bijvoorbeeld op hun zetelaantallen? Daar wringt de schoen’’, aldus Bruss.

In het buitenland is veel onderzoek gedaan naar de effecten van giften aan partijen. Na het Watergate-schandaal in de jaren zeventig kwam in de VS een beweging op gang om donaties aan partijen en kandidaten te begrenzen. Landelijk werd dat in 1974 voor het eerst geregeld met het Federal Election Campaign Act Amendment, daarna gingen ook deelstaten aan de slag. Van de vijftig Amerikaanse staten hebben er meer dan veertig regels voor politieke donaties.

Over de effecten van die regels bestaat echter geen zekerheid. Sterker nog, de wetenschappelijke literatuur bevat tegenstrijdige uitkomsten. Zo meldt een in 2023 gepubliceerde studie dat geldgevers ertoe neigen ‘het bekende product te steunen’. Bedoeld wordt dat naarmate donatieregels strenger zijn, dat in het voordeel werkt van zittende politici die herkozen willen worden en dus in het nadeel van politieke uitdagers. Drie wetenschappers van universiteiten in Texas keken naar 39 gouverneursverkiezingen. Ze zagen dat zittende gouverneurs door hun bekendheid en toegang tot media fors meer geld voor hun verkiezingscampagne konden aantrekken dan nieuwkomers. Dat ging ze des te makkelijker af naarmate in hun deelstaat strengere regels golden voor politieke giften.

Een onderzoek uit 2008 laat iets heel anders zien. Keith E. Hamm (Rice University, Houston) en Robert E. Hogan (Louisiana State University) keken naar verkiezingen voor 25 Amerikaanse deelstaatparlementen in 1994, 1996 en 1998. Uitkomst: als maar weinig geld aan partijen of kandidaten mag worden geschonken bevordert dat de aanmelding van politieke uitdagers als kandidaten. In staten met strikte donatieregels meldden zich bijna zes procent meer uitdagers van zittende politici dan in staten met heel soepele of zonder regels.

De Assemblée Nationale
De Assemblée Nationale (Franse Tweede Kamer) tijdens een stemming in 2009. (CC BY-SA 3.0 – Richard Ying et Tangui Morlier – wiki)

Donaties en verkiezingsresultaten

Opnieuw iets anders vermeldt een in 2003 gepubliceerde studie. Timothy Besley (London School of Economics) en Anne Case (Princeton University) bekeken verkiezingen (voornamelijk in de jaren negentig) voor Amerikaanse deelstaatparlementen in combinatie met de regels voor politieke donaties door het bedrijfsleven. De uitkomsten: in staten waar paal en perk was gesteld aan zulke donaties was de opkomst van kiezers 18 procent hoger dan in staten zonder beperkingen, werden 20 procent meer kandidaten van de Democratische Partij gekozen en 15 procent meer vrouwen.

Omslag van de handleiding voor kandidaten bij gemeentelijke en regionale verkiezingen op de website van het Franse ministerie van Binnenlandse Zaken.
Omslag van de handleiding voor kandidaten bij gemeentelijke en regionale verkiezingen op de website van het Franse ministerie van Binnenlandse Zaken.
Steken we dan de Atlantische Oceaan over om te belanden bij een studie met (in vertaling) de nieuwsgierig makende titel ‘De prijs van een stem’. Julia Cagé (Sciences Po Paris) en Yasmine Bekkouche (Paris School of Economics) verzamelden Franse cijfers uit de jaren 1993-2014, toen vier keer gemeentelijke en vijf keer parlementsverkiezingen werden gehouden. Ze berekenden dat het binnenhalen van een stem bij parlementsverkiezingen ongeveer 6 euro kost en bij gemeenteraadsverkiezingen 32 euro. Verklaring voor het verschil: bij plaatselijke verkiezingen kenden kiezers de politieke kwesties beter en was dus meer moeite nodig om ze te beïnvloeden. Ook bleek dat vrij kleine verschillen in donaties kunnen leiden tot een flink verschil in de verkiezingsuitslag. De onderzoekers wezen op ‘groeiende zorg dat geld de politiek in toenemende mate kan corrumperen’. Het is een Franse hartenkreet uit het relatief recente verleden, maar terugdenkend aan het begin van dit verhaal zou het evengoed kunnen slaan op Irak, Noord-Italië en de Lage Landen van lang geleden.

De Franse studie constateert dat rechtse kandidaten meer particuliere donaties kregen dan linkse. Bij parlementsverkiezingen hadden rechtse kandidaten gemiddeld in de eerste stemronde 8.200 euro meer te besteden dan kandidaten van de Parti Socialiste. Dat gaf een rechtse kandidaat in die eerste ronde een voordeel van 1.367 tot 2.734 stemmen ofwel 3 tot 6 procent van de stemmen. Over gemeentelijke verkiezingen noemt het onderzoek helaas alleen een verschil in stemmen gezien over het hele land (260.000 in het voordeel van rechts), maar niet per kandidaat.

De prijs van een stem

Waar is berekend hoeveel geld Franse partijen en kandidaten uitgaven per binnengehaalde stem, maakt dat nieuwsgierig naar hoe dat in de achterliggende jaren zat in Nederland. Partijen met zetels in de Eerste en/of Tweede Kamer moeten in ruil voor hun overheidssubsidie jaarlijks een financieel verslag deponeren bij (nu nog) de minister van Binnenlandse Zaken. De hoop daarin genoeg gegevens te vinden voor rekensommen blijkt echter ijdel. Sommige partijen hebben uitgesplitst hoeveel ze aan welke verkiezingscampagne spendeerden, andere veegden meerdere verkiezingen (bijvoorbeeld voor de Tweede Kamer en voor de provincies) op één hoop en soms werden helemaal geen voor dit punt bruikbare cijfers vermeld. Dat maakt het onmogelijk te reconstrueren wat in Nederland een stem ‘kost’.

Willem Bilderdijk (C.H. Hodges, 1810)
Willem Bilderdijk, in 1810 geschilderd door Charles Howard Hodges.
Ongetwijfeld zal het onderwerp geld en politiek, vooral (mogelijke) beïnvloeding van de politiek met behulp van geld, ook in de toekomst in de schijnwerper staan. Lessen uit het verleden, zoals hierboven besproken, kunnen dan helpen. Toen hij op 10 januari 1811 afscheid nam van de Hollandsche Maatschappij van Wetenschappen en Kunsten zei Willem Bilderdijk (1756-1831) niet voor niets in zijn vermoedelijk bekendste dichtregels:

In ’t voorleden
ligt het heden;
in het nu, wat worden zal.

Bronnen

– Bas van Bavel: The Invisible Hand? How Market Economies have Emerged and Declined since AD 500 (Oxford 2016).
– R. Nehmelman: Ondoorzichtige partijfinanciering. De Wet Subsidiëring politieke partijen en de financiële verantwoordingsplicht van politieke partijen. In: Jaarboek 1999 Documentatiecentrum voor Nederlandse Politieke Partijen (Groningen 2000).
– Thomas Philippon: The Great Reversal. How America Gave Up on Free Markets (Cambridge, Mass. 2019).
– Marianne Bertrand, Matilde Bombardini, Raymond Fisman, Francesco Trebbi: Tax-Exempt Lobbying: Corporate Philanthropy as a Tool for Political Influence. In: American Economic Review, 2020, 110 (7).
– Partijfinanciering. Op: www.parlement.com (Den Haag, z.j.).
– Paul Bovend’Eert: Financiering van politieke partijen. Verbetering van wetgeving dringend gewenst. In: Hansko Broeksteeg, Ronald Tinnevelt (red.): Politieke partijen als anomalie van het Nederlandse staatsrecht (Deventer 2015).
– Prof. dr. Gerrit Voerman: De Wet financiering politieke partijen aangepast: subsidie voor lokale partijen, strengere regels voor landelijke partijen. Montesquieu Instituut, Den Haag, online 25 april 2022.
– Hansko Broeksteeg: Regulering van partijfinanciën in de Wpp, in: Gerrit Voerman e.a. (red.): Wie regelt, beperkt? De ontwerp-Wet op de politieke partijen en de traditie van het non-interventionisme. In: Bundel 22, Montesquieu Instituut, Den Haag, juni 2023.
– Politieke partijen open voor schimmige donaties. De Telegraaf, 20 juli 2019.
– Geen donaties meer aan politieke partijen van meer dan 100.000 euro. NRC, online 5 april 2022.
– Moeten regels voor donaties aan politieke partijen strenger worden? Dit is wat er nu wel en niet mag. eenvandaag/avrotros.nl, online 28 september 2023.
– Brent D. Boyea, Paul Brace, Kayla S. Canelo: Giving to Governors: State Contribution Limits and the Incumbency Advantage. In: Beijing Law Review, 2023, 14.
– Keith E. Hamm, Robert E. Hogan: Campaign Finance Laws and Candidacy Decisions in State Legislative Elections. In: Political Research Quarterly 2008, 61.
– Timothy Besley, Anne Case: Political Institutions and Policy Choices: Evidence from the United States. In: Journal of Economic Literature Vol. 41 No. 1, March 2003.
– Julia Cagé, Yasmine Bekkouche: The Price of a Vote: Evidence from France, 1993-2014. CEPR Discussion Paper DP12614, 2018.
– A. Kluyver: Bilderdijk’s afscheid (1811). In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde, jaargang 40 (1921).
– Wikipedia: ministers van Binnenlandse Zaken.
×