Michaïl (roepnaam Mikis) Theodorakis (1925-2021) was in de tweede helft van de twintigste eeuw de bekendste levende Griek. In eigen land waren zijn liederen razend populair, tot ver over de grenzen vond zijn muziek waardering. Tijdens het Griekse kolonelsregiem (1967-1974) was hij hét gezicht van het verzet. Een deel van zijn latere politieke keuzes werd door zijn (voormalige) linkse geestverwanten onbegrijpelijk gevonden of afgekeurd.
- Bannelingen
- Jonge jaren
- Lid van het Nationale Bevrijdingsfront
- Ontwaken in een lijkenhuis
- Parijs
- Zorba’s Dance in de film uit 1964.
- Twaalf films
- ‘Liesbeth List zingt Theodorakis’
- Politieke onrust
- Kolonelsregiem
- Verbanning
- Een nationale verzetsraad
- Terugkeer in Griekenland
- Componist én parlementariër
- Verzoening met Turkije
- ‘Griekse verrader’
- Latere jaren
De meeste Nederlanders die de naam Mikis Theodorakis kennen, zullen vooral (of alleen) denken aan ‘Zorba’s Dance’, het vermaarde fragment uit de door Michael Cacoyannis geregisseerde film ‘Zorba the Greek’ (1964), naar de roman Alexis Zorbas (1946) van Nikos Kazantzakis. In dat fragment dansen hoofdrolspelers Anthony Quinn en Alan Bates de sirtaki op muziek waarvoor Theodorakis het volkse snaarinstrument de bouzouki inzette. In Nederland stond ‘Zorba’s Dance’ destijds wekenlang in de Top 40. En na Theodorakis’ overlijden viel in weekblad De Groene Amsterdammer te lezen:
Ook hoor je tijdens het eten van moussaka of tzatziki bij ‘de Griek’ altijd weer dit nummer uit de boxen schallen.

…die altijd woorden en klanken vond om de ziel van het Griekse volk te raken. Zijn verschijning was mythisch, maar zijn universele boodschap was menselijk: dat vrijheid, liefde en schoonheid altijd weer zullen herrijzen, hoe diep de duisternis ook lijkt.
Na Theodorakis’ overlijden in 2021 gingen in heel Griekenland vlaggen halfstok tijdens drie dagen van nationale rouw. Premier Kyriakos Mitsotakis noemde hem in het parlement ‘de universele Griek van wie we bijna waren vergeten dat hij sterfelijk was’.

Μῆνιν ἄειδε, θεὰ, Πηληιάδεω Ἀχιλῆος,
οὐλομένην, ἣ μυρί᾿ Ἀχαιοῖς ἄλγε᾿ ἔθηκε,
(Bezing de wrok, Godin, van Peleus’ zoon Achilleus,
zijn moordende wrok, die de Achaeërs (Grieken. red.) talloze rampen bezorgde)
Bannelingen
Van die rampen en van latere ellende voor het volk wist Theodorakis uiteraard nog niets op 29 juli 1925. Die dag werd hij geboren op het Griekse eiland Chios, vlak bij de Turkse kust. Zijn ouders waren daar beland als vluchtelingen en dat vergt een beetje uitleg. Zijn vader, Giorgis Theodorakis, kwam uit het dorp Galatas bij Chania op Kreta. Op zijn zestiende meldde hij zich als vrijwilliger bij de Griekse troepen die in de winter van 1912 samen met de Serviërs en Bulgaren vochten om de Turken uit hun landen te verdrijven. In 1919 belandde Giorgis, inmiddels jurist en ambtenaar, in Smyrna (nu Izmir). Die stad ligt in Klein-Azië, de westelijke kuststrook van Turkije, waar al sinds de Oudheid Grieken woonden. In Smyrna kreeg Giorgis een relatie met Aspasia Poulakis, dochter van een Griekse familie in Krini (Tsesme in het Turks), zo’n tachtig kilometer van Smyrna.
Uit wraak voor hun verdrijving van de Balkan richtten de Turken in september 1922 onder de Grieken in Smyrna een bloedbad aan. Giorgis en Aspasia vluchtten naar het Griekse eiland Syros en belandden via diverse andere eilanden op Chios, waar de familie van Aspasia een goed heenkomen had gezocht. Ze trouwden er in 1924. Een jaar later werd hun oudste zoon geboren: Mikis. In 1932 volgde broertje Yannis, die journalist en dichter zou worden.

Jonge jaren
In Mikis’ jonge jaren wisselde zijn vader als ambtenaar nogal eens van standplaats. Van Chios trok het gezin naar Mytilene, Ioannina, Argostoli, Patras, Pyrgos en ten slotte naar Tripoli op de Peloponnesos. Muzikale invloed onderging Mikis al heel jong. Zijn oma van moederskant bracht hem in contact met de byzantijnse kerkmuziek, zijn moeder zong voor hem onder meer melancholische vluchtelingenliederen, terwijl zijn vader zijn aandacht vestigde op ‘ritzitika’, traditionele liederen van West-Kreta. Ook de Italiaans geïnspireerde liederen van de Griekse Ionische eilanden leerde hij kennen.
Op zijn elfde wilde hij heel graag een viool hebben, maar zijn ouders hadden er geen geld voor. Een jaar later, in 1937 in Patras, kwam het instrument er alsnog. Ook had Mikis toen een Hohner-mondharmonica. Eveneens in Patras bezocht hij een muziekschool, waar hem het notenschrift werd geopenbaard. Nog datzelfde jaar, Mikis was twaalf, schreef hij zijn eerste lied. Het was de eerste compositie van wat er vele honderden zouden worden, hier en daar wordt zelfs gerept over ruim duizend – uiteenlopend van liederen tot opera’s. Volgens de meeste bronnen verzorgde hij op zijn zeventiende, in Tripoli, zijn eerste concert. Maar aan zijn biograaf Guy Wagner vertelde hij zelf in 1994 dat het al iets eerder was, in Pyrgos namelijk met een groepje vrienden, ‘met vier tot zes harmonica’s’.

Lid van het Nationale Bevrijdingsfront
In 1940 werd Griekenland betrokken bij de Tweede Wereldoorlog. Het Griekse leger wist de Italiaanse troepen terug te dringen, maar toen de Duitsers de Italianen kwamen helpen, was er geen houden meer aan. Vanaf mei 1941 was Griekenland bezet door Italianen, Duitsers en een klein stukje door hun bondgenoot Bulgarije. Op 27 september 1941 volgde op initiatief van de Communistische Partij van Griekenland (KKE) de oprichting van het Nationale Bevrijdingsfront (EAM), dat al snel een gewapende tak kreeg, het Griekse Volksbevrijdingsleger (ELAS).

Niet veel later werd hij in Tripoli nog een paar keer opgepakt en mishandeld. De laatste keer had hij geluk. Hij viel in handen van politiegeneraal Festuccio, die in een zak van Mikis een stemvork vond. Festuccio was muziekliefhebber en zei niet alleen anti-communist te zijn maar ook anti-fascist. Hij liet Mikis naar Athene brengen, waar deze werd vrijgelaten en kon intrekken bij zijn oom Andonis. Hij werd lid van EPON, de jeugdbeweging van bevrijdingsfront EAM. Daar ontmoette hij geneeskunde-studente Myrto Altinoglou, zijn latere echtgenote. Ook schreef hij zich in bij het conservatorium, waar hij compositielessen ging volgen.
Half oktober 1944 trokken de Duitsers en hun bondgenoten zich uit Griekenland terug, waarna de eerste Britse troepen arriveerden. De Geallieerden hadden afgesproken dat Griekenland hoofdzakelijk (voor 90 procent) in de invloedssfeer zou vallen van de Britten, die hun machtpositie in het oostelijke deel van de Middellandse Zee wilden handhaven. De Britten eisten ontwapening van de linkse partizanen, op wie ook jacht werd gemaakt door rechtse en neonazistische Griekse organisaties.

Ontwaken in een lijkenhuis
Tijdens een grote linkse demonstratie op 29 maart 1946 in Athene, waarbij hij een leidende rol speelde, nam de politie Theodorakis zwaar te pakken. Met zijn voor een Griek uitzonderlijke lengte van 1,96 meter viel hij ook nogal op. Onder vrienden stond hij bekend als ‘ο ψηλός (ho psilos, de lange). Hij eindigde bewusteloos op de grond. De kranten meldden zelfs: een dode. Inderdaad was Theodorakis afgevoerd naar een lijkenhuis. Toen hij daar bijkwam, kroop hij naar de deur, waarna EPON-makkers hem bevrijdden.
De crisis verergerde en liep uit op een burgeroorlog die duurde tot oktober 1949. Die jaren gingen Theodorakis, zacht gezegd, niet inde koude kleren zitten. Diverse keren werd hij opgepakt, op diverse plekken gevangen gehouden, waaronder een concentratiekamp op het eiland Makronissos. Later schreef hij: “Ik zag geopende schedels, bloedige genitaliën, kapotgeslagen gezichten.” Ook zelf werd hij er gemarteld. Meer dood dan levend belandde hij in een Atheens ziekenhuis, waar het twee maanden kostte om hem weer enigszins op te lappen.

Parijs
Al snel na de burgeroorlog rondde hij in 1950 het conservatorium in Athene cum laude af. Vervolgens moest hij zijn dienstplicht vervullen. Pas begin 1952 was hij weer vrij man. Hij en Myrto trouwden op 18 maart 1953. Beiden kregen een Franse beurs om in Parijs verder te studeren: Myrto radiologie bij de Fondation Curie, Mikis aan het conservatorium. In november 1954 vertrokken ze naar de Franse hoofdstad.

In 1960 keerden Mikis en Myrto, inmiddels ouders van Margarita Aspasia (1958) en Giorgos Orestes (1960), terug naar Griekenland. Theodorakis zorgde daar al snel voor een muzikale doorbraak. Hij was, aldus zijn biograaf Guy Wagner, bij een splitsing van wegen gekomen.
Mikis weet dat hij nu muziek voor het volk moet schrijven, niet voor een elite.
Het leidde allereerst tot de liederencyclus ‘Epitafios’ (Grafschrift) op grond van het gelijknamige boek van Yammis Ritsos. De eerste voor een grammofoonplaat vastgelegde versie, met de zoetgevooisde zangeres Nana Mouskouri, beviel Theodorakis niet. Hij liet het opnieuw doen, met zanger Grigoris Bithikotsis en met gebruikmaking van ‘het instrument van het lompenproletariaat’, de bouzouki. Dat sloeg aan. Die tweede versie werd enorm populair, over de eerste had niemand het meer.
Zorba’s Dance in de film uit 1964.
Twaalf films
De paar jaar die volgden, behoorden tot Theodorakis’ productiefste. Zo schreef hij de muziek voor liefst twaalf films, waaronder ‘Zorba de Griek’ (1964) met daarin, wereldberoemd geworden, ‘Zorba’s Dance’. Ook maakte hij naam met de muziek bij theaterproductie ‘The Hostage’ (De Gijzelaar) van de Ierse dichter en (toneel)schrijver Brendan Behan. ‘The Hostage’ gaat over de Ierse vrijheidsstrijd tegen de Britten, waarin het Griekse publiek veel herkende. In 1965 en 1966 werkte Theodorakis aan de befaamd geworden ‘Mauthausen-cyclus’, genoemd naar het beruchte nazi-concentratiekamp in Oostenrijk. Voor die liederen gebruikte hij teksten van holocaust-overlevende Iakovos Kambanellis.

Voor Nederland zit hieraan nog een vermeldenswaardig kantje. Naar verluidt op initiatief van krantencolumnist Nico Scheepmaker bezocht Theodorakis in 1966 in Scheveningen een voorstelling van cabaretgroep Shaffy Chantant, met onder anderen Liesbeth List. Het leidde tot een samenwerking van de componist en de zangeres, uitmondend in de langspeelplaat Liesbeth List zingt Theodorakis (1969). Op de ene kant staan liederen uit de ‘Mauthausen-cyclus’, waarvan Lennaert Nijgh de vertaling verzorgde, op de andere kant door Cees Nooteboom vertaalde liederen uit ‘The Hostage’.
‘Liesbeth List zingt Theodorakis’
Politieke onrust
Na Theodorakis’ terugkeer vanuit Parijs in Griekenland was de politiek daar behoorlijk chaotisch. Na de verkiezingen van 1961 werd de conservatief Konstantinos Karamanlis (opnieuw) minister-president. Vooral jongeren liepen tegen diens regering te hoop. Ze eisten meer geld voor onderwijs. De oppositie was echter verdeeld. De liberaal Georgios Papandreou en zijn Centrumunie (EK) weigerden samenwerking met Verenigd Democratisch Links (EDA). Binnen EDA hadden communisten leidende functies. De top van de communistische partij KKE bevond zich in het buitenland en wist niet precies wat zich in Griekenland afspeelde. Daarom vormde de KKE een Binnenlandbureau, maar dat liep – aanvankelijk – aan de leiband van het politbureau in ballingschap. In de EDA-boezem waren diverse organisaties gevormd, zoals een door Theodorakis opgezette cultuurbeweging. Ook was er het Comité voor Ontwapening en Vrede. Leider daarvan was de met Theodorakis bevriende arts Grigoris Lambrakis. Onder de jeugd was Lambrakis zeer populair.

Bij Lambrakis’ uitvaart in Athene was een half miljoen mensen op de been. Overal verscheen de letter Z – in modern Grieks uitgesproken als ‘zi’, wat ook betekent: ‘hij leeft’. Onder druk van de ontstane crisis trad premier Karamanlis af en vertrok naar Frankrijk. Op 4 juni 1963 stichtten wetenschappers, jongeren, intellectuelen, journalisten en arbeiders de ‘Democratische Jeugdbeweging Grigoris Lambrakis’ (DNL). Theodorakis werd voorzitter en koos als symbool de letter Z. Doel van de ‘Lambrakiden’: vernieuwing van het sociale en culturele leven in Griekenland. ‘Z’ was ook de titel van de film die regisseur Konstantinos Costa-Gavras in 1969 maakte als aanklacht tegen de toenmalige Griekse dictatuur. Theodorakis schreef er de muziek voor.
Kolonelsregiem
Bij de verkiezingen van 16 februari 1964 werd Theodorakis parlementslid. Van de kandidaten op de EDA-lijst had hij de meeste stemmen vergaard. De politieke crisis hield aan. Rechts vreesde dat links bij volgende verkiezingen de meerderheid zou kunnen halen. Theodorakis voorzag rampspoed en stelde sociaaldemocraat Andreas Papandreou (zoon van bovengenoemde liberaal Georgios Papandreou) voor een ‘patriottisch front’ te vormen tegen de dreiging van uiterst rechts. Het kwam er niet van, maar Theodorakis’ vrees werd bewaarheid: op 21 april 1967 in alle vroegte rolden tanks door Athene, militairen hielden razzia’s aan de hand van ‘zwarte lijsten’. Zo begon het berucht geworden kolonelsregiem onder aanvoering van Giorgios Papadopoulos, artilleriekolonel en verbindingsman tussen de Griekse inlichtingendienst en de Amerikaanse CIA.

Op 1 juni 1967 werd Legerbevel nr. 13 uitgevaardigd: “Wij verbieden voor het hele land a) muziek en liederen van de componist Mikis Theodorakis (…) te verspreiden of te spelen (…).” Een wrange grap ging in de jaren van dictatuur rond onder Grieken in het buitenland. Tijdens zijn ronde op straat neuriet een Atheense politieman een verboden lied van Theodorakis. Een voorbijganger hoort het en spreekt de politieman aan: “Ik ben verbaasd dat u Theodorakis neuriet”. Waarop de agent de man arresteert, omdat deze heeft geluisterd naar verboden muziek van Theodorakis.
Verbanning
Op 21 augustus 1967 werd Theodorakis gearresteerd. Internationale schrijvers, musici en componisten eisten zijn vrijlating. Eind januari 1968 kondigde Papadopoulos een amnestie af, waardoor ook Theodorakis vrij kwam. Hij verkaste van Athene naar zijn buitenhuis in Vrachati, aan de Golf van Korinthe. Daar stortte hij zich op componeren. In september 1968 werd hij verbannen naar het bergdorpje Zatouna op de Peloponnesos. Hij had er huisarrest, maar wist wel berichten naar buiten te smokkelen en te ontvangen.
Kort voor zijn verbanning waren op 21 augustus 1968 troepen van het Warschaupact Tsjechoslowakije binnengetrokken om de Praagse Lente de nek om te draaien. Het Binnenlandbureau van de KKE en Theodirakis’ EDA protesteerden, het KKE-politbureau in het buitenland, geleid door Kostas Koligiannis, koos de kant van Moskou. Op 26 oktober 1969 werd Theodorakis opgesloten in strafkamp Oropos bij Athene. Op 25 maart 1970 lukte het hem een verklaring naar buiten te smokkelen die kranten in de hele wereld haalde. Hij hekelde de orthodoxe KKE-leiding van Koligiannis. Die schaadde volgens hem het verzet tegen het kolonelsbewind. “Ik roep alle communistische partijen die de groep Koligiannis steunen op, in het bijzonder de Communistische Partij van de Sovjet-Unie, hun houding ten opzichte van de progressieve beweging van Griekenland te herzien”, aldus Theodorakis.
Ook stiekem in kamp Oropos gemaakte foto’s van de door tuberculose getroffen en danig uitgeteerde Theodorakis bereikten de internationale pers. Er volgde een storm van protest, aangevoerd door beroemdheden als Dmitri Sjostakovitsj, Laurence Olivier, Harry Bellafonte en Yves Montand. Uiteindelijk wist de centrumrechtse Franse politicus Jean-Jacques Servan Schreiber door te dringen tot juntaleider Papadopoulos. Theodorakis kwam vrij en landde op 13 april 1970 op de Parijse luchthaven Le Bourget. Een week laten arriveerden ook zijn vrouw en kinderen in Frankrijk.
Een nationale verzetsraad

Dat laatste klonk nogal vaag. Net zo weinig concreet was de stelling in zijn essay-boek ‘Culture et dimensions politiques’ dat de eenheid van massabeweging en cultuurbeweging zou leiden tot een verandering van de maatschappelijke structuren en het bewustzijn. Duidelijker was zijn standpunt dat het Griekse volk economisch en politiek onafhankelijk moest zijn van de twee grote ideologische kampen, aangevoerd door de Verenigde Staten en de Sovjet-Unie.
Na zijn aankomst in Frankrijk bereisde Theodorakis tal van landen, waar hij honderden concerten gaf en zich uitsprak tegen de Griekse dictatuur. Voor zover hij dat nog niet was, werd hij daarmee hét gezicht van het verzet tegen het kolonelsregiem. Hij werd ontvangen door de presidenten Nasser (Egypte), Tito (Joegoslavië) en Mitterrand (Frankrijk) en door de Palestijnse leider Arafat.

Terugkeer in Griekenland
Met componeren ging hij intussen door. Hij ontmoette de Chileense dichter Pablo Neruda en begon diens grote Latijns-Amerikaanse epos in verzen ‘Canto General’ (1950) op muziek te zetten. De première was voorzien in de derde week van september 1973 in Santago de Chile. Het ging niet door doordat op 11 september ook in Chili militairen de macht grepen.
Door onder meer het conflict met Turkije over Cyprus raakte het kolonelsbewind steeds dieper in crisis. Op 23 juli 1974 maakte de Griekse radio bekend dat de strijdkrachten hadden besloten de regeringsmacht over te dragen aan een burgerregering. Op 25 juli vloog Theodorakis als een van de eerste ballingen terug naar Athene en werd er met gejuich ontvangen.
Aanvoerder van de burgerregering werd de conservatief Konstantinos Karamanlis, die al eerder premier was geweest. Met zijn nieuwe Panhelleense Socialistische Partij (PASOK) ging Andreas Papandreou fel in de aanval, omdat hij Karamanlis niet vertrouwde. Theodorakis vond dat riskant. Kon dat geen nieuw ingrijpen van het leger uitlokken? Theodorakis formuleerde het zo: “Karamanlis of de tanks”. Vanuit linkse hoek was de kritiek daarop niet mals.
De verkiezingen van 8 november 1974 leverden Karamanlis’ nieuwe christendemocratische partij Nea Dimokratia de absolute meerderheid van de stemmen op, de PASOK kwam tot 13,6 procent. Theodorakis was kandidaat namens Verenigd Links (een soort lijstverbinding van zijn EDA en de binnenlandse en buitenlandse KKE-takken). Hij werd niet gekozen, want in zijn kiesdistrict won een orthodoxe communist. Dat was voor hem het sein de politiek de rug toe te keren. Nou ja, op 15 oktober 1978 deed hij toch nog een keertje mee, als onafhankelijk kandidaat bij de burgemeestersverkiezingen in Athene – met steun van de KKE die hem eerder zo vaak zwart had gemaakt, maar die hij toch bij een breed links bondgenootschap had willen betrekken. In de eerste stemronde viel hij af met 16 procent van de stemmen. Zijn pleidooi voor een links blok rond de KKE kwam hem opnieuw op veel kritiek te staan. ‘Verbitterd’, zoals hij zelf zei, ging hij in oktober 1980 weer in Parijs wonen.

Componist én parlementariër
Hij kon het echter niet laten. Al in 1981 was hij terug in Griekenland. Bij de parlementsverkiezingen van 18 oktober was hij onafhankelijk kandidaat namens de KKE. Dat wil zeggen: hij stond wel op de communistische kandidatenlijst, maar was geen partijlid. En jawel, hij werd parlementariër. De door Theodorakis zo gewenste samenwerking tussen Papandreou’s PASOK (de winnaar van de verkiezingen) en de KKE bleef echter uit. Alweer teleurgesteld ging hij meer tijd besteden aan muziek.
In 1982 wierp Theodorakis zich op symfonische muziek en ook – opmerkelijk voor iemand die zichzelf eerder ‘goddeloos’ noemde en inmiddels ‘agnost’ – op byzantijnse liturgische composities. Bij dat laatste zorgde hij voor een novum: in zijn ‘Requiem’ schreef hij voor dat een vrouwenstem moest worden gebruikt. Hij was en bleef nu eenmaal de componist die de Griekse muziek wilde vernieuwen.

Intussen werkte hij verder aan symfonieën en begon zelfs aan een opera. Grappig is dat hij na zijn eerste symfonie de zevende afrondde en daarna de vierde. Componist Giorgos Katsaros had eens gevraagd waarom Theodorakis zich liet dwingen door de cijfervolgorde, hij kon toch best meteen zijn twintigste symfonie schrijven? Aangezien hij toch met diverse symfonieën tegelijk bezig was, sprak die opmerking hem wel aan en kwam Theodorakis dus eerst met zijn zevende en daarna met zijn vierde symfonie. In 1985 begon hij aan zijn eerste opera, ‘Kostas Karyotakis’, die op 11 mei 1987 in Athene in première ging.
Verzoening met Turkije
In 1986 deed Theodorakis iets dat tot veel verbazing en tegenstand leidde: hij stichtte de ‘Grieks-Turkse Vriendschapsmaatschappij’. Gezien de vijandschap tussen de twee landen die nog was verergerd door de in 1974 ontbrande Cyprus-crisis was dat een opmerkelijke stap. In Istanbul gaf Theodorakis enkele concerten, voornamelijk bijgewoond door Turkse jongeren. Door het overbrengen van boodschappen was hij tevens de wegbereider van de topontmoeting tussen de premiers Andreas Papandreou en Turgut Özal op 30 januari 1988 in het Zwitserse Davos.
‘Griekse verrader’
In april 1989 deed hij een zo mogelijk nog opmerkelijker politieke zet. Hij ontmoette de centrumrechtse Nea Dimokratia-voorman Mitsotakis en stelde voor de regering-Papandreou (PASOK) te vervangen voor een uit links en rechts samengestelde regering voor zes maanden. Maar rechts vertrouwde hem niet en links maakte hem uit voor verrader. De afschuw ter linkerzijde werd er niet minder op toen Theodorakis voor de verkiezingen van november 1989 als onafhankelijk kandidaat verscheen op de lijst van Nea Dimokratia. Na nieuwe verkiezingen in april 1990 vormde Mitsotakis een kabinet met daarin als minister zonder portefeuille… Mikis Theodorakis. Zelf sprak hij over ‘een coalitie in landsbelang’. Ook zei hij:
Ik heb in mijn leven geleerd (…) dat alleen de zwakken en angstigen het compromis afwijzen.
Voorts: “Ik ben links en blijf dat. Als ik niet links ben, dan is niemand links’’. PASOK-leider Papandreou noemde Theodorakis niet alleen een verrader, maar ‘de grootste verrader in tweeduizend jaar Griekse geschiedenis’.

Latere jaren
Daarna werd het stiller rond de beroemde componist. Wel had hij al in 1991 zijn tweede opera, ‘Medea’, afgerond. En op verzoek van voorzitter Juan Antonio Samaranch van het Internationaal Olympisch Comité had hij zijn ‘Canto Olympico’ geschreven als nieuwe hymne voor de Olympische Spelen in Barcelona (1992). Drie opera’s zouden nog volgen: ‘Elektra’ (1995), ‘Antigone’ (1999) en ‘Lysistrata’ (2002). Zijn laatste muziek schreef hij voor de film ‘Reclycling Medea’ (2013) van regisseur Asteris Koutoulas.
Af en toe bemoeide hij zich nog met de politiek. Zo sprak hij zich in 1999 uit tegen de Kosovo-oorlog en in 2003 tegen de Amerikaanse invasie in Irak. Het voormalige Joegoslavië was uiteengevallen, delen ervan werden zelfstandige staten. Een daarvan, met Skopje als hoofdstad, zou Macedonië heten. Dat viel slecht bij de meerderheid van Grieken, vooral bij politiek rechts en uiterst rechts. De naam Macedonië was Grieks en moest dat blijven, vonden velen. Macedonië is een provincie in Noord-Griekenland, punt. Uiteindelijk ging de republiek van Skopje in 2019 Noord-Macedonië heten. Maar voor het zover was, werd op 4 februari 2018 in Athene een grote manifestatie gehouden. Gezeten in een rolstoel sprak Theodorakis de menigte toe: “Er is maar één Macedonië, dat was en is en blijft Grieks!’’ Een auteur in De Groene Amsterdammer meende:
(…) een legendarische linkse loopbaan (is) besmet geraakt. Mikis Theodorakis is rechts geworden.

In 2019 kreeg Theodorakis vanwege hartproblemen een pacemaker. Op 2 september 2021 overleed hij, thuis in Athene, aan een hartstilstand. Hij was 96 jaar. Per schip werd zijn stoffelijk overschot overgebracht van Pyraeus naar Chania op Kreta. In Galatas werd hij volgens zijn eigen wens begraven naast zijn ouders en zijn in 1996 overleden broer Yannis.
– Margreet Fogteloo: Het einde. Mikis Theodorakis, 29 juli 1925 – 2 september 2021, in: De Groene Amsterdammer, 8 september 2021.
– Edward Geelhoed: Mikis Theodorakis is rechts geworden. In: De Groene Amsterdammer, 29 maart 2018.
– Gail Holst-Warhaft: Mikis Theodorakis obituary, in: The Guardian, online 2 september 2021.
– Robert D. McFadden: Mikis Theodorakis, ‘Zorba’ Composer and Marxist Rebel, Dies at 96. In: The New York Times, 3 september 2021.
– Royal Ballet & Opera Collections: Antigone. (https://www.rohcollections.org.uk)
– Wenneke Savenije: Voor even kwam Mikis Theodorakis (1925-2021) weer tot leven in PHIL. In: De Nieuwe Muze, online 4 oktober 2025.
– Petra Steenhoff: Mikis Theodorakis: een Grieks leven vol muziek en politiek engagement. In: NOS Nieuws, online 2 september 2021.
– TheaterEncyclopedie: Mikis Theodorakis.
– Marjoleine de Vos: De Grieken hebben de componist Mikis Theodorakis. Alle reden om ze te benijden, In: NRC, online 21 juli 2025.
– Guy Wagner: Mikis Theodorakis. Ein Leben für Griechenland (Schouweiler 1995).
– Wikipedia: Μίκης Θεοδωράκης. https://el.wikipedia.org/wiki/%CE%9C%CE%AF%CE%BA%CE%B7%CF%82_%CE%98%CE%B5%CE%BF%CE%B4%CF%89%CF%81%CE%AC%CE%BA%CE%B7%CF%82

Muziek van de oude Grieken
De vernietiging van Smyrna (1922)
Staatsgreep Griekenland 1967: Hoe de kolonels de macht grepen
Wie won het Songfestival? Alle winnaars sinds 1956 op een rij
Toots Thielemans – Belgische mondharmonicaspeler
Het volkslied van Algerije – Kassaman