Over teruggave van kunstvoorwerpen en andere culturele objecten door Nederland aan Indonesië is heel wat geschreven. Bijvoorbeeld over de befaamde Dubois-fossielencollectie. Maar over getouwtrek om buitgemaakte archiefstukken verneemt het grote publiek niets. Toch is dat belangrijk met het oog op goede geschiedschrijving. Daarom een blik op die archiefkwestie, met in de hoofdrol de zogenoemde Djogdja Documenten.
“De Zweden waren mogelijk de eersten die in oorlogstijd grootschalig archieven plunderden”, schreef de Oostenrijkse historicus Leopold Auer in 2017. Tijdens de Dertigjarige Oorlog (1618-1648) maakten Zweedse troepen zich meester van onder meer het archief van de keurvorst van Mainz. Daardoor bezit nu niet het Duitse Bundesarchiv maar het Zweedse Riksarkivet twee belangrijke documenten van kerkhervormer Luther: de brief hij die op 31 oktober 1517 schreef aan Albrecht von Brandenburg, aartsbisschop van Mainz, plus een bijlage met daarin Luthers beroemd geworden 95 stellingen.

Dat documenten belangrijk zijn, wisten de Romeinen al: ‘Quod non est in actis, non est in mundo’ (wat niet in de stukken staat, bestaat niet). Bij de Romeinen was dat een uitgangspunt in de rechtspraak, maar het gaat evenzeer op voor geschiedschrijving en politiek. Zo stelde de Franse filosoof Jacques Derrida (1930-2004): “Er is geen politieke macht zonder controle over de archieven”. Het woord archief stamt dan ook van het Griekse ’αρχη (archè): overheid, regering, heerschappij. Overigens kan ‘wat niet in de stukken staat, bestaat niet’ ook worden omgedraaid: als het wel in de stukken staat, bestaat het. Ziedaar waarom overheden archiefstukken soms niet bewaren maar laten verdwijnen.
Operatie Kraai en de jacht op documenten
En toen werd het 19 december 1948. Die dag begonnen Nederlandse troepen in Indonesië de tweede veldtocht om de archipel weer in handen te krijgen. Nederland repte over de ‘tweede politionele actie’ (officieel: Operatie Kraai), Indonesiërs over ‘agresi militer Belanda kedua’ (tweede Nederlandse militaire agressie). Nederlands hoofddoel: verovering van de Midden-Javaanse stad Yogyakarta en uitschakeling van de daar zetelende regering van de op 17 augustus 1945 uitgeroepen Republiek Indonesië.
Dat doel werd grotendeels bereikt, alleen al omdat het republikeinse leger, wetende dat het tegen de Nederlandse overmacht niet was opgewassen, zich uit Yogyakarta terugtrok. Buiten de stad werd de door tuberculose getroffen opperbevelhebber, Soedirman, in een draagstoel van dorp naar dorp gebracht. In Yogyakarta werd de Republiek ‘onthoofd’. President Soekarno, vicepresident Mohammed Hatta en zo’n twintig andere prominenten werden door Nederlandse troepen opgepakt en afgevoerd. Op Sumatra nam een noodregering de zaken over – een tegenvaller voor Nederland.

Maar er gebeurde nog iets. Op allerlei plekken in Yogyakarta maakten Nederlandse militairen zich meester van papieren van functionarissen en instellingen van de Republiek. In de literatuur staat vaak dat de NEFIS dat deed, maar formeel klopt dat niet. De NEFIS (Netherlands Forces Intelligence Service) was in de Tweede Wereldoorlog in Australië opgezet. Taak: informatie verzamelen over wat er in het door Japan bezette Indië gebeurde. Na de Japanse capitulatie (15 augustus 1945) kreeg de NEFIS toegang tot de archipel. Het hoofdkwartier werd gevestigd in Bandung (West-Java). Als vrij snel maakte de NEFIS hier en daar documenten van de Republiek buit. Dat ging in een hogere versnelling toen Yogyakarta eind 1948 was ingenomen. Maar de inlichtingendienst heette toen niet meer NEFIS. Na een maandenlange reorganisatie werd deze in september 1948 omgevormd tot Centrale Militaire Inlichtingendienst (CMI). Dat was dus drie maanden voor de aanval op Yogyakarta.
In Yogya werd veel republikeinse documentatie buitgemaakt. Het was een soort hoofdprijs, want aan republikeinse documenten kenden de Nederlandse inlichtingenmensen de hoogste betrouwbaarheid toe: A1. Er werden papieren ingepikt van onder anderen de republikeinse leiders Soekarno, Mohammed Hatta, Haji Agoes Salim, Ali Sastroamidjojo en Roeslan Abdulgani.

Ook maakten de Nederlanders zich meester van documenten van de republikeinse ministeries van onder meer Buitenlandse Zaken, Defensie en Financiën. Niet ver van Yogya werden ook papieren buitgemaakt in het plaatsje Kaliurang, op de hellingen van de vulkaan Merapi. Het betrof documentatie van de daar verblijvende republikeinse delegatie, die onder leiding van de door de Verenigde Naties ingestelde Commissie van Goede Diensten had onderhandeld met een Nederlandse delegatie.

…welke arbeid, hoewel nog lang niet voltooid, thans voldoende voorlopige resultaten heeft opgeleverd om de Nederlandse Regering een duidelijk beeld te geven van het bedrog en de leugen, de systematische vijandigheid en arglistigheid, waarmede de Republikeinse Regering steeds op elk terrein van aanraking het Nederlandse gezag is tegemoet getreden na de Renville-overeenkomst, een overeenkomst die juist beoogde de voorwaarden te scheppen voor eerlijke en wezenlijke toenadering van partijen in het Indonesisch geschil.
Drie doelen
Nederland wilde met het materiaal drie dingen aantonen. Ten eerste dat de Republiek betrokken was bij aanvallen op Nederlandse militairen en burgers en dat meer aanvallen in Nederlands gebied werden gepland. Dat was in strijd met het Renville-akkoord (januari 1948). Ten tweede dat de Republiek geld verdiende met illegale opiumhandel. Dat klopte. Van de opbrengst van opiumsmokkel naar Singapore kocht de Republiek wapens. Die opium was het restant van de vroeger door de Nederlands-Indische overheid aangelegde voorraad voor verkoop aan Chinezen op Java.

In de derde plaats wilde Nederland aantonen dat republikeinse leiders sterke banden hadden met communistische groepen, waarbij de Communistische Partij van Malaya werd genoemd. Dat was opvallend. In september 1948 hadden Indonesische troepen die trouw waren aan de republikeinse regering namelijk in Madiun (Oost-Java) een communistische opstand onderdrukt, waarmee de Republiek vooral in de Verenigde Staten een goede indruk had gemaakt. Nederland wilde echter aantonen dat republikeinse leiders nog banden hadden met andere communisten dan die van de in Madiun verslagen Partai Komunis Indonesia (PKI).
Het werd allemaal op papier gezet, maar wat werd gebruikt in het internationale diplomatieke verkeer maakte op andere landen geen indruk. Met het onderdrukken van de Madiun-opstand had de Republiek in het Westen veel goodwill gewonnen, Nederland had met de tweede ‘politionele actie’ juist veel verspeeld. Besloten werd het eindrapport met beschuldigingen maar niet te publiceren, ook al om onderhandelingen met een gematigd man als de republikeinse vicepresident Hatta niet in gevaar te brengen.
Na de soevereiniteitsoverdracht
Tijdens de Ronde Tafel Conferentie in Den Haag (eind augustus tot begin november 1949) werden Indonesiërs en Nederlanders het uiteindelijk eens. Op 27 december 1949 zou Nederland in het Paleis op de Dam in Amsterdam de soevereiniteit over de archipel overdragen aan de Republik Indonesia Serikat (RIS, Verenigde Staten van Indonesië). Slechts vier dagen vóór die plechtigheid stak op Java een schip van wal met aan boord het NEFIS/CMI-archief, inclusief de in Yogya buitgemaakte documenten. In Den Haag belandde alles eerst bij het ministerie van Uniezaken en Overzeese Rijksdelen (dat onder die naam bestond in de periode 1949-1953), nadien raakte het verspreid over meer instanties.

In de jaren na de soevereiniteitsoverdracht werd de Nederland-Indonesische relatie steeds slechter. Dat kwam doordat Indonesië zich onder president Soekarno steeds meer van het Westen afkeerde en door het conflict over Nieuw-Guinea. Pas vanaf 1965, toen generaal Soeharto de touwtjes in Indonesië in handen had genomen en president werd, ging het weer beter. Die politieke ontwikkelingen hadden hun weerslag op de archiefwereld.
Zo begon op Nederlands initiatief in 1954 een samenwerkingsproject met het Arsip Nasional Republik Indonesia (ANRI). Dat Arsip Nasional is de voortzetting van het in 1892 gestichte Landsarchief van Nederlands-Indië. Aanvankelijk huisde het ANRI in het onderkomen dat het Landsarchief in 1925 had betrokken (huidig adres: Jalan Gajah Mada No. 111 in Jakarta). Het pand was in 1760 aan het toenmalige Molenvliet gebouwd als woning van de hoge ambtenaar van de Vereenigde Oostindische Compagnie (VOC) Reinier de Klerk, die later gouverneur-generaal van Indië werd. Begin 1998 – het ANRI was al in 1974 verhuisd naar de Jalan Ampera Raya – is het complex gerestaureerd en sindsdien wordt het gebruikt voor culturele activiteiten.

Het in 1954 begonnen project betrof de Dagregisters (1683-1807) van Kasteel Batavia, de VOC-zetel in Indië. Die documenten lagen in het Landsarchief en dus vervolgens in het Arsip Nasional. De 23.000 pagina’s zouden op microfilm worden gezet, maar in 1957 kwam er een kink in de kabel. Het Nederlandse team kreeg te horen dat het per direct niet meer welkom was. De Nederlanders vermoedden dat de Indonesische archivaris handelde in opdracht van hogerhand. Tot op heden (2026) is de Dagregister-collectie van het Nationaal Archief in Den Haag nog steeds incompleet.
De verhouding werd er niet beter op toen in 1964 Marie Antoinette Petronella Meilink-Roelofsz het Arsip Nasional bezocht. Bij het Algemeen Rijksarchief (sinds 2002 het Nationaal Archief) was ze directeur van de toenmalige Eerste Afdeling, die archivalia van vóór 1795 beheerde. Over het Arsip Nasional was ze slecht te spreken. Indonesië ‘faalt vreselijk in zijn taak’, noteerde ze. Veel beter was dat volgens haar bij het nationale archief van Maleisië. Het zal de Indonesiërs niet zijn ontgaan dat ze daarmee lof toezwaaide aan de man die door Unesco, de culturele en onderwijsorganisatie van de VN, in 1963 was aangesteld als toezichthouder bij het Maleisische nationale archief (maar feitelijk functioneerde als directeur). Dat was F.J.R. Verhoeven, oud-Landsarchivaris van Nederlands-Indië.

Culturele samenwerking en uitwisseling
Na 1965 verbeterde de relatie van Indonesië met het Westen, ook met Nederland. In juli 1968 kwam de ‘Overeenkomst inzake culturele samenwerking tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Indonesië’ tot stand. Raden Adjeng Soemartini greep dat aan. Ze had geschiedenis gestudeerd aan de Universitas Indonesia en in Den Haag de Rijksarchiefschool bezocht. In de jaren 1970-1990 leidde ze het Arsip Nasional. In juni 1970 richtte ze zich per brief tot de Nederlandse ambassadeur in Jakarta en via deze tot de Nederlandse minister van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk, Marga Klompé (KVP), voor wie ze een memorandum bijsloot.

Al enkele jaren eerder had Nederland overigens laten blijken wat betreft kunstschatten en archieven liever geen termen te gebruiken als ‘restitution’ (teruggave) of ‘return’ (teruggave of terugkeer), maar de voorkeur te geven aan ‘transfer’ (overdracht). Het lijkt een nogal kansloze poging de koloniale context te verdoezelen.

Aan Nederlandse kant volgde het nodige gedoe. Rijksarchivaris A.E.M. (Ton) Ribberink meldde zorgen van zijn staf over de privacy van nog levende personen die in de stukken voorkwamen. Hij voelde er daarom voor geen documenten aan Indonesië te geven, maar die te laten microfilmen en zijn staf te laten zorgen voor het waarborgen van privacy. Dat wekt het vermoeden dat Ribberink dacht aan eventueel weglakken van namen of achterhouden van documenten. De Nederlandse ambassadeur in Jakarta, P.W. Jalink, zag het anders. Aan het ministerie van Buitenlandse Zaken schreef hij dat Indonesië ongetwijfeld met microfilms geen genoegen zou nemen en de originele documenten terug zou willen. Het leek hem…
…heel moeilijk te verdedigen waarom dit materiaal, dat par excellence behoort aan Indonesië, niet in originele vorm zou kunnen worden teruggegeven.

‘Djogdja Documenten’
Inmiddels werd het eind 1948 door Nederland in Yogyakarta buitgemaakte Indonesische materiaal aangeduid als de ‘Djogdja Documenten’. Die naam is vermoedelijk ontstaan in correspondentie tussen Nederlandse instanties. De schrijfwijze ‘Djogdja’ is ongewoon. De stad wordt en is door de jaren heen aangeduid als Yogyakarta, Jogjakarta, Djogjakarta en verkort als Yogya, Jogja en Djogja, de naam is soms met een c of een k geschreven in plaats van een g, maar nooit als Djogdja zoals in ‘Djogdja Documenten’.
Eind 1974 verklaarde rijksarchivaris Ribberink dat wat hem betreft de Djogdja Documenten ‘transportklaar’ waren. Maar het Haagse geharrewar nam geen eind. Vooral het ministerie van Buitenlandse Zaken toonde zich weinig coöperatief. Medio 1975 viel dan toch het besluit: de originele Djogdja Documenten zouden naar Indonesië gaan (het Algemeen Rijksarchief maakte voor zichzelf kopieën) en van de bijbehorende formulieren (‘geleidebrieven’) waarop NEFIS/CMI aantekeningen had gemaakt zouden kopieën naar Jakarta worden gestuurd, terwijl de originelen in Den Haag zouden blijven.
De overdracht van de Djogdja Documenten vond plaats in aanvankelijk twee zendingen. De eerste ging eind 1975 naar Indonesië: 83 mappen met documenten. In mei 1976 volgden zes archiefdozen met 277 enveloppen en mappen. De definitie van wat wel en niet tot de Djogdja Documenten hoorde, was overigens een Nederlandse zaak geweest, net als het sorteren van de documenten die naar Jakarta zouden gaan. Geen Indonesische archivaris kwam daaraan te pas. Welke criteria zijn gebruikt voor de selectie is onbekend, valt althans in de archiefbeschrijvingen in het Nationaal Archief niet te traceren.

Terug nu naar Soemartini. Diverse keren vroeg ze Nederland om meer materiaal. Ze stelde de zaak in 1983 opnieuw aan de orde in een Nederlands-Indonesische commissie die zich bezighield met musea, monumenten en archieven. Ze merkte op dat aan spullen bij het Algemeen Rijksarchief prioriteit was gegeven, maar dat het voor Indonesië belangrijk was ook toegang te krijgen tot andere verzamelingen. De Indonesiërs wisten dat er meer documenten waren van de regering van de Republiek Indonesië dan ze tot dan toe hadden teruggekregen.
Het leidde weer tot allerhande correspondentie, vooral intern in Den Haag. Opnieuw was vooral Buitenlandse Zaken bokkig. Het departement schreef bijvoorbeeld op 30 november 1984 aan het Algemeen Rijksarchief dat zestien documenten werden achtergehouden, omdat ze de belangen zouden kunnen schaden van nog levende, prominente Indonesiërs zoals Hatta. Nogal merkwaardig, aangezien Hatta in 1980 was overleden. Het Algemeen Rijksarchief legde zich er echter niet bij neer en in november 1987 ging nog een kleine zending naar Jakarta, gevolgd door drie archiefdozen in 1994.

Ideaal voor gebruikers is die archieflijst niet, zo laten Michael Karabinos en Rika Theo zien in ‘How to liberate the colonised archives’ (zie de bronnen onder deze bijdrage). Als voorbeeld noemen ze NEFIS-inventarisnummer 5722 waarover de Arsip Nasional-inventaris slechts meldt: ‘Berkas bulan Oktober-November 1948 tentang organisasi dan susunan Komando Djawa’ (Maanbundel oktober-november 1948 over de organisatie en samenstelling van het Java-Commando). De beschrijving in het Nationaal Archief geeft veel meer informatie: ‘Documenten over de organisatie van het Republikeinse leger; met besluit Hatta over rationalisatie/reconstructie Komando Djawa TNI, Jogjakarta, 28-8-1948; met richtlijnen over uitvoering besluit; met organieke samenstelling; met reorganisatie ministerie van defensie, Jogjakarta, 4-11-1948’. Hatta (op dat moment behalve vicepresident ook minister van Defensie) was bezig met een herstructurering van het republikeinse leger, dat hij kleiner maar beter wilde maken.
Aanvankelijk waren trouwens ook de beschrijvingen in het Algemeen Rijksarchief van beduidend mindere kwaliteit. Nadien is dat sterk verbeterd. Hoe dat zit, valt bij de ‘Inbeslaggenomen, gevonden en buitgemaakte documenten’ te lezen: ‘De beschrijvingen van de documenten, deel uitmakende van deze serie 3013-7112, zijn in 2016 vervangen door uitgebreidere beschrijvingen, vervaardigd door dr. Harry A. Poeze, senior researcher bij het Koninklijk Instituut voor Taal-, Land- en Volkenkunde. In deze vernieuwde beschrijvingen is getracht zoveel mogelijk te verwijzen naar persoonsnamen, organisatienamen, plaatsnamen en data. Met de zoekfunctie kunnen onderzoekers heel veel meer vinden dan in de oorspronkelijke, veel soberder beschrijvingen.’

En dan was er nog de kleine zending van november 1987. Het betrof een bundel die Haagse archivarissen niet vonden in het NEFIS/CMI-archief, maar in het archief van de (Nederlands-Indische) Algemene Secretarie. In die bundel zaten archivalia van Abdoel Gaffar Pringgodigdo, in 1945 lid van het voorbereidingscomité voor de onafhankelijkheid van Indonesië. Dat comité besprak onder meer de grondwet van de nieuwe staat. Onder druk van het Soeharto-bewind werd het archief van Abdoel Gaffar Pringgodigdo echter voor het publiek gesloten, net als dat van diens broer Abdoel Kareem Pringgodigdo. Openbaarheid van oude grondwetdebatten kwam het ondemocratische Soeharto-regiem kennelijk politiek niet goed uit. Pas enkele jaren na Soeharto’s aftreden in mei 1998 gingen de archieven van de broers Pringgodigdo open voor onderzoekers.

Aan Indonesische kant waren er ook in die eerste jaren van de Republiek grote meningsverschillen. Dat valt uitgebreid te lezen in bijvoorbeeld de even dikke (drie kloeke delen) als uitstekende biografie over de revolutionair Tan Malaka, Verguisd en vergeten (2007), geschreven door de al genoemde Harry Poeze. Ongetwijfeld komt politieke verdeeldheid ook aan de orde in de door NEFIS/CMI buitgemaakte Indonesische documenten. Die kunnen Indonesische historici helpen een waarheidsgetrouwer beeld te schetsen dan het gebruikelijke overheidsverhaal.
Afgaande op de inventaris in het Arsip Nasional liggen daar nu 356 documenten die uit het NEFIS/CMI-archief zijn gehaald. Zijn daarmee alle aan Indonesië toebehorende documenten die NEFIS/CMI in 1945-1949 buitmaakte teruggegeven? Nee allerminst, zo valt in de wetenschappelijke literatuur te lezen. Zo noteren Karabinos en Theo in ‘How to liberate the colonised archives?’ dat de 75,5 meter aan NEFIS/CMI-archief bij het Nationaal Archief ruim 7.300 inventarisnummers bevat en het onderdeel ‘inbeslaggenomen, gevonden en buitgemaakte’ documenten zo’n 4.100 inventarisnummers. Alleen uit dat onderdeel zijn de Djogdja Documenten geselecteerd: slechts 356 stuks.

Uit de wetenschappelijke literatuur valt bovendien op te maken dat er stukken moeten zijn waarvan niet eens bekend is waar ze zich bevinden in Den Haag – en sommige zelfs in andere landen, doordat NEFIS/CMI soms documenten gaf aan buitenlandse diplomaten en andere functionarissen. Dat stemt niet vrolijk, maar misschien kan toch een sprankje hoop worden gekoesterd. In maart 2020 werd een kris geretourneerd die heeft behoord aan prins Diponegoro (1785-1855) uit Yogyakarta. Die kris was in het Rijksmuseum voor Volkenkunde in Leiden bijna anderhalve eeuw geleden in de anonimiteit verdwenen en daarna onvindbaar, maar toch weer boven water gekomen.
Dus een sprankje hoop ja, maar nog geen aanleiding om te denken dat de dekolonisatie van op Indonesië betrekking hebbende archieven snel zal zijn afgerond.
– Sadiah Boonstra: Beyond the point of no return: The re-emergence of Indonesian debates about concepts of the return of cultural objects. In: Sadiah Boonstra et al. (ed.): Rethinking Histories of Indonesia. Experiencing, resisting and renegotiating Coloniality (Canberra 2025).
– Michael Karabinos: Returning to the Metropole: The Indonesian National Archives and its changing role at the start of the New Order. In: Archives and Manuscripts Vol. 39 No. 2 (Crows Nest, New South Wales 2011).
– Michael Joseph Karabinos: Displaced Archives, Displaced History: Recovering the Seized Archives of Indonesia. In: Bijdragen tot de Taal-, Land- en Volkenkunde, 2013, Vol. 169, No. 2/3 (Leiden 2013).
– Michael Joseph Karabinos: The Shadow Continuum: Testing the Records Continuum Model through the Djogdja Documenten and the Migrated Archives. (Proefschrift Universiteit Leiden 2015)
– Michael Karabinos: Indonesian National Revolution Records in the National Archives if the Netherlands. In: James Lowry (ed.): Displaced Archives (London 2017).
– Michael Karabinos, Rika Theo: How to liberate the colonised archives? Describing the Djogdja Documenten after their return. In: Sadiah Boonstra et al. (ed.): Rethinking Histories of Indonesia. Experiencing, resisting and renegotiating Coloniality (Canberra 2025).
– Eric Ketelaar: Archival Temples, Archival Prisons: Modes of Power and Protection. In: Archival Science 2, 2002 (Amsterdam 2002).
– Rémy Limpach: Tasten in het duister. Inlichtingenstrijd tijdens de Indonesische onafhankelijkheidoorlog, 1945-1949 (Amsterdam 2023).
– Nationaal Archief: 1.11.06.01: Inventaris van microfilms en -fiches van elders berustende archiefbescheiden: Dagregisters Batavia, 1683-1807.
– Nationaal Archief: 2.10.62: Inventaris van het archief van de Marine en Leger Inlichtingendienst, de Netherlands Forces Intelligence Service en de Centrale Militaire Inlichtingendienst in Nederlands-Indië.
– NIOD Instituut voor Oorlogs-, Holocaust- en Genocidestudies: Research report on the Dubois collection (Amsterdam 2024), bijlage 3 bij: Advies en bijlagen van de Commissie Koloniale Collecties over de Dubois-collectie (Amersfoort 2025).
– Rika Theo: The Djogdja Documenten Revisited: Repatriation, Silence and the Seized Archives of the Decolonisation War. (Master Thesis Archival and Information Studies, Universiteit van Amsterdam 2021)
– Jiří Toman: The Protection of Cultural Property in the Event of Armed Conflict (Aldershot/Paris 1996).
– Wikipedia: Huis Reinier de Klerk, Gedung Arsip Nasional en Jan Marginus Somer.
Indonesische Onafhankelijkheidsoorlog (1947-1949)
‘VOC-archief ligt te vergaan in Indonesië’
KB en Nationaal Archief digitaliseren Indische geschiedenis
Indonesische historici bezien onafhankelijkheidsoorlog (1945-1950) anders dan Nederlandse
De ‘ontdekking’ van Nieuw-Guinea
Hans Goedkoop over het verzwegen KNIL-verleden
Op zoek naar de verhalen van Indische ‘voormoeders’