Dark
Light

Extreem veel geld trekt aandacht

Financiële ongelijkheid door de eeuwen heen (1)
9 minuten leestijd
Tijdens de Belle Époque bereikte de elite het toppunt van zijn rijkdom.
Tijdens de Belle Époque bereikte de elite het toppunt van haar rijkdom. Hier ‘Une soirée élégante’ (een elegante avond), in 1890 vervaardigd door Victor-Gabriel Gilbert.

Zo oud als de mensheid niet, maar wel al heel oud is financiële ongelijkheid in samenlevingen. Er is ook steeds meer belangstelling voor, dus alle aanleiding om het verschijnsel eens nader te bekijken. Hoe ontwikkelde financiële ongelijkheid tussen mensen zich in de loop der eeuwen? Hoe is dat zo gekomen? En is die ongelijkheid slecht of valt dat wel mee? In dit eerste deel van een serie van vier onder meer: frappante record-scores in Nederland en Zwitserland, en het gelijk van Piketty.

Bankier Jamie Dimon: bonus van 33 miljoen
Bankier Jamie Dimon: bonus van 33 miljoen (CC BY 2.0 – Financial Times – wiki)
Als het gaat om geld – of het nu inkomen is of opgepot vermogen – trekken extremen, vooral die aan de bovenkant, de publieke aandacht. Zo kopte dagblad NRC op 30 december 2023: ‘Allerrijksten werden 1.500 miljard dollar rijker in 2023’. De vijfhonderd rijkste mensen ter wereld hadden in 2022 nog 1.400 miljard dollar aan vermogen zien verdampen, maar in 2023 maakten ze dat ruimschoots goed. En nieuwswebsite NU.nl op 19 januari 2024: ‘Megabonus voor topman Amerikaanse bank JP Morgan na recordjaar’. Jamie Dimon (vermogen bijna twee miljard dollar, aldus zakenblad Forbes) kreeg naast zijn basissalaris van 1,4 miljoen dollar een bonus van 33 miljoen.

Ook over mechanismes die achter ongelijke verdeling van geld schuil gaan, publiceren media tegenwoordig geregeld. ‘Nóg meer naar de aandeelhouders’, luidde een kop in De Groene Amsterdammer op 30 juni 2022. “Een steeds groter deel van de geproduceerde welvaart gaat naar aandeelhouders en een steeds kleiner deel naar werkenden’’, aldus het artikel. En in januari 2024 waarschuwde Oxfam Novib ter gelegenheid van het jaarlijkse World Economic Forum in het Zwitserse Davos, dat de toenemende macht van superrijken en hun bedrijven de ongelijkheid in de wereld verder aanjaagt.

Een forse slinger aan het maatschappelijke debat over én de wetenschappelijke bestudering van financiële ongelijkheid gaf de Franse econoom Thomas Piketty in 2013 met zijn boek Le Capital au XXIe Siècle (Kapitaal in de 21ste eeuw). Dat komt uiteraard nog aan de orde. Maar een mooier beginpunt voor een eerste indruk van het speelveld lijkt een studie die vijf jaar eerder verscheen over de vermogensverdeling in de wereld. De auteurs waren James B. Davies, Susanna Sandström, Anthony Shorrocks en Edward N. Wolff, verbonden aan universiteiten in London (Ontario, Canada), New York en Helsinki. In wat ze op dit gebied ‘de eerste uitgebreide studie ooit’ noemen, laten ze de soms verbluffend ongelijke vermogensverdeling zien in een aantal landen in het jaar 2000 of ietsje daarvoor of daarna.

Het ongelijkst verdeeld bleek het particuliere vermogen in Zwitserland, op de voet gevolgd door de Verenigde Staten en Indonesië. Ook in Frankrijk en het Verenigde Koninkrijk lagen de zaken flink scheef. Minder ongelijk was de verdeling in Duitsland, terwijl die in Japan het minst ongelijk was (van de onderzochte landen althans).

In Zwitserland bezat de rijkste tien procent van de bevolking 71,3 procent van het vermogen, de overige 90 procent 28,7 procent. In de VS lagen die cijfers op 69,8 procent (rijkste 10 procent) en 30,2 procent (de rest) en in Indonesië op 65,4 procent (de rijksten) en 34,6 procent (de rest).

In West-Europa waren tussen landen flinke verschillen te zien. In Frankrijk bezat de rijkste tien procent 61 procent van het vermogen, de rest 39 procent, in het Verenigd Koninkrijk was de verdeling 56 procent (rijkste 10 procent) en 44 procent (de overige 90 procent), terwijl de rijkste tien procent in Duitsland 44,4 procent van het vermogen had vergaard en de rest 55,7 procent. Ver buiten West-Europa was Japan nog wat minder ongelijk dan Duitsland: 39,3 procent voor de rijkste tien procent, 60,7 procent voor de rest.

Gini-score

Corrado Gini
Statisticus Corrado Gini
Prettig is dat de auteurs hun cijferbrij ook hebben omgezet in een handige standaard, de Gini-coëfficiënt. Die meetlat is in 1912 ontwikkeld door de Italiaanse statisticus/demograaf/socioloog Corrado Gini (1884-1965). Wel mopperen wetenschappers nogal eens over tekortkomingen van Gini’s coëfficiënt, omdat die vooral reageert op veranderingen in het midden van de inkomens- en vermogensverdeling en veel minder op wat er gebeurt aan de uiteinden (heel arm of heel rijk). Toch is het een instrument dat in elk geval voor leken zaken snel inzichtelijk maakt. De Gini-coëfficiënt loopt van 0 tot en met 1. Bij 0 is inkomen of vermogen volkomen gelijk verdeeld over alle leden van een groep (bijvoorbeeld inwoners van een land), bij 1 is alles in handen van één persoon of huishouden en heerst dus de extreemst denkbare ongelijkheid.

Terug nu naar de cijfers van Davies en de zijnen. Ze tonen dat het op vermogensgebied erg ongelijke Zwitserland ongeveer een kwart eeuw geleden kwam tot een erg hoge Gini-score van 0,803, gevolgd door de VS met 0,801 en Indonesië met 0,764. In Europa zagen ze Frankrijk 0,730 scoren, het Verenigd Koninkrijk 0,697 en Duitsland 0,667. Ook Nederland duikt in dit Gini-lijstje op: 0,650, iets minder ongelijk dus dan Duitsland. Het minst ongelijk scoorde Japan: 0,547. China overigens noteerde destijds 0,550.

In negatieve zin valt in diezelfde tabel de Gini-score op voor de hele wereld rond het jaar 2000: 0,892 ofwel heel erg ongelijk verdeeld vermogen. Hoe dat ruwweg over de aardbol was verdeeld, toont een andere grafiek van Davies en de zijnen. Noord-Amerika bezat destijds 34,4 procent van al het privé-vermogen, Europa 29,6 procent en het rijke deel van Azië-Pacific (onder meer Japan, Zuid-Korea en Australië) 24,1 procent. Aan de hele rest van de wereld samen (Latijns-Amerika, Caribisch gebied, Afrika, China, India en ‘overig’ Azië-Pacific) viel 11,9 procent toe.

Nog schever was het beeld bij inzoomen op de vermogendste 1 procent van de wereldbevolking. Daarvan woonde 39 procent in Noord-Amerika, 32 procent in het rijke deel van Azië-Pacific en 26 procent in Europa. Vooral het cijfer voor Noord-Amerika noemen de auteurs disproportioneel. In dat gebied woonde destijds 39 procent van de allerrijksten, maar slechts 6 procent van de wereldbevolking.

World Inequality Report 2022
De wereldelite heeft haar weelde van begin twintigste eeuw nooit volledig hersteld, maar komt wel weer in de buurt, aldus het World Inequality Report 2022. Deze grafiek toont de aandelen in het wereldwijde inkomen van de 1 procent (rode lijn) en de 0,1 procent (bruin) meest verdienenden en van de 50 procent (blauw) minst verdienende mensen. De rijke elite piekte in 1910, zakte daarna fors, maar kwam na 1970 aardig terug. (Bron WIR2022)

Iets afwijkend hiervan zijn de cijfers in het World Inequality Report 2022 van het door econoom Piketty opgerichte World Inequality Lab, maar in hoofdzaak bevestigt het de bevindingen van Davies en de zijnen. Twee citaten uit het rapport.

De economische wereldelite heeft zijn weelde uit de Belle Époque (eind negentiende eeuw tot begin Eerste Wereldoorlog, red.) nooit volledig hersteld.

Maar tegelijk:

De huidige ongelijkheden op wereldschaal liggen dicht bij de niveaus aan het begin van de twintigste eeuw, op het hoogtepunt van het Westerse imperialisme.

Dat was de tijd waarin vooral Nederland, Engeland en Frankrijk nog grote opbrengsten peurden uit hun omvangrijke koloniale bezittingen.

Affiche voor een koloniale tentoonstelling in Marseille in 1906. Tijdens de Belle Époque verdiende de rijke toplaag in Frankrijk, Nederland en Engeland veel geld aan de koloniën.
Affiche voor een koloniale tentoonstelling in Marseille in 1906. Tijdens de Belle Époque verdiende de rijke toplaag in Frankrijk, Nederland en Engeland veel geld aan de koloniën.

Vermogen-inkomen

Dat Nederland wat betreft economische ongelijkheid flink in de bus kon en kan blazen noteerden in 2022 Simon J. Toussaint, Amaury de Vicq, Michail Moatsos en Tim van der Valk (verbonden aan respectievelijk de universiteiten in Utrecht, Groningen en Maastricht en het ministerie van Financiën). Zij bekeken onder meer de zogenoemde ratio vermogen-inkomen. Simpel gezegd geeft die weer hoe het nationale vermogen zich verhoudt tot wat in een land in een jaar wordt verdiend. Bij 100 procent is het vermogen net zo groot als het nationaal inkomen in één jaar.

Toussaint en de zijnen constateerden dat die ratio vermogen-inkomen in Nederland vanaf 1850 steeg totdat in 1880 een nooit vertoonde piek – niet in Nederland en niet daarbuiten – werd bereikt van ruim 900 procent. Het nationale vermogen was dus even groot als meer dan negen jaar nationaal inkomen (en, naar zich laat raden, niet zo gelijk verdeeld, maar daarover later). Dat was behalve aan de goed op gang gekomen industrialisatie te danken aan particuliere investeringen in het buitenland. Daarbij valt te denken aan Amerikaanse staalindustrie en Russische spoorwegen, maar natuurlijk ook aan koloniale investeringen. Indië was, na het van staatswege geleide Cultuurstelsel, in 1870 opengesteld voor particulier kapitaal.

Vanaf 1870 was particulier kapitaal welkom in Indië. Hier een rubberfabriek op Java rond 1915.
Vanaf 1870 was particulier kapitaal welkom in Indië. Hier een rubberfabriek op Java rond 1915. (KITLV)

In de twintigste eeuw liet de grafiek van de ratio vermogen-inkomen in Nederland een U-vorm zien, net als in veel andere landen: eerst vanaf een hoog niveau omlaag, daarna vanuit het dal weer omhoog. Toussaint en de zijnen noemen het wel opvallend dat de ratio in Nederland, anders dan elders, nog hoog bleef tot 1929 (het jaar van de beurscrash op Wall Street). Daarna zette echter ook in Nederland een forse daling in. Het dieptepunt werd bereikt in de jaren zeventig: een ratio van 300 procent. Vanaf de jaren tachtig ging het met het vermogen echter weer bergopwaarts. In 2019 stond het op 600 procent van het nationaal inkomen.

De auteurs laten zien dat niet alleen het vermogen zelf, maar ook de verdeling daarvan in de periode 1894-2019 een U-vorm vertoonde. Begin twintigste eeuw bezat de rijkste 1 procent van de Nederlandse huishoudens bijna 55 procent van het vermogen. Daarna zakte het naar 10 procent in de jaren zeventig om weer op te veren naar zo’n 30 procent kort na 2010. Bij de vermogensverdeling in Nederland spelen overigens twee factoren een bijzondere rol: het pensioenstelsel en het eigen-woningbezit. Die komen later in deze artikelenreeks nog ter sprake.

‘Onhoudbare ongelijkheden’

Maar nu eerst even naar Piketty’s al genoemde boek Kapitaal in de 21ste eeuw. Teruggebracht tot de kern betoogt de Franse econoom daarin: als het rendement op kapitaal (r) groter is dan het percentage waarmee de economie groeit (g) (als formule: r>g), dan ‘genereert het kapitalisme automatisch arbitraire en onhoudbare ongelijkheden’. Een flink deel van de twintigste eeuw gebeurde dat niet of maar beperkt, maar dat was historisch gezien de uitzondering.

Voor zijn boek kreeg Piketty veel lof, maar er kwam ook wel kritiek: was het allemaal wel zo erg als de Fransman stelde? Interessant in dat verband is een in 2019 gepubliceerde studie van Oscar Jorda, Katharina Knoll, Dmitry Kuvshinov, Moritz Schularick en Alan M. Taylor (universiteiten van Californië en Bonn en Deutsche Bundesbank). Hun conclusie: Piketty had niet alleen gelijk, het verschijnsel r>g doet zich zelfs ‘nog dramatischer’ voor dan hij schreef. Dus niet r>g maar zelfs r≫g. Ofwel: r is veel groter dan g, wat uiteraard de accumulatie van vermogen zeer bevordert. Die conclusie trokken de vijf auteurs op grond van bestudeerde data over de periode 1870-2015.

Kapitaal in de 21ste eeuw - Thomas Piketty
 
Jorda c.s. bekeken zestien landen met hoogontwikkelde economieën: dertien in (West-)Europa plus de VS, Japan en Australië. Uit de gevonden cijfers over de hele periode 1870-2015 blijkt dat het rendement op vermogen (r) jaarlijks gemiddeld 5,98 procent bedroeg en de economische groei (g) gemiddeld 3,04 procent. Ofwel: r was door de bank genomen twee keer zo groot als g.

In Nederland was het verschil wat kleiner, althans over het hele tijdvak 1870-2015. Hier was r 5,33 procent en g 3,16 procent. Wel noteerden de onderzoekers dat het verschil in Nederland groter werd naarmate de tijd vorderde. Na 1950 was r niet 5,33 (hele periode), maar 6,67 procent en na 1980 nog iets meer: 6,71 procent. De economische groei nam juist af van 3,16 (hele periode) en 3,21 procent (na 1950) naar nog maar 2,29 procent in de jaren na 1980. Vooral na 1980 was er dus een vruchtbare voedingsbodem voor toenemende ongelijkheid in vermogen.

Een pregnant detail van waartoe dat kan leiden, viel al in 2014, dus nog voordat de studie van Jorda c.s. verscheen, te lezen in het rapport ‘Hoe ongelijk is Nederland?’ van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR). De Utrechtse econoom en hoogleraar Bas van Bavel begint het door hem schreven hoofdstuk in dat WRR-rapport zo:

De drie rijkste Nederlanders hebben meer bezit dan ruim de helft van alle Nederlandse huishoudens bij elkaar. Dit gegeven (…) botst met het beeld dat we van Nederland hebben.

‘We are the 99%’. Occupy-protest in Bennington, in de Amerikaanse staat Vermont.
‘We are the 99%’. Occupy-protest in Bennington, in de Amerikaanse staat Vermont. (CC BY-SA 3.0 – Daniel Case – wiki)

Behalve met de verdeling van particulier vermogen was er in de recente geschiedenis ook met inkomens wel iets aan de hand. In datzelfde WRR-rapport schrijft econometrist en hoogleraar Paul de Beer (Universiteit van Amsterdam):

In 1990 verdiende een bestuurder uit de top 100 (van bedrijven, red.) in iets minder dan twee weken evenveel als een minimumloner in een heel jaar; in 2011 had hij daar nog maar één week voor nodig. Aan de vooravond van de economische crisis, in 2007, was dit kortstondig zelfs slechts drie werkdagen (…).

Al met al hebben verschillen in inkomen en vermogen in het vrij recente verleden tot het nodige debat en ook wel protest geleid. Zo zette de in 2011 ontstane Occupy-beweging de 1 procent rijksten af tegen alle anderen: ‘We are the 99%!’ (Wij zijn de 99 procent!). Maar hoe zat dat (veel) langer geleden? In deel 2 van deze serie artikelen kijken we naar onder meer naar de Lage Landen vanaf 1100, Noord-Italië vanaf 1000, Irak vanaf 500 en naar het Romeinse Rijk.

Bronnen

-Lucas Chancel, Thomas Piketty, Emmanuel Saez, Gabriel Zucman: World Inequality Report 2022 (Paris, December 2021).
-James B. Davies, Susanna Sandström, Anthony Shorrocks, Edward N. Wolff: The World Distribution of Household Wealth (Helsinki, February 2008).
-Oscar Jorda, Katharina Knoll, Dmitry Kuvshinov, Moritz Schularick, Alan M. Taylor: The Rate of Return on Everything, 1870-2015 (in: The Quarterly Journal of Economics, March 2019)
-Thomas Piketty: Le Capital au XXIe Siècle (Paris 2013).
-Simon J. Toussaint, Amaury de Vicq, Michail Moatsos, Tim van der Valk: Household wealth and its distribution in the Netherlands, 1854-2019 (World Inequality Lab, November 2022).
-Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid: Hoe ongelijk is Nederland? Een verkenning van de ontwikkeling en gevolgen van economische ongelijkheid (Amsterdam 2014).

Ronald Frisart (1955) werkte in loondienst 42 jaar als journalist, soms regionaal, maar vooral op de gebieden binnenland, buitenland en economie. Eerst voor het ANP, daarna voor (combinaties van) Haarlems Dagblad/IJmuider Courant, Leidsch Dagblad, De Gooi- en Eemlander en Noordhollands Dagblad. Ook werkte hij nu en dan voor de regionale krantenclub Gemeenschappelijke Persdienst (GPD), zoals in 1997/1998 als correspondent in Indonesië. Foto: Douwe van Essen

Gerelateerde rubrieken:

Gratis geschiedenismagazine

Ontvang, net als ruim 51.000 anderen, iedere week de gratis nieuwsbrief van Historiek:

Gratis nieuwsbrief

Meld u aan voor onze wekelijkse nieuwsbrief (51.248 actieve abonnees)


Mede dankzij onze donateurs zijn al onze artikelen gratis te lezen. Op Historiek vindt u dus geen PREMIUM artikelen of 'slotjes'.

Steun ons ook

×