In 1831 werd een in Engeland wonende prins uit een onbetekenend Duits staatje de eerste monarch van het onafhankelijke België, onder een grondwet die hem tot zijn ergernis zeer weinig macht gaf. Wel wist hij door zijn vele relaties en banden met andere Europese vorstenhuizen veel invloed uit te oefenen.
De toekomstige eerste koning der Belgen zag het licht in Coburg op 16 december 1790. Prins Leopold Georg Christian Friedrich was het zevende en jongste kind van Frans, hertog van Saksen-Coburg-Saalfeld (1750-1806) en gravin Augusta von Reuss-Ebersdorf und Lobenstein (1757-1831). Zijn vader heerste over een van de vele staatjes in Midden-Duitsland: zijn hertogdom was klein (nog geen duizend vierkante kilometer), weinig bevolkt, niet welvarend en bijna failliet door het weelderige leven dat de hertogelijke familie er generaties lang geleid had. Daardoor bracht Leopold zijn jeugd in relatief sobere omstandigheden door. Zijn hele leven zou hij een gevoel voor zuinigheid behouden.

De familie Saksen-Coburg-Saalfeld was een van de vele takken van het zeer oude en aanzienlijke huis Wettin, dat tot in de tiende eeuw terugging en waartoe ook het Saksische koningshuis behoorde. Leden van dit huis waren geschikte huwelijkspartners voor andere, veel machtigere dynastieën. Leopold had het geluk dat zijn zuster Juliana in 1796 trouwde met de Russische grootvorst Constantijn, een broer van de latere tsaar Alexander I. Hij was toen nog een kind, maar kreeg daardoor bevoorrechte relaties met het Russische hof en de rang van kolonel in het Russische leger.
In de Napoleontische oorlogen werd Saksen-Coburg-Saalfeld niet gespaard. In 1806, kort na de dood van Leopolds vader, werd het hertogdom bezet door de Fransen, die zware schattingen oplegden. Het jaar daarop vergezelde Leopold zijn broer, de nieuwe hertog Ernst I, naar Parijs om van Napoleon een vergoeding voor de geleden schade te vragen. Leopolds knappe uiterlijk viel toen in de smaak van keizerin Joséphine en haar dochter Hortense de Beauharnais, koningin van Holland, die hem zelfs avances maakte. Napoleon had het over de mooiste prins die hij ooit in de Tuïlerieën zag. Zonder resultaat keerden Ernst en Leopold terug naar Coburg, waar Leopold zijn broer hielp bij het bestuur van het hertogdom en zelf een tijd als zijn plaatsvervanger fungeerde.

Een sprookjeshuwelijk
Toen in 1812 Napoleons krijgskansen verslechterden, was Leopold een van de eerste Duitse prinsen die zich van hem afkeerde. Als generaal in het Russische leger nam hij deel aan de latere veldtochten tegen de Fransen. Zo deed hij mee aan de Volkerenslag bij Leipzig in 1813 en de verovering van Parijs in 1814. Hij vergezelde tsaar Alexander in juli van dat jaar bij een bezoek aan Engeland en kreeg van hem een ongewone opdracht.
Prinses Charlotte, het enig kind van de Britse prins-regent (de latere koning George IV) en tweede in de lijn van de troonopvolging, had zich kort daarvoor verloofd met de Nederlandse troonopvolger (de latere koning Willem II). Andere Europese machthebbers, ook de tsaar, hadden problemen met een dergelijk huwelijk: het zou het Verenigd Koninkrijk en de Verenigde Nederlanden te zeer aan elkaar binden, wat een verstoring voor het Europese evenwicht kon betekenen. Maar rond de tijd van het bezoek van de tsaar aan Londen verbrak Charlotte de verloving, waarop Alexander zijn aanverwant Leopold als huwelijkskandidaat begon te pousseren.

Het huwelijk vond plaats op 2 mei 1816. Leopold, die tot dan vrij zuinig had moeten leven, kreeg met zijn vrouw de beschikking over het kasteel Claremont House bij Windsor, met een riant inkomen en het vooruitzicht om op een dag de prins-gemaal van het machtige Britse Rijk te worden. Bovendien vormden Leopold en Charlotte een gelukkig koppel, het middelpunt van het Londense societyleven. Dat geluk was echter van korte duur. Toen Charlotte moest bevallen van haar eerste kind, liet ze zich bijstaan door een arts met bizarre opvattingen. Na een bevalling die vijftig uur duurde, kwam de baby dood ter wereld en ook Charlotte zelf overleed kort daarna, op 5 november 1817.
De ontroostbare Leopold bleef als weduwnaar formeel lid van de Britse koninklijke familie. Hij mocht op Claremont House blijven wonen en kreeg een jaarlijkse dotatie van 50.000 pond, zelfs voor prinsen van die tijd een enorm bedrag. Hij legde ermee de basis voor het privé-vermogen van het latere Belgische koningshuis.

Door de dood van Charlotte dreigde een gebrek aan potentiële opvolgers voor de Britse troon. De prins-regent drong er bij zijn – tot dan toe ongehuwde – broers op aan om te trouwen en voor nageslacht te zorgen. Leopold slaagde erin zijn zuster Victoria te doen huwen met een van die broers, de hertog van Kent. Victoria kreeg in 1819 een dochter, ook Victoria geheten, die inderdaad later koningin zou worden. Toen de veel oudere hertog van Kent kort nadien overleed, bracht Leopold zijn zuster en haar dochtertje onder in Claremont House. Koningin Victoria beschouwde Uncle Leopold als haar feitelijke vader.
Omstreeks die tijd begon Leopold een relatie met de actrice Caroline Bauer, die sprekend op Charlotte geleek en een nicht was van dr. Christian Friedrich Stockmar, Leopolds vertrouwensman. Hij sloot met haar een nooit erkend geheim huwelijk, dat later als onbestaande werd beschouwd.

Door zijn afkomst, status in Engeland, banden met de Russische keizerlijke familie en goede relaties met hooggeplaatste Britse en buitenlandse staatslieden, maakte Leopold kans om ooit een troon te bestijgen. In 1828 werd hem de kroon van het pas onafhankelijke Griekenland aangeboden. Leopold leek geïnteresseerd en kreeg de steun van de Britse regering, die hem eigenlijk graag zag vertrekken: de Duitser kostte de Britse schatkist veel en zijn invloed op de jonge Victoria werd gewantrouwd. Leopold aarzelde echter en stelde voortdurend nieuwe voorwaarden, zodat de Griekse zaak begin 1830 op een sisser uitliep. Wellicht had Leopold geen zin om koning te worden van een arm en politiek instabiel land, waar hij zich bovendien op termijn tot het Grieks-orthodoxe geloof had moeten bekeren.
Eerste koning der Belgen
Meteen nadat België in oktober 1830 zijn onafhankelijk had uitgeroepen, werd Leopold in de pers genoemd als een mogelijke monarch van de nieuwe staat. De regering in Londen steunde discreet zijn kandidatuur, maar Frankrijk verzette zich tegen deze al te Britse kandidaat. Toen het Belgisch Nationaal Congres begin 1831 over de keuze van een koning begon te praten, leek Leopold – die zichzelf wijselijk op de achtergrond hield – kansloos.

Leopold reageerde behoedzaam: België moest eerst een regeling met de grote mogendheden aanvaarden over de scheiding met Nederland. Dit hield in dat het nieuwe koninkrijk een deel van zijn grondgebied zou moeten afstaan. Dat was voor sommige revolutionaire heethoofden in Brussel voldoende om zich tegen Leopolds kandidatuur te verzetten. Maar de toon was gezet en uiteindelijk koos het Nationaal Congres hem op 4 juni 1831 tot koning: van de 200 congresleden stemden er liefst 152 voor hem. Om aan Leopolds eis te voldoen, moest het Congres op 9 juli de inmiddels gesloten regeling (bekend als het Verdrag der XVIII artikelen) aanvaarden. Op 16 juli verliet Leopold Engeland en landde in Calais. De dag daarop betrad hij nabij De Panne de Belgische bodem en op 21 juli (sindsdien de Nationale Feestdag) legde hij in Brussel de grondwettelijke eed af.

Weinig macht, veel invloed
Leopolds grondwettelijke eed was geen formaliteit, want de uit een absolute monarchie afkomstige prins werd daardoor verplicht een van de meest liberale grondwetten na te leven. Dat hij weinig macht zou krijgen, betreurde hij al toen men hem de kroon aanbood:
Heren, u heeft het koningschap hard aangepakt, en dat toen het zich niet kon verdedigen. Uw handvest is wel erg democratisch; toch denk ik dat als er van beide zijden wat goede wil komt, het nog kan gaan.
Hij zou dan ook alles proberen om zijn macht te vergroten. Een eerste gelegenheid daartoe kreeg hij al snel, toen het Nederlandse leger België binnenviel, nog geen twee weken na zijn eedaflegging. In deze Tiendaagse Veldtocht oefende Leopold meteen zijn grondwettelijke functie als opperbevelhebber werkelijk uit, zonder naar ministers te luisteren. De politici waren echter blij dat een ervaren militair het bevel voerde over een half revolutionair leger met weinig beroepsofficieren. Leopold riep daarnaast direct de militaire steun van Frankrijk in, iets waarvoor hij eigenlijk eerst toestemming van het parlement had moeten vragen. Daarmee schond hij de grondwet die hij pas trouw had gezworen, maar niemand nam hem dat kwalijk. Zijn kordate optreden redde de jonge staat uit een hachelijke situatie.

Ook op het eigenlijke regeringswerk oefende de koning meer invloed uit dan de grondwet voorzag. Meteen na zijn troonsbestijging nam hij het initiatief een politicus te vragen een ministersploeg samen te stellen die het vertrouwen van het parlement kreeg. Die aanwijzing van een formateur door de koning werd een vaste gewoonte. Hij zat meestal zelf de ministerraad voor, pleegde zeer regelmatig overleg met “zijn” ministers en wenste van hun werk op de hoogte te worden gehouden. Als minister van Oorlog wenste hij bij voorkeur een generaal die als apolitiek figuur rechtstreeks onder zijn gezag stond. In 1835 namen de ministers Lebeau en Rogier ontslag omdat ze het voortdurend oneens waren met hun collega van Oorlog, generaal Evain, die de steun van Leopold genoot.
In gesprekken met ministers gaf de koning duidelijk zijn mening. Besluiten die hem werden voorgelegd maar hem niet bevielen, liet hij soms wekenlang ongetekend liggen. Meermaals oefende Leopold druk uit op parlementsleden opdat ze wetten zouden goedkeuren in de voor hem gunstige zin. Dat gebeurde zeker in 1832, toen de regering op zijn verzoek een wetsontwerp indiende voor de oprichting van een nationale orde, de Leopoldsorde. Er kwam nogal wat verzet tegen het ontwerp, dat uiteindelijk toch werd goedgekeurd. Veel politici en kranten zagen in het toekennen van decoraties een ongeoorloofde manier om koning en regering meer invloed te geven.

Toen de liberalen in 1847 de meerderheid in het parlement veroverden, wachtte de koning enkele maanden voordat hij hun leider, Charles Rogier, tot formateur aanwees. Van 1852 tot 1855 regeerde er tot Leopolds voldoening nog een zakenkabinet, maar daarna zou hij altijd gedwongen worden een regering te benoemen in overeenstemming met de partij die de meerderheid had in de Kamer.
In de buitenlandse politiek had de koning grote invloed. De Belgische diplomaten in het buitenland kregen hun instructies rechtstreeks uit het Koninklijk Paleis. Buitenlandse diplomaten in Brussel wenden zich liever tot de vorst dan tot een minister. Toen een nieuwe Oostenrijkse gezant in België zich meldde bij het Ministerie van Buitenlandse Zaken, kreeg hij te horen…
…dat er op dit ministerie niet aan politiek wordt gedaan; dat is volledig het privéterrein van het staatshoofd.

Lang voor zijn zoon Leopold II zich in koloniale avonturen zou storten, ijverde Leopold I al voor een Belgische kolonie, zonder veel succes. Belgische diplomaten en officieren onderzochten in zijn opdracht de mogelijkheid voor kolonisatie van gebieden in Afrika, Azië en Amerika, maar de Belgische politici stonden er huiverig tegenover. De stichting van een Belgische nederzetting op de kust van Guatemala werd een fiasco, waarbij tientallen landgenoten omkwamen door ziekte en ontbering. Leopold zag in de emigratie een mogelijke oplossing voor de armoede in Vlaanderen.
De koppelaar
Leopolds invloed op de Europese politiek was veel groter dan de invloed van zijn land. Vooral door een kluwen van dynastieke huwelijken wist hij zijn eigen positie en die van zijn familie te versterken. Dat begon al door in 1832 zelf te trouwen met de eenentwintig jaar jongere Louise-Marie (1812-1850), een dochter van de Franse koning Louis-Philippe.

Intussen zocht Leopold voor andere familieleden uitgelezen partners. In 1835 slaagde hij erin de Portugese koningin Maria II, nog maar net weduwe, te doen hertrouwen met zijn neef Ferdinand (diens vader, een broer van Leopold, was gehuwd met de steenrijke Hongaarse vorstin Koháry: hun nakomelingen vormden de katholieke Koháry-tak van de Coburgs). Het huwelijk, dat met Britse en Franse steun was gesloten, verstevigde de positie van Maria in Portugal, waar haar aartsconservatieve oom Miguel de macht wilde grijpen.
Zijn nicht Victoria, met wie hij zijn hele leven nauwe contacten zou onderhouden, zat sinds 1837 op de Britse troon. Drie jaar later trouwde ze mede onder zijn invloed met haar volle neef Albert, een zoon van Leopolds broer hertog Ernst I van Saksen-Coburg en Gotha (zoals het hertogdom sinds 1826 heette). Niet ten onrechte verkreeg Leopold daardoor de bijnaam “de koppelaar van Europa” (en ook wel de “oom van Europa”). In een Europa dat bijna uitsluitend uit monarchieën bestond, waren dergelijke dynastieke banden meer dan louter symbolisch. Dat gold zeker voor de Coburgs, die onderling veel correspondeerden, elkaar regelmatig ontmoetten en af en toe heuse familiereünies hielden.
Leopolds familiebanden droegen bij aan de spectaculaire toenadering tussen Engeland en Frankrijk, de twee mogendheden die in de eeuwen voor de slag bij Waterloo bijna voortdurend met elkaar in oorlog waren geweest. Een bezoek van zijn nicht Victoria aan zijn schoonvader Louis-Philippe in 1843 bezegelde deze nieuwe bevoorrechte relatie, die bekend raakte als de Entente cordiale.

Later zette Leopold I de kroon op de dynastieke politiek door zowel zijn zoon Leopold als zijn dochter Charlotte te koppelen aan de Habsburgers, waardoor de betrekkingen met het machtige Oostenrijk verzekerd waren. De eerste trouwde in 1853 met aartshertogin Maria Hendrika van Oostenrijk, de tweede vier jaar later met aartshertog Maximiliaan, een broer van keizer Frans Jozef. Toen Maximiliaan in 1864 tot keizer van Mexico werd uitgeroepen, liet Leopold I een expeditiekorps van Belgische vrijwilligers rekruteren dat zijn dochter en schoonzoon in dat verre land zou beschermen. Hij heeft het niet meer meegemaakt dat dit “Mexicaanse avontuur” een compleet fiasco werd.
Gerespecteerd
Leopolds internationale prestige nam in 1848 nog toe, toen Europa daverde van de revoluties en vele tronen wankelden. Zijn schoonvader Louis-Philippe moest Frankrijk ontvluchten (Leopold gaf hem onderdak in Claremont House, dat nog steeds zijn Engelse residentie was). In België bleef het kalm en zat de koning stevig in het zadel. De laatste jaren van zijn bewind waren moeilijk op internationaal vlak, omdat het Frankrijk van Napoleon III de Belgische onafhankelijkheid bedreigde. Bovendien was er zowat overal argwaan gegroeid voor de invloed van de “Coburg-kliek” in Europa. Leopold probeerde met zijn persoonlijke diplomatie zoveel mogelijk de vrede te bewaren. Terecht vreesde hij dat een Europese oorlog het bestaan van België bedreigde.
Bij zijn vijfentwintigjarig regeringsjubileum ontving hij een grootse hulde. Velen zagen het als zijn verdienste dat de jonge Belgische staat zijn onafhankelijkheid had kunnen bewaren. In de laatste jaren zwakte zijn populariteit wat af, toen hij op autoritaire wijze aandrong op de bouw van een fortengordel rond Antwerpen, iets waartegen in de Scheldestad zwaar verzet rees. Voor de koning had de landsverdediging prioriteit, maar niet iedereen in zijn koninkrijk was het daarmee eens.

Leopold als mens
In zijn vrije tijd was Leopold gepassioneerd door de jacht: hij kocht in de Ardennen veel jachtgronden aan. Hij doodde bijna 3000 vossen en er wordt gezegd dat hij de destijds laatste wolf in België schoot – een uitzonderlijk groot exemplaar. Ook hield hij veel van muziek. In zijn jeugd had hij zelf muziek gecomponeerd, hij organiseerde concerten in zijn paleis en moedigde de oprichting van militaire muziekkapellen aan. Als kunstliefhebber legde hij een mooie verzameling schilderijen aan, zowel van oude meesters maar ook van levende Belgische schilders. Het grootste deel van die collectie zou echter door zijn zoon Leopold II worden verkocht.
Naast Duits, Engels en Frans – talen die hij in zijn brieven soms door elkaar mengde – sprak hij naar het schijnt ook wat Italiaans en Russisch, maar geen Nederlands. In een tijd waarin de ontwikkelde klassen in België – ook in Vlaanderen – allemaal Frans kenden, was het niet echt een probleem dat de vorst zich niet in de taal van de meerderheid van zijn onderdanen kon uitdrukken. Wel stelde hij de bekende Vlaamse schrijver Hendrik Conscience aan tot “leraar Vlaams” van zijn kinderen, wat echter meer een erefunctie moet zijn geweest.
De koning, die ooit beroemd was om zijn schoonheid, verzorgde steeds zijn uiterlijk. Hij poederde zich fel en droeg op latere leeftijd een pruik om zijn kaalheid te verbergen. Hij verbleef veel in het buitenland, vooral bij zijn Britse en Duitse familieleden en aan het Comomeer in Italië, waar hij een grote villa had.

Als rechtstreekse afstammeling van de Saksische keurvorst Frederik de Wijze, de beschermheer van Maarten Luther, was Leopold van huize uit een overtuigd lutheraan. De koning bezocht elke zondag de kleine protestantse kerk in Brussel, overigens vlakbij het Koninklijk Paleis. Zijn kinderen werden wel opgevoed volgens het geloof van hun katholieke moeder. Hoe dan ook onderhield Leopold goede contacten met de in België zeer invloedrijke katholieke kerk. Als overtuigd conservatief zag hij in de godsdienst een pijler van de samenleving. Hij was niet gelukkig met de antiklerikale politiek van de liberalen. De Belgische vrijmetselarij, die hem als vrijmetselaar beschouwde – hij zou dat op jongere leeftijd inderdaad zijn geweest – kreeg zijn hoge bescherming, plus financiële steun voor haar liefdadige werken. Die steun verdween toen de vrijmetselarij de aanzet gaf voor de oprichting van de liberale partij.

Leopold I overleed in het kasteel van Laken op 10 december 1865, kort voor zijn vijfenzeventigste verjaardag. Op zijn sterfbed moest hij meemaken dat zijn schoondochter, de toekomstige koningin Maria Hendrika, zijn maîtresse verjoeg en probeerde om hem tot het ware roomse geloof te bekeren, maar hij kon nog zeggen: “Nein. Nicht katholisch”.
Zijn verzoek om te worden begraven naast zijn eerste echtgenote Charlotte, in de tuin van Claremont House, werd niet ingewilligd: de eerste koning der Belgen moest in België rusten. Hij werd voorlopig bijgezet op het kerkhof van Laken, naast koningin Louise-Marie. In 1872 kreeg het koningspaar een definitieve rustplaats in de crypte van de nog in aanbouw zijnde neogotische kerk Onze-Lieve-Vrouw-van-Laken, die sindsdien de begraafplaats van de koninklijke familie is. Oorspronkelijk was het de bedoeling dat die crypte onder het altaar zou worden aangelegd, maar na bezwaar van de kerkelijke overheid kwam die achteraan in de kerk: als niet-katholiek mocht Leopold I niet onder het altaar rusten.

Bewerkt artikel uit het eerder verschenen boek Encyclopedie van de Monarchie van ondergetekende
Waarom 21 juli de nationale feestdag van België is
De Koninklijke crypte te Laken
Waarom werd België in 1830 geen republiek?
De twee buitenechtelijke kinderen van koning Leopold I van België
Het bizarre rijkeluishuwelijk van Louise Six en Frans Blaauw
Ontdekking van het graf van farao Seti I (1817)
Nederlandse bioloog wijdde zijn leven aan de zoektocht naar een enorme zeeslang