Op zoek naar nieuwe helden in onze koloniale geschiedenis

Is Nederland al rijp voor een Poncke Princenlaan?

De discussie rond onze controversiële, koloniale ‘helden’ is weer volop actueel sinds de verwijdering van een standbeeld van generaal Robert E. Lee aanleiding werd voor geweld in Charlottesville. Moeten we Jan Pieterszoon Coen, Piet Hein, Peter Stuyvesant en enkele anderen wel willen eren met pleinen, standbeelden, straten en tunnels? En als we dat niet willen, hoe moeten die pleinen, straten en tunnels dan gaan heten, zonder dat we aan zelfcensuur gaan doen?

Nadat het standbeeld van Jan Pietersz Coen in 2011 door een ongeluk van zijn sokkel viel, organiseerde het Westfries Museum een expositie in de vorm van een rechtszaak over deze beruchte Gouverneur-generaal (foto H.M.D. Dekker).
Standbeeld van Jan Pieterszoon Coen in Hoorn (foto H.M.D. Dekker)
Of je nu wel of niet van mening bent dat het tijd is voor een beeldenstorm, het is sowieso zinvol om eens te kijken naar de alternatieven. Want waarom noemen we onze pleinen, straten en tunnels niet naar de ‘good guys’ van onze koloniale geschiedenis? Die zijn er namelijk ook, maar helaas kent bijna niemand ze.

In alle eeuwen van ons overzeese verleden zijn voorbeelden te vinden van mensen zich hebben uitgesproken tegen onderdrukking, slavernij, moord en racisme. Soms werd er naar ze geluisterd, meestal niet. Hun klokkenluidersgedrag kwam hun carrière meestal niet ten goede. Het gevolg was dat ze de geschiedenisboekjes nooit hebben gehaald (met uitzondering van o.m. Multatuli). Door deze mannen en vrouwen te eren met een straat, plein of monument worden hun daden weer bekend bij het publiek. Straatnamen kunnen dan weer een verhaal vertellen waaraan we ons kunnen spiegelen, van levens die als voorbeeld kunnen dienen.

Daarom ging ik op zoek naar de nieuwe helden van onze koloniale geschiedenis. Zie het als een suggestie voor beeldenstormers en straatnamencommissies. Een omschrijving van een zevental inspirerende figuren uit onze koloniale geschiedenis die veel te lang in de schaduw hebben gestaan van de zeerovers, profiteurs en bloedjassen die onze geschiedenisboekjes en straatnaambordjes bevolken.

- advertentie -

1 – Laurens Reael

Laurens Reael
Laurens Reael
Naast het Realeneiland, één van de Westelijke eilanden in Amsterdam, zijn alleen in Utrecht, Haarlem en Den Haag straten naar Laurens Reael (1583-1637) vernoemd, terwijl zijn collega J.P. Coen wordt geëerd met een veelvoud aan vermeldingen en monumenten in heel Nederland.

Laurens Reael kunnen we beschouwen als de eerste koloniale dissident. Als gouverneur-generaal lag hij voortdurend overhoop met Coen over de te volgen strategie in Oost-Indië. Binnen de VOC ontstonden zelfs twee stromingen met Reael enerzijds en Coen anderzijds. Coen was de havik die terreur, moord en geweld geoorloofd vond in het bereiken van zijn doelen, terwijl Reael van mening was dat bij handel drijven toch vooral beide partijen moesten profiteren. Laurens protesteerde tegen de strafexpedities van de VOC tegen muskaat- en kruidnagelkwekers die het waagden met de Engelsen handel te drijven. Hij schreef herhaaldelijk aan de VOC-directie in Amsterdam over het gewetenloze optreden jegens de Molukse bevolking. Zo schreef hij:

“Wil men alle handelswaar in Indië hebben, waarvan zouden de indianen dan leven? Wil men ze doodsmijten en van honger laten sterven; daarmee is men ook niet geholpen, want in een ledige zee, op ledige landen en met dode mensen is gans geen profijt te doen.”

Vaak wordt gezegd dat het harde optreden van Coen paste bij de tijdgeest. Maar Laurens laat zien dat er ook weerstand was en dat een alternatieve benadering mogelijk was. Helaas bleek de directie in Amsterdam minder vatbaar voor gewetensbezwaren dan Reael. De Heeren XVII vonden hem te zwak en toegevend tegenover Engelsen en inlanders. Toen hij per brief in 1616 om zijn ontslag vroeg, werd dit hem direct verleend.

Reael werd opgevolgd door Coen als de hoogste bevelhebber van de VOC in Batavia. Coen liet later zien dat zelfs dode mensen profijt niet in de weg hoefden te staan. Hij liet de vermoorde bevolking van de Banda-eilanden eenvoudig vervangen door dwangarbeiders die geroofd werden uit andere delen van Azië.

Als de Coentunnel van naam moet veranderen dan is de Reaeltunnel misschien geen slechte suggestie.

2 – Jacques Specx

Jacques Specx
Jacques Specx
Jacques Specx (1585-1652) was een hoge VOC-officier en grondlegger van de handel met Japan en Korea. Aan zijn Japanse avonturen hield hij een dochter over die hij in 1622 meenam naar Batavia. In 1627 werd hij op aandringen van de VOC teruggeroepen naar Nederland. Zijn onorthodoxe manier van handelen en de verhalen over zijn buitenechtelijke, half-Japanse dochter, die hij volwaardig beschouwde, deden bij de VOC-top nogal wat wenkbrauwen fronsen. In Amsterdam trouwde hij een Nederlandse vrouw.

Zijn dochter Saartje Specx mocht, omdat ze half-Japans was, volgens de VOC-wetten niet mee naar Nederland. Zij bleef achter in Batavia als onderdeel van het huishouden van gouverneur J.P. Coen en zijn vrouw. Tijdens de afwezigheid van Jacques Specx werd Saartje betrapt tijdens het liefdesspel met vaandrig Pieter Cortenhoeff in de gouverneursresidentie. Coen was woedend dat zoiets verschrikkelijks in zijn huis plaats kon vinden en wilde ze allebei ter dood laten brengen. De rechter legde uiteindelijk een doodstraf op aan Pieter (onthoofding), terwijl Saartje werd veroordeeld tot openbare geseling.

Toen Jacques Specx in 1629 met zijn kersverse vrouw in Batavia terugkeerde was J.P. Coen juist twee dagen daarvoor overleden. Specx was woedend over wat er tijdens zijn afwezigheid met zijn dochter was gebeurd. Door de dood van Coen werd hij, als hoogste VOC-ambtenaar ter plaatse, tot ‘interim’ gouverneur van Oost-Indië benoemd. De rechtbank van Coen die het oordeel had uitgesproken kreeg het onder gouverneur Specx zwaar te verduren. Hij liet voortdurend weten dat hij de betrokkenen nooit zou vergeven. Door zijn invloed ontzegde de kerkenraad te Batavia de rechters deelname aan het Heilig Avondmaal, het toppunt van publieke schande. In tegenstelling tot Coen en de heersende moraal beschouwde Specx zijn buitenechtelijke, halfbloed dochter als een volwaardig gezinslid en een kalverliefde van pubers was voor hem geen reden voor doodvonnissen. Door zijn wrok kreeg Jacques Specx binnen de VOC-top veel vijanden. De Heeren XVII hebben hem nooit tot gouverneur-generaal benoemd en zijn carrière belandde op een zijspoor. Op latere leeftijd werd hij kunstverzamelaar in Amsterdam.

3 – Saartje Specx

Het verhaal van Saartje Specx (1617-1636) is al deels hierboven verteld. Zij trouwde in 1632 met dominee Georgius Candidius en vertrok naar Formosa (Taiwan). Candidius was de eerste dominee op Formosa en een van de zeldzame voorstanders van huwelijken tussen Europeanen en Aziaten. Met zijn huwelijk gaf hij zelf het goede voorbeeld. Het dramatische verhaal van Saartje gaat over interculturele relaties en de aanvankelijke weerstand daartegen. J.J. Slauerhoff schreef in 1930 een toneelstuk over Saartje en Coen waarvan de uitvoeringen tot in de jaren zestig door de overheid werden verboden. Het zou teveel het blazoen van de nationale held Coen bezoedelen.

Er zijn basisscholen in multiculturele buurten die naar J.P. Coen zijn vernoemd. Is de Saartje Specx school niet een betere naam?

4 – Jacob Haafner

Jacob Haafner
Jacob Haafner
In schoolboeken en straatnamen komt Jacob Godfried Haafner (1754-1809), een van Nederlands grootste schrijvers van reisverhalen, niet voor. In 1766 vertrok hij als twaalfjarige met zijn vader naar de oost. Zijn vader stierf al voor Kaap de Goede Hoop en Jacob kreeg onderdak in Zuid-Afrika in het gezin van een voorname VOC-ambtenaar. In dienst van de VOC kwam hij in India terecht waar hij Bengali, Tamil en Sanskriet leerde spreken. Hij was getuige van de Engelse veroveringen in India en de ellende en honger voor de bevolking die dat met zich mee bracht. Na verschillende omzwervingen door India en Zuid-Afrika was hij eind 1787 terug in Holland. Zijn spaargeld en beleggingen bleken niets waard en hij raakte zoals velen verwikkeld in een slepend financieel geschil met de VOC. Hij ondernam van alles en begon te schrijven. Van de gangbare, minachtende kijk op niet-Europeanen moest Haafner niets hebben:

“Ik acht alle menschen, ongeacht hun afkomst, als mijn medemenschen en broeders.”

In 1807 verscheen Verhandelingen over het nut der zendelingen en zendelings-genootschappen, waarschijnlijk het felste antikoloniale boek van Nederland.

Volgens Haafner faalde de zending in de koloniën omdat vrijwel alle Europeanen overzee een levende antireclame voor het christendom vormden. Over Europeanen in Azië schreef hij:

“Alle boeven, misdadigers en deugnieten, gevoegd bij luiaards, vagebonden en avonturiers ijlen zich derwaarts, vervuld met de brandende begeerte om zich te verrijken. Niets is hun heilig, voor niets staan zij, alles zullen zij ondernemen om maar hun zakken te kunnen vullen.”

Voor Multatuli was Haafner een belangrijke inspiratiebron. Meer dan een eeuw was Haafner een vrijwel vergeten figuur, tot rond 1995 zijn werken opnieuw werden uitgebracht. Zijn huis op de Hoogte Kadijk in Amsterdam staat er nog, maar informatie of een vermelding op de gevel over deze inspirerende bewoner ontbreekt.

5 – Baron van Hoëvell

Wolter Robert baron van Hoëvell
Wolter Robert baron van Hoëvell
In Limburg zijn enkele straten vernoemd naar telgen uit het adellijke geslacht van de Van Hövells, maar geen enkele straat werd tot nu toe genoemd naar Wolter Robert baron van Hoëvell (1812-1879), tijdgenoot en geestverwant van Multatuli.

Wolter Robert kwam uit de protestantse tak van de familie en studeerde theologie in Groningen. In 1836 vertrok hij als predikant naar Indië. Hij gaf daar een tijdschrift uit, waarin regelmatig kritieke stukken verschenen. Daardoor kwam hij in botsing met de koloniale autoriteiten. Na de cholera-epidemie van 1846 op Java schreef hij:

“Volk van Nederland, hebt gij gedaan wat gij kondt om de Javanen de zegeningen der Christelijke beschaving te brengen? Dat was uw plicht en uw roeping. Twee eeuwen lang zijn miljoenen en miljoenen van de handarbeid der inboorlingen in uw schatkist gevloeid en niets hebt gij teruggegeven. Gij hebt een natie van tien miljoen zielen onder uw juk doen bukken. Nu zijn er tienduizenden van ziekte en ellende gestorven en niemand heeft er notie van genomen…”

Veruit de meeste Nederlanders wisten niets over de gebeurtenissen in de koloniën. Zij dronken hun koffie met suiker zonder enig besef van de prijs die voor die koffie en die suiker werden betaald. De gangbare geschiedschrijving en berichtgeving over de koloniën stond vol met verdraaiingen en verzwijgingen. Het is dus aan mensen als Hoëvell en Multatuli te danken dat er iets over de waarheid aan het licht kwam.

Hoëvell werd in 1849 uit Oost-Indië gezet. Terug in Nederland werd hij tot zijn verrassing gekozen tot Tweede Kamerlid. Hij bleef zich inzetten om de behandeling van de bevolking in de koloniale gebieden in de publieke aandacht te houden. Ook Nederlands West-Indië had zijn belangstelling. Met het boek: Slaven en vrijen onder de Nederlandse wet uit 1854 viel hij de slavenhouders op de Antillen en in Suriname aan. Over de slavernij schrijft hij:

“Wij zijn een rijk land. Wandel langs de Keizersgracht en aanschouw de prachtige gebouwen. Elke woning is een paleis, maar de schatten, waardoor die paleizen werden opgetrokken, zijn voor een deel de uitgeperste levenssappen, het zweet en bloed van onder knellende geselslagen zich krommende slaven…”

Deze ruchtbaarheid, die een kleine groep publicisten gaf aan de rauwe werkelijkheid van de slavernij, maakte in het midden van de negentiende eeuw langzaam de publieke opinie rijp voor de opheffing ervan.

6 – Anton de Kom

Anton de Kom
Anton de Kom
Anton de Kom (1898-1945) wordt door veel Surinamers beschouwd als een soort ‘Vader des Vaderlands’. Zijn vader werd nog als slaaf geboren. Anton kwam in 1922 naar Nederland. Hij werkte als vertegenwoordiger van koffie, thee en tabak en werd politiek actief in linkse kringen van Indische studenten. Vanwege zijn linkse ideeën werd hij in 1932 ontslagen en keerde terug naar Suriname. De bevolking onthaalde hem als een bevrijder. Hij bewees dat Surinamers zich, ondanks racisme en kolonialisme, konden ontwikkelen en bevrijden. Niet lang daarna werd hij door de Nederlandse koloniale autoriteiten gearresteerd; zij beschouwden hem als staatsgevaarlijk. Zijn aanhangers eisten zijn vrijlating en de politie opende het vuur op de menigte, waarbij twee doden vielen. De Kom werd weer op de boot gezet naar Nederland waar hij minder schade kon aanrichten. Daar schreef hij zijn boek Wij slaven van Suriname. In 1940 sloot hij zich aan bij het communistische verzet. Vier jaar later werd hij gearresteerd. Hij kwam terecht in concentratiekamp Sachsenhausen waar hij dwangarbeid moest verrichten. In april 1945 stierf hij aan tuberculose. Zo eindigde de zoon van de vrijgelaten slaaf zijn leven als slaaf van de nazi’s. Postuum werd hem in 1983 het Verzetsherdenkingskruis toegekend.

In Den Haag en Middelburg is een Anton de Komstraat. Amsterdam Zuid-Oost, waar veel Surinamers wonen, kreeg een Anton de Komplein met een standbeeld onthuld in 2006. Hij wordt er afgebeeld met een ontbloot bovenlichaam. Enkele boze Surinamers bedekten het beeld na de onthulling met een Surinaamse vlag. ‘Anton de Kom moet op een waardige manier herdacht worden. We willen een aangekleed beeld, we zijn geen slaven meer,’ vonden zij.

Het originele ontwerp van het beeld werd door het Rijksmuseum aangekocht. Het heeft in 2015 een tijdje in de aankomsthal gestaan en is daarna in het depot verdwenen.

Anton de Kom krijgt dus al wat aandacht en erkenning. Toch kent bijna niemand buiten Surinaamse kringen zijn levensverhaal. Wordt het geen tijd voor een aangekleed beeld op een prominente locatie in Den Haag?

7 – Poncke Princen

Poncke Princen
Poncke Princen
Jan Princen (1925–2002), beter bekend als Poncke Princen, was een deserteur en overloper, maar bovenal een mensenrechtenactivist. In totaal bracht hij dertien jaar door in verschillende gevangenissen. Hij werd door de nazi’s, de Nederlanders en door de Indonesiërs onder Soekarno en Soeharto gevangen gezet.

Als Nederlands dienstplichtige weigerde hij in 1947 dienst te nemen in het KNIL. Hij werd gearresteerd en voor de keus gesteld: gevangenisstraf of direct op de boot naar Nederlands-Indië. Hij koos optie twee. Nadat hij zag hoe de Nederlanders tijdens de politionele acties in Indonesië optraden raakte hij er steeds meer van overtuigd dat hij aan de verkeerde kant van het conflict stond. In 1948 deserteerde hij en sloot zich aan bij de tegenstander, de Indonesische strijdkrachten.

Hij keerde terug naar het front, overviel wapendepots en probeerde zoveel mogelijk uit handen van de Nederlanders te blijven die een prijs van 50.000 gulden op zijn hoofd hadden gezet. Een dag voor de wapenstilstand werd zijn Indonesische vrouw door Nederlandse troepen gedood bij een overval, waarbij Princen ternauwernood wist te ontkomen. Wegens zijn verdiensten voor de kersverse republiek verleende president Soekarno hem de Guerrilla Star, een hoge onderscheiding.

“Waarom noemen we onze pleinen, straten en tunnels niet naar de ‘good guys’ van onze koloniale geschiedenis? Die zijn er namelijk ook.”

Princen werd Indonesisch staatsburger en werd in 1956 zelfs parlementslid. Door zijn rebelse aard en kritische opvattingen werd hij de luis in de pels van de jonge republiek en het duurde niet lang of Soekarno liet hem arresteren. Hij protesteerde voortdurend tegen mensenrechtenschendingen en corruptie. Hij zat gevangen in 1957-1958 en opnieuw onder Soeharto van 1962-1966.

Talloze dissidenten werden in Indonesië gevangen gezet en velen zijn zelfs volledig verdwenen, maar Poncke Princen was dankzij zijn status en Nederlandse afkomst bijna onaantastbaar. Hij werd voorzitter van een Indonesisch instituut voor de verdediging van mensenrechten, richtte een vakbond op en ijverde voor democratie.

In Nederland beschouwden sommigen hem als een moedig mens vanwege zijn principiële keuzes. Anderen, vooral oud-strijders, bleven hem in de eerste plaats zien als een verrader. In 1993 ging Hans van Mierlo in het geheim bij Poncke op bezoek. Op voorwaarde dat hij zich onopvallend zou gedragen, werd hem door Van Mierlo een visum voor Nederland verstrekt. Het was de enige keer dat hij zijn geboorteland terug zag. Een tweede bezoek ging niet door vanwege zijn gezondheid. In 2002 overleed Princen niet lang nadat hij, in een rolstoel gezeten, nog had deelgenomen aan een studentenprotest.

Inmiddels zijn de meeste veteranen van de politionele acties overleden. De vraag is dus: is Nederland al rijp voor een Poncke Princenlaan?

~ Huibert Teekens

Lees ook: “Dekoloniseer Nederlandse straatnamen”
Boek: Roofstaat – Wat iedere Nederlander moet weten

Bronnen

Roofstaat, Ewald Vanvugt
Inspirerend Amsterdam, Huibert Teekens
Er gaan dagen, ja weken voorbij zonder dat ik denk aan Willem…
Fragment van een Dode ee-rol
Zo af en toe is er iemand die weer oppert dat ’ie…

Dit atikel is afkomstig van online geschiedenismagazine www.historiek.net

Meer van dit soort berichten? Like ons dan!

Gelijk naar geschiedenisboeken over:
Ook adverteren op Historiek?
Goede keus! Klik hier