Zacht gezegd zet de Amerikaanse president Donald Trump druk op de internationale orde die we al zo lang kennen. Maar wie trokken dat internationale bouwwerk eigenlijk op en hoe ging dat in zijn werk?
De effecten van Donald Trumps in januari 2025 begonnen tweede ambtstermijn doen veel stof opwaaien. Zo noteerde voormalig Provo- en Kabouter-voorman en oud-politicus Roel van Duijn over de Verenigde Staten zelf in het blad De Republikein nogal gepeperd: “Hij (Trump, red.) ontkent eenvoudig het bestaan van de rechtsstaat, de fascistische staatsgreep vordert’’. Volgens de inleiding bij Van Duijns beschouwing ‘ontwricht’ Trump bovendien de wereldorde. In een interview met de NRC noemde de vooraanstaande Amerikaanse econoom Paul Krugman de importtarieven waarvan Trump zoveel werk maakt ‘pure domheid’ van een man ‘die weinig begrijpt van economie’.

De crisis bestaat juist uit het feit dat het oude sterft en het nieuwe niet geboren kan worden: in dit interregnum doen zich de meest uiteenlopende morbide verschijnselen voor. (La crisi consiste appunto nel fatto che il vecchio muore e il nuovo non può nascere: in questo interregno si verificano i fenomeni morbosi più svariati.)
Geen monsters dus, maar morbide verschijnselen, al stemmen ook die niet vrolijk. Gramsci schreef over de tijd tussen beide wereldoorlogen. In ons huidige tijdsgewricht kunnen we bij ‘morbide verschijnselen’ denken aan bijvoorbeeld autocratische politieke leiders, haatdragend populisme, de worsteling met technologie en de klimaatcrisis.
Wortels
Historiek gaat niet over actuele politieke discussie. Maar waar Trumps bemoeienis met de internationale orde zoveel beroering wekt, doet zich de vraag voor waar en wanneer die internationale orde dan is ontstaan en wie deze vormgaf of -gaven. Daarvoor is een blik in het verleden nodig en dat is dan wel weer precies iets voor Historiek.
De Koude Oorlog tussen Oost en West had geheel eigen karaktertrekken en gevolgen voor de wereldpolitiek. Die blijven hier buiten beschouwing. Maar los daarvan is het wel mogelijk de internationale orde van na de Tweede Wereldoorlog te vatten in enkele kernwoorden: afgesproken regels, overleg en internationale rechtspraak. En dat dan aan westerse kant onder aanvoering van de Verenigde Staten.
Naar dat laatste had het er begin twintigste eeuw nog niet uitgezien. Ja, ook de VS mengden zich in 1917 in de Eerste Wereldoorlog, maar daarna trok het land zich weer terug in zogenoemd isolationisme. Het concentreerde zich op de eigen economie en beperkte zich buitenlands-politiek tot het westelijk halfrond (Noord-, Midden- en Zuid-Amerika plus de Pacific ofwel Grote Oceaan). Ook het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog (1939) bracht daarin niet onmiddellijk verandering.
Verklaring van St James’s Palace
De vraag is dus waar we de wortels van de nieuwe, naoorlogse internationale orde moeten zoeken en hoe daarop werd voortgebouwd. Dan komen we uit bij het oudste koninklijke paleis in Londen, St James’s Palace (ca. 1530) aan The Mall. Op 12 juni 1941 tekenden veertien partijen daar een verklaring. Het ging om de regering van het Verenigd Koninkrijk, de regeringen van de in de oorlog meevechtende Gemenebest-dominions Canada, Australië, Nieuw-Zeeland en Zuid-Afrika, de voorlopige regering van Tsjechoslowakije, de regeringen van België, Griekenland, Luxemburg, Nederland, Noorwegen, Polen en Joegoslavië plus een afgevaardigde van generaal De Gaulle, de leider van de Vrije Fransen.

Tot slot verklaarden ze dat werkelijke vrede slechts zou kunnen berusten op de vrijwillige samenwerking van vrije volkeren met als doel economische en sociale zekerheid, waartoe ze beloofden te zullen samenwerken. De eerste twee bepalingen hadden dus direct betrekking op de Tweede Wereldoorlog, de derde verwees naar de naoorlogse wereldorde waaraan de Geallieerden wilden werken.
Precies een maand na de Verklaring van St James’s Palace tekenden in Moskou de Britse ambassadeur, Richard Stafford Cripps, en volkscommissaris (minister) van buitenlandse zaken van de Sovjet-Unie Vjatsjeslav Michailovitsj Molotov een akkoord. Kort daarvoor was Operatie Barbarossa begonnen, de Duitse aanval op de Sovjet-Unie. In de overeenkomst beloofden het Verenigd Koninkrijk en de Sovjet-Unie elkaar te steunen in de oorlog tegen Hitler-Duitsland. Ook spraken ze af geen afzonderlijke wapenstilstand of vrede met Duitsland te zullen sluiten. Over wat er na de oorlog moest gebeuren stond in deze verklaring niets.
Amerika en Europa
De Amerikanen hadden gehoopt buiten de oorlog te kunnen blijven. Vóór Duitsland de lont in het kruitvat stak, vroeg Elliot Roosevelt aan zijn vader, president Franklin Delano Roosevelt, of de VS aan een eventuele oorlog zouden meedoen. Het antwoord, aldus Elliot:
Wij werken allemaal hard om dat overbodig te maken. We verlangen allemaal even hard om te bereiken dat we er buiten zullen blijven. We zijn allemaal vol hoop, vol hoop.
Maar die hoop bleek ijdel.
Zeker na de Japanse aanval op de Amerikaanse marinebasis Pearl Harbour (7 december 1941) was afzijdigheid geen optie meer. Maar al eerder vonden Roosevelt en zijn geestverwanten dat de Amerikanen niet op hun handen konden blijven zitten. Daarom staken de Amerikaanse president en de Britse premier, Winston Churchill, in augustus 1941 de koppen bij elkaar. Ze deden dat op de Amerikaanse marinebasis Argentia op het Canadese eiland Newfoundland. Churchill kwam met het slagschip HMS Prince of Wales, Roosevelt aan boord van de zware kruiser USS Augusta.

Het directe doel van het overleg was nauwe samenwerking in de oorlog. Voor de Britten en hun Europese bondgenoten was Amerikaanse hulp onontbeerlijk – zowel in de vorm van militairen als van productiecapaciteit voor wapens en munitie. Dat waren echter niet de moeilijkste onderhandelingspunten. De pijn, vooral voor Churchill, zat in wat er na de oorlog zou moeten gebeuren. In zijn boek met herinneringen aan zijn vader, die hij geregeld bij diens werk vergezelde, citeert Elliot Roosevelt de Amerikaanse president zo.
Churchill heeft me verteld, dat hij geen Minister-President was om bij de uitverkoop van het Britse Rijk als vendumeester te fungeren. (…) Ik geloof dat ik spreek als de President der Verenigde Staten, wanneer ik zeg, dat Amerika niet van plan is Engeland te helpen in deze oorlog opdat de Britten hun heerschappij over koloniale volken zullen kunnen handhaven.
Dat was heldere taal: Churchill wilde het Britse koloniale rijk overeind houden, Roosevelt stelde zich op anti-koloniaal standpunt.
Op zichzelf kon Churchill Roosevelts pleidooi voor vrijhandel in de naoorlogse wereld billijken. Maar wel met één zeer nadrukkelijke uitzondering: “Meneer de president’’, zo noteerde Elliot Roosevelt uit Churchills mond, “Engeland denkt er geen ogenblik aan zijn voorkeurspositie in het Britse Rijk prijs te geven. De handel, die Engeland groot heeft gemaakt, zal worden voortgezet onder condities, die Engeland’s ministers zullen vaststellen.” Roosevelt junior noteerde ook wat zijn vader tegenwierp:
Ik geloof niet dat we het recht hebben een oorlog tegen de fascistische slavernij te voeren zonder tegelijkertijd over de hele wereld volkeren te bevrijden van een achterlijke koloniale politiek.
Atlantic Charter
Die standpunten sloten elkaar wederzijds uit; een middenweg was er niet. Tegelijk stond als een paal boven water dat de Britten en hun Europese bondgenoten de strijd tegen Duitsland niet konden winnen zonder Amerikaanse hulp. Voor de Britse premier zat er dus niets anders op dan in te binden. En dus kwamen Roosevelt en Churchill op 14 augustus 1941 met een gezamenlijke verklaring over de afwikkeling van de Tweede Wereldoorlog, maar vooral over hoe de wereld daarna moest worden ingericht, ‘waarop zij hun hoop baseren voor een betere toekomst voor de wereld’.
De verklaring is de geschiedenis ingegaan als het Atlantic Charter (Atlantisch Handvest). Gezien het grote belang ervan voor de naoorlogse wereldorde volgen hier alle acht punten waaruit de verklaring van Roosevelt en Churchill bestond:
- hun landen (de VS en Groot-Brittannië, red.) streven niet naar uitbreiding, noch territoriaal, noch op andere wijze;
- zij willen geen territoriale veranderingen die niet in overeenstemming zijn met de vrij geuite wensen van de betrokken volkeren;
- zij respecteren het recht van alle volkeren om de regeringsvorm te kiezen waaronder zij zullen leven en zij wensen dat soevereine rechten en zelfbestuur worden hersteld ten aanzien van degenen die er met geweld van zijn beroofd;
- zij zullen zich inspannen, met inachtneming van hun bestaande verplichtingen, om het genot te bevorderen van alle staten van toegang, onder gelijke voorwaarden, tot de handel en tot de grondstoffen van de wereld die nodig zijn voor hun economische welvaart;
- economische samenwerking tussen alle staten met als objectief doel het verzekeren van betere arbeidsvoorwaarden, economische vooruitgang en sociale zekerheden voor iedereen;
- na vernietiging van de nazi-tirannie, hopen zij dat een vrede tot stand komt die alle naties de middelen zal bieden om veilig binnen de eigen grenzen te wonen, en die de verzekering zal bieden dat alle mensen in alle landen hun leven kunnen leiden vrij van angst en gebrek;
- vrije toegang voor alle naties tot de wereldzeeën;
- ze hebben de overtuiging dat alle naties van de wereld, zowel om realistische als om spirituele redenen, moeten komen tot het opgeven van het gebruik van geweld. Aangezien in de toekomst geen vrede kan worden gehandhaafd indien de bewapening te land, ter zee of in de lucht wordt voortgezet door naties die buiten hun grenzen met agressie bedreigen of daarmee zullen dreigen, geloven zij, in afwachting van de instelling van een breder en permanent systeem van algemene veiligheid, dat de ontwapening van dergelijke naties essentieel is. Zij zullen eveneens alle andere uitvoerbare maatregelen ondersteunen en aanmoedigen die voor vredelievende volkeren de verpletterende last van bewapening zullen verlichten.
Op 24 september 1941 onderschreven ook de regeringen van België, Griekenland, Joegoslavië, Luxemburg, Nederland, Noorwegen, Polen en Tsjechoslowakije het Atlantisch Handvest. De Sovjet-Unie en De Gaulles Vrije Fransen deden dat eveneens. Dat gebeurde tijdens een conferentie in Londen.

Een heel belangrijke overeenkomst volgde op 26 juni 1945. Toen tekenden vijftig landen, waaronder Nederland, (Polen zou zich als 51ste snel daarna aansluiten) in de Amerikaanse stad San Francisco het Charter of the United Nations (Handvest van de Verenigde Naties). De VN, zo werd meteen in artikel 1 vastgelegd, moesten zich beijveren voor vrede in de wereld en voor vriendschap en samenwerking tussen landen. In 2011 was Zuid-Soedan de voorlopig laatste ondertekenaar (nummer 198). Ook in het VN-handvest is het recht op zelfbeschikking van volkeren vastgelegd. Opnieuw betekende dat dus een probleem voor koloniale machten als Groot-Brittannië, Frankrijk, België en Nederland.

De Nederlandse regering heeft dus maar liefst driemaal officieel beloofd het zelfbeschikkingsrecht van de volkeren te zullen eerbiedigen.

Hij wijst erop dat Wilhelmina in de zomer van 1942 president Roosevelt bezocht en ’het heikele thema van de zelfbeschikking even aangestipt (heeft) – maar ook niet meer dan dat’. Verderop noteert Aalders overigens dat Roosevelt Wilhelmina tweemaal (‘in privésfeer’, minister van buitenlandse zaken Van Kleffens mocht er niet bij zijn) over het onderwerp heeft onderhouden. Nederlands-Indië was dan ook geen kolonie die makkelijk over het hoofd kon worden gezien. Van die gesprekken tussen de president en de koningin zijn geen verslagen bekend, aldus Aalders.
Hoe aardig is het dus in het boek van Elliot Roosevelt te lezen wat zijn vader hem een jaar nadien vertelde over zijn gesprekken met Wilhelmina. “We bespraken het onderwerp van alle kanten gedurende meer dan zes uur, verdeeld over twee of drie avonden.’’ En wat had Wilhelmina over Indië te melden?

In haar bekende radiorede van 7 december 1942 was Wilhelmina beduidend terughoudender. Na de oorlog zou er een rijksconferentie komen om te bezien hoe Nederland, Indië, Suriname en Curaçao (de Nederlandse Antillen) met elkaar verder zouden gaan. Ze dacht daarbij niet aan een onafhankelijk Indië/Indonesië, maar aan ‘een Rijksverband’, waartoe ook Indië/Indonesië nog steeds zou behoren, zij het dat het ‘de eigen, inwendige aangelegenheden in zelfstandigheid (…) (zou mogen) behartigen’.

Ook elders in de wereld verliep het vanaf 1945 niet geheel zoals in het Atlantisch Handvest gehoopt. Zelf maakte president Roosevelt het niet meer mee (hij overleed op 12 april 1945), maar het risico van zoiets als de Koude Oorlog had hij wel onderkend. In december 1943 hield Roosevelt zijn zoon Elliot voor:
Het enige wat de boel in de war zou kunnen sturen na de oorlog, is dat de wereld opnieuw verdeeld zou worden. Rusland aan de ene kant en Engeland en wij aan de andere.
Dat gebeurde inderdaad. En al werden ook zeker niet alle vergezichten uit het Atlantisch Handvest werkelijkheid, in grote delen van de wereld ontstond na de Tweede Wereldoorlog wel een ordening die althans in beginsel berustte op de uitgangspunten van dat handvest. Instellingen die daarin een belangrijke rol speelden en tot op heden spelen, zijn onder meer de Verenigde Naties en het (in het Haagse Vredespaleis zetelende) Internationaal Gerechtshof, net als de VN opgericht in 1945.

Voor internationale handel werd daaraan in 1947 toegevoegd de General Agreement on Tariffs and Trade (GATT, Algemene Overeenkomst betreffende Tarieven en Handel). Op 30 oktober 1947 tekenden 23 landen, waaronder Nederland, dit verdrag in Genève. Het doel was bevordering van internationale handel door het wegnemen of versoepelen van handelsbarrières als importtarieven en -quota. Op 1 januari 1995 werd de GATT vervangen door de World Trade Organisation (WTO, Wereldhandelsorganisatie), nadat 123 landen daarover op 15 april 1994 in Marrakesh (Marokko) overeenstemming hadden bereikt.
Met in elk geval onderdelen van die naoorlogse internationale orde wil de Amerikaanse regering van president Trump niet meer meedoen. Ziehier enkele voorbeelden, stand eind juli 2025. Trump trekt, mede afhankelijk van onderhandelingen, hogere of wat lagere tariefmuren op voor import van buitenlandse goederen en diensten. De regering-Trump heeft besloten per 31 december 2026 de VN-organisatie voor onderwijs, wetenschap en cultuur Unesco te verlaten. Net als in 2017, in zijn eerste ambtstermijn, tekende Trump in januari 2025 decreten om uit het klimaatakkoord van Parijs te stappen. En de kans bestaat dat de VS ook wereldhandelsorganisatie WTO de rug toekeren; een Republikeinse motie daartoe ligt bij het Huis van Afgevaardigden.
– Roel van Duijn: Europa te zoet na 100 dagen Trump. In: De Republikein juni 2025.
– Antonio Gramsci: Quaderni del carcere, ‘Ondata di materialismo’ e ‘crisi di autorità’, volume I, quaderno 3, p. 311.
– Sjoerd de Jong: Het kraken van de journalistieke orde. In: NRC 22 juli 2025.
– Elliot Roosevelt: Zoals hij het zag. (Amsterdam 1947).
– Dra M.G. Schenk, J.B.Th. Spaan: De Koningin Sprak. Proclamaties en radio-toespraken van H.M. Koningin Wilhelmina gedurende de oorlogsjaren 1940-1945 (Utrecht 1945).
– Maarten Schinkel, Egbert Kalse: ‘De VS zouden gered kunnen worden door een recessie’. In: NRC 6 mei 2025.
– https://www.un.org/en/about-us/history-of-the-un/preparatory-years
– https://avalon.law.yale.edu/imt/imtjames.asp
– https://avalon.law.yale.edu/wwii/brsov41.asp
– https://avalon.law.yale.edu/wwii/atlantic.asp
– https://avalon.law.yale.edu/wwii/interall.asp
– https://avalon.law.yale.edu/20th_century/unchart.asp
– https://en.wikipedia.org/wiki/General_Agreement_on_Tariffs_and_Trade
– https://wetten.overheid.nl/BWBV0006316/1967-08-22

Het Verenigd Europa van Winston Churchill
Het einde van de Volkenbond
Nederlandse ondertekening van het VN-verdrag
De Pilgrim Fathers. Van Leiden naar het beloofde land (1620)
Maine – Amerikaanse staat
Claudette Colvin (15) bleef zitten in de bus en werd gearresteerd