Hoe het Palestijnse vraagstuk bijdroeg aan de ondergang van Libanons Eerste Republiek

9 minuten leestijd
Standbeeld op het Martelarenplein in Beiroet, zwaar beschadigd tijdens de Libanese Burgeroorlogen, 1982
Standbeeld op het Martelarenplein in Beiroet, zwaar beschadigd tijdens de Libanese Burgeroorlogen, 1982 (CC BY 2.0 - James Case - wiki)
Libanon, de republiek die grenst aan Israël en Syrië, is vaak in het nieuws, zeker sinds de Israëlische invasie in oktober 2024. In zijn nieuwe boek Libanon beschrijft Jona Lendering de geschiedenis van het kleine land. Al eeuwenlang vormt Libanon een brug tussen Oost en West. Lendering vertelt over de Feniciërs, het hellenisme, de Romeinse tijd, het christendom, de islam, het graafschap Tripoli en het ontstaan van het huidige Libanon. Op Historiek plaatsen we een fragment uit zijn boek, over Libanon’s recentere geschiedenis, na de stichting van Israël.

De Burgeroorlogen

Gebeurtenissen in het kleine Libanon zijn vaak veroorzaakt door ontwikkelingen elders. Ook de Libanese Burgeroorlogen zijn daarvan een voorbeeld. Het land kampte sinds de onafhankelijkheid met problemen, maar in de jaren zestig kwamen oplossingen in zicht. Dat het in de jaren zeventig niet beter is gelopen, lag minder aan de Libanezen dan aan het onvermogen van de internationale gemeenschap om een vreedzame oplossing te vinden voor het Palestijnse vraagstuk.

‘Eventueel heeft men het over harb al-akharin, “de oorlog van de anderen”, wat de eigen verantwoordelijkheid minimaliseert’

De aankomst van gewapende vluchtelingen vormde de aanleiding tot drie soorten conflict, die tussen 1975 en 1990 gelijktijdig werden uitgevochten. Om te beginnen was er de strijd tussen de Palestijnen en Israël: een conflict in Libanon tussen niet-Libanese partijen. Het had enorme gevolgen voor Libanon, want het zette de confessies tegen elkaar op. Er ontstonden milities die elkaar gewapenderhand begonnen te bestrijden. Als strijd van Libanezen tegen Libanezen waren dit per definitie burgeroorlogen. Het derde soort conflict was de oorlog van de staat Libanon tegen vreemde mogendheden: toen de zaken eenmaal waren ontspoord, schonden Syrië en Israël de Libanese soevereiniteit. Er was dus vijftien jaar geweld tussen niet-Libanese partijen, tussen Libanezen onderling, en tussen Libanon en zijn buitenlandse vijanden.

Historici zoeken nog altijd naar een naam voor deze gewelddadige periode. De in ons taalgebied gangbare aanduiding “Libanese Burgeroorlog” is misleidend: het enkelvoud doet geen recht aan de complexiteit en de landsnaam verbergt dat het deels een geïmporteerd conflict was. In de Franse literatuur is sprake van “guerre du Liban”, wat misleiding verruilt voor vaagheid. Als Libanezen in gezelschap zijn van mensen met andere politieke meningen, spreken ze van “de problemen” of “de onenigheid”. Opnieuw vaag. Eventueel heeft men het over harb al-akharin, “de oorlog van de anderen”, wat de eigen verantwoordelijkheid minimaliseert. Dat de bloedige ondergang van Libanons Eerste Republiek in mijn boek zal zijn aangeduid als “de Burgeroorlogen”, is een keuze bij gebrek aan alternatief.

Het Palestijnse vraagstuk

Libanon had zich zo goed mogelijk gehouden buiten de conflicten tussen Israël en de Arabische landen, maar die hadden wel gevolgen. Al sinds 1948 leefden Palestijnse vluchtelingen in Libanon. Na de Zesdaagse Oorlog (1967) kwamen daar gewapende verzetsgroepen bij, die het zuiden van het land gebruikten als basis voor aanvallen op Israël. Hun aanwezigheid riep gemengde reacties op: veel moslims sympathiseerden met de guerrillastrijders, terwijl veel christenen bang waren dat de Israëlische vergeldingsaanvallen de ontwikkeling van het land bedreigden. Israël had bijvoorbeeld, als wraak voor een Palestijnse aanval op een Israëlisch vliegtuig, in 1968 de luchthaven van Beiroet gebombardeerd.

Leden van het Volksfront voor de Bevrijding van Palestina (PFLP) in 1969
Leden van het Volksfront voor de Bevrijding van Palestina (PFLP) in 1969

In 1969 sloten de commandant van de Libanese strijdkrachten, Émile Boustani, en de Palestijnse leider Yasser Arafat in Caïro een wapenstilstand. Onder het toeziend oog van de Egyptische president Nasser stelden ze vast onder welke voorwaarden Libanon de Palestijnen zou tolereren. Daarbij kregen laatstgenoemden het gezag over de vluchtelingenkampen, en kregen vluchtelingen het recht zich aan te sluiten bij de strijdgroepen. De Palestijnen zegden toe de kampen niet voor training te zullen gebruiken en ver van burgerdoelen te zullen blijven, zodat Israëlische vergeldingsaanvallen geen burgers zouden treffen – toezeggingen die de Palestijnen niet zouden naleven. De overeenkomst in Caïro was een aantasting van de Libanese soevereiniteit, maar leek de minste van twee kwaden, temeer daar de organisatie van Palestijnse strijdgroepen, de PLO, op dat moment vooral actief was in Jordanië.

Rook boven Amma tijdens de Zwarte September (1970)
Rook boven Amma tijdens de Zwarte September (1970)
Dat veranderde enkele maanden later, toen het Jordaanse leger de Palestijnse strijdgroepen uitschakelde. Zonder onderscheid te maken tussen vluchtelingen en strijders, bombardeerde het de vluchtelingenkampen, waarbij volgens de laagste schatting ruim 3400 Palestijnen om het leven kwamen. Na deze “zwarte september” van 1970 trokken de verzetsstrijders naar Libanon, waar ze hun hoofdkwartier inrichtten in Beiroet. Het voetbalstadion werd in gebruik genomen als munitiedepot. De stadswijk, Fakhani, stond al snel bekend als onafhankelijke Palestijnse republiek. Een staat in een staat.

De aanwezigheid van naar schatting 400.000 Palestijnen op een bevolking van iets meer dan drie miljoen Libanezen, veranderde de publieke opinie, temeer daar er regelmatig schietpartijen waren tussen de Palestijnse strijders en het Libanese leger. De soennieten organiseerden een bewapende burgerwacht, de maronitische christenen hadden drie milities (de Tijgers van de familie Chamoun, de Marada van de familie Franjieh en de Falangisten van de familie Gemayel), de druzen kregen wapens uit Libië, de sjiitische Amal-beweging raakte verdeeld tussen vreedzame en minder vreedzame aanhangers, de Libanese politici veranderden in krijgsheren. Het enige voordeel van de dreigende situatie was dat Libanon te verdeeld was om in 1973 deel te nemen aan de Oktoberoorlog. Twee jaar later gleed het land alsnog weg.

De Eerste Burgeroorlog (1975-1976)

Op zondag 13 april 1975 openden schutters het vuur op de maronitische leider Pierre Gemayel, die in een kerk een doopplechtigheid had bijgewoond. Hij overleefde de aanslag, maar er vielen vier doden, waaronder de vader van de dopeling. Het is nooit met zekerheid vastgesteld wie de schutters waren, maar destijds kregen de Palestijnen de schuld. De militie van de familie Gemayel, de Falangisten, nam wraak door een bus met Palestijnen aan te vallen. Er vielen zevenentwintig doden. De gebeurtenis geldt als het begin van het geweld.

Pierre Gemayel in 1967
Pierre Gemayel in 1967
In de volgende maanden werd er sporadisch gevochten. De regering was verdeeld over het inzetten van het leger en de premier trad af, waardoor het initiatief kwam te liggen bij de milities. Als de regering de orde niet kon herstellen, moesten anderen het doen. Kamal Jumblatt, de leider van de druzen, verenigde enkele groepen om zo Gemayels Falangisten te isoleren, maar die kregen daarop steun van de andere maronitische milities. Beide coalities kregen versterking uit het Libanese leger, waar soldaten deserteerden om zich aan te sluiten bij een van de strijdende partijen. De gevechten vonden aanvankelijk vooral plaats in de buurt van de haven van Beiroet, waar sluipschutters een goed uitzicht hadden vanuit de hoge hotels. De locatie was onheilspellend, want je vecht alleen om de beheersing van een haven als je je grootschalig wilt bevoorraden en je voorbereidt op een groot conflict.

Mocht er nog hoop zijn geweest, dan vervloog die op 6 december 1975, toen bij Beiroet de lijken werden gevonden van vier vermoorde christenen. Pierres zoon Bashir Gemayel gaf de Falangisten bevel wraak te nemen. Ze plaatsten wegversperringen in de stad om voorbijgangers te vragen naar hun legitimatiepapieren, waarop hun confessie stond vermeld. Palestijnse en Libanese moslims werden vermoord. Hun geloofsgenoten namen op hun beurt wraak, en zo kwamen die dag minstens tweehonderd mensen om het leven. Vanaf dit moment waren de milities openlijk met elkaar in oorlog.

Vervolgens werd de PLO het conflict binnengezogen. De directe aanleiding was een Falangistische aanval op het vluchtelingenkamp Qarantina, gelegen tussen het christelijke Oost-Beiroet en de haven. Bij wijze van wraak moordden de Palestijnen de bevolking uit van het kustplaatsje Damour, halverwege Beiroet en Sidon. Niet alleen was er nu een derde partij bij de strijd betrokken, de gevechten waren nu ook niet langer beperkt tot Beiroet. Die stad begon nu ook steeds meer verdeeld te raken in een westelijk, soennitisch deel, en een oostelijk, christelijk deel. De grens kwam bekend te staan als de “groene lijn”. Beiroeti’s die dat konden, trokken weg naar de buitenwijken, zodat een badplaats als Jounieh uitgroeide tot een flinke stad.

Hafez al-Assad
Hafiz al-Assad
Hoewel in de winter van 1975/1976 geen van de partijen een overwinning wist te behalen, waren de maronitische milities vaker in de verdediging dan hun tegenstanders. De groeiende anarchie in Libanon maakte de inmenging onvermijdelijk van een vierde partij: Syrië, dat de grens met Libanon nooit had erkend en inmiddels urgente redenen had om te interveniëren. President Hafiz al-Asad was namelijk bang dat als de maronieten werden verslagen, de onrust zou overslaan naar zijn land. In maart concludeerde ook de president van Libanon, Suleiman Franjieh, dat het Libanese leger niet langer in staat was de orde te handhaven. De Syriërs konden het wel, meende hij, en daarom nodigde hij ze uit. Met deze verklaring van onvermogen was de Libanese staat de eerste verliezer in het driedubbele conflict.

In het voorjaar begonnen Syrische troepen met het verdrijven van de PLO uit enkele strategische posities in Midden-Libanon. Feitelijk schoten ze daarmee de maronieten te hulp. De Arabische Liga, het samenwerkingsverband van Arabische landen, wist in oktober een wapenstilstand te bewerkstelligen, waarna de organisatie Syrië het mandaat verleende om met 40.000 soldaten Libanon te bezetten. De overwegend soennitische stad Chtaura, waar de weg van Beiroet naar Damascus de Bekaa bereikt, zou nog decennia dienen als Syrisch hoofdkwartier.

Eind 1976 leek Libanon echter tot rust te zijn gekomen na wat op dat moment een kort maar heftig conflict leek te zijn geweest tussen Palestijnen en Israëli’s, tussen Libanezen onderling en tussen Libanon en Syrië. De diepere oorzaken waren echter niet weggenomen. Eén factor werd zelfs erger: de door de Syriërs uit Midden-Libanon verdreven Palestijnse strijders trokken nu naar het zuiden, waar de burgerbevolking niet voor het eerst of laatst te maken kreeg met Israëlische represailles. Er waren dus gevechten tussen de Palestijnen en gewapende aanhangers van de Amal-beweging, hoezeer imam Musa as-Sadr ook probeerde escalatie te vermijden.

Intermezzo (1976-1981)

In de tussentijd had het Libanese parlement een nieuwe president gekozen, Elias Sarkis, die een vriendschappelijke relatie met Syrië onderhield en een begin wilde maken met de wederopbouw. Daarom liet hij zijn premier Salim al-Huss een kabinet van neutrale technocraten samenstellen, die bij decreet regeerden. Het kabinet had enig succes: toen in maart 1977 de druzenleider Jumblatt werd vermoord, bleef de onvermijdelijke ronde van wraak en weerwaak beperkt. Het kabinet faalde echter in het herstel van het Libanese leger.

‘De Palestijnen en de Israëli’s bleven elkaar beschieten’

Daardoor konden in het voorjaar van 1978 de zaken weer uit de hand lopen. Ongehinderd door het Libanese leger konden Palestijnse strijders zich voorbereiden op een aanval op Israël. Ze gingen bij Haifa aan land, vermoordden badgasten, kaapten een bus en schoten de passagiers dood. Israël sloeg meteen terug door een veiligheidszone in te stellen in het zuiden van Libanon, waar de door de Syriërs uit Midden-Libanon verdreven Palestijnse strijdgroepen zich inmiddels hadden gehergroepeerd.

UNIFIL-checkpoint in Zuid-Libanon
UNIFIL-checkpoint in Zuid-Libanon (CC BY-SA 2.0 – Marco K. – wiki)

De Veiligheidsraad van de Verenigde Naties eiste dat Israël zich zou terugtrekken en stelde UNIFIL (United Nations Interim Force in Lebanon) in, een strijdmacht die de rust bezuiden de rivier de Litani moest garanderen. Dat bleek nagenoeg onmogelijk, want de Palestijnen en de Israëli’s bleven elkaar beschieten. Bovendien organiseerde Israël een eigen militie in de regio, wat de toch al ingewikkelde situatie nog verder compliceerde. Zowel Nederland als België leverden soldaten aan UNIFIL, dat inmiddels al een kleine halve eeuw interim aanwezig is.

Wijngaard in de Bekaavallei in Oost-Libanon
Wijngaard in de Bekaavallei in Oost-Libanon (CC BY-SA 3.0 – Bertramz – wiki)

Hoewel het er elders in het land iets rustiger aan toeging, was het ook daar verre van vreedzaam. De maronitische milities verenigden zich tot één strijdmacht, de door Bashir Gemayel geleide Lebanese Forces, en bevrijdden het oostelijke, christelijke deel van Beiroet van de Syrische bezetting. Met geweld. Veel Palestijnen waren vanuit het zuiden gevlucht naar Sidon en Beiroet, wat leidde tot spanningen in de vluchtelingenkampen. Opnieuw geweld. Er waren ook gevechten in het soennitische Tripoli en in het sjiitische zuiden, wat menigeen deed besluiten naar Beiroet te verhuizen. Ten zuiden van de stad, tussen de Palestijnse kampen en het vliegveld, breidden de sjiitische sloppenwijken zich verder uit.

Libanon - Jona Lendering
 
Voor zover er rust was, werd die verstoord in de winter van 1980/1981. De militie van de maronitische familie Gemayel, de Falangisten, was begonnen een weg over het Libanongebergte aan te leggen naar het christelijke stadje Zahlé in de Bekaavallei. De Syriërs legden het uit als een aanvalsroute waarlangs Israël, dat de Falangisten voorzag van wapens, de Bekaavallei kon bereiken. Vanuit Zahlé was het maar een paar minuten naar het Syrische hoofdkwartier in Chtaura, waar Israël de aanvoerlijnen van het bezettingsleger simpel kon afsnijden. Daarom zegden de Syriërs, die in 1976 de Falangisten nog hadden geholpen, de samenwerking op. Een Syrische poging Zahlé in te nemen, liep uit op een mislukking, al was de stad zwaar beschadigd.

De Syrische president Asad koos nu voor samenwerking met de PLO. Libanon leek het strijdtoneel te worden van een oorlog van enerzijds Israël en de Falangisten tegen anderzijds de PLO en Syrië. En zoals achter Israël altijd Amerika stond, zo stond achter Syrië de Sovjet-Unie. Libanon dreigde te verworden tot strijdtoneel in de Koude Oorlog en omdat iedereen deze escalatie vreesde, kwamen Israël en de PLO in juli 1981 een wapenstilstand overeen. Voor het eerst sinds de jaren zestig was het rustig aan Libanons zuidgrens.

×