De Digitale Stad: internetdoorbraak in Nederland

Vandaag, 25 jaar geleden, op zaterdag 15 januari 1994 werd De Digitale Stad gelanceerd en binnen zes weken rammelden er meer dan tienduizend gebruikers aan de poort van de virtuele stad. Drie jaar later waren er 1 miljoen internetgebruikers in Nederland; het drievoudige van online gebruikers tot dan toe. Waar kwam deze snelle, maar ook plotselinge ommekeer vandaan?

Nieuwe media

Soms wordt het opkomst van internet in Nederland beschreven in bijbelse termen: vóór 1994 was de online wereld ongeordend en leeg. Maar niets is minder waar. Online in Nederland kwam vanaf 1970 op gang, toen uitgeverijen van wetenschappelijke en zakelijke informatie zoals Elsevier en Kluwer online databanken als Excerpta Medica en Juridische Databank begonnen te ontwikkelen. Op 7 augustus 1980 lanceerde de Nederlandse PTT als tweede in Europa een online informatiedienst voor consumenten en het MKB onder de naam Viditel.

Online formats tussen 1980 en 2000 (Collectie Jak Boumans)
Online formats tussen 1980 en 2000 (Collectie Jak Boumans)

Behalve deze officiële databank- en informatiediensten kwamen er zogenaamde prikbordsystemen (Bulletin Board Systems, BBS) van de grond, voornamelijk beheerd door computerfreaks. Begin jaren negentig waren er meer dan 1400 BBS’en actief in Nederland, waarmee software werd geüpload en gedownload, nieuws werd verspreid en berichten uitgewisseld. In 1994 liet de NVI (Nederlandse Vereniging van Informatiedienstenaanbieders) door het NBBI (Nederlands Bureau voor Bibliotheekwezen en Informatieverzorging) een marktonderzoek uitvoeren onder 450 bedrijven en instituten, waarin geconcludeerd werd dat er al commerciële online en offline diensten voor business en consumenten in Nederland waren met een professionele infrastructuur en een omzet van 635 miljoen gulden (ca. 290 miljoen euro).

En dan is er plotseling internet…

Terwijl de digitale-informatiesector in Nederland streefde naar grootschaligheid, kwam internet via de academische sector als verstorende technologie binnen. Op 17 november 1988 werd het toenmalige Mathematisch Centrum naar Centrum voor Wiskunde en Informatica (nu Centrum Wiskunde & Informatica, CWI), vanuit Amsterdam aangesloten op het NSFnet, het netwerk van het Amerikaanse National Science Foundation. Hiermee kreeg Nederland en Europa toegang tot het open internet. Het was het begin van hedendaagse internet voor wetenschappelijke instituten en universiteiten en later voor bedrijven.

- advertentie -

Kaart met internethosts in 1994 (herkomst onbekend)
Kaart met internethosts in 1994 (herkomst onbekend)
Maar de echte vaart in het gebruik van internet kwam in 1991 met de invoering van het World Wide Web, de eerste webbrowser. Deze hield een aantal beloftes in: het toegankelijk maken van tekst-, beeld- en geluidsinformatie en het zoeken van informatie. De eerste particuliere gebruikers in Nederland werden in 1991 aangesloten op HCC!Hobbynet, gevolgd door Knoware in Utrecht, IAF (Internet Access Foundation) in Groningen.

Op 1 mei 1993 begon XS4ALL als vierde internetdienstenaanbieder met abonnementen voor particuliere gebruikers. Op de eerste dag registreerde de dienst 500 gebruikers in plaats van de verwachtte 100. Maar internet moest grootschaliger worden. In de zomer van 1993 tijdens het hackerskamp ‘Hacking at the End of the Universe’ ontmoette Marleen Stikker van het Amsterdams cultureel centrum ‘de Balie’ de oprichters van Hacktic-Netwerk (Rop Gonggrijp en Felipe Rodriquez, tevens directeur van XS4ALL). In gesprekken ontstond de gedachte om een virtuele gemeenschap te organiseren, een elektronisch discussieplatform voor burgers, politici en overheid. De verkiezingen voor de gemeenteraad en de Europese Unie begin 1994 zouden een goede aanleiding vormen. Er werd gekeken naar de BBS‘en in Noord-Amerika en speciaal naar de The Well, een BBS rond Los Angeles. Het initiatief werd uiteindelijk vertaald in de metafoor van een virtuele stad, een publiek domein. Programmeurs gingen aan de slag met Freeport software in gebruik bij de zogenaamde Free-Nets.

De Digitale Stad

Huisjes in De Digitale Stad (Collectie AmsterdamMuseum)
Huisjes in De Digitale Stad (Collectie AmsterdamMuseum)
Op zaterdag 15 januari 1994 werd De Digitale Stad (DDS) geopend door Frank de Grave, wethouder in Amsterdam, dat het project financieel ondersteunde. Behalve via de plaatselijke televisie-, radio- en gedrukte media, zou via DDS een publieksdebat plaatsvinden. Marleen Stikker werd de virtuele burgemeester van DDS.

De eerste versie van DDS was menugebaseerd en tekstueel. Herkenbare elementen uit de fysieke stad waren het Stadhuis, het Postkantoor, de Bibliotheek en het Centraal Station, via welke keuze men het internet (toen nog met een hoofdletter I) op kon gaan. Actueel waren het Verkiezingscentrum en het Forum. Om een gemeenschap te kweken werden huisjes uitgegeven. Maar vanaf 15 oktober 1994 werd de interface grafisch, aantrekkelijk en onderscheiden van andere site die toen publiekelijk werden gepresenteerd. Aangezien de verkiezingen voorbij waren, werd ook een grotere nadruk gelegd op Amsterdam via buurten en pleinen.

DDS werd een concrete publieke plek waar particulieren en media zoals de NOS en NRC konden experimenteren met online technologie. En DDS was het voorbeeld voor digitale steden en dorpen. Marleen Stikker, de virtuele burgemeester van DDS beschreef de rol van een digitale stad in het Handboek Digitale Steden (1995):

“In een digitale stad is het ‘publiek domein’ het leidende beginsel’. Free-nets en digitale steden zijn systemen die de burgerij, maatschappelijke organisaties en het midden- en kleinbedrijf een stoel op de eerste rij verschaffen. Een digitale stad is laagdrempelig en geeft een mogelijkheid om te experimenteren en zonder veel investeringen ervaring op te doen met nieuwe technologie. Niet alleen kunnen burgers op deze wijze worden voorzien van een toegang tot de informatie-infrastructuur, ook kunnen er nieuwe markten worden verkend en ontwikkeld”.

Grafisch menu van De Digitale Stad (Collectie AmsterdamMuseum)
Grafisch menu van De Digitale Stad (Collectie AmsterdamMuseum)

De impact

Na de lancering van DDS in 1994 stonden duizenden potentiële internetters uit Amsterdam en daarbuiten aan de poorten van de virtuele stad te rammelen om via een inbelverbinding toegang te krijgen tot DDS en internet. Na zes weken telde het project al meer dan tienduizend geregistreerde gebruikers. In een jaar tijd werd DDS dagelijks 5.000 keer bezocht.

- advertentie -

Tekstmenu van De Digitale Stad (Collectie AmsterdamMuseum)
Tekstmenu van De Digitale Stad (Collectie AmsterdamMuseum)
Het succes van DDS genereerde twee trends. Het aantal digitale steden en dorpen groeide snel. Zo werd begin 1995 een congres gehouden over digitale steden en verscheen het Handboek Digitale Steden. Ondanks het lokale enthousiasme stierven de meeste van deze regionale, stedelijke en dorpse projecten een stille dood. Enerzijds begonnen gemeenten officieel hun domein op te eisen. Anderzijds kwamen er na XS4ALL nieuwe commercieel ingestelde internetleveranciers op de markt zoals Euronet*Internet (1994), Planet Internet (1995) en World Online (1996). Voor PTT Telecom was deze golf reden om per 1 januari 1997 haar online diensten te redresseren: Videotex Nederland werd uitgefaseerd (behalve de naam), de internetdienst World Access en de berichtendienst Memocom werden samengevoegd met Planet Internet. Op dat moment gebruikten in Nederland 1 miljoen het internet.

~ Jak Boumans
Jak Boumans is adviseur bij Electronic Media Reporting in Almere. Hij is schrijver van het boek Toen digitale media nog nieuw waren- Pre-internet in de polder (1967-1997) en curator van de Collectie Pre-internet, bestaande uit foto’s, eigen artikelen, CD-media en vintage apparaten. Hij heeft zelf twee blogs (Buziaulane en Toendigitalemedianognieuwwaren) en blogt tevens voor Historiek, InCT en Toekomst Religieus Erfgoed.

Lees ook: Pre-internet in de polder
De Digitale Stad herleeft: Een case studie voor webarcheologie


Archiefstukken:

Meer tips ➱

Verder speuren:

Bekijk ook onze uitgebreide onderwerpenlijst of het personenregister