Aksum, het Ghanarijk en de migratie van de Bantoes
Het Afrikaanse koninkrijk Koesj werd in 300 n.Chr. veroverd door het koninkrijk Aksum, dat in het noordoosten van het continent tussen de Rode Zee en de Nijl opkwam (Aksum is nu een stad in Ethiopië). Uiteindelijk zou het koninkrijk Aksum, dat in de vierde eeuw n.Chr. het christendom omarmde, enkele welvarende steden omvatten en tot ver in de zevende eeuw een belangrijk handelscentrum blijven. Daarna kon het in de handel op de Middellandse Zee niet langer concurreren met de groeiende invloed van islamitische Arabieren. Aksum staat bekend om zijn architectuur, met name zijn 126 reusachtige stèles (indrukwekkende obelisken), waarvan enkele 34 meter hoog zijn.
Een andere Afrikaanse natie (en een van de eerste die door de Arabieren werden vermeld) was het koninkrijk Ghana in West-Afrika, dat in de achtste eeuw opkwam. Het koninkrijk moet niet worden verwisseld met het moderne Ghana, want het lag in een gebied dat nu een deel van Mali en het zuidoosten van Mauritanië beslaat. Het Ghanarijk groeide uit tot een belangrijk centrum voor de handel in goud, dat in het zuiden werd gedolven en met Arabische handelaren werd geruild tegen allerlei waren, waaronder zout. Het Ghanarijk raakte in de elfde eeuw in verval als gevolg van concurrentie met de islamitische Almoraviden.
De geschiedenis van de vroege Afrikaanse volken meer naar het zuiden is minder goed gedocumenteerd. Aangenomen wordt dat de taal en landbouwmethoden van Bantoesprekende volken uit Oost-Nigeria zich aan het begin van onze jaartelling hadden verbreid naar zuidelijk Afrika, waar ze de cultuur van jager-verzamelaars verdrongen. Tegen de achtste eeuw hadden zich aan de oostkust van Afrika steden ontwikkeld die banden onderhielden met koninkrijkjes in de binnenlanden. De inwoners spraken een taal die door de Arabieren later Swahili werd genoemd (wat in het Arabisch ‘van de kust’ betekent).
De geboorte van de islam
Rond 610 n.Chr. kreeg een Arabische koopman uit Mekka met de naam Mohammed een visioen waarin hij de opdracht kreeg om de grootsheid van de ene almachtige God, Allah, te verkondigen. Toen hij deze boodschap ging prediken, verzamelde hij steeds meer volgelingen. Dat maakte hem voor de gezaghebbers in Mekka tot een gevaarlijke rebel. Mohammed ontsnapte aan een moordaanslag en voegde zich op 16 juli 622 in Medina bij zijn volgelingen – een gebeurtenis die de ‘hegira’ (of ‘hidjra’, migratie) wordt genoemd en het beginpunt vormt van de islamitische jaartelling.

De leer van Mohammed – de islam, wat ‘overgave’ betekent omdat moslims zich onderwerpen aan de wil van Allah – werd later te boek gesteld in de Koran. Met een leger van volgelingen keerde Mohammed naar Mekka terug, nam de stad in en predikte de boodschap van de islam later voor een menigte van zo’n 40.000 pelgrims. Daarbij spoorde hij de gelovigen aan om vijfmaal per dag in de richting van Mekka te bidden. Zijn boodschap verspreidde zich snel en bij zijn dood in 632 was het grootste deel van het Arabisch schiereiland onder islamitische heerschappij gebracht.

In 751 strekte het islamitische rijk zich uit van de grens met Frankrijk tot aan China, terwijl de heilige steden Mekka en Medina waren uitgegroeid tot welvarende centra met een ontwikkelde Arabische cultuur, religie en islamitische wetgeving.
Het kalifaat van de Abbasiden
Tijdens de moslimveroveringen kwamen nieuwe islamitische dynastieën op, waarvan de belangrijkste die van de Omajjaden was. Met als hoofdstad Damascus in Syrië werd deze dynastie nu het centrum van de islamitische wereld. In 750 wisten afstammelingen van Mohammeds oom, de Abbasiden, de Omajjaden ten val te brengen, waarna ze hun hoofdstad in 762 van Damascus naar Bagdad in Irak verplaatsten. (De Omajjaden vluchtten naar Al-Andalus, het islamitische Spanje, waar ze in 756 hun dynastie vestigden en als hoofdstad Córdoba kozen.) Het kalifaat van de Abbasiden was meer op het oosten gericht – op Irak, Perzië, India en Centraal-Azië – dan op Noord-Afrika en het Middellandse Zeegebied, en Bagdad groeide uit tot het welvarende, culturele, sociale en commerciële centrum van een reusachtig handelsimperium.

Van 750 tot 833 versterkten de Abbasiden het prestige en de macht van hun rijk, vooral onder hun beroemde vijfde kalief, Harun al-Rashid, wiens heerschappij (786-809) ook wel als de ‘Gouden Eeuw van de islam’ wordt aangeduid. Zijn (volgens sommigen wat overtrokken) reputatie is grotendeels gebaseerd op een literair meesterwerk, de vertellingen van Duizend-en-één-nacht, die zich afspelen aan Haruns weelderige hof. Zijn zoon, Al-Ma’moen, heerste van 813 tot 833 en had meer succes in het neerslaan van opstanden in zijn rijk en in de oorlog met de Byzantijnen. Ook bouwde hij observatoria voor de studie van de astronomie en bevorderde hij de vertaling van filosofische en natuurwetenschappelijke werken van de oude Grieken in het Arabisch (vertalingen die op hun beurt een grote bijdrage leverden aan de herleving van de klassieken in Europa).
Deze herleving in het wetenschappelijk denken, waarin kennis en vaardigheden uit India, Griekenland, Perzië en China werden opgenomen, leidde tot grote vorderingen op het gebied van de kunsten, de natuurwetenschappen, het recht, de geneeskunde en de landbouw. Tegenwoordig worden Arabische cijfers – die van Indiase cijfers zijn afgeleid – over de hele wereld ebruikt. De vervaardiging van papier, een Chinese uitvinding, werd door de Arabieren verfijnd. Andere islamitische bijdragen waren onder andere de ontwikkeling van de trigonometrie en inzichten in de optica, wiskunde en astronomie.

Het kalifaat van de Fatimiden
Het kalifaat van de Fatimiden werd in 909 in Tunesië gevestigd door Abdullah al-Mahdi. Als sjiitische moslim beweerde hij een afstammeling te zijn van Mohammeds dochter Fatima (volgens de sjiieten zijn de nazaten van Fatima de enige rechtmatige opvolgers van de profeet, terwijl de soennieten menen dat iedere moslim daarvoor in aanmerking komt). Als rivalen van het soennitische kalifaat van de Abbasiden breidden de Fatimiden hun machtsgebied rond hun nieuwe hoofdstad Mahdia in Tunesië al snel over de hele centrale Maghreb uit (een gebied dat het huidige Marokko, Tunesië, Algerije en Libië omvat).

In 1057 werd korte tijd ook een Fatimidenkalifaat in Bagdad uitgeroepen, maar daarna raakte de dynastie in verval. Door invallen van de Turken en de kruisvaarders verloren de Fatimiden de controle over grote delen van hun gebied in de Levant en delen van Syrië. Een conflict over erfopvolging leidde uiteindelijk in 1171 tot de val van de Fatimiden, toen de dynastie plaatsmaakte voor het soennitische kalifaat van de Ajjoebiden, onder de heerschappij van de legendarische Koerdische veldheer Saladin.
Afrikaanse macht: de ghana’s en de Fatimiyya
De vele gezichten én namen van Ethiopië
Kolmanskop – Spookstad in het zand
De koningin van Seba en de Ark van het Verbond
Anwar Sadat – Egyptische president