Gregorius van Tours (ca. 538-ca. 594) was bisschop van Tours en de belangrijkste geschiedschrijver van de Merovingische periode. Zijn bekendste werk is de tiendelige Historia Francorum (Geschiedenis van de Franken) of Decem libri historiae (Tien geschiedenisboeken). Hierin beschrijft hij de wereldgeschiedenis vanaf de schepping tot zijn eigen tijd, met overwegende aandacht voor de recente geschiedenis en de opkomst van het Frankische koninkrijk.
Het monumentale werk is naar latere maatstaven weinig objectief: Gregorius was een vurig (en bijgelovig) pleitbezorger van het christendom en de Kerk, zijn beschrijvingen van personages en actoren zijn getekend door zijn voorkeuren en gekruid met soms vilein neergezette, levendige anekdotes.
Onschatbaar werk

Als bisschop trad Gregorius op als bemiddelaar tussen de in onophoudelijke rivaliteit verstrikte Merovingische vorsten. Naast dit alles legde hij ook een verzameling heiligenlevens aan, het Liber vitae patrum. Ook propageerde hij in het bijzonder de verering van zijn bisschoppelijke voorganger Sint-Martinus, patroonheilige van Tours.

Jeugd en wijdingen
Gregorius werd waarschijnlijk geboren in Clermont (regio Auvergne), in een vooraanstaande Gallo-Romeinse familie. Zijn opvoeding kwam in handen van zijn oom van vaderskant, bisschop Gallus van Clermont en diens aartsdiaken Avitus (beiden later heiligverklaard); Avitus volgde later Gallus op als bisschop van Clermont en wijdde Gregorius tot diaken. In 573 ontving Gregorius de bisschopswijding. Dat lag volledig in de lijn der verwachtingen: ten tijde van zijn geboorte waren familieleden van hem bisschop van Tours, Lyon en Langres. Van de achttien bisschoppen van Tours die aan hem voorafgingen, behoorden volgens Gregorius maar vijf niet tot zijn familie.

Tours en Sint-Maarten
De rest van zijn leven, nog ongeveer twintig jaar, bracht Gregorius grotendeels door in zijn bisschopsstad, afgezien van een aantal reizen naar Parijs. Het aan de Loire gelegen Tours was al een oud knooppunt van routes tussen de noordelijke Frankische gebieden, Aquitanië en Spanje. Ook als centrum van de cultus van Sint-Martinus of Sint-Maarten was de stad zeer belangrijk. Martinus was sinds de dagen van Clovis de belangrijkste patroonheilige van de Frankische vorsten, zowel de Merovingen als de latere Karolingen.
De legendarische halve (gedeelde) mantel of cappa van Sint-Maarten werd als belangrijk rijksrelikwie meegenomen op militaire campagnes; deze werd bewaard in koninklijke residenties, zoals Parijs en, in de tijd van Karel de Grote, Aken. Zijn graf bevond zich echter in de door Gregorius gerestaureerde basiliek van Saint-Martin in Tours, hetgeen de stad tot een belangrijk pelgrimsoord maakte. Gregorius was als bisschop beheerder van dit graf, en bevorderde de cultus onvermoeibaar vanuit zijn kerkpolitieke inzichten en persoonlijke devotie.

Hij schreef bijvoorbeeld de vier Libri de virtutibus sancti Martini (Boeken over de deugden van Sint-Maarten), die de postuum verrichte mirakelen van de heilige behandelden, zoals wonderbare genezingen bij Martinus’ graf. De boeken zorgden voor een gestage stroom bedevaartgangers uit heel Europa naar Tours. Gregorius zelf meende in 563 bij het graf van de Heilige Martinus eveneens te zijn genezen van een ernstige ziekte.
Ook in de Historia Francorum verbond Gregorius de geschiedenis van de Frankische vorsten sinds Clovis direct met de verering van Sint-Maarten: degenen die hem hadden gerespecteerd, was het goed vergaan, degenen die bijvoorbeeld de bezittingen van de basiliek in Tours wilden aantasten, werden door de heilige bestraft. Verder bestreed hij fel het Arianisme, waarvan de aanhangers volgens hem niet eens christenen waren, en betoonde zich ook bepaald geen vriend van de Joodse gemeenschappen, die tot het christendom bekeerd dienden te worden.
Arrestatie
In de jaren rond 580 beleefde Gregorius een hachelijke periode, toen hij op last van Chilperik I werd gearresteerd en beschuldigd van verraad, omdat hij diens genadeloze en moordzuchtige echtgenote Fredegonde zou hebben belasterd. Chilperik, koning van Soissons en omgeving (spoedig Neustrië geheten) was de vijand van zijn halfbroer Sigebert I, Gregorius’ begunstiger. De arrestatie kon plaatsvinden omdat Chilperik eind 575 Tours had ingenomen, nadat Sigebert was omgebracht door huurmoordenaars van Fredegonde. Het conflict eindigde fortuinlijk voor Gregorius met een verzoeningsmaaltijd.

Naast politieke aspecten was er ook een theologisch geschil. Gregorius had zich hevig verzet tegen de pogingen van Chilperik, die zich ook als intellectueel en dichter positioneerde, om de leer over de Drie-eenheid te wijzigen. Hij wilde de scheiding tussen de drie goddelijke personen Vader, Zoon en Heilige Geest afschaffen (modalisme); er was slechts sprake van één ondeelbare en enkele God.
Postuum moddergooien
Pure ketterij, aldus Gregorius, die na diens dood bitter over Chilperik oordeelde:
Chilperik was een Nero in wreedheid, een Herodes in zedeloosheid, een zondaar in alles wat hij deed.

Over de in 613 door Chilperiks zoon Chlotarius II gruwelijk geëxecuteerde Brunhilde (Brunehaut), de Visigotische echtgenote van zijn beschermer Sigebert, was Gregorius daarentegen vol lof. Ze was elegant, mooi en oprecht, en ook voorzien van goede manieren en een aangename conversatietrant. Ook zij was in werkelijkheid bepaald geen heilige, hetgeen door iets latere kroniekschrijvers, met andere politieke belangen en beschermers, ijverig is aangetoond. Zo kantelde ook haar beeld naar dat van een bloeddorstige en bezeten tiranne.
Jonas van Bobbio schetste Brunhilde in zijn Vita Columbani (ca. 640) als de ‘nieuwe Izebel’ (Jezebel), een goddeloze koningin uit het Oude Testament. De anonieme auteur die we kennen als Fredegar (een zestiende-eeuwse toeschrijving), schilderde Brunhilde in zijn kroniek omstreeks 660 af als verantwoordelijke voor de dood van vele Merovingische koningen en edelen, en de vervulster van een profetie van de Sibille, volgens welke ‘voor haar blik vele volkeren zullen omkomen’. Het Liber Historiae Francorum (ca. 727), een anoniem Neustrisch werk, noemde haar ‘de uiterst goddeloze Brunhilde’.

Clovis als dienaar Gods
De eerste boeken van Gregorius’ Decem libri historiae behandelen de wereldgeschiedenis vanaf de schepping tot aan de dood van Sint-Maarten in 397. Daarna volgen de Gallische veroveringen van Clovis en de historie van de Frankische koningen. Na de verslaglegging over de dood van Sigebert en Chilperik in respectievelijk 575 en 584 wordt het verhaal vervolgd tot het jaar 592; de epiloog dateert uit Gregorius’ vermoedelijke sterfjaar 594. Uiteraard is het subjectieve en partijdige element het grootst in de tekstdelen die Gregorius’ eigen tijd behandelen.

Met Gods hulp onderwierp hij dagelijks zijn vijanden en hij vermeerderde zijn macht. De koning verscheen met een zuiver hart voor zijn Heer en deed wat in Zijn ogen aangenaam was.

Magische relieken
In zijn magisch getint wondergeloof, politiek ingezet in zijn geschriften, stond Gregorius uiteraard niet alleen. Paus Damasus I (vierde eeuw) meende dat je beenderen van de martelaren kon herkennen doordat ze bovennatuurlijk gloeiden. Gregorius van Tours zelf meende de geur van heiligheid te kunnen herkennen. Zijn eigen moeder Armentaria zou als kind van een gevaarlijke derdedaagse koorts zijn genezen door in het bed te kruipen van haar grootvader, de heiligverklaarde Gregorius van Langres (gestorven 540). Uit bewondering voor deze heilige bisschop had Gregorius van Tours al vroeg zijn naam veranderd; zijn doopnaam was Georgius Florentius.
Bij ziekte nam Gregorius zijn toevlucht tot een drankje met stof dat verzameld was op en rondom het graf van Sint-Maarten, en dat dus werkzaam was als ‘contactrelikwie’. Dit pulvis werd vermengd met water of wijn tot potio de pulvere sepulchri (drankje met grafstof). In zijn aan Sint-Martinus gewijde werken meldde Gregorius dat de pijnen na inname van het drankje subiet verdwenen.
Een heidens-klassiek relict dat toch in het werk van Gregorius sloop was dat van de rivier die het land van de levenden van dat van de doden scheidt, te vergelijken met de Styx. In de vroegmiddeleeuwse, christelijke visie was deze rivier verworden tot een wilde, stinkende stroom. Er liep een smalle ‘oordeelsbrug’ over; of de overledene de oversteek met succes wist te maken, hing af van zijn of haar levenswandel. We kennen dit motief al uit de zesde eeuw, en vermoedelijk was Gregorius van Tours de eerste die het in zijn werk gebruikte. Het beeld van de oordeels- of zielenbrug nam in de latere visioenenliteratuur een hoge vlucht.
Een nieuwe Herodotus
Gregorius’ sterfjaar ligt omtrent 594. Zijn opvolger als bisschop van Tours, Pelagius, vinden we vermeld in een brief van paus Gregorius de Grote uit 596. Kort na de dood van Gregorius is zijn heiligheid erkend door de lokale bevolking en de Kerk, via canonizatio popularis (volksheiligverklaring). Een officieel canonisatieproces heeft, net als bij zoveel van zijn heiligverklaarde tijdgenoten, niet plaatsgevonden.

De historicus van vroeg-middeleeuws Nederland heeft in feite slechts één probleem: een gebrek aan geschreven bronnen. We voelen ons al vereerd als door Gregorius van Tours (538-594) in zijn Historiën wordt gezegd dat er een grote tempel is gebouwd door bisschop Monulfus in Maastricht.
Aangezien Historia Francorum onze belangrijkste historische bron is voor de Merovingische periode, is Gregorius naar analogie van de befaamde Griekse geschiedschrijver Herodotus wel de vader van de Franse geschiedenis genoemd, en trouwens ook de ‘Herodotus van het barbarendom’ (Jean-Jacques Ampère in Histoire littéraire de la France avant le douzième siècle, 1839). Ook Gregorius’ volkse Laatlatijn is belangrijk voor onze kennis van de overgang van het klassieke Latijn naar de vroege Romaanse talen en het latere Frans.
Ook al was zijn stijl ruw, zo erkende Gregorius aan het eind van zijn uitputtend lange Historia, hij wilde, met een beroep op het Laatste Oordeel, niet dat de volgende bisschoppen van Tours iets aan zijn werk veranderden:
Laat deze boeken nooit vernietigen of herschrijven, sommige passages selecterend en andere weglatend, maar laat ze allemaal volledig in uw tijd voortleven, compleet en onverminderd zoals wij ze hebben nagelaten.
– Mayke de Jong, Els Rose, Giselle de Nie, Rondom Gregorius van Tours (Utrechtse historische cahiers 2001, 2/3).
– Jan J.B. Kuipers, ‘De Merovingen’, in: id., Karel de Grote. Stamvader van Europa (2016), 13-25.
– Kathleen Mitchell & Ian Wood (eds.), The World of Gregory of Tours (2002).
– Frans Theuws, ‘De vele lagen van de vroeg-middeleeuwse geschiedenis’, Madoc jrg. 1995 nr. 3, 133-149.
– Gregorius van Tours, Historiën; vert. F.J.A.M. Meijer, introd. M.A. Wes (1994).
– Gregorius van Tours, De vaas van Soissons. Frankische verhalen; vert. Jef Ector, nawoord Paul Claes (1989).
De Merovingen, van drieste veroveraars tot ‘vadsige koningen’
Clovis I – De eerste christelijke koning van de Franken
Arianisme – ‘Christus is niet wezensgelijk aan de Vader’
Brunhilde: de machtigste vrouw van het Merovingische rijk
Orkney: Picten, Vikingen en het christendom (?-1065)
Ibn Battuta – De Marokkaanse ontdekkingsreiziger
Jacoba van Beieren heette eigenlijk Jaque