Het Brussel poppentheater is eind 2025 erkend als immaterieel cultureel erfgoed van Unesco. Ooit zorgden tal van marionettentheaters voor volks én burgerlijk vertier. Nu overleeft – mede dankzij internationale toeristen – nog één Brussels poppentheater, het Koninklijk Poppentheater Toone.
Cavitje is zo’n typisch Brussels woord: een Nederlands verkleinwoord voor het Franse cave, een kelder als onderkomen voor allerhande plezier. Ondergronds, letterlijk maar ook figuurlijk. Meer dan eens werden er ideeën vertolkt die beter het daglicht niet zagen. En die luimige ‘onderkruiperij’ kende een eeuwenlange traditie.
De kille Filips II, zoon van keizer Karel, loerde vanuit het verre Madrid argwanend naar dat balorige wingewest van de Nederlanden. De vrijdenkende, rebelse boodschappen geuit in die amusementssector, waren een poging tot afkalven van zijn streng beleid, besefte Filips van ver. De rederijkerskamers die bij wijlen evenzo lustig verzet vertolkten en waarvan sommigen de calvinistische gedachten gunstig gezind waren, werden beknot in de Zuidelijke Nederlanden. In het Noorden bleven enkele gezelschappen spelen.

De theatergezelschappen met hun satirische sneren naar alles wat arrogantie, dictatoriaal gezag en machtsvertoon was, werden opgedoekt. Vooral na de Val van Antwerpen in 1585 legde landvoogd Alexander Farnese, de hertog van Parma, er de zweep op.
Edoch, theatraal vertier zomaar naar de verdoemenis helpen, was een strategische misrekening van de katholieke Habsburgse soeverein. Als mensen geen theater meer mochten spelen, konden poppen altijd de rol overnemen. En zo ontstonden theaters zonder mensen op het podium, maar wel achter de schermen. Want ook uit een onbeweeglijke mond kon/kan insubordinatie klinken. In België toch. In het Portugal van dictator Salazar werden ondergrondse berichten eveneens via poppenkasten gesmokkeld. Dat ontdekte Danny Verbiest, de Belgische poppenspeler, creatieve duizendpoot en artistieke vader van zijn geliefde pop, de TV-hond Samson.
Koninklijk Theater Toone
De poppen aan het dansen…
Ook elders in Europa nemen poppen-in-theater recalcitrante houdingen tegenover overheidswillekeur aan: Tchantchès, de anarchistische pop van de wijk Outre-Meuse in Luik, Le Guignol in het volkse Lyon, Pierke in Gent… In België floreerden tal van marionettentheaters. Vaak in die kelders, de bekende Poesjenellenkelders.

Poesjenel, een roepnaam voor pop en figuurlijk synoniem voor potsenmaker, stamt van het Italiaanse Pulcinella. De pop met een stevige neus was eveneens een schelm in het verzet tegen de Spaanse soldaten in de Italiaanse laars. De Commedia dell’Arte vertoningen sijpelden via rondtrekkende gezelschapen vanuit Sicilië en Napels onze contreien binnen en werden er dra erg geliefd.

Op stang jagen
Die (Italiaanse) vervangpoppen waren/zijn nog meestal stang- of trekpoppen waarbij een metalen staaf bovenaan het hoofd de pop rechthoudt. Soms beweegt de rechterhand – de schone pol – eveneens via een staaf. Het hoofd van de stangpop is meestal in hout en ongeveer 90 centimeter groot, met een gewicht van 7 tot 12 kilo’s.
Dat in tegenstelling tot de handpop waarbij de hand van de speler in het kleed van de pop beweegt, zoals bij de Britse poppenkast Punch & Judy. Of Jan Klaassen en het draadpoppentheater in Nederland. De marionettenspeler dirigeert dus van bovenaf de poesjenel. De handpopspeler zit/staat onder de pop.

Marionettentheaters waren zo een doorgeefluik van cultuur én van tegencultuur. Oude volkslegendes, historische of zelfs religieuze epossen, klassieke muziek- en dramastukken kregen (en krijgen er nog) eigenzinnige herinterpretaties.
Toone Eén, Twee, Drie, Vier, Vijf, Zes, Zeven, Acht…
Nu blijft er in Brussel maar eentje over. Een nazaat – maar niet in familiale lijn – van de roemruchte dynastie Toone. Met de onafhankelijkheid van België rond 1830 begon Antoine “Toone” Genty (1804-1890) in de Marollen, een populaire kleurrijke Brusselse wijk, zijn ‘poesjenellenkelder’. Rond 1865-70 nam Toone II, in het werkelijke leven François Taelemans (1848-1895) ofte Jan van de Marmit, naar de ‘kookpot’, zoals zijn kelder heette, de stangen in handen. Hij wijdde Toone III, Georges Hembauf (1866-1898), in de vaardigheden van het ambacht in. Dat succesvolle theatertje met 400 poppen en 11 werknemers was gevestigd in de Lokerengang.
Tegelijkertijd was ook Jan de Crol aka Jan Schoonenburg (1852-1926) met theater bezig. Zijn bijnaam kreeg de hoedenmaker, zijn dagelijkse beroepsbezigheid, wegens zijn bos krulhaar.

Zoon Jean-Baptiste Hembauf (1884-1966), alias Toone IV, zet zijn vaders activiteiten gedurende dertig jaar voort. Dan volgt Daniel Vanlandewijck (1888-1938) als Toone V in een kelder van de Impasse Sainte-Thérèse. De woon- en leefomstandigheden van die dichtbevolkte, verpauperde beluiken, stegen, achterhuizen en kelders waren erbarmelijk. Wegens onhygiënische omstandigheden besliste de Stad Brussel het theatertje te sluiten. Toone V gaf er de brui aan en verkocht al zijn marionetten.
Een vereniging De vrienden van de Marionette wordt opgericht om dat patrimonium te redden. De Brusselse burgemeester Adolphe Max schaart zich achter het initiatief, evenals dramaturg auteur Michel de Ghelderode (1898-1962) en de juwelier-beeldhouwer Marcel Wolfers die de aankoop van de 125 marionnettes sponsort. Deze antieken poppen wonen nu in het Museum van de twee laatste generaties Toone.
Volle gaz & volle petrol, Jef!

Een vliegende bom valt in november 1944 net naast de poesjenellenkelder en vernietigt niet enkel het gewelf van het theater maar ook vijfenzeventig poppen. Opnieuw wordt een ander onderkomen gezocht en het zal niet de eerste of de laatste keer zijn.
In 1952 wordt het stuk La Farce de la Mort qui faillit trépasser (De klucht van de dood die bijna stierf) opgevoerd en naar aanleiding daarvan pent Michel de Ghelderode een eerbetoon aan alle Toones onder de titel Toone, Rex Marollorum (Toone, de koning van de Marollen).

Al die bijval belet niet dat de beruchte Brusselse urbanistische vernielingen in 1956 het poppentheater verjagen en Toone VI vindt een vluchtheuvel in het café De Lievekenshoek, nabij de Kapellekerk (waar Breugel begraven ligt). En lap, opnieuw een onteigening in 1963. Brussel is niet bepaald zorgzaam voor het eigen erfgoed.

Woltje, de schavuit
Een van de poppen die altijd al meespeelt is Woltje, het straatjoch – ketje in de Brusselse streektaal. Het ventje is een verpersoonlijking van die ondeugende, impertinente maar slimme Brusselse deugnieten met het hart op de tong en recht voor de raap. Mogelijks verwijst Woltje, nl Kleine Waal naar de migranten uit de Franstalige provincies Henegouwen of Waals Brabant. Brussel – en al zeker de Marollen – onthaalde eeuwenlang een toeloop van arbeiders, bouwers aan de stadsomwallingen, letterzetters…

De achtste ‘generatie’ die intussen aan de touwtjes trekt, vertoeft niet meer in de Marollen maar nog wel in een (beschermd) achterhuisje uit het einde van de zeventiende eeuw. Het is het enige marionettentheater van de bloeiende traditie waarvan er begin twintigste eeuw nog een vijftigtal overbleven.
Marionetten kunnen tegen een toek (een opdoffer) maar toch…
– Longcheval, A., Toone ou l’histoire d’une dynastie populaire, Une tradition de marionnettes à tringle, Centre de la Marionnette de la Communauté française de Belgique, Doornik.
– Demol Antoine, Vier eeuwen Brussels poppenspel. Het theater van Toone : tijdspiegel van de onvervalste Marollengeest, Brussel, 1964.
– Griet Kockelkoren, Linda Wullus, Wies Stortelder & Ina Vanden Berghe, Het oneindige verhaal … Verhalen van spel(ers) voor altijd verweven in de materiële biografie van marionetten, Volkskunde: Tijdschrift over de cultuur van het dagelijks leven, jan-apr. 2025.
– Henri Liebrecht, Les Chambres de rhétorique, Brussel, 1948.
Mechanische poppen en muziekautomaten die tot leven komen
De poppenhuizen van de Haagse Lita de Ranitz
Poppen als erfgoed
Hansworst – Herkomst van het begrip
Het Brusselse beursgebouw staat op de plek van een voormalig klooster
Jan van Esschen en Hendrik Voes – De eerste ketterverbranding in Brussel
Het Brusselse museum van geneeskunde