De Brusselse poppenkast als werelderfgoed

Koninklijk Poppentheater Toone
8 minuten leestijd
Poppen van Koninklijk Poppentheater Toone
Poppen van Koninklijk Poppentheater Toone (CC BY-SA 2.0 - Dennis G. Jarvis - wiki)

Het Brussel poppentheater is eind 2025 erkend als immaterieel cultureel erfgoed van Unesco. Ooit zorgden tal van marionettentheaters voor volks én burgerlijk vertier. Nu overleeft – mede dankzij internationale toeristen – nog één Brussels poppentheater, het Koninklijk Poppentheater Toone.

Cavitje is zo’n typisch Brussels woord: een Nederlands verkleinwoord voor het Franse cave, een kelder als onderkomen voor allerhande plezier. Ondergronds, letterlijk maar ook figuurlijk. Meer dan eens werden er ideeën vertolkt die beter het daglicht niet zagen. En die luimige ‘onderkruiperij’ kende een eeuwenlange traditie.

De kille Filips II, zoon van keizer Karel, loerde vanuit het verre Madrid argwanend naar dat balorige wingewest van de Nederlanden. De vrijdenkende, rebelse boodschappen geuit in die amusementssector, waren een poging tot afkalven van zijn streng beleid, besefte Filips van ver. De rederijkerskamers die bij wijlen evenzo lustig verzet vertolkten en waarvan sommigen de calvinistische gedachten gunstig gezind waren, werden beknot in de Zuidelijke Nederlanden. In het Noorden bleven enkele gezelschappen spelen.

Koninklijk Poppentheater Toone met 'huiskat'
Koninklijk Poppentheater Toone met ‘huiskat’ (CC BY-SA 4.0 – Thaler Tamas – wiki)

De theatergezelschappen met hun satirische sneren naar alles wat arrogantie, dictatoriaal gezag en machtsvertoon was, werden opgedoekt. Vooral na de Val van Antwerpen in 1585 legde landvoogd Alexander Farnese, de hertog van Parma, er de zweep op.

Edoch, theatraal vertier zomaar naar de verdoemenis helpen, was een strategische misrekening van de katholieke Habsburgse soeverein. Als mensen geen theater meer mochten spelen, konden poppen altijd de rol overnemen. En zo ontstonden theaters zonder mensen op het podium, maar wel achter de schermen. Want ook uit een onbeweeglijke mond kon/kan insubordinatie klinken. In België toch. In het Portugal van dictator Salazar werden ondergrondse berichten eveneens via poppenkasten gesmokkeld. Dat ontdekte Danny Verbiest, de Belgische poppenspeler, creatieve duizendpoot en artistieke vader van zijn geliefde pop, de TV-hond Samson.

De poppen aan het dansen…

Ook elders in Europa nemen poppen-in-theater recalcitrante houdingen tegenover overheidswillekeur aan: Tchantchès, de anarchistische pop van de wijk Outre-Meuse in Luik, Le Guignol in het volkse Lyon, Pierke in Gent… In België floreerden tal van marionettentheaters. Vaak in die kelders, de bekende Poesjenellenkelders.

Poppen van Koninklijk Poppentheater Toone
Poppen van Koninklijk Poppentheater Toone (CC BY-SA 2.0 – Dennis G. Jarvis – wiki)

Poesjenel, een roepnaam voor pop en figuurlijk synoniem voor potsenmaker, stamt van het Italiaanse Pulcinella. De pop met een stevige neus was eveneens een schelm in het verzet tegen de Spaanse soldaten in de Italiaanse laars. De Commedia dell’Arte vertoningen sijpelden via rondtrekkende gezelschapen vanuit Sicilië en Napels onze contreien binnen en werden er dra erg geliefd.

Koningswijk, 1000 Brussel
Koningswijk, 1000 Brussel (CC BY 3.0 – J.Nicolas – wiki)
Het woord marionette werd in de zeventiende eeuw afgeleid van het Franse verkleinwoord Marion of Mariole, oftewel kleine Maria. Dat gebruik van een pop in plaats van een levendige persoonsvertolking zou uit de middeleeuwse religieuze opvoeringen dateren. Traditionele godsdienstige opvoeringen als De Geboorte of De Passie (allebei van Christus) werden met een scheef oog bekeken door de kerkelijke overheid en verboden. In de traditionele kerststal staan ook geen levende figuren meer.

Op stang jagen

Die (Italiaanse) vervangpoppen waren/zijn nog meestal stang- of trekpoppen waarbij een metalen staaf bovenaan het hoofd de pop rechthoudt. Soms beweegt de rechterhandde schone pol – eveneens via een staaf. Het hoofd van de stangpop is meestal in hout en ongeveer 90 centimeter groot, met een gewicht van 7 tot 12 kilo’s.

Dat in tegenstelling tot de handpop waarbij de hand van de speler in het kleed van de pop beweegt, zoals bij de Britse poppenkast Punch & Judy. Of Jan Klaassen en het draadpoppentheater in Nederland. De marionettenspeler dirigeert dus van bovenaf de poesjenel. De handpopspeler zit/staat onder de pop.

Félicien Rops - De dame met de ledenpop
Félicien Rops – De dame met de ledenpop
Tal van poppentheaters met hun vrijbuiterij gedijden in de loop der eeuwen. Een druk bezochte vrijetijdsbesteding én sociale uitlaatklep voor de lokale bevolking. Maar het publiek bestond niet enkel uit volksmensen, maar ook uit studenten en goede burgers. Al werd hun aanwezigheid niet altijd gewaardeerd. Het is niet ondenkbaar dat de negentiende-eeuwse Belgische kunstenaar Félicien Rops inspiratie opdeed, toen hij als universiteitsstudent zich duchtig laafde in de Brusselse kelders. Zijn aquarel La Dame au pantin (de dame met de ledenpop) is een mooie hint. Niet enkel de lamme pop in de hand van de vrouw maar ook de stangpoppen op de sokkel.

Marionettentheaters waren zo een doorgeefluik van cultuur én van tegencultuur. Oude volkslegendes, historische of zelfs religieuze epossen, klassieke muziek- en dramastukken kregen (en krijgen er nog) eigenzinnige herinterpretaties.

Toone Eén, Twee, Drie, Vier, Vijf, Zes, Zeven, Acht…

Nu blijft er in Brussel maar eentje over. Een nazaat – maar niet in familiale lijn – van de roemruchte dynastie Toone. Met de onafhankelijkheid van België rond 1830 begon Antoine “Toone” Genty (1804-1890) in de Marollen, een populaire kleurrijke Brusselse wijk, zijn ‘poesjenellenkelder’. Rond 1865-70 nam Toone II, in het werkelijke leven François Taelemans (1848-1895) ofte Jan van de Marmit, naar de ‘kookpot’, zoals zijn kelder heette, de stangen in handen. Hij wijdde Toone III, Georges Hembauf (1866-1898), in de vaardigheden van het ambacht in. Dat succesvolle theatertje met 400 poppen en 11 werknemers was gevestigd in de Lokerengang.

Tegelijkertijd was ook Jan de Crol aka Jan Schoonenburg (1852-1926) met theater bezig. Zijn bijnaam kreeg de hoedenmaker, zijn dagelijkse beroepsbezigheid, wegens zijn bos krulhaar.

Interieur van Koninklijk Poppentheater Toone
Interieur van Koninklijk Poppentheater Toone (CC BY-SA 4.0 – Thaler Tamas – wiki)

Zoon Jean-Baptiste Hembauf (1884-1966), alias Toone IV, zet zijn vaders activiteiten gedurende dertig jaar voort. Dan volgt Daniel Vanlandewijck (1888-1938) als Toone V in een kelder van de Impasse Sainte-Thérèse. De woon- en leefomstandigheden van die dichtbevolkte, verpauperde beluiken, stegen, achterhuizen en kelders waren erbarmelijk. Wegens onhygiënische omstandigheden besliste de Stad Brussel het theatertje te sluiten. Toone V gaf er de brui aan en verkocht al zijn marionetten.

Een vereniging De vrienden van de Marionette wordt opgericht om dat patrimonium te redden. De Brusselse burgemeester Adolphe Max schaart zich achter het initiatief, evenals dramaturg auteur Michel de Ghelderode (1898-1962) en de juwelier-beeldhouwer Marcel Wolfers die de aankoop van de 125 marionnettes sponsort. Deze antieken poppen wonen nu in het Museum van de twee laatste generaties Toone.

Volle gaz & volle petrol, Jef!

Jef Bourgeois met een van de poppen van het theater
Jef Bourgeois met een van de poppen van het theater, 1971 (CC BY-SA 4.0 – Het – wiki)
Jef Bourgeois, (1896-1986), dé schilder van de Marollen, wordt in 1931 de eerste conservator en behoeder van het museum-theater. Het wordt een succes want er wordt verhuisd naar een grotere zaal in de Warschaugang waar Toone VI alias Pierre Welleman, bijgenaamd Peïe Pââp (Pierre of vent met de pijp), de teugels overneemt.

Een vliegende bom valt in november 1944 net naast de poesjenellenkelder en vernietigt niet enkel het gewelf van het theater maar ook vijfenzeventig poppen. Opnieuw wordt een ander onderkomen gezocht en het zal niet de eerste of de laatste keer zijn.

In 1952 wordt het stuk La Farce de la Mort qui faillit trépasser (De klucht van de dood die bijna stierf) opgevoerd en naar aanleiding daarvan pent Michel de Ghelderode een eerbetoon aan alle Toones onder de titel Toone, Rex Marollorum (Toone, de koning van de Marollen).

Want alle Toones waren, zijn en zullen vuurdragers zijn. Het zijn pikkedieven van vonken waarop ze blijven blazen opdat deze kleine zotte vlam die ontspringt uit de fosforhoudende bodem van Brussel, zal blijven leven. Deze ondergrond van de Marollen van minstens tien eeuwen oud. Langs deze via populi hebben teloorgegane mensenmassa’s rondgedoold en zijn gebotst op legers, kuddes, joden, pelgrims, bedelaars, afval allerhande, aegyptiaci (dinosaurussen) – al die prachtige mensheden, erotisch, stinkend, rabauwig in hun gebaren, kreten en kleuren die Brueghel voorbij zag komen vanuit zijn raam in onze eerbiedwaardige Hoogstraat. Ja, genialiteit gedijt hier, het is in overvloed aanwezig in dit unieke bolwerk dat zich uitstrekt van de Kapellekerk tot de leprozerie van Sint Pieter. Dat zijn de Marollen waar de grond meer bloed en zweet heeft ontvangen dan enige andere, meer drama’s en dromen heeft doorstaan dan enige andere, waar mensen hebben gekrioeld, liefgehad, gekweld en gekronkeld en zich hebben voortgeplant vanwege hun ongelooflijke concentratie. En je wilt dat er niets van overblijft? En wil je ontkennen dat die vroege ‘atmosferisten’ Jeroen Bosch en Bruegel de Oude als eersten die omgevingslucht, die aura, die ongrijpbaarheden weergaven? Ziedaar waarom er in de Marollen vreemde en belabberde wezens, avonturiers van de duisternis verschijnen, getooid met een kartonnen kroon, hun echte naam vergetend. Een leven lang kende niemand anders dan de kinderen en enkele ouderlingen hun ware gezicht. En toch hebben ze het genie van de primitieven; ze zijn de harlekijnen van weleer. Onder de plavuizen van de kelder hebben ze de bronnen van het theater herontdekt […]. Michel de Ghelderode, 19 februari 1952
Tekening/pastel van Jef Bourgeois van de 'Kelder van Toone IV' in 1966 in de Marollen
Tekening/pastel van Jef Bourgeois van de ‘Kelder van Toone IV’ in 1966 in de Marollen – Collectie Eliane Van den Ende

Al die bijval belet niet dat de beruchte Brusselse urbanistische vernielingen in 1956 het poppentheater verjagen en Toone VI vindt een vluchtheuvel in het café De Lievekenshoek, nabij de Kapellekerk (waar Breugel begraven ligt). En lap, opnieuw een onteigening in 1963. Brussel is niet bepaald zorgzaam voor het eigen erfgoed.

Toone VII
Toone VII (CC BY-SA 2.0 – Dennis G. Jarvis – wiki)
Opnieuw neemt Jef Bourgeois het heft in handen om het patrimonium te redden. Met een nieuwe vereniging, De vrienden van Toone, vestigen ze zich in de kelders van het Broodhuis / Maison du Roi (nu Museum van de stad Brussel) op de Grote Markt. José Géal, een authentieke Brusselse acteur en oprichter van een Kindertheater, zal als Toone VII de dynastie verderzetten. Tot in 2003 zijn zoon Nicolas Toone VIII wordt en de traditie bestendigt.

Woltje, de schavuit

Een van de poppen die altijd al meespeelt is Woltje, het straatjoch – ketje in de Brusselse streektaal. Het ventje is een verpersoonlijking van die ondeugende, impertinente maar slimme Brusselse deugnieten met het hart op de tong en recht voor de raap. Mogelijks verwijst Woltje, nl Kleine Waal naar de migranten uit de Franstalige provincies Henegouwen of Waals Brabant. Brussel – en al zeker de Marollen – onthaalde eeuwenlang een toeloop van arbeiders, bouwers aan de stadsomwallingen, letterzetters…

Interieur van het theater met rechts een groot uitgevallen versie van Woltje
Interieur van het theater met rechts een groot uitgevallen versie van Woltje (CC BY-SA 4.0 – Nenea hartia – wiki)
De Brusselse streektaal weerspiegelt die sociaaleconomische geschiedenis: in oorsprong een Brabants-Dietse taal met woorden, uitdrukkingen in het Frans maar zelfs het Spaans. Het huidige theater Toone respecteert nog (deels) die mengeling – misj-masj in het Brussels – maar voor het nieuwe publiek dat van heinde en ver komt, praten de poppen nu Frans, Engels, zelfs Spaans, Duits, Italiaans maar altijd met een Brusselse tongval en doorspekt met typische uitdrukkingen, vloeken, onomatopeeën en ruige woorden.

De achtste ‘generatie’ die intussen aan de touwtjes trekt, vertoeft niet meer in de Marollen maar nog wel in een (beschermd) achterhuisje uit het einde van de zeventiende eeuw. Het is het enige marionettentheater van de bloeiende traditie waarvan er begin twintigste eeuw nog een vijftigtal overbleven.

Marionetten kunnen tegen een toek (een opdoffer) maar toch…

Het Theater Toone bevindt zich in de Sint-Petronillagang, 1000 Brussel (vlakbij de Grote Markt). Website: www.toone.be

Bronnen

– Longcheval, A., Honorez, L., Toone et les marionnettes traditionnelles de Bruxelles, Paul Legrain, Brussel, 1984.
– Longcheval, A., Toone ou l’histoire d’une dynastie populaire, Une tradition de marionnettes à tringle, Centre de la Marionnette de la Communauté française de Belgique, Doornik.
– Demol Antoine, Vier eeuwen Brussels poppenspel. Het theater van Toone : tijdspiegel van de onvervalste Marollengeest, Brussel, 1964.
– Griet Kockelkoren, Linda Wullus, Wies Stortelder & Ina Vanden Berghe, Het oneindige verhaal … Verhalen van spel(ers) voor altijd verweven in de materiële biografie van marionetten, Volkskunde: Tijdschrift over de cultuur van het dagelijks leven, jan-apr. 2025.
– Henri Liebrecht, Les Chambres de rhétorique, Brussel, 1948.
×